|
1. Overzicht
2. Lezing prof. M. te Velde
2a. Bijdrage mr. P. Lourens
2b. Reactie Ir. W. Haitsma
3. Bespreking
4. Workshop Revisie van appèluitspraken: huidige praktijk handhaven?
5. Workshop verhouding deputaten / meerdere vergadering
6. Workshop praktische gang van zaken
7. Afsluiting
verslag (PDF-versie)
|
2. Lezing prof. M. te Velde |
Onder de titel “Het eigene van de kerkelijke rechtspraak houdt prof. M. te Velde, hoogleraar kerkrecht en kerkgeschiedenis van de Theologische Universiteit van de Gereformeerde Kerken in Nederland de volgende lezing.
Het eigene van kerkelijke rechtspraak.
1. Introductie Wat is de aanleiding om over het eigene van kerkelijke rechtspraak te spreken? Tot aan plusminus 1990 was de praktijk dat elke synode op haar eigen wijze een appèlzaak behandelde. Sindsdien is een beweging op gang gekomen om volgens meer vaste uitgangