|
HET GEZAG EN DE HANTERING VAN DE BELIJDENISGESCHRIFTEN (geheel)
1. Waarde
2. Oorsprong
3. Functies
4. Omvang
5. Verhouding tot de Heilige Schrift
6. Gezag
7. Binding
8. Aard van de binding
9. Bedoeling van de binding
10. Formulering en substantie
11. Fundamenteel en niet fundamenteel
12. Toetsing en wijziging mogelijk
13. Recht van gravamen
14. De vrijheid van profetie
15. Buitenlandse confessies
16. Tolerantie en loyaliteit
17. Leertucht
18. Beslissende instantie
|
HET GEZAG EN DE HANTERING VAN DE BELIJDENISGESCHRIFTEN (geheel) |
1 Waarde
De Gereformeerde Kerken in Nederland hebben als haar belijdenisgeschriften: de apostolische geloofsbelijdenis, de geloofsbelijdenis van Nicea, de geloofsbelijdenis van Athanasius, de Nederlandse geloofsbelijdenis, de Heidelbergse catechismus en de Dordtse leerregels. Deze geschriften hebben een bijzondere waarde. De kerk aanvaardt ze als een goede en betrouwbare samenvatting van wat zij naar de Schriften gelooft en belijdt. En zij merkt tot op de dag van vandaag, dat de leer van Gods Woord mede via deze geschriften heilzaam en krachtig onder de mensen werkt.
2 Oorsprong
De belijdenisgeschriften zijn menselijke geschriften. Zij komen niet voort uit eenzelfde goddelijke werking als waardoor de Heilige Schrift is ontstaan. Maar de kerk erkent wel de leiding van Gods Geest en Woord in het tot stand komen en kerkelijk aanvaarden van die geschriften. Dat ze er zijn en dat ze instemming vinden is te danken aan God de Heilige Geest. Hij is het, die de kerk naar de belofte van Christus in de waarheid leidt en die haar tot belijden brengt. De 'klank' van Gods openbaring en de 'weerklank' van het gelovig belijden van de kerk zijn te danken aan Gods ene Geest.
3 Functies
De belijdenisgeschriften hebben verschillende functies. De kerk geeft daarin lofprijzend haar instemmend antwoord op Gods openbaring in de Schriften. Zij geeft daarin publiek in de wereld getuigenis van haar geloof. Zij spreekt daarin zowel voor haar eigen leden als voor zusterkerken en ook voor hen die buiten staan uit wat ze gelooft, wat ze verkondigen wil en wat ze als de zuivere leer wil handhaven. Zij vat de christelijke leer daarin samen om die door te geven in haar onderwijs aan de jeugd van de kerk. Zij formuleert daarin de gezonde leer tegenover en met afwijzing van allerlei dwaling en ketterij. Zij brengt daarin onder woorden, wat de gemeenschappelijke geloofsinhoud is, op basis waarvan plaatselijke kerken van Christus als in één lichaam met elkaar willen samenleven en samenwerken.
4 Omvang
In vier van de zes belijdenisgeschriften wordt heel de leer van de verlossing in het kort weergegeven. De twee andere belijdenissen (die van Athanasius en de Dordtse leerregels) concentreren zich vooral op enkele belangrijke thema's uit de geloofsleer. Maar steeds geldt, dat de confessies alleen de hoofdlijnen van de leer onder woorden brengen. Lang niet alles wat er vanuit de Schriften te zeggen zou zijn, staat er in. Deze beknoptheid maakt in de kerk een algemene instemming des te meer mogelijk en nodig. Ze laat bovendien ruimte voor nadere uitwerking en ontwikkeling van gedachten en voor het in verschillende tijden en situaties plaatsen van verschillende accenten.
5 Verhouding tot de Heilige Schrift
In de belijdenisgeschriften wordt voortdurend geput uit de Heilige Schrift. Zij spreken die voortdurend na. Ze geven daarbij niet een mechanische recitatie en reproductie van de Schrift, maar ze wèrken met de Schrift. Ze verwerken de door God geopenbaarde leer in een vorm, waarin mede een bepaalde tijd en situatie te herkennen zijn. Zo zijn de confessies een beknopte respons op en een schriftelijke samenvatting van de leer die in de 66 boeken van het Oude en Nieuwe Testament ons geleerd wordt.
Van de uitspraken van de confessies kan steeds worden aangetoond, hoe ze teruggaan op de Heilige Schrift. Ze moeten ook altijd worden uitgelegd in het licht van de Schriften. Voor het vaststellen van de betekenis en de reikwijdte van de belijdenis is niet de mening van de opstellers, maar steeds de fundering in de Schrift beslissend.
De belijdenisgeschriften hebben hun kracht en waarde alleen doordat Gods Woord er in wordt nagesproken. Gods openbaring is er van artikel tot artikel in herkenbaar. De belijdenissen kunnen nooit de Schriften vervangen. Dat is ook niet de bedoeling ervan. De kerk wil in haar confessies juist het venster op de Schriften openen en de gelovigen met de inhoud daarvan vertrouwd maken.
De kerken hebben in art. 7 NGB uitgesproken, dat men geen geschriften van mensen op één lijn mag stellen met de goddelijke Schriften. Daarom zullen ze er steeds tegen waken, dat in de kerk de belijdenisgeschriften de Heilige Schrift zouden overvleugelen of in de schaduw stellen. Met haar gelovig belijden mag de kerk de klank van het Woord van God wel opvangen en doorgeven, maar niet overstemmen.
Wanneer iemand kritische vragen stelt over enig punt van de in de belijdenis vervatte leer, zullen wij hem niet eenvoudig verwijzen naar die belijdenis. We zullen ons dan beijveren hem -- in aansluiting bij de confessie -- te overtuigen uit de Heilige Schrift. De belijdenis is immers altijd appellabel aan de Heilige Schrift.
6 Gezag
De belijdenisgeschriften staan niet op één lijn met de Heilige Schrift. Maar gezien het onder 1 tot 5 genoemde mag men tussen de Schrift en de belijdenissen geen scheiding en tegenstelling maken. Aan de nauwe samenhang en inhoudelijke overeenstemming tussen Schrift en belijdenis wordt geen recht gedaan, wanneer men eenzijdig benadrukt, dat de belijdenissen maar mensenwerk zijn. In de gereformeerde theologie worden daarom zowel de Schrift als de belijdenisgeschriften 'norma' genoemd: de Schrift 'norma normans' (normerende norm) en de belijdenis 'norma normata' (genormeerde norm).
Aan het gezag van de belijdenisgeschriften zitten een inhoudelijke en een formele kant. Hun inhoudelijk gezag komt voort uit de substantiële overeenstemming met de Schriften. Hun formele en kerkrechtelijk vastgelegde gezag vindt zijn oorsprong in het besluit van de kerken om deze geschriften te aanvaarden en te hanteren als gezaghebbend. Het formele gezag bestaat niet anders dan op basis van het inhoudelijke gezag. Die twee zijn voortdurende met elkaar verweven. Daarom is het ook niet vreemd, wanneer men zich in de kerk op de belijdenis beroept als op een gezaghebbende instantie.
7 Binding
Gemeenteleden en ambtsdragers zijn in de kerken aan de belijdenisgeschriften gebonden. Het feit dat in de gereformeerde liturgische formulieren de geloofsbelijdenissen van Nicea en Athanasius en de drie formulieren van eenheid niet met zo veel woorden worden genoemd, wettigt niet de conclusie dat men daar niet aan gebonden is. Er is in de kerken ook niet een tweeërlei binding: een minimale voor 'gewone' gemeenteleden en een maximale voor ambtsdragers. De 'leer die hier in de christelijke kerk geleerd wordt' is voor ieder in de kerk -- hoe zeer ook ieders positie, gaven en verantwoordelijkheden kunnen verschillen -- geen andere leer dan die men vindt in alle zes belijdenisgeschriften die de Gereformeerde Kerken als de hare hebben aanvaard.
De gemeenteleden zullen de binding aan de leer van de Schriften aanvaarden wanneer ze bij hun openbare geloofsbelijdenis ja zeggen op de vraag, of zij belijden, dat de leer van het Oude en Nieuwe Testament, die in de Apostolische Geloofsbelijdenis is samengevat en ter plaatse in de christelijke kerk geleerd wordt, de ware en volkomen leer van de verlossing is.
