Bepalingen bij artikel 72 van de kerkorde |
Doop van kinderen van doopleden: a. de goede praktijk naar Gereformeerde orde is, dat de kerkenraden arbeiden om volwassen leden, die nog geen toelating tot het H. Avondmaal hebben gevraagd, er toe te brengen, dat zij belijdenis des geloofs afleggen; b. maar dat de kinderen van zulke ouders die nog leden der kerk zijn, beschouwd moeten worden als te behoren tot het zaad der kerk, en dat deze derhalve recht op de doop hebben; c. dat echter de stipulatiën, welke de kerk bij de doop van de kinderen verlangt en moet verlangen, als waarborg voor de Christelijke opvoeding, niet met de ouders kunnen worden aangegaan, wijl dezen zelf nog verzuimden door eigen belijdenis van hun geloof te doen blijken. In zulke gevallen blijft er bij gevolg niets anders over dan om, liefst uit de kring der familie, een of meer getuigen te vorderen, die naar het oordeel van de kerkenraad voldoende waarborg geven, dat de opvoeding van zulke kinderen beantwoorden zal aan de eis van het Verbond. Amsterdam 1908, art. 86
Kinderen die door leden van een Gereformeerde Kerk wettig zijn geadopteerd en pleegkinderen, die duurzaam in hun gezin zijn opgenomen, hebben recht op de heilige doop en behoren daarom gedoopt te worden. Verwacht wordt dat de kerkenraad er zich van te voren van overtuigd heeft dat de christelijke opvoeding van zodanige kinderen voldoende gewaarborgd mag worden geacht. Ter beoordeling van de duurzaamheid (in juridische zin) van de opneming van pleegkinderen in gezinnen, dient de kerkenraad via de pleegouders inlichtingen in te winnen bij de desbetreffende Raad voor de Kinderbescherming of de Nederlandse Vereniging van Pleeggezinnen. Groningen 1963, art. 79 Dordrecht 1971, art. 148 Gouda 1985, art. 152
Inzake de doop van kinderen van doopleden wordt uitgesproken, dat de kerkenraden naarstig zullen arbeiden opdat niet anders dan bij hoge uitzondering van doopgetuigen behoeft te worden gebruik gemaakt; maar dat, waar het niet komen tot belijdenis des geloofs van de ouders zulks nodig doet zijn, niet worde nagelaten doopgetuigen te zoeken, opdat het kind niet ongedoopt blijve. Middelburg 1933, art. 99
Het wordt in de vrijheid van de kerken gelaten, of men de doop zal bedienen door besprenkeling, overgieting of onderdompeling. Amsterdam 1967, art. 329
Registratie van een doopbediening in een oecumenische dienst a. de doopbediening wordt – op aanwijzing van de ouders – ingeschreven in het doopboek van één van de betrokken gemeenten, kerken of parochies, dan wel, indien de ouders geen voorkeur aangeven, in het doopboek van de gemeente, kerk of parochie, waartoe de moeder behoort, b. de doopbediening kan daarnaast tevens worden vermeld in een doopboek, dat voor de oecumenische gemeenschap wordt bijgehouden, onder vermelding van de gemeente, kerk of parochie waar de eerste inschrijving heeft plaatsgevonden. c. de naam van de dopeling wordt opgenomen in het register van de (doop)leden van de betrokken gemeente, kerk of parochie van de kerkgemeenschap, waarbij de inschrijving in het doopboek heeft plaatsgevonden. Haren 1995, art. 54 (BM)

|