Bepalingen bij artikel 135 van de kerkorde |
Uitspraken over christelijke organisaties
1. Uit de erkenning van het Koningschap van Christus over heel het leven, gelijk dit door de kerk wordt beleden en gepredikt, vloeit voort dat de gelovigen zich bij het licht der Heilige Schrift, gemeenschappelijk hebben te bezinnen op de betekenis van dit belijden voor elk levensterrein. 2. Het kan niet gerekend worden tot de taak der kerken te behoren zich in haar vergadering over de toepassing van de eis Gods op allerlei praktische levensverhoudingen met het haar van Christus verleende gezag uit te spreken. 3. Het is niettemin duidelijk de roeping der kerk er op toe te zien, dat haar leden in hun levensopenbaring in de breedste zin des woords zich niet schuldig maken aan het overtreden van enig gebod Gods, zich niet voegen in een levensverband, waarin zij gehinderd worden de Here te dienen naar zijn Woord, en hetwelk hetzij in zijn grondslag, hetzij in zijn doelstelling of arbeidsmethode, uitdrukkelijk of metterdaad de geopenbaarde wil Gods verwerpt. 4. De kerken erkennen met hartelijke waardering de arbeid van die instellingen en organisaties, die zich ten doel stellen, in gebondenheid aan de Heilige Schrift, de eis Gods voor heel het leven zich in te denken en in praktijk te brengen, waarbij met name gedacht moet worden aan hetgeen op het gebied van christelijk onderwijs, de christelijke barmhartigheid en met betrekking tot de grondslagen van de sociale en de staatkundige levensverhoudingen door de christelijke organisaties op sociaal gebied en door de christelijke partijen op politiek terrein is tot stand gebracht en gepropageerd. 5. De kerken dienen dienovereenkomstig met de meeste zorg vervuld te zijn, dat de hierin ontvangen en nog in te wachten rijke zegen niet worde prijsgegeven, inzonderheid nu in onze tijd de anti-goddelijke machten zich steeds meer verheffen en de verwereldlijking van het leven toeneemt; en dat zij uit dit oogpunt ook de thans door velen geuite gedachte, als zou het bestaan van zodanige christelijke organisaties niet meer gerechtvaardigd zijn, moeten afwijzen en veeleer haar leden dienen aan te sporen hierin een werkzaam aandeel te hebben. 6. De kerken dienen tegelijkertijd ook elke gedachte te verwerpen, als zouden zulke christelijke organisaties haar doel in zichzelf hebben, aangezien de gelovigen naar het woord van Christus het licht der wereld en het zout der aarde zijn. Zwolle 1946, art. 342; (Zie ook Groningen 1963, art. 355, 480)

|