Uitgebreid zoeken
Kerkrecht.nl
Help
Contact


auteur(s):
genre: Uitvoeringsbepalingen en jurisprudentie
bundel:
tijdschrift:
jaargang:
uitgever: LDC SoW-kerken
plaats: Utrecht
jaar: 2003
druk:
ISBN/ISSN:
aantal pagina's:
Digitale uitgave

  • Bepalingen bij artikel 5 van de kerkorde
  • Bepalingen bij artikel 6 van de kerkorde
  • Bepalingen bij artikel 7 van de kerkorde
  • Bepalingen bij artikel 9 van de kerkorde
  • Bepalingen bij artikel 10 van de kerkorde
  • Bepalingen bij artikel 11 van de kerkorde
  • Bepalingen bij artikel 12 van de kerkorde
  • Bepalingen bij artikel 13 van de kerkorde
  • Bepalingen bij artikel 14 van de kerkorde
  • Bepalingen bij artikel 15 van de kerkorde
  • Bepalingen bij artikel 16 van de kerkorde
  • Bepalingen bij artikel 17 van de kerkorde
  • Bepalingen bij artikel 18 van de kerkorde
  • Bepalingen bij artikel 19 van de kerkorde
  • Bepalingen bij artikel 20 van de kerkorde
  • Bepalingen bij artikel 21 van de kerkorde
  • Bepalingen bij artikel 24 van de kerkorde
  • Bepalingen bij artikel 25 van de kerkorde
  • Bepalingen bij artikel 26 van de kerkorde
  • Bepalingen bij artikel 31 van de kerkorde
  • Bepalingen bij artikel 32 van de kerkorde
  • Bepalingen bij artikel 32a van de kerkorde
  • Overgangsbepalingen bij de artikelen 31, 32 en 32a
  • Bepalingen bij artikel 33 van de kerkorde
  • Bepalingen bij artikel 34 van de kerkorde
  • Bepalingen bij artikel 35 van de kerkorde
  • Bepalingen bij artikel 36 van de kerkorde
  • Bepalingen bij artikel 39 van de kerkorde
  • Bepalingen bij artikel 40 van de kerkorde
  • Bepalingen bij artikel 41 van de kerkorde
  • Bepalingen bij artikel 42 van de kerkorde
  • Bepalingen bij artikel 47 van de kerkorde
  • Bepalingen bij artikel 51 van de kerkorde
  • Bepalingen bij artikel 52 van de kerkorde
  • Bepalingen bij artikel 56 van de kerkorde
  • Bepalingen bij artikel 59 van de kerkorde
  • Bepalingen bij artikel 68 van de kerkorde
  • Bepalingen bij artikel 69 van de kerkorde
  • Bepalingen bij artikel 72 van de kerkorde
  • Bepalingen bij artikel 74 van de kerkorde
  • Bepalingen bij artikel 75 van de kerkorde
  • Bepalingen bij artikel 76 van de kerkorde
  • Bepalingen bij artikel 78 van de kerkorde
  • Bepalingen bij artikel 79 van de kerkorde
  • Bepalingen bij artikel 82 van de kerkorde
  • Bepalingen bij artikel 83 van de kerkorde
  • Bepalingen bij artikel 84 van de kerkorde
  • Bepalingen bij artikel 86 van de kerkorde
  • Bepaling bij artikel 88a van de kerkorde
  • Bepalingen bij artikelen 99 en 100 van de kerkorde
  • Bepalingen bij artikel 102 van de kerkorde
  • Bepalingen bij artikel 103 van de kerkorde
  • Bepalingen bij artikel 105 van de kerkorde
  • Bepalingen bij artikel 108 van de kerkorde
  • Bepalingen bij artikel 109 van de kerkorde
  • Bepalingen bij artikel 116 van de kerkorde
  • Bepalingen bij artikel 117 van de kerkorde
  • Bepalingen bij artikel 119 van de kerkorde
  • Bepalingen bij artikel 123 van de kerkorde
  • Bepalingen bij artikel 125 van de kerkorde
  • Bepalingen bij artikel 127 van de kerkorde
  • Bepalingen bij artikel 128 van de kerkorde
  • Bepalingen bij artikel 129 van de kerkorde
  • Bepalingen bij artikel 130 van de kerkorde
  • Bepalingen bij artikel 132 van de kerkorde
  • Bepalingen bij artikel 135 van de kerkorde
  • Bepalingen bij artikel 128 van de kerkorde

