Uitgebreid zoeken
Kerkrecht.nl
Help
Contact

Bos, F.L., De orde der kerk, 1950


auteur(s): Bos, F.L.
genre: Commentaren
bundel:
tijdschrift:
jaargang:
uitgever: Guido de Brès
plaats: 's-Gravenhage
jaar: 1950
druk: 1
ISBN/ISSN:
aantal pagina's: 359
F.L. Bos, De orde der kerk: Toegelicht met kerkelijke besluiten uit vier eeuwen. 's-Gravenhage: Guido de Bres, 1950.

  • Woord vooraf
  • Artikel 1
  • Artikel 2
  • Artikel 3
  • Artikel 4a
  • Artikel 4b
  • Artikel 4c
  • Artikel 4d
  • Artikel 5
  • Artikel 6
  • Artikel 7
  • Artikel 8
  • Artikel 9
  • Artikel 10
  • Artikel 11
  • Artikel 12
  • Artikel 13
  • Artikel 14
  • Artikel 15
  • Artikel 16
  • Artikel 17
  • Artikel 18
  • Artikel 19
  • Artikel 20
  • Artikel 21
  • Artikel 22
  • Artikel 23
  • Artikel 24
  • Artikel 25
  • Artikel 26
  • artikel 29
  • Artikel 27
  • Artikel 28
  • Artikel 29
  • Artikel 30
  • Artikel 31
  • artikel 32
  • artikel 33
  • artikel 34
  • artikel 35
  • artikel 36
  • artikel 37 & 38b
  • artikel 38a & 39
  • artikel 40
  • artikel 41
  • artikel 42
  • artikel 43
  • artikel 44
  • Artikel 45
  • Artikel 46
  • Artikel 47
  • Artikel 48
  • Artikel 49
  • Artikel 50
  • Artikel 51
  • Artikel 52
  • Artikel 53
  • Artikel 54
  • Artikel 55
  • Artikel 56
  • Artikel 57
  • Artikel 58
  • Artikel 59
  • Artikel 60
  • Artikel 61
  • artikel 62
  • artikel 63
  • artikel 64
  • artikel 65
  • artikel 66
  • artikel 67
  • artikel 68
  • artikel 69
  • artikel 70
  • artikel 71
  • Artikel 72
  • Artikel 73 & 74
  • Artikel 75
  • Artikel 76
  • artikel 77
  • artikel 78
  • Artikel 79 / 80
  • Artikel 81
  • Artikel 82
  • Artikel 83
  • Artikel 84
  • Artikel 85
  • Artikel 86
  • Artikel 87
  • Artikel 55

    Tot wering van de valse leringen en dwalingen, die door ketterse geschriften zeer toenemen, zullen de dienaars en de ouderlingen de middelen gebruiken van lering, van wederlegging, van waarschuwing en van vermaning, zowel bij de dienst des woords als bij de christelijke onderwijzing en bij het huisbezoek.

    Dit artikel is in 1905 in de plaats gekomen van het oude, onuitvoerbare en ongewenste artikel over de boekencensuur.

    "Is overwogen, dat het aantal boeken en geschriften die thans worden uitgegeven, zeker tienmaal groter is dan in vorige eeuwen, en daaronder ook behoren dag- en weekbladen, wier uitgave onmogelijk is, wanneer zij tevoren aan kerkelijke censuur moeten onderworpen worden;
    voorts, dat tot de uitoefening van zodanige censuur in iedere classe een genoegzaam aantal geschikte personen zou moeten aanwezig zijn, die voor hun veel omvattende arbeid ook de nodige tijd zouden moeten hebben;
    uit welke overwegingen reeds volgt, dat thans uitvoering van art. 55 der kerkenordening wel onmogelijk zou zijn;
    maar ook buitendien meent de synode dat de geschiedenis wel genoegzaam geleerd heeft, dat uit velerlei oorzaken bedoelde censuur niet doeltreffend is, en er vaak zelfs toe leidt, dat geschiedt, wat in de aanvang der 18e eeuw is voorgekomen, toen de Rotterdamse predikant J. Fruytier gecensureerd is wegens de uitgave van zijn nog altijd zeer gewaardeerd werk: 'Sions worstelingen', en terzelfder tijd het zeer ketterse werk 'De hemel op aarde' van den Zwolsen predikant Van Leenhof met kerkelijke approbatie is uitgekomen.
    Ook had in vroegere eeuwen de kerk, als zijnde de publieke kerk, bij haar pogingen tot wering van schadelijke boeken de hulp en de medewerking der overheid, waarop thans natuurlijk niet meer te rekenen valt;
    en eindelijk hangt boekencensuur samen met beginselen en begrippen omtrent bestrijding van dwaling, die nog allerlei andere consequentiën zouden meebrengen en die niet op de Schrift gegrond zijn.
    Dus spreekt de synode uit, dat het bedoelde middel thans niet uitvoerbaar noch ook nuttig is" (Leeuwarden 1890).

    "De synode verbindt niemand om, wanneer hij iets wil laten drukken, zijn werk aan de kerkelijke approbatie te moeten onderwerpen, daar het toch aan de kerkbesturen is en blijft opgedragen, om voor de zuiverheid der leer te waken" (Amsterdam 1866).

    Voorzichtige vermaning van de gemeente is van groot belang.

    "De broeders achten dat tot uitroeiing van valse leer en dwalingen, die door het lezen van ketterse boeken meer en meer toenemen, deze navolgende middelen gevolgd behoren te worden:
    Ten eerste zullen de dienaars van de predikstoel 't volk tot lezing der bijbelse Schriftuur vermanen en van ongezonde ketterse boeken afmanen, doch de namen der boeken spaarzaam noemende.
    Ten tweede zullen de boekverkopers, die de reine leer toegedaan zijn, door de dienaren vermaand worden; dat zij zulke boeken niet drukken noch verkopen.
    Ten derde zullen de dienaars op de huisbezoeken bij de lidmaten der gemeente toezien of in hun huizen enige schadelijke boeken zijn, opdat zij hen vermanen mogen zulke boeken weg te doen" (Dordrecht 1574).

    "Het derde punt ... (zie boven) wordt door de broederen alzo verklaard, namelijk zo de kerkedienaars enige ketterse boeken bij iemand der broederen van de gemeente bij geval in handen krijgen, zo zullen zij in de samenspreking met die broeder toezien of hij niet zodanige ketterij toegedaan is, en naar aanleiding daarvan over die ketterijen spreken en handelen en de schadelijkheid derzelve aanwijzen, mede aanwijzende dat het lezen der goedgekeurde en aangenomen boeken nuttiger en zaliger is. Maar te vragen en te onderzoeken of de broeders zodanige schadelijke boeken meer ergens verstoken hebben is niet raadzaam, opdat hun lust daardoor niet des te meer en meer verwekt en ontstoken worde om zodanige te zoeken en te lezen. Maar zo er vermoeden is dat zij ze hebben, zo zullen zij over de dwalingen spreken en hun valsheid met Gods woord bewijzen" (Rotterdam 1575).