Uitgebreid zoeken
Kerkrecht.nl
Help
Contact


auteur(s): Golverdingen, M
genre: Rapporten
bundel:
tijdschrift:
jaargang:
uitgever:
plaats:
jaar:
druk:
ISBN/ISSN:
aantal pagina's:

  • Rapport Commissie echtscheiding en ambt
  • 1. Opdracht
  • 2. Uitgangspunt; functioneren in het ambt; bronnen; structuur van het rapport
  • 3. Echtscheiding en ambt
  • 4. Inventarisatie
  • 5. Afweging van de gevonden gegevens
  • 6. Standpunt van de commissie
  • 7. Besluitvorming
  • Rapport Commissie echtscheiding en ambt

    1. Opdracht

    De Generale Synode van de Gereformeerde Gemeenten besloot op woensdag 12 september 2001 een commissie te benoemen met de navolgende opdracht: ”de Generale Synode tijdig vóór de vervolgzitting op DV 30 en 31 januari te rapporteren omtrent de vraag hoe een kerkelijke vergadering wordt geacht te handelen in een situatie waarbij het huwelijk van een ambtsdrager door echtscheiding is ontbonden. De commissie dient daarbij te betrekken de aspecten zoals die zijn verwoord in de toelichting op de desbetreffende instructie van de Particuliere Synode Oost, alsmede onder andere het standpunt van de Netherlands Reformed Congregations in North America.”

    De hierboven geformuleerde opdracht staat in verband met de instructie van de Particuliere Synode Oost. En deze vergadering vroeg de Generale Synode bij de beantwoording van haar vraag de navolgende aspecten te betrekken:
    a. de positie van de gemeente waarin een gescheiden ambtsdrager dient;
    b. of het vanuit schriftuurlijk oogpunt wenselijk en mogelijk is voor een gescheiden predikant c.q. ambtsdrager om opnieuw een huwelijk aan te gaan;
    c. of het aanvaardbaar is gescheiden broeders kandidaat te stellen voor een der ambten;
    d. of er in de onderhavige kwestie onderscheid moet worden gemaakt tussen een predikant, ouderlingen en diakenen.

    Tijdens de zitting waarin de Generale Synode besloot tot benoeming van de commissie wees de preses erop dat het over een gevoelige kwestie gaat. Ook de gemeenten in Noord-Amerika hebben zich in een rapport uitgesproken over de betreffende materie. De assessor-preses vulde aan dat het niet de bedoeling is zich uitsluitend te baseren op het rapport uit Amerika. Het gaat om algemene, principiële bezinning en richtlijnen.

    De Generale Synode benoemde tot leden van de commissie oud. J. T. van den Berg uit Nunspeet, ds. M. Golverdingen uit Boskoop, ds. G. J. N. Moens uit Goes, oud. G. Roos uit Apeldoorn en ds. W. Silfhout uit Hendrik-Ido-Ambacht. De commissie koos ds. Golverdingen tot voorzitter en oud. Roos tot secretaris.

    2. Uitgangspunt; functioneren in het ambt; bronnen; structuur van het rapport

    2.1. Uitgangspunt

    De Gereformeerde Gemeenten willen voor wat betreft dogmatische, ethische en kerkrechtelijke opvattingen ten principale gaan in het spoor van Calvijn. Dit houdt onder andere in dat de ethiek binnen onze kerken een normatief karakter draagt. Mensen richten zich in hun zedelijke gedragingen en oordelen naar zedelijke normen. Gods Woord en speciaal de Wet des Heeren nemen bij deze ethiek de voornaamste plaats in en vormen het uitgangspunt voor de normen. Evenals ter zake van het kerkrecht. Daarnaast vormen op Gods Woord gegronde belijdenisgeschriften en uitspraken van de meerdere vergaderingen van de kerk een uitgangspunt voor regelgeving.

    2.2. Echtscheiding en functioneren in het ambt

    De commissie had niet tot taak een onderzoek of eigen studie te verrichten naar al of niet geoorloofde gronden ten aanzien van echtscheiding in het algemeen. Zij sluit zich aan bij de uitspraken van de Generale Synode der Gereformeerde Gemeenten zoals deze in 1977, in relatie tot de hierboven genoemde bronnen, tot stand kwamen.

    Uw commissie vat de opdracht van de Generale Synode zo op dat het rapport van 1977 in één opzicht nadere uitwerking verdient: de vraag of er meer dan ‘gewone’, bijzondere consequenties zijn verbonden aan echtscheiding - in haar diversiteit- ten aanzien van het functioneren in het ambt.

    2.3. Bronnen

    De commissie maakte overeenkomstig haar opdracht gaarne gebruik van het reeds beschikbare materiaal van onze zustergemeenten in Noord-Amerika. Dat betreft een rapport uit 1988. Daarin komt de vraag aan de orde of het correct is een onschuldig gescheiden ambtsdrager onder de kerkelijke tucht te stellen. Verder een rapport dat is uitgebracht aan de Synode 2000 van deze zelfde kerken over echtscheiding en hertrouwen met een aparte paragraaf betreffende het ambt.

    Daarnaast zocht de commissie naar andere relevante gegevens. Uiteraard allereerst in het Woord van God. Maar ook in verscheidene kerken van calvinistische signatuur aanvaarde synodebesluiten of -stukken en andere litteratuur. In al of niet recente documenten uit de Gereformeerde Kerken, de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt, de Christelijke Gereformeerde Kerken, de Gereformeerde Gemeenten en de Gereformeerde Gemeenten in Nederland. Tevens in onder andere de litteratuur van kerkrechtdeskundigen zoals H. Bouwman, K. de Gier, Joh. Janse, G. H. Kersten en F. L. Rutgers rond de artikelen 79 en 80 van de DKO.

    2.4. Structuur van het rapport

    In paragraaf 3. van dit rapport gaat uw commissie in op het specifieke karakter van problemen waar echtscheiding ambtsdragers betreft. In paragraaf 4. inventariseert uw commissie de uitkomst van het onder 2.3. bedoelde onderzoek. Daarbij stelt uw commissie, overeenkomstig haar mandaat, expliciet de rapporten van de Amerikaanse zusterkerken aan de orde. Paragraaf 5. biedt een afweging van de gevonden gegevens. In paragraaf 6. komt het tot een concretisering van het standpunt van de commissie. Paragraaf 7. formuleert een voorstel tot besluitvorming.

    3. Echtscheiding en ambt

    Het onder 2.2. bedoelde rapport uit 1977 maakt geen onderscheid tussen ‘gewone’ leden en predikanten, ouderlingen of diakenen. Bij de bespreking van de instructie ter Generale Synode verwees een der afgevaardigden naar een voorheen door ds. G. H. Kersten gehanteerde regel. Deze luidt dat ”wat een ambtsdrager niet mag, ook niet toelaatbaar is voor een gewoon gemeentelid.”

    Uiteraard stemt uw commissie in met deze gedachte. Maar daarmee is niet gezegd dat ten aanzien van ambtsdragers en mensen die niet dienen in het ambt in alle opzichten gelijke normen gelden. Dat ambtsdragers en mannen die geen bijzonder ambt vervullen soms op onderscheiden wijze worden behandeld, blijkt uit het feit dat de Dordtse Kerkorde (DKO) een tweetal artikelen wijdt aan ”de censuur over de ambtsdragers.”

    Ds. K. de Gier wijst er bij artikel 79 DKO op dat geen ambtsdrager ”in de uitoefening van zijn ambt boven de vermaningen en tucht is verheven. En ook al is het dat de gereformeerden steeds geleerd hebben, dat de ambtsdragers hun ambt van Christus Zelf hebben ontvangen en daarom ook aan Hem verantwoording schuldig zijn over de uitoefening van dit ambt, dit betekent niet, dat de kerk geen bevoegdheid zou hebben ambtsdragers, indien zij te bestraffen zijn, onder de tucht te stellen (...) Bovendien is het onmogelijk het ambt en de persoon geheel van elkaar te scheiden (...) Maar deze tuchtmaatregelen hebben ook consequenties voor zijn positie als ambtsdrager, daar hij zich als een voorbeeld der kudde moet gedragen. Juist om deze eenheid van persoon en ambt kan een ambtsdrager, die wat tuchtwaardigs heeft gedaan, niet als een gewoon lid van de gemeente worden behandeld.”

    De Gier merkt bij artikel 80 DKO in de context van opmerkingen over deposito major en minor op ”dat het kan zijn dat een vruchtbare ambtsbediening van de predikant in de eigen gemeente door de verwekte ergernis niet meer mogelijk is, maar dat dit wel mogelijk kan zijn in een andere gemeente.” Indien een kerkenraad losmaking vraagt van zijn predikant, dient daarbij met name dient rekening te worden gehouden met het gegeven dat dienen in de éne gemeente onmogelijk kan worden, terwijl dat wellicht in een andere gemeente niet het geval is.

    Volgens G. Voetius (1589-1676) gaat de tucht over het ambt aan de gewone tucht vooraf. Voor wat betreft ambtsdragers geldt dat hun ambt ermee is gemoeid. Bij een predikant staat ook zijn kerkelijke positie, inkomen en brood ter discussie. Tucht over predikanten heeft tevens te maken met het representatieve karakter van het ambt en de voorbeeldfunctie van de ambtsdrager. Daarom is het zeker van belang het onderwerp echtscheiding en ambt apart te bezien in de consequenties voor betrokkenen.

    Het rapport van 1977 biedt geen enkele ruimte aan echtscheiding dan op schriftuurlijke gronden. Waar het nú uit te brengen rapport verder spreekt over het dienen in het ambt door gescheiden mannen wordt steeds gedoeld op wat wij vooralsnog betitelen als: schuldloos gescheiden.

    4. Inventarisatie

    4.1. Gegevens in de Schrift

    4.1.1. Leviticus 21

    De Heilige Schrift bevat nauwelijks gegevens over de vraag of een (al of niet toekomstig) ambtsdrager zou mogen dienen na een echtscheiding. Soms wijzen degenen die deze vraag met een absoluut ”neen” beantwoorden op Leviticus 21. Daar komt aan de orde dat een oudtestamentisch priester niet mocht trouwen met een hoer of ontheiligde, of een vrouw die van haar man is verstoten (vers 7).”

    4.1.2. 1 Timótheüs 3:2; Titus 1:6

    Verder wordt in het verband van de aan de orde zijnde vraag soms gewezen op een tweetal overeenkomende passages in de brieven van de apostel Paulus. Dat betreft 1 Timótheüs 3:2 en in Titus 1:6 dat een ambtsdrager ”éner vrouw man” moet zijn.

    4.2. Andere gegevens

    Na te hebben gewezen op bijzondere schriftgegevens die te maken hebben met het huwelijk van een oudtestamentische priester, is het goed een oog te slaan op de visie van kerkelijke vergaderingen, zoals aangegeven in 2.3..

    4.2.1. Gereformeerde Kerken (Nederlandse Hervormde Kerk voor 1795)

    De Friese Synode van Franeker 1589 bleek ruimdenkend. Zij ging zover om te besluiten dat iemand -dus het gaat hier nog niet over een ambtsdrager-, ”onwettig door zijn huisvrouw verlaten zijnde, nadat zij met wettige middelen noch door de magistraat, noch door andere personen bewogen kan worden om zich weder bij haar man te voegen.... naar luid van Gods Woord geoorloofd is (zich) wederom tot een ander huwelijk te begeven.”

    Deze zelfde Synode verklaarde, geheel in het verlengde van de bovengeciteerde uitspraak, ”dat ds. Hero Heynes (of Frisius) te Tjummarum, wiens vrouw hem verlaten had en die niet tot terugkeer te bewegen was, een nieuw huwelijk mocht aangaan, zulks naar luid van Gods Woord en overeenkomstig het advies van de theologische hoogleraren te Franeker.”

    Er was dus geen sprake van dat de genoemde predikant werd gedwongen tot het neerleggen van zijn ambt.

    4.2.2. Gereformeerde Kerken in Nederland

    Tijdens de Generale Synode van de Gereformeerde Kerken in 1923 lag een zeer lijvige studie ter tafel over het huwelijk. Het omvangrijke document blijkt geen enkele opmerking te bevatten betreffende een specifieke norm of regel voor gescheiden ambtsdragers. Het heeft weinig zin om naoorlogse acta te raadplegen. De onderhavige vraagstelling was toen in de Gereformeerde Kerken niet meer relevant.

    4.2.3 Gereformeerde Kerken in Nederland (Vrijgemaakt)

    In de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt komt de ter sprake zijnde problematiek en de vraag of gescheiden mannen (nu of in de toekomst) als ambtsdrager mogen dienen weinig voor. Ooit liet zich een toonaangevend theoloog van zijn vrouw scheiden, omdat zij hem in de weg zou hebben gestaan bij zijn arbeid in het koninkrijk Gods door haar levensopenbaring. Dit heeft ertoe geleid dat de Generale Synode van 1969 uitsprak dat alleen ontucht als vleselijke gemeenschap buiten eigen huwelijk geldt als grond voor echtscheiding. Hier was dus geen sprake van een schuldloze scheiding. Derhalve is dit geval van minder belang voor beantwoording van de aan uw commissie voorgelegde vraag.

    Er deden zich de laatste decennia twee gevallen voor van predikanten die te maken kregen met de problematiek die in dit rapport ons bezig houdt. In het ene geval vroeg de vrouw scheiding aan, omdat zij meende met haar man niet verder te kunnen leven. De scheiding zelf vormde toen geen reden om de predikant de plaatselijke ambtelijke dienst te laten beëindigen. Enkele jaren later volgde een losmaking, omdat er niet langer sprake was van een werkbare verhouding tussen de predikant en de kerkenraad met de gemeente. In het tweede geval was er sprake van overspel door de vrouw, waarbij de man zich volledig inzette voor het behoud van zijn huwelijk. Toen het overspel zich herhaalde, volgde een echtscheiding. De twee kerkenraden die bij de beoordeling betrokken waren, spraken uit, dat de predikant zijn ambtelijke werkzaamheden kon voortzetten.

    Van officiële kerkelijke bezinning, besluitvorming of publicatie over de vraag of een gescheiden ambtsdrager kan dienen is echter in de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt geen sprake. De kwestie kwam nimmer op het niveau van een generale synode aan de orde. In de twee laatstgenoemde gevallen is gekozen voor het voortzetten van de ambtelijke werkzaamheden op basis van een goed draagvlak in kerkenraad en gemeente. Niet altijd is er door een echtscheiding sprake van een voor een ambtsdrager onwerkbare situatie.

    4.2.4. Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland

    Binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken was -min of meer recent- sprake van een drietal predikanten dat met de echtscheidingsproblematiek te maken kreeg. In alle gevallen verliet de vrouw haar man. Bij één van de kwesties deden zich enkele jaren later complicaties voor. Dat leidde tot verlies van het ambt van de predikant. In beide andere gevallen konden de predikanten hun ambt blijven uitoefenen. Zij kwamen zelfs tot een nieuw huwelijk.

    Als algemene regel geld binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken dat er geen onderscheid is tussen ‘gewone’ leden en ambtsdragers. Daarom is er ook geen sprake van specifieke uitspraken of documenten. Verder is van belang dat de plaatselijke kerkenraad degene is die moet oordelen of een predikant te handhaven is, of niet. In elk geval gaan de kerkelijke vergaderingen bij hun argumentatie pro of contra nog altijd uit van een tijdens de Generale Synode van 1959 aanvaard, tamelijk lijvig rapport over echtscheiding.

    4.2.5. Gereformeerde Gemeenten

    Het rapport van de Generale Synode van 1977 van de Gereformeerde Gemeenten en ook een boekwerkje als ”Huwelijk en huwelijksontwrichting” leveren geen bouwstenen op voor beantwoording van de vraag of een gescheiden ambtsdrager kan dienen. De zaak is aan de orde geweest binnen de Classis Barneveld, maar dat heeft geleid tot het indienen van een instructie voor de huidige Generale Synode.

    4.2.6. Litteratuur van kerkrechtdeskundigen

    Onderzoek van reeds onder punt 2.3. genoemde kerkrechtdeskundigen leverde geen gegevens op die uw commissie kunnen dienen bij haar opdracht. Ook twee Zuidafrikaanse commentaren op de DKO leverden geen concrete gegevens op. Dat is enigszins opvallend, omdat Zuid-Afrika een ”ontstellende hoë egscheidingssyfer” kent.

    4.3. Amerikaanse zustergemeenten

    4.3.1. Rapport van 1988

    Ten behoeve van de meningsvorming werd aan de Generale Synode van de kerken overzee in 1988 een advies uitgebracht door de predikanten J. Den Hoed, H. Hofman, A. Moerkerken en C. Vogelaar. Het Committee’s advice to the honorable Synod maakt deel uit van een rapport uit 1988. Het is duidelijk dat dit rapport zich vooral richt op de vraag of een gescheiden, maar persoonlijk onschuldig predikant nog zijn ambtelijk werk kan verrichten. Daardoor komen de ouderling en de diaken te weinig in beeld.

    4.3.2. Rapport van 2000

    Het rapport van de Amerikaanse zustergemeenten zoals uitgebracht aan de Synode 2000 betreft eigenlijk echtscheiding en het opnieuw in het huwelijk treden van gescheiden mensen in het algemeen. De slotparagraaf is gewijd aan de vraag of gescheiden mannen nog kunnen dienen in het ambt.

    De slotparagraaf verwijst naar de reeds onder punt 4.1.1. en 4.1.2. van het rapport van uw commissie aan de orde gekomen zijnde bijbelplaatsen. Voorts concludeert het stuk van de Amerikaanse kerken dat een ambtsdrager een voorbeeldfunctie heeft. Tenslotte concludeert de commissie dat gescheiden personen in het algemeen niet als ambtsdrager kunnen dienen.

    Uw commissie geeft hierbij de letterlijke tekst van het slotadvies uit de laatste paragraaf.
    ”1. Niet op schriftuurlijke grond gescheiden/hertrouwde personen dienen overeenkomstig 1 Timótheüs 3 en Titus 1 voor altijd uitgesloten te worden van het bekleden van enig ambt.
    2. Als algemene regel geldt dat gescheiden personen niet als ambtsdrager kunnen dienen.
    3. Ambtsdragers die verwikkeld zijn in een echtscheidingsprocedure of -situatie moeten tijdelijk ontheven worden van alle aan dat ambt verbonden, ambtelijke werkzaamheden totdat een grondige, kerkelijke afweging heeft plaatsgehad van de omstandigheden.”

    4.3.3. Aanvullende informatie

    De tijdens de Generale Synode 2001 aanwezige afgevaardigde van de Amerikaanse zustergemeenten -mede verantwoordelijk voor het synodaal rapport van zijn kerken uit 1988- vertelde de afgevaardigden tijdens de bespreking van de instructie dat aanvankelijk een betreffende ambtsdrager de vraag zeer aan het hart werd gelegd, of hij wel zou kunnen dienen. Uiteindelijk heeft de Synode ter plekke als algemene regel uitgesproken dat een gescheiden ambtsdrager niet mag dienen. De afgevaardigde predikant merkte op het niet zo eenvoudig te vinden als hij eerst dacht.

    Een andere predikant, uit Canada, die het rapport van de Synode 2000 van zijn kerken mede ondertekende, gaf over de aan de orde zijnde kwestie aan dat in Noord-Amerika de invloed van de baptisten op het denken in onze zustergemeenten duidelijk aanwezig is. In baptistische kring wordt hertrouwen na echtscheiding categorisch afgewezen. Ook als iemand op bijbelse grond scheidt, is een nieuw huwelijk uitgesloten. De woorden van de Heere Jezus ”die de verlatene trouwt doet ook overspel” (Mattheüs 19:9) ontvangen een weinig doordachte, maar zeer strikte uitleg. Omdat de bedoelde kerken bij een predikant de zaak nog scherper stellen, is een gescheiden predikant een onmogelijkheid. Uiteraard speelt daarbij de gedachte een belangrijke rol dat een predikant het vertrouwen van zijn gemeente moet genieten. Als dat afwezig is, kan hij zijn werk niet meer naar behoren doen.

    5. Afweging van de gevonden gegevens

    5.1. Weging van de Schriftgegevens

    5.1.1. Leviticus 21

    Het gaat in Leviticus 21 niet over het huwelijk van een priester dat wordt geteisterd door een echtscheiding, maar over een nog aan te gane verbintenis. Uit Leviticus 21 valt zeker af te leiden dat de leefregels voor priesters onder het Oude Testament van een hoger, heiliger orde waren dan de voorschriften voor niet-ambtsdragers. Er was sprake van een voorbeeldfunctie. Daarin ligt een argument om –in geval van echtscheiding– terughoudend te zijn ter zake van voortzetting van de ambtsbediening. Wij hebben ons te wachten voor aanpassing aan het moderne levensgevoel. Deze voorbeeldfunctie is onder andere verdedigbaar op basis van Maleáchi 2, dat de heiligheid van het huwelijk aangeeft. Leviticus 21 kan mede ondersteuning bieden om de voorbeeldfunctie te onderstrepen.

    Tegelijk geldt dat Mozes’ woord priesters betreft die leven onder de schaduwdienst. De ceremoniële wetten die betrekking hadden op heilige plaatsen, heilige personen die een erfelijk ambt bekleedden, heilige handelingen en tijden ontvingen hun vervulling in Christus. Leviticus 21:9 schrijft voor dat de overspelige dochter van een priester met vuur verbrand zal worden. Dat vestigt het oog op de grote zonde van ontucht; in het bijzonder waar het de dochter van een priester betreft. Maar de concretisering van de straf op zulk kwaad krijgt in het Nieuwe Testament een andere gestalte. De commissie is van mening dat voorzichtigheid betracht moet worden met de regels van Leviticus 21 en detail en voluit van toepassing te verklaren op nieuwtestamentische ambtsdragers.

    5.1.2. 1 Timótheüs 3:2; Titus 1:6

    1 Timótheüs 3:2 en Titus 1:6 zeggen dat een ambtsdrager ”éner vrouw man” moet zijn. Het is aannemelijk dat de apostel hier vooral doelt op een verbod om in het ambt te dienen voor hen die in polygamie leven of mogelijk na een onschriftuurlijke echtscheiding opnieuw een huwelijk aangingen.

    Calvijn tekent hierbij aan dat de uitlegging van Chrysostomus waar is ”dat het in een opziener wordt gestraft meer vrouwen te hebben dan één: hetwelk te dien tijde bij de Joden bijna voor een wet was.” Ook onder de Griekse bekeerlingen was trouwens veelvuldig sprake van polygamie. De Geneefse hervormer beaamt dat dit voor alle mensen zonder uitzondering een zonde vormt. Niet slechts voor opzieners. Het gaat er derhalve niet over dat slechts een ambtsdrager geen tweede of derde vrouw mag nemen. En de apostel gaat op deze plaats aan de vraag voorbij of iemand die tweede en derde vrouw na zijn bekering de deur uit zou moeten zetten. Maar in elk geval mag een opziener niet met die smet bevlekt zijn dat hij zich voorheen heeft schuldig gemaakt aan polygamie.

    De commissie is van mening dat het moeilijk is om op basis van Leviticus 21 en de paulinische uitspraken in 1 Timótheüs 3:2 en Titus 1:6 zonder meer een schuldloos gescheiden man of ambtsdrager te verhinderen een ambt uit te oefenen. Wel blijkt, in het bijzonder in Titus 1:6, het belang van de voorbeeldfunctie. Een ambtsdrager dient onberispelijk te zijn. Dat wil niet zeggen: vrij van alle gebreken. Maar ”een kwade naam zou zijn autoriteit kunnen verkleinen.”

    5.2. Weging van de andere gegevens

    Uit geen van de onder punt 4.2.1. tot en met 4.2.6. genoemde besluiten van kerkelijke vergaderingen of boeken van kerkrechtdeskundigen vallen doorslaggevende motieven aan te dragen die tot een wel gemotiveerde, algemene regel leiden van goed- of afkeuring betreffende het dienen van een gescheiden man in het ambt. De enkele uitspraak van de Franeker Synode van 1589 biedt daarvoor een te smalle basis. Toch blijkt dat ook in andere kerken van gereformeerde origine het zonder meer afwijzen van een schuldloos gescheiden man als ambtsdrager geen praktijk is.

    5.3. Weging van de gegevens van de Amerikaanse zustergemeenten

    5.3.1. Het rapport van 1988

    Uw commissie ziet het rapport van 1988 van de Amerikaanse zustergemeenten als een goed, met veel zorg geschreven stuk. Uw commissie onderschrijft de conclusie dat er in het geval van een schuldloos gescheiden predikant en zijn verdere dienst sprake is van een gewetenszaak voor de betrokkene zelf.

    Het rapport van 1988 sluit nauwkeurig aan bij de door dr. J. Douma ontwikkelde visie, zij het dat enkele praktische opmerkingen van Douma niet zijn weergegeven. Eén daarvan is van direct belang voor ons onderwerp: Deze auteur concludeert, dat een echtscheiding een ambtsdrager niet altijd schorsingswaardig maakt. ”Maar er kunnen omstandigheden zijn, waarin een ambtsdrager zijn werk moet staken, omdat hij niet meer met vrucht kan arbeiden. Men behoeft niet altijd persoonlijk schuldig te staan om z’n ambt neer te leggen. Dat geldt voor een minister en ook voor een ambtsdrager in de kerk. Voor een predikant ligt dat uiteraard moeilijker dan voor een (andere) ouderling of diaken, omdat zijn werk hem in zijn levensonderhoud doet voorzien. Daarvoor moet een billijke en eervolle regeling getroffen worden, die ook de mogelijkheid openhoudt, dat de predikant te zijner tijd elders zijn werk kan voortzetten.” ”Meer dan één predikant behield het vertrouwen van zijn kerkenraad en gemeente, en kon zijn arbeid voorzetten. Dat laatste lijkt mij niet
    mogelijk, wanneer de ambtsdrager in kwestie wel gróte schuld aan zijn scheiding heeft”

    Verder merkt Douma op, dat het neerleggen van het ambtswerk of het moeten neerleggen daarvan in verband met een scheiding nog niet behoeft te betekenen dat deze persoon nooit meer voor het ambt in aanmerking kan komen. In zo’n geval moet wel zijn voldaan aan twee voorwaarden, aldus Douma:
    ”a) Er zal tijd moeten verstrijken, zodat de scheiding niet meer vers in het geheugen ligt.
    b) Het is ongewenst dat een ouderling of diaken, en zéker een predikant ambtswerk hervat in de gemeente waar hij destijds vanwege de scheiding dit werk neerlegde.”