De ambtsdragers zullen zich nog eens nadrukkelijk binden aan de leer van Gods Woord door het ja-woord bij hun bevestiging in het ambt. Zij verklaren dan dat zij de Schriften van het Oude en Nieuwe Testament aanvaarden als het enige Woord van God en de volkomen leer van de verlossing, en dat zij alles verwerpen wat daarmee in strijd is. Deze verklaring en belofte zullen zij bij de aanvaarding van hun ambt op een speciale manier bevestigen door ondertekening van een door de kerken vastgesteld ondertekeningsformulier. Zij zullen daarmee voor het aangezicht van de Here oprecht en met een goed geweten als hun hartelijke overtuiging uitspreken, dat de leer van de drie formulieren van eenheid in alle delen geheel met Gods Woord overeenstemt. Met hun ja-woord en hun ondertekening binden ze zich aan die leer voor heel hun ambtswerk.
De Gereformeerde Kerken willen graag blijven bij de geldende stipulaties in de liturgische formulieren, bij de afspraak van art. 53 KO en bij de vastgestelde ondertekeningsformulieren. In het verlengde daarvan zijn haar ambtsdragers en gemeenteleden geroepen tot trouw aan het eens gegeven woord.
8 Aard van de binding
De binding aan de belijdenisgeschriften is onbekrompen en ondubbelzinnig. Ze zal geen louter formele of uitwendige binding mogen zijn, maar altijd een door liefde tot God en tot de leer der zaligheid en een evenzeer door liefde tot de naaste ingegeven binding. Het is goed om bij die binding altijd het hartelijke en vrijwillige karakter ervan te benadrukken. Het is niet een koude en formele binding, maar een binding in geloof en liefde.
De binding bedoelt verder geen binding te zijn aan de belijdenisgeschriften op zichzelf, maar aan de leer van de Schriften die daarin betrouwbaar verwoord wordt. In de wijze waarop de kerken de binding formuleren en hanteren dient dit tot uitdrukking te komen.
9 Bedoeling van de binding
Met de binding aan de belijdenis hebben de kerken een bedoeling. Het is een middel, dat de gemeente als totaal en ieder persoonlijk helpen moet om te blijven bij de gezonde leer. Het helpt om de eenheid van het ware geloof te bewaren. Het dient als bescherming tegen infectie met dwaalleer en tegen een onevenwichtig benadrukken van sommige leerstukken. Het houdt de enkeling op zijn/haar plaats in de gemeenschap. En het houdt ons allen samen op onze plaats in de eeuwenoude en wereldwijde gemeenschap met heel de katholieke kerk.
Met name de binding voor de ambtsdragers is een krachtig middel om de gemeente die door hen onderwezen en geleid wordt, te beschermen tegen allerlei wind van leer, tegen persoonlijke voorkeuren en eenzijdigheden en tegen incidentele particuliere inzichten. Leervrijheid voor de predikant betekent immers hoordwang voor de gemeente.
10 Formulering en substantie
Men onderscheidt ten aanzien van de belijdenisgeschriften wel tussen formulering en substantie. Met 'formulering' annex de 'betoogtrant' bedoelt men dan de eventueel voor correctie vatbare bewoordingen en zinnen waarin de bijbelse leer is samengevat. Met 'substantie' bedoelt men de 'inhoud' van die leer, de 'stukken der leer', de leer zelf.
Dit onderscheid kan in de kerk beperkt dienst doen. Het kan dienen als een hulplijn om af te weren een hanteren van de belijdenis waarbij men doet alsof van woord tot woord en in alle punten en komma's een belijdenisgeschrift onovertrefbaar is geformuleerd. Het kan ook dienen om onderscheid te maken tussen een kritiek die de in de belijdenis vervatte leer zakelijk onveranderd wil handhaven, maar daarvoor een betere formulering en/of onderbouwing aandraagt, en een kritiek waarin men in feite op enig onderdeel een zakelijk andere leer-inhoud voorstelt. Het onderscheid tussen 'formulering' en 'substantie' kan echter ook worden misbruikt. Dan dient men kritiek op een passage uit de belijdenis aan als 'slechts kritiek op een formulering', terwijl er in werkelijkheid meer aan de hand is. Men maakt zich dan wel degelijk los van de substantie van een leerstuk of leert wezenlijk iets anders dan de belijdenis zegt.
De zakelijke inhoud van de belijdenis is zodanig verweven met en vervat in 'formuleringen' en 'betoogtrant', dat het onderscheid altijd voorzichtig dient te worden gehanteerd. Het zijn uiteindelijk de kerken zelf die in haar vergaderingen beoordelen en uitmaken of in iemands spreken en/of schrijven alleen een formulering of ook de zakelijke inhoud in geding is.