    128.1 Richtlijnen ter bevordering van de eenheid met andere reformatorische kerken *)

    1. De synode besluit er bij de kerken op aan te dringen de groei naar de eenheid met andere reformatorische kerken ter plaatse te bevorderen en in goede orde te doen verlopen onder begeleiding van een door de classis daartoe benoemd deputaatschap en in overeenstemming met de hierna volgende richtlijnen.
    2. Als algemene richtlijnen te stellen dat tot het houden van gemeenschappelijke kerkdiensten, waarin ook de sacramenten bediend mogen worden, op zulk een wijze dient te worden overgegaan,
    a. dat de gemeente als gemeente in de gemeenschap en samenwerking met de andere kerk betrokken is en blijft en de innerlijke eenheid van de eigen gemeente niet door het samengaan met de andere kerk verbroken zal worden;
    b. dat er, mede naar het oordeel van de classis, met de andere kerk de nodige overeenstemming bestaat ten aanzien van het geloof in Jezus Christus onze Heer, gelijk Hij in gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift en in gemeenschap met de kerk van alle eeuwen in onze belijdenisgeschriften wordt beleden;
    c. dat er de nodige overeenstemming bestaat met betrekking tot het uitoefenen van het opzicht en de tucht in de gemeente van Christus, zoals dat in Schrift en belijdenis, met name rondom het gebruik van de sacramenten, wordt gevraagd.
    3. Kerkenraden en classes te verzoeken toe te zien dat de innerlijke eenheid van de gemeente niet bedreigd wordt door nalatigheid om als gemeenten de hier bedoelde samenwerking en gemeenschap met andere kerken te zoeken.
    4. Aan de kerken waar een samenwerking als hier bedoeld op gang is gekomen, de vrijheid te geven dat de dienaren des Woords van de betrokken kerken voorgaan in elkanders kerkdiensten, terwijl deze kerken, met wederzijds goedvinden, ook andere predikanten uit de betrokken kerkverbanden kunnen laten voorgaan.
    5. Aan de kerken die er toe wensen over te gaan in gemeenschappelijke verantwoordelijkheid met andere reformatorische kerken het avondmaal te bedienen in ziekenhuizen, huizen voor bejaarden, etc., toestemming daartoe te verlenen met dien verstande dat er overeenstemming over de uitnodiging tot het avondmaal bereikt moet zijn.
    Sneek 1969, art. 267

    Zie Ubp 68 en 79




    128.2 Richtlijnen voor gemeenschappelijke kerkdiensten met avondmaalsviering en doopbediening *)

    A. De voorbereiding tot het houden van gemeenschappelijke diensten
    1. De innerlijke eenheid van de eigen gemeente mag evenmin door het houden van de bedoelde gemeenschappelijke diensten als door nalatigheid in deze worden bedreigd; om deze gevaren te weren dient de gemeente zoveel mogelijk vanaf het begin bij het overleg te worden betrokken.
    2. Het overleg dient te geschieden onder adviserende begeleiding door de ter zake aangewezen classicale deputaten, terwijl desgewenst tevens het advies kan worden ingeroepen van synodale deputaten.
    3. Overleg tussen wijkkerkenraden om in een bepaalde ”wijkgemeente” tot bedoelde gemeenschappelijke diensten te komen, behoeft zowel wat dit overleg zelf als wat het resultaat daarvan betreft, de instemming van de kerkenraad voor algemene zaken.
    4. In het overleg dient met name grondige aandacht te worden besteed aan de vraag naar de onderlinge geloofsverbondenheid. Deze behoort uit samenspreking over de inhoud van het evangelie van Jezus Christus te blijken. Hierin moet de gemeente – o.a. door verslaggeving – kunnen meeleven, teneinde mede te kunnen toegroeien naar een saamhorigheid welke geworteld is in het éne door beide gemeenten beleden geloof.
    5. De resultaten van het overleg mede ten aanzien van de andere hiervoor in aanmerking komende punten (zie B.2-8) dienen ten slotte in een schriftelijke overeenkomst te worden vastgelegd. De overeenkomst wordt pas van kracht, nadat de classicale vergadering – na rapport van haar deputaten ter zake, waarin met name ook het sub 4 bedoelde overleg beoordeeld wordt – hiertoe gunstig heeft geadviseerd.