    Wel merkt uw commissie op dat de beslissing van de ambtsdrager altijd een draagvlak dient te hebben in zijn kerkenraad en gemeente. Wie alleen zegt dat ”de beslissing die zo’n predikant maakt geschiedt tussen God en zijn ziel en als zodanig door onze gemeenten dient te worden aanvaard” , zegt te weinig. Het gaat bij een predikant altijd om een drievoudige relatie: de betrokkene, zijn Zender en de gemeente, vertegenwoordigd door de kerkenraad. Als een gewetensbeslissing tot gevolg heeft dat de betrokken predikant begeert zijn ambtelijk werk voort te zetten, moet deze beslissing, wil een vruchtbaar functioneren tot stichting der gemeente mogelijk zijn, ook gedragen worden door kerkenraad en gemeente.

    Het kan gebeuren dat iemand vrijwillig zijn ambt neerlegt of dat er sprake is van losmaking van zijn gemeente. In beide gevallen moet er zeker sprake zijn van het treffen van een billijke en eervolle (financiële) regeling.

    5.3.2. Het rapport van 2000

    Betreffende de verwijzing in het rapport van de Amerikaanse zustergemeenten van 2000 naar de teksten uit Gods Woord verwijzen wij naar het onder punt 5.1.1. en 5.1.2. van het rapport van uw commissie. Het blijk moeilijk op basis van deze teksten een schuldloos gescheiden man of ambtsdrager zonder meer te verbieden een ambt uit te oefenen.

    De conclusie van dit rapport -de algemene regel dat gescheiden personen niet kunnen dienen als ambtsdrager- gaat naar de mening van uw commissie verder dan uit de in de bewuste paragraaf naar voren gebrachte gegevens valt te concluderen.

    6. Standpunt van de commissie

    De onder 2., 3., 4 en 5. in het geding gebrachte gegevens en de afweging daarvan brengt uw commissie tot het volgende standpunt.

    6.1. Huwelijk en echtscheiding

    6.1.1. Het huwelijk is door de Heere ingesteld. Het gaat om een verbond tussen man en vrouw, dat het gehele leven voortduurt. Die hechte door God gelegde band tussen man en vrouw mag niet door mensen worden verbroken. De Schrift zegt dat de Heere elke lichtvaardige echtscheiding haat. De commissie sluit zich in het licht van deze Schriftgegevens aan bij de synodale uitspraken over echtscheiding, zoals die in l977 tot stand kwamen ten aanzien van gemeenteleden.

    6.1.2. In het licht dat de Schrift werpt op het huwelijk als een verbond tussen één man en één vrouw, gesloten voor Gods aangezicht, dienen we uiterst voorzichtig te zijn met het spreken over het schuldloos gescheiden zijn van een gemeentelid of een ambtsdrager. Een enkele keer vinden kwaadwillige verlating en overspel geheel onverwacht plaats. Maar in het algemeen is er een voorgeschiedenis. Daarbij moet worden onderscheiden tussen ”aanleidende schuld” en ”beslissende schuld.” De aanleidende schuld is dan de schuld die man en vrouw eigenlijk altijd beiden hebben aan het stukbreken van het huwelijk. Bij de beslissende schuld gaat het om de schuld van de man of vrouw die het besluit neemt om een einde te maken aan de huwelijksrelatie en zich niet (meer) voor herstel daarvan wil inzetten. Overigens is er bij ”beslissende schuld” geen sprake van dat iemand nog zou kunnen dienen.

    6.1.3. Ook de verlaten partij heeft meestal meer of minder ”aanleidende schuld.” Soms blijkt zelfs de zogenaamd schuldloos gescheiden man of vrouw zelf de diepste oorzaak van het stukbreken van het huwelijk te zijn, bij voorbeeld door liefdeloos gedrag dat tot uitdrukking kwam in emotionele verwaarlozing of een langdurige psychische mishandeling van de partij die de scheiding heeft aangevraagd en laten inschrijven bij de burgerlijke stand. Er is bijzonder veel wijsheid en mensenkennis voor nodig om op basis van hoor en wederhoor een goed oordeel te kunnen vormen over de vraag of er werkelijk sprake is van ‘schuldloosheid’. Voor de kerkenraad dient vast te staan dat er geen sprake is van een censurabele zonde.

    6.1.4. Ooit hoorden de huwenden dat zij elkaar zouden dienen lief te hebben ”als uw eigen lichaam, gelijk als Christus Zijn gemeente lief gehad heeft.” In het licht daarvan is er altijd alle reden om zich voor God en mensen te verootmoedigen, ook bij de ‘schuldloze’ partij. Het is ook die immers niet gelukt om het huwelijk heilig en goed te houden, zoals de Heere in Zijn Woord van alle gehuwden vraagt en bij de huwelijksluiting als voor Gods aangezicht door de gehuwden is beloofd. Het stuklopen van een huwelijk is en blijft altijd een gruwel in de ogen van God, omdat wij door onze zonden ruïneren wat Hij ons in Zijn goedheid heeft gegeven. Daarbij past ook de schuldloos gescheiden man of vrouw niet anders dan verslagenheid, berouw en verootmoediging voor God en mensen.

    6.2. Oordeel kerkenraad en persoonlijk geweten

    6.2.1. De commissie verwoordde reeds het niet zonder meer schriftuurlijk te achten om op basis van Leviticus 21 en de paulinische uitspraken in 1 Timótheüs 3:2 en Titus 1:6 een schuldloos gescheiden man of ambtsdrager absoluut het voorrecht te ontzeggen om een ambt uit te oefenen.