11 Fundamenteel en niet fundamenteel
Men wil in de belijdenisgeschriften wel eens onderscheiden tussen fundamentele en niet-fundamentele stukken of tussen centrum en periferie. Deze onderscheidingen zijn alleen bruikbaar als termen om aan te duiden, dat er in de Schrift en zo ook in de belijdenis een bepaald 'reliëf' en 'niveauverschil' is. Niet elk detail van wat ons in de Schriften is bekendgemaakt, heeft eenzelfde gewicht. Het is wel alles ten volle openbaring van God met het oog op onze verlossing. Maar het ene ligt dichter bij het hart en centrum van de bijbelse leer en van het christelijk geloof dan het andere.
In de genoemde zin is de onderscheiding aanvaardbaar. We moeten evenwel bedenken, dat ze voor de belijdenissen toch minder bruikbaar is. In de belijdenissen hebben we immers al te maken met een 'hoofdsom', waarin de hoofdzaken van de bijbelse leer zijn samengevat.
Bovendien mogen deze onderscheidingen door niemand worden gebruikt om bepaalde stukken of elementen van de christelijke geloofsleer te relativeren en secundair te verklaren. En evenmin om afwijking daarvan te bagatelliseren. 'Centrum' en 'periferie' vormen samen het ene geheel van de bijbelse leer, en in dat geheel mogen wij de door God geopenbaarde dingen niet van elkaar losmaken. De eerbied voor de Schrift en haar ene Auteur verbiedt ons een in onze ogen 'klein punt' naar een tweede rang te verwijzen en een dwaling op zo'n punt minder ernstig te nemen. Wij willen ook in het 'kleine' trouw zijn.
12 Toetsing en wijziging mogelijk
De huidige belijdenisgeschriften zijn niet bij voorbaat de definitieve, onveranderlijke en onovertrefbare verwoording van het christelijk geloof. Ze zijn in principe vatbaar voor wijziging, verbetering en aanvulling, of zelfs voor vervanging door een eigentijdse belijdenis.
Aan de ene kant zeggen we daarom, dat de belijdenisgeschriften die de Gereformeerde Kerken vandaag hebben, betrouwbaar en gezaghebbend de leer van de Schriften weergeven. Zij stemmen in alle delen geheel met Gods Woord overeen. Er worden geen dingen in geleerd die onschriftuurlijk zijn, afwijkend van wat de Schrift leert.
Aan de andere kant kan er door exegetische en dogmatische arbeid en bezinning op enig punt van de leer correctie of verbetering van een artikel mogelijk of noodzakelijk worden. De kerk is dan geroepen die door te voeren, opdat ze in haar belijden (meer) recht doet aan wat God ons in de Schriften heeft geleerd.
13 Recht van gravamen
In de kerken geldt vanouds het recht van gravamen. Wanneer iemand meent, dat enige passage of uitspraak van de belijdenis onjuist is of in strijd met Gods Woord, zal hij dat niet openlijk of heimelijk mogen uitdragen. Maar hij houdt wel de volle vrijheid om in de kerkelijke weg een geargumenteerd gravamen in te dienen.
De kerken verklaren zich graag bereid om zulke gravamina serieus en nauwgezet te onderzoeken in het licht van de Schrift. Zij beloven tot wijziging van de belijdenis te zullen overgaan, wanneer op grond van de Schriften de noodzaak daartoe wordt aangetoond.
Van de indiener van het gravamen wordt verwacht dat hij zich aan het oordeel van de bevoegde kerkelijke vergadering onderwerpt, onverkort het recht van appèl naar art. 31 KO.
14 De vrijheid van profetie
Er is in de Gereformeerde Kerken vrijheid van profetie. De kerk spreekt zich in haar belijdenis niet beslissend over alle denkbare onderwerpen uit. Zij laat binnen de grote lijnen die in de belijdenis zijn uitgezet alle ruimte voor gesprek en discussie, voor verschillende uitleg van teksten, voor verschillende terminologie en voorstelling van leerstukken.
In de uitoefening van deze vrijheid dient ieder rekening te houden met de context en de positie waarin en het gehoor waarvoor hij spreekt of schrijft. Ieder zal daarin met wijsheid en met onderscheidingsvermogen dienen op te treden. Of in een concreet geval een bepaalde omstreden opinie onder de vrijheid van profetie valt of niet, wordt zo nodig door de kerken zelf in haar vergaderingen beslist.