    B. De schriftelijke overeenkomst
    Deze dient de volgende elementen te bevatten:
    1. Een consensus ten aanzien van het belijden en de prediking, in deze geest:
    De kerken stellen na hun bespreking met dankbaarheid vast, dat zij met elkaar samenstemmen ten aanzien van het geloof in Jezus Christus onze Heer, gelijk Hij in gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift en in gemeenschap met de kerk van alle eeuwen in de belijdenisgeschriften van onze kerken wordt beleden; en zij beloven zich bij het toezicht op de prediking naar deze overeenstemming te zullen gedragen.
    2. Een verklaring omtrent de gezamenlijke bereidheid tot een zorgvuldig pastoraat over de gemeente, met name rond de avondmaalsviering, met dien verstande, dat niet slechts in de wijze van nodiging van daartoe gerechtigde leden van beide gemeenten, maar ook in dit pastoraat mede tot uitdrukking dient te komen, dat er aan de tafel der gemeenschap alleen plaats is voor hen die zich vanwege hun zonden voor God verootmoedigen, hun verwachting stellen op Gods barmhartigheid in Jezus Christus, Die overgeleverd is om onze overtredingen en opgewekt om onze rechtvaardiging; en die voorts gezind zijn dankbaarheid jegens God te bewijzen en in liefde met hun medemensen te leven.
    3. Samenstemming wat de bediening van de doop betreft
    a. inzake de verantwoordelijkheid van elke kerkenraad in het bijzonder voor de handhaving van het belijdend karakter van de beantwoording van de doopvragen door leden van zijn gemeente;
    b. inzake een door vertegenwoordigers van de kerkenraden te voeren pastoraal gesprek, met name met nog niet-belijdende leden die hun kind ten doop presenteren, welk gesprek dient te gaan over de betekenis van de doop, het belijdend karakter van de doopbelofte en de aan die belofte verbonden consequenties, met de afspraak, dat doopbediening in een gemeenschappelijke kerkdienst niet zal plaats vinden, indien de vertegenwoordiger(s) van één van beide zijden de uitkomst van het bedoelde gesprek onbevredigend acht(en);
    c. met het oog op het pastoraat in de eigen gemeente dient het in het algemeen ontraden te worden in een gezamenlijke dienst kinderen te dopen van ouders die nog geen belijdenis des geloofs hebben afgelegd.
    4. Een bepaling betreffende de inschrijving van een in-een-gemeenschappelijke-kerkdienst-gedoopte alleen in de registers van die gemeente, tot welke de gedoopte rechtens zal behoren.
    5. De afspraak, dat de predikanten en erkende voorgangers die aan één van de betrokken gemeenten verbonden zijn, overeenkomstig de in hun eigen kerk verleende bevoegdheden niet alleen kunnen voorgaan in de bedoelde gemeenschappelijke kerkdiensten, maar – indien daartoe uitgenodigd – ook in afzonderlijke kerkdiensten van de gemeente, waarmee bij andere gelegenheden gemeenschappelijke kerkdiensten worden gehouden.
    6. Voorts de afspraak dat andere in hun eigen kerkverband erkende voorgangers alleen in de bedoelde gemeenschappelijke kerkdiensten zullen voorgaan, indien ook de samenwerkende kerkenraad in een tot hen te richten uitnodiging bewilligt.
    7. Een regeling ten aanzien van de bestemming en verdeling van de in de bedoelde gemeenschappelijke kerkdiensten te houden collecten.
    8. Een afspraak omtrent de frequentie van de bedoelde gemeenschappelijke kerkdiensten, waarbij – zolang geen verbintenissen worden aangegaan – erop dient te worden gelet, dat de gemeenschappelijke avondmaalsvieringen en doopbedieningen de avondmaalsviering en doopbediening in eigen kring niet verdringen, maar hiervoor volle gelegenheid laten. In verband hiermee de afspraak, dat een besluit omtrent de bediening van de doop en de viering van het avondmaal in gemeenschappelijke diensten of in eigen diensten op een pastoraal verantwoorde wijze zal worden genomen.
    Dordrecht 1971, art. 296
    Maastricht 1975, art.372