    De commissie betrekt hierbij mede de vraag van de Generale Synode ”of het vanuit schriftuurlijk oogpunt wenselijk en mogelijk is voor een gescheiden predikant c.q. ambtsdrager om opnieuw een huwelijk aan te gaan.” Alsmede de vraag van de Generale Synode om zich te bezinnen op ”de positie van de gemeente waarin een gescheiden ambtsdrager dient.”

    Ten aanzien van een nieuw huwelijk na echtscheiding sluit de commissie zich aan bij het daaromtrent gemelde betreffende niet-ambtsdragers in het rapport van 1977: Alleen wanneer een huwelijk ontbonden is overeenkomstig hetgeen de Heilige Schrift leert, kan een kerkelijke huwelijksbevestiging plaatsvinden.
    - Wanneer na een volgens de Heilige Schrift ongeoorloofde scheiding de overheid een nieuw huwelijk toestaat, moet de kerk dit als een zondige daad veroordelen. De kerk kan daaraan op geen enkele wijze haar medewerking verlenen, zolang de echtgeno(o)t(e) niet hertrouwd is en geen aanwijsbaar feit van echtbreuk heeft gepleegd.
    - Wanneer iemand die zelf geheel vrij is om te huwen een ander trouwt die op ongeoorloofde wijze is gescheiden, dan doet deze een zondige daad, ook als de overheid een nieuw huwelijk toestaat.
    - Wanneer het huwelijk wordt aangegaan met iemand, die ongeoorloofd is gescheiden, maar waarvan de vorige echtgeno(o)t(e) is hertrouwd of gestorven, kan men dit aangaan van een nieuw huwelijk niet als een zondige daad aanmerken. Degene die ongeoorloofd is gescheiden is immers niet meer aan zijn of haar vorige echtgeno(o)t(e) verbonden.

    6.2.2. Uit paragraaf 3. is duidelijk dat er enig onderscheid bestaat tussen een ‘gewoon’ gemeentelid en ambtsdragers. Dit onderscheid heeft geen betrekking op de zonde als zodanig, maar wel op de gevolgen daarvan. Dit wordt bevestigd door het feit dat de Schrift een voorbeeldfunctie toekent aan ambtsdragers. Nu is er vrijwel altijd in meer of mindere mate sprake van schuld bij man én vrouw ten aanzien van het stukbreken van het huwelijk. De voorbeeldfunctie kan door deze ”aanleidende schuld” nauwelijks, enigermate of aanzienlijk zijn geschonden.

    6.2.3. Het gereformeerd kerkrecht gaat uit van de bereidheid van de ambtsdrager om zijn functioneren te onderwerpen aan de beoordeling van de kerkenraad. De kerkenraad is bij de behandeling van de echtscheiding van de betrokken broeder uit de kerkenraad zoals bij elke echtscheiding van Godswege geroepen de in het geding zijnde partijen te horen en het welzijn van de gemeente te dienen. Als de kerkenraad van oordeel is, dat er alleen sprake is van ”aanleidende schuld”, wordt bij het beraad over het nog kunnen dienen van betrokkene in ieder geval de consulent geraadpleegd. Wanneer blijkt dat het oordeel binnen de kerkenraad nogal uiteenloopt, wordt daarbij ter wille van de objectiviteit de naburige kerkenraad betrokken. De in opspraak geraakte ambtsdrager heeft aan het oordeel van de kerkenraad hoge waarde toe te kennen. Ook indien hij zich in principe vrij weet van de ”beslissende schuld” mag worden verwacht dat hij zich zonder voorbehoud tegenover zijn kerkenraad bereid verklaart om in de tijd van de scheiding zijn ambtelijke dienst op te schorten.

    6.2.4. De betrokkene is naar de eis van zijn geweten vrij zijn ambt terstond neer te leggen, of zijn werkzaamheden tijdelijk niet te verrichten. Het is verstandig om daarover eerst het oordeel van de kerkenraad te vragen. Indien de kerkenraad redenen aanwezig acht om het ambt vrijwillig neer te leggen, behoort het tot zijn verantwoordelijkheid om daarop zo nodig op aan te dringen. De uiteindelijke beslissing over het al of niet verder functioneren van een ambtsdrager mag dus niet uitsluitend in diens persoonlijk geweten worden gelegd.

    6.3. Ouderling of diaken

    6.3.1. Als het gaat om een ouderling of diaken kan de kerkenraad die zich laat bijstaan door de consulent van mening zijn dat het welzijn van de gemeente niet is gediend met het aanblijven van de betrokken broeder. Gelet op diens ”aanleidende schuld” is de koninklijke weg, dat hij eigener beweging het ambt neerlegt.

    6.3.2. Zou een broeder het advies van de kerkenraad om het ambt eigener beweging neer te leggen niet opvolgen, dan is de kerkenraad uiteraard bevoegd de betrokkene na afloop van zijn ambtsperiode niet herkiesbaar te stellen.

    6.3.3. Na een periode van een aanzienlijk aantal jaren, waarin de onder 6.3.1. genoemde, afgetreden ambtsdrager tot zichzelf is ingekeerd en zich voor de Heere heeft verootmoedigd en verwerking van de scheiding heeft plaats gevonden, is niet bij voorbaat uitgesloten dat hij opnieuw kan worden gekandideerd en gekozen. Deze formulering vertoont met opzet terughoudendheid.

    6.3.4. De kerkenraad legt zowel bij het aanblijven in het ambt als bij het neerleggen daarvan een korte, pastoraal verantwoorde verklaring af in het midden van de gemeente.

    6.4. Predikant

    6.4.1. Betreft de echtscheiding en daaruit voortvloeiende complicaties een dienaar des Woords, dan getuigt het evenzeer van verootmoediging en een bijbels zicht op het heil van Sion, dat hij zich afvraagt of hij nog met stichting de gemeente kan dienen. Geeft zijn eigen geweten hem al of niet vrijmoedigheid om in het algemeen en in de betreffende gemeente als dienaar van het Evangelie verder werkzaam te zijn? Hij zal dan ook zonder voorbehoud in het midden van de kerkenraad de vraag neerleggen of hij nog langer in zijn situatie de gemeente met stchting kan dienen. Tijdens de bespreking moet er alle ruimte zijn om over en weer tot duidelijkheid te komen.

    6.4.2. De onder 6.4.1. bedoelde bespreking dient door de consulent van de gemeente te worden geleid. Terwille van de objectiviteit dient ook het oordeel te worden gevraagd van de naburige kerkenraad. ”Naburig” betekent hierbij niet de meest dichtbij zijnde. Het gaat over een gemeente waar geen sprake is van verwevenheid met de persoon van de predikant in kwestie. Dit kan het geval zijn wanneer hij bij voorbeeld al jarenlang consulent in een gemeente is. Kerkrechtelijk is de positie van een predikant enerzijds en ouderlingen en diakenen anderzijds enigszins verschillend. Uw commissie betrekt hier in haar bezinning ”of er in de onderhavige kwestie onderscheid moet worden gemaakt tussen een predikant, ouderlingen en diakenen.”

    6.4.3. Indien de predikant zou nalaten om de vraag over het met vrucht kunnen dienen aan de orde te stellen, behoort het tot de verantwoordelijkheid van de kerkenraad om hem de vraag aan het hart te leggen of hij er niet beter aan zou doen om vrijwillig het ambt neer te leggen, losmaking van de gemeente te verzoeken of tijdelijk vrijwillig het ambt niet te bedienen. In ‘normale’ gevallen dient overigens niet de weg naar de status van emeritus te worden geopend.

    6.4.3. Het kan zo zijn dat er objectief, kerkordelijk gezien geen sprake is van een tuchtwaardige situatie of ontzetting uit het ambt, terwijl toch de vraag zich opdringt of iemand in de gegeven situatie wel ambtelijk werkzaam kan blijven. Veelal is het echter moeilijk om de bezwaren te objectiveren. In dat geval mag aan het subjectieve element niet een te groot gewicht worden gehecht.

    6.4.4. Indien de kerkenraad de vraag naar het met stichting kunnen dienen positief beantwoordt, wordt ten behoeve van de gemeente een pastoraal verantwoorde, duidelijke verklaring gereedgemaakt en aan de gemeente medegedeeld. Daarin dient enerzijds de ”aanleidende schuld” van de predikant te worden erkend, terwijl anderzijds ook wordt aangegeven dat hij zich heeft ingespannen voor het in standhouden van zijn huwelijk, zodat hij zijn plaats als ambtsdrager voor God en in de kerk met een goed geweten kan blijven innemen. Een soortgelijke verklaring wordt verstrekt, indien hij van de gemeente zou moeten worden losgemaakt. De verklaring moet melding maken van het feit dat de consulent en de naburige kerkenraad ter zake van de genomen beslissing zijn geraadpleegd.

    6.4.5. Indien binnen de kerkenraad, ook na het horen van de naburige kerkenraad, geen overeenstemming kan worden bereikt over de te volgen weg ten aanzien van een dienaar des Woords, omdat er verschil van mening bestaat over de vraag of hij nog met stichting kan dienen, wordt de raad van de classis ingewonnen. Het gaat daarbij om een advies, omdat er geen sprake is van tucht.

    6.4.6. Indien een dienaar des Woords eigener beweging het ambt neerlegt -hij wordt daardoor met zijn gezin brodeloos- of van de gemeente wordt losgemaakt, wordt in beide gevallen een tijdelijke financiële voorziening getroffen. De Generale Synode 1998 zette met het oog op dergelijke treurige gebeurtenissen reeds lijnen uit. Deze Synode droeg ook het Deputaatschap voor de emerituskas op ”uitvoering te geven aan het besluit om een algemeen geldende financiële regeling te treffen ten behoeve van het levensonderhoud van een predikant die is losgemaakt krachtens artikel 11 van de Dordtse Kerkorde en daarover rapport uit te brengen aan de Generale Synode 2001.”

    7. Besluitvorming

    7.1. Uw commissie heeft antwoord gegeven op de vraag van de Generale Synode hoe een kerkelijke vergadering wordt geacht te handelen in een situatie waarbij het huwelijk van een ambtsdrager door echtscheiding is ontbonden. Daarbij zijn de aspecten zoals die zijn verwoord in de toelichting op de desbetreffende instructie van de Particuliere Synode Oost betrokken. Ook heeft uw commissie de argumenten uit de rapporten van de Netherlands Reformed Congregations in North America voluit laten meewegen.

    7.2. De commissie verzoekt de Generale Synode de onder punt 6. genoemde uitleg en aanbevelingen over te nemen en te beschouwen als besluit met verbindend karakter overeenkomstig de in de uitgave ”In orde” vermelde rangorde.

    De commissie legt haar mandaat in handen van de Generale Synode en wenst de vergadering in alle beraadslagingen de onmisbare zegen en wijsheid van de Heere toe.

    Woerden, 9 januari 2002

    ds. M. Golverdingen
    ds. G. J. N. Moens
    ds. W. Silfhout
    oud. J. T. van den Berg
    oud G. Roos