15 Buitenlandse confessies
De Gereformeerde Kerken hebben meer dan eens adhesie betuigd aan een buitenlandse confessie, zoals de Franse Geloofsbelijdenis (1559) en de Westminster Confessie (1647), en ze hebben die als voluit gereformeerde belijdenissen erkend. De kerken achten dus hun eigen confessies niet de enig juiste en enig mogelijke samenvatting van de leer van Gods Woord.
Men is intussen in de kerken in Nederland naast de eigen belijdenissen niet ook aan de genoemde buitenlandse belijdenisgeschriften gebonden. Evenmin is men in de Nederlandse kerken bij voorbaat vrij om te kiezen voor formuleringen uit een van de genoemde belijdenissen in plaats van en met terzijdestelling van die uit de drie formulieren van eenheid. Wat in de confessies van buitenlandse zusterkerken met hun eigen historie en ontwikkelingsgang te aanvaarden is, is daarmee nog niet voor de Nederlandse kerken als richtlijn geldig.
Wel zullen de kerken ernaar streven, dat in de interne beoordeling van verschillen van opvatting geen wezenlijk andere maatstaven worden aangelegd dan in de internationale contacten worden gehanteerd. In voorkomende gevallen staat dit ter beoordeling van de kerkelijke vergaderingen.
16 Tolerantie en loyaliteit
In de kerk is er vrijheid van overtuiging in gebondenheid aan Gods Woord. Wanneer een lid van de gemeente in enig stuk van de leer te goeder trouw dwaalt, dan zal de kerk jegens hem tolerantie oefenen, mits zijn dwaling niet enig fundamenteel stuk van de waarheid raakt, de dwalende bereid is zich nader te laten onderwijzen, en hij voor zijn afwijkende gevoelen geen propaganda maakt.
Ook een ambtsdrager kan voor zichzelf op enig punt een opvatting hebben die door de kerken is of wordt afgewezen. De kerk dwingt hem dan niet bij voorbaat om die persoonlijke overtuiging prijs te geven. Zij ontneemt hem evenmin louter om zijn overtuiging zijn ambt. Maar de ambtsdrager is wel verplicht om niet alleen zijn gevoelen niet uit te dragen, maar integendeel loyaal en ten volle de aangenomen leer te verkondigen, te onderwijzen en te verdedigen.
17 Leertucht
De kerken zullen alle valse leer en dwaling die zich voordoet weren door onderricht, weerlegging, waarschuwing en vermaan. De belijdenisgeschriften fungeren daarbij als hulpmiddelen in het toetsen en weerleggen van leringen die in strijd zijn met het getuigenis van de Heilige Schrift.
De tucht begint met het geduldig en in alle zachtmoedigheid vermanen en terechtwijzen van de dwalende broeder. Het kan zijn, dat het daarbij blijft omdat de betrokkene tot andere inzichten komt of aan de bovengenoemde voorwaarden voor tolerantie beantwoordt.
Wanneer iemand echter zijn verkeerde leer in de gemeente uitdraagt en haar daarmee infecteert, zal de kerkelijke tucht worden toegepast volgens de regels die de kerkorde daarvoor geeft.
Wanneer de kerkeraad, classis, particuliere of generale synode om gegronde redenen -- terwille van de bewaring van de eenheid en zuiverheid van de leer -- van een ambtsdrager een nadere verklaring eist van zijn gevoelen over enig deel van de leer, dan zal hij verplicht zijn die te geven. Weigert hij dit, dan zal hij terstond geschorst worden.
Wanneer een ambtsdrager een onschriftuurlijke leer brengt, zal hij eveneens in zijn dienst worden geschorst volgens de bepalingen van de kerkorde. Weigert hij zich te onderwerpen aan de vermaning en tucht, dan zal hij van zijn dienst worden afgezet.
18 Beslissende instantie
Wanneer er in de kerken beslist moet worden over wijziging van een van de belijdenisgeschriften of over aanvaarding van een nieuwe belijdenis, behoort dat tot de taken van de generale synode. De belijdenisgeschriften zijn immers die van de gezamenlijke kerken.
Gaat het om de beoordeling van een gravamen, een afwijkende mening of een dwaling, dan zal dat primair de taak van de betrokken kerkeraad zijn. Komt de zaak in de weg van appèl, via de kerkvisitatie of op andere wettige wijze op de meerdere vergadering, dan zal haar besluit bindend zijn overeenkomstig art. 31 en 36 (oud, 35 nieuw) KO. Zo zullen de kerkelijke vergaderingen zich ieder in de haar gegeven verantwoordelijkheid, inzetten voor de eenheid in de waarheid.

|