    Zie ook Ubp 68 en 79

    128.3 Richtlijnen voor het aangaan van verbintenissen met plaatselijke kerken – c.q. gemeenten – die behoren tot een ander kerkverband *)

    Onder vooropstelling, dat het aangaan van verbintenissen op plaatselijk vlak het bestaande kerkverband niet mag schaden, stelde de generale synode de volgende richtlijnen vast:

    *) Noot bij Ubp 128.1-128.3:
    Voor verbintenissen tussen een Gereformeerde Kerk en een Hervormde Gemeente resp. tussen classicale of provinciale kerkelijke vergaderingen van beide kerkgemeenschappen zijn de desbetreffende Interimregelingen van toepassing, die zijn opgenomen in de afzonderlijk verkrijgbare Tussenorde.

    A. De voorbereiding tot het aangaan van bedoelde verbintenissen
    1. Tot overleg inzake het aangaan van verbintenissen zal niet worden overgegaan dan nadat, overeenkomstig de daarvoor vastgestelde richtlijnen, door de betreffende plaatselijke kerk c.q. gemeente een goede overeenstemming is bereikt en in praktijk gebracht ten aanzien van nog niet als regel gehouden gemeenschappelijke kerkdiensten met avondmaalsviering en doopbediening.
    2. Bij het overleg door de kerkenraden dient tevens de gemeente te worden betrokken en advies te worden ingewonnen van de classicale deputaten ter zake, overeenkomstig de richtlijnen A 1 en 2 voor het houden van gemeenschappelijke kerkdiensten.
    3. De overeenkomst ter zake dient schriftelijk te worden vastgelegd, en wordt pas van kracht, nadat de classicale vergadering met medewerking van deputaten van de particuliere synode voor interkerkelijke samenwerking hierover gunstig heeft geadviseerd.

