|
Woord vooraf
Artikel 1
Artikel 2
Artikel 3
Artikel 4a
Artikel 4b
Artikel 4c
Artikel 4d
Artikel 5
Artikel 6
Artikel 7
Artikel 8
Artikel 9
Artikel 10
Artikel 11
Artikel 12
Artikel 13
Artikel 14
Artikel 15
Artikel 16
Artikel 17
Artikel 18
Artikel 19
Artikel 20
Artikel 21
Artikel 22
Artikel 23
Artikel 24
Artikel 25
Artikel 26
artikel 29
Artikel 27
Artikel 28
Artikel 29
Artikel 30
Artikel 31
artikel 32
artikel 33
artikel 34
artikel 35
artikel 36
artikel 37 & 38b
artikel 38a & 39
artikel 40
artikel 41
artikel 42
artikel 43
artikel 44
Artikel 45
Artikel 46
Artikel 47
Artikel 48
Artikel 49
Artikel 50
Artikel 51
Artikel 52
Artikel 53
Artikel 54
Artikel 55
Artikel 56
Artikel 57
Artikel 58
Artikel 59
Artikel 60
Artikel 61
artikel 62
artikel 63
artikel 64
artikel 65
artikel 66
artikel 67
artikel 68
artikel 69
artikel 70
artikel 71
Artikel 72
Artikel 73 & 74
Artikel 75
Artikel 76
artikel 77
artikel 78
Artikel 79 / 80
Artikel 81
Artikel 82
Artikel 83
Artikel 84
Artikel 85
Artikel 86
Artikel 87
|
Tot wering van de valse leringen en dwalingen, die door ketterse geschriften zeer toenemen, zullen de dienaars en de ouderlingen de middelen gebruiken van lering, van wederlegging, van waarschuwing en van vermaning, zowel bij de dienst des woords als bij de christelijke onderwijzing en bij het huisbezoek.
Dit artikel is in 1905 in de plaats gekomen van het oude, onuitvoerbare en ongewenste artikel over de boekencensuur.
"Is overwogen, dat het aantal boeken en geschriften die thans worden uitgegeven, zeker tienmaal groter is dan in vorige eeuwen, en daaronder ook behoren dag- en weekbladen, wier uitgave onmogelijk is, wanneer zij tevoren aan kerkelijke censuur moeten onderworpen worden; voorts, dat tot de uitoefening van zodanige censuur in iedere classe een genoegzaam aantal geschikte personen zou moeten aanwezig zijn, die voor hun veel omvattende arbeid ook de nodige tijd zouden moeten hebben; uit welke overwegingen reeds volgt, dat thans uitvoering van art. 55 der kerkenordening wel onmogelijk zou zijn; maar ook buitendien meent de synode dat de geschiedenis wel genoegzaam geleerd heeft, dat uit velerlei oorzaken bedoelde censuur niet doeltreffend is, en er vaak zelfs toe leidt, dat geschiedt, wat in de aanvang der 18e eeuw is voorgekomen, toen de Rotterdamse predikant J. Fruytier gecensureerd is wegens de uitgave van zijn nog altijd zeer gewaardeerd werk: 'Sions worstelingen', en terzelfder tijd het zeer ketterse werk 'De hemel op aarde' van den Zwolsen predikant Van Leenhof met kerkelijke approbatie is uitgekomen. Ook had in vroegere eeuwen de kerk, als zijnde de publieke kerk, bij haar pogingen tot wering van schadelijke boeken de hulp en de medewerking der overheid, waarop thans natuurlijk niet meer te rekenen valt; en eindelijk hangt boekencensuur samen met beginselen en begrippen omtrent bestrijding van dwaling, die nog allerlei andere consequentiën zouden meebrengen en die niet op de Schrift gegrond zijn. Dus spreekt de synode uit, dat het bedoelde middel thans niet uitvoerbaar noch ook nuttig is" (Leeuwarden 1890).
"De synode verbindt niemand om, wanneer hij iets wil laten drukken, zijn werk aan de kerkelijke approbatie te moeten onderwerpen, daar het toch aan de kerkbesturen is en blijft opgedragen, om voor de zuiverheid der leer te waken" (Amsterdam 1866).
Voorzichtige vermaning van de gemeente is van groot belang.
"De broeders achten dat tot uitroeiing van valse leer en dwalingen, die door het lezen van ketterse boeken meer en meer toenemen, deze navolgende middelen gevolgd behoren te worden: Ten eerste zullen de dienaars van de predikstoel 't volk tot lezing der bijbelse Schriftuur vermanen en van ongezonde ketterse boeken afmanen, doch de namen der boeken spaarzaam noemende. Ten tweede zullen de boekverkopers, die de reine leer toegedaan zijn, door de dienaren vermaand worden; dat zij zulke boeken niet drukken noch verkopen. Ten derde zullen de dienaars op de huisbezoeken bij de lidmaten der gemeente toezien of in hun huizen enige schadelijke boeken zijn, opdat zij hen vermanen mogen zulke boeken weg te doen" (Dordrecht 1574).
"Het derde punt ... (zie boven) wordt door de broederen alzo verklaard, namelijk zo de kerkedienaars enige ketterse boeken bij iemand der broederen van de gemeente bij geval in handen krijgen, zo zullen zij in de samenspreking met die broeder toezien of hij niet zodanige ketterij toegedaan is, en naar aanleiding daarvan over die ketterijen spreken en handelen en de schadelijkheid derzelve aanwijzen, mede aanwijzende dat het lezen der goedgekeurde en aangenomen boeken nuttiger en zaliger is. Maar te vragen en te onderzoeken of de broeders zodanige schadelijke boeken meer ergens verstoken hebben is niet raadzaam, opdat hun lust daardoor niet des te meer en meer verwekt en ontstoken worde om zodanige te zoeken en te lezen. Maar zo er vermoeden is dat zij ze hebben, zo zullen zij over de dwalingen spreken en hun valsheid met Gods woord bewijzen" (Rotterdam 1575).

|