    B. De schriftelijke overeenkomst
    De volgende regels dienen in acht genomen te worden:
    1. Het als regel houden van gemeenschappelijke kerkdiensten, onder leiding van predikant(en) of voorganger(s) der aan de samenwerking deelnemende kerken – c.q. gemeenten –, of van een predikant of voorganger die daartoe in eigen kerkverband bevoegd is en op uitnodiging en met goedvinden van de samenwerkende kerkenraden als vervanger optreedt.
    2. Handhaving van de overeenkomst betreffende het houden van gemeenschappelijke kerkdiensten overeenkomstig de daarvoor gestelde richtlijnen sub B.1, 2, 3 en 4.
    3. De gezamenlijke verzorging van de catechese.
    4. Het gemeenschappelijk behartigen van huis- en ziekenbezoek.
    5. Een afspraak aangaande het met een bepaalde frequentie houden van gemeenschappelijke kerkenraadsvergaderingen, en eventuele afspraken inzake samenwerking in diaconaat en evangelisatie en andere kerkelijke arbeid.
    6. Het – voor zover daaraan behoefte bestaat – beroepen van een predikant in gemeenschappelijk overleg, met dien verstande, dat één van de samenwerkende kerken een predikant beroept onder goedvinden van de partnerkerk(en), waarbij deze gelijktijdig van de partnerkerk(en) binnen de duur van de verbintenis een opdracht ontvangt tot het verrichten van ambtelijke hulpdiensten. Dit gezamenlijk gebruik maken van de dienst van één predikant dient afzonderlijk contractueel te worden geregeld, met aanwijzing van het aandeel van de samenwerkende kerken afzonderlijk in de daaruit voortvloeiende financiële verplichtingen, terwijl in dit contract ook stipulaties dienen te worden gesteld voor de ontbinding van de overeenkomst in geval de betrokken predikant naar kerkordelijk vastgestelde normen voor de van zijn hulpdiensten gebruik makende gemeente(n) niet langer aanvaardbaar zou zijn.
    7. Een regeling omtrent het gebruik van de kerkelijke gebouwen en de financiering daarvan, alsmede omtrent de financiering van andere gemeenschappelijke werkzaamheden.
    8. Een regeling omtrent de procedure die gevolgd dient te worden, wanneer één der participerende kerken – c.q. gemeenten – de samenwerking wenst te wijzigen of te beëindigen.
    Van de kerkenraden wordt verwacht dat zij zich nauwgezet aan de bovengenoemde bepalingen en stipulaties zullen houden. Kerkenraden die niet diligent zijn in bovengenoemde zin bedreigt het gevaar los te weken van het eigen kerkverband.
    Dordrecht 1971, art. 296
    Maastricht 1975, art. 372

    Zie ook Ubp 68 en 79

    128.4 Bepalingen bij artikel 128, lid 4 K.O. (Samen-op-Weg)

    1. Omdat de samenwerking, die delen van het kerkverband op grond van de Interimregelingen in de Tussenorde kunnen aangaan, de belangen van andere delen van het kerkverband of van het kerkverband als geheel niet mag schaden, dient bij de toepassing van de Interimregelingen in de Tussenorde met het volgende rekening te worden gehouden.
    De Interimregelingen in de Tussenorde hebben betrekking op samenwerking tussen juridisch gescheiden eenheden, die elk volledig deel van hun kerkverband blijven uitmaken en daarin blijven functioneren. Daarom kan zulk een samenwerking niet alle aangelegenheden van elk der samenwerkende partners omvatten. Voor de gereformeerde partner(s) in de samenwerking dient in ieder geval het volgende gewaarborgd te blijven:
    a. afvaardiging van ambtsdragers naar meerdere vergaderingen overeenkomstig de bepalingen van de gereformeerde kerkorde;
    b. de rechtspersoonlijkheid van de kerk resp. de meerdere vergadering en in verband daarmee de aanwijzing van een eigen preses en scriba, c.q. eigen vertegenwoordigers, alsmede het beheer van gelden en andere bezittingen en de verantwoording daarover;
    c. de rechtspositie van de medewerkers die aan een kerkelijke vergadering verbonden zijn, volgens de door de generale synode daarvoor aangewezen regelingen.
    2. Aanvullingen en wijzigingen van de Interimregelingen in de Tussenorde worden vastgelegd door de generale synode, na een daartoe strekkende uitnodiging van een gezamenlijke vergadering van de (generale) synoden van twee of drie der in het Samen-op-Wegproces betrokken kerkgemeenschappen. Voorafgaand aan die gezamenlijke vergadering zullen de desbetreffende stukken worden toegezonden aan de kerken en de classes, indien
    – in de voorstellen elementen voorkomen, die een afwijking inhouden van de gereformeerde kerkorde of haar uitvoeringsbepalingen;
    – één of meer andere kerkgemeenschappen in het Samen-op Wegproces de voorstellen, op grond van haar regelgeving, toezendt aan haar daarvoor aangewezen mindere vergaderingen.
    Indien kerken stukken ontvangen als bovenbedoeld, kunnen zij haar opvatting over de voorstellen kenbaar maken aan de classis.
    De classis zendt aan de generale synode haar eigen reactie, waarin die van de kerken zijn verwerkt.
    Emmen 1989, art. 269


    128.5 Regeling voor het gastlidmaatschap

    Artikel 1
    De kerkenraad kan op hun verzoek aan leden van andere dan Gereformeerde Kerken, die op een zodanige afstand wonen van hun eigen kerk dat geregelde deelname aan de eredienst en aan het kerkelijk leven daar voor hen niet wel mogelijk is, dan wel die met een lid van de Gereformeerde Kerk gehuwd zijn, het gastlidmaatschap verlenen.

    Artikel 2
    Een gastlidmaatschap kan worden verleend aan leden van kerken
    a. die zichzelf verstaan als gemeenschap, die Christus rondom Woord en sacrament vergadert;
    b. waar de heilige doop wordt bediend naar de ordening van Christus;
    c. waar het heilig avondmaal wordt gevierd onder gebruikmaking van de instellingswoorden en binnen het kader van een verkondiging, die de gemeente rond de tafel van de Heer samenroept op grond van het eenmaal volbrachte offer van Jezus Christus, in geloof aan Zijn algenoegzame genade en in de verwachting van Zijn Rijk.

    Artikel 3
    Het ”dooplidmaatschap” dan wel ”belijdend lidmaatschap” in de eigen kerk is mede bepalend voor de beslissing, of aan een gastlid de positie als van een dooplid dan wel als van een belijdend lid wordt verleend.

    Artikel 4
    Gastleden, aan wie de positie als van een dooplid wordt verleend, hebben recht op de herderlijke zorg van de kerk, op het onderricht in de leer der kerk, en vallen onder het vermaan en de tucht over doopleden.

    Artikel 5
    Gastleden, aan wie de positie als van een belijdend lid wordt verleend, hebben recht op
    a. de herderlijke zorg van de kerk;
    b. deelname aan de viering van het avondmaal;
    c. de bediening van de heilige doop aan hun kinderen;
    d. de aanvaarding van hun jeugdige kinderen als gastleden met de positie als van een dooplid.
    Zij vallen onder het vermaan en de tucht van de kerk.
    Zij zijn uitgesloten van het actief en passief kiesrecht.

    Artikel 6
    Voordat een kerkenraad iemand als gastlid met de positie als van een belijdend lid aanvaardt, zal hij zich ervan vergewissen
    a. dat de betrokkene Jezus Christus aanvaardt als zijn Heiland en Heer en instemt met de leer der kerk, zoals die tot uitdrukking is gebracht in de algemene belijdenisgeschriften;
    b. dat de betrokkene onberispelijk van levenswandel is en wenst deel te nemen aan het leven der gemeente;
    c. dat de betrokkene zich stelt onder het opzicht en de tucht der kerk;
    d. dat de betrokkene in zijn eigen kerk gerechtigd is deel te nemen aan de viering van het heilig avondmaal.
    De beslissing inzake de toelating van het gastlid zal van kracht zijn, nadat zij gedurende twee achtereenvolgende zondagen aan de gemeente is bekend gemaakt en daartegen binnen de periode van één maand geen wettige bezwaren zijn ingebracht.

    Artikel 7
    Voordat een kerkenraad een volwassene als gastlid met de positie als van een dooplid aanvaardt, zal hij zich ervan vergewissen
    a. dat de betrokkene onberispelijk van levenswandel is en wenst deel te nemen aan het leven van de gemeente;
    b. dat de betrokkene bereid is zich te laten onderrichten in de leer der kerk;
    c. dat de betrokkene zich stelt onder het opzicht en de tucht der kerk over doopleden.
    De beslissing inzake de toelating van het gastlid zal van kracht zijn, nadat zij gedurende twee achtereenvolgende zondagen aan de gemeente is bekend gemaakt en daartegen binnen de periode van één maand geen wettige bezwaren zijn ingebracht.

    Artikel 8
    Bij vertrek naar elders wordt aan een gastlid een attest uitgereikt, waarin vermeld wordt, dat en hoe de betrokkene gastlid is geweest. Indien de in artikel 1 van deze regeling genoemde omstandigheden ongewijzigd zijn, zal de kerk van de nieuwe woonplaats de betrokkene als gastlid aanvaarden.
    Artikel 9
    Gastleden blijven lid van hun eigen kerk.
    a. Een kerkenraad zal daarom geen beslissingen nemen inzake toelating, doopbediening, huwelijksbevestiging of tuchtoefening met betrekking tot gastleden dan na overleg met de eigen kerk van de betrokkene.
    b. Indien kinderen van gastleden worden gedoopt, zullen zij in het doopboek van de Gereformeerde Kerk worden ingeschreven met aantekening van de kerk, waartoe zij behoren. Aan de betreffende kerk zal onverwijld bericht van de doopbediening worden gezonden.
    c. Eenzelfde gedragslijn zal worden gevolgd bij een kerkelijke huwelijksbevestiging, waarbij een gastlid is betrokken.
    d. Met het gastlid worden afspraken gemaakt, hoe deze zijn kerkelijke bijdrage over de eigen kerk en die, waarvan hij gastlid is, zal verdelen. Van de gemaakte afspraak wordt aan de eigen kerk mededeling gedaan.
    Maastricht 1975, art.373 en aanhangsel VI
    Zie ook ubp 86.2

    128.6 Samenwerking met de Bond van Vrije Evangelische Gemeenten in Nederland

    Met betrekking tot de samenwerking met de Bond van Vrije Evangelische Gemeenten in Nederland heeft de generale synode de volgende regels vastgesteld:
    1. Met inachtneming van artikel 128 lid 2 van de kerkorde en de uitvoeringsbepalingen 128.2 kunnen gereformeerde kerkenraden predikanten van de Bond van Vrije Evangelische Gemeenten in Nederland uitnodigen voor te gaan in de dienst des Woords. Ingeval deze kerkenraden een vrije evangelische predikant tevens zouden willen uitnodigen tot de bediening van de doop of het avondmaal, dient hierover overleg plaats te vinden met de zendende gemeente van deze predikant.
    2. Er dient op te worden toegezien dat de onder l. bedoelde uitnodigingen niet uitgaan tot andere voorgangers dan predikanten.
    3. Ten aanzien van de in de uitvoeringsbepalingen 128.2 bedoelde schriftelijke overeenstemming kan worden volstaan met schriftelijk vast te leggen dat tussen de Gereformeerde Kerk en de Vrije Evangelische Gemeente dan wel tussen de Gereformeerde Kerk en de vrije evangelische predikant ”in diaspora-situatie”, een wezenlijke overeenstemming in het belijden van Jezus Christus als Heer en Zaligmaker aanwezig is.
    4. Voor het overige geldt het in de uitvoeringsbepalingen 7.3 (t.a.v. beroepbaarheid), 128.2 (t.a.v. gemeenschappelijke kerkdiensten) en 128.3 (t.a.v. het aangaan van verbintenissen) bepaalde onverkort voor de samenwerking tussen een Gereformeerde kerk en een Vrije Evangelische Gemeente.
    5. Ter bevordering van de samenwerking op landelijk niveau dienen de Gereformeerde Kerken in Nederland en de Bond van Vrije Evangelische Gemeenten in Nederland
    a. elkaar op de hoogte te houden van de ontwikkelingen in elkaars kerkelijk leven;
    b. afgevaardigden te zenden naar elkaars landelijke vergaderingen of synoden, met name wanneer punten van gemeenschappelijk belang aan de orde komen;
    c. de samenwerking en dienstverlening ten behoeve van plaatselijke evangelisatiecampagnes zo veel mogelijk te bevorderen.
    Bentheim 1981, art. 260
    Goes 1997, art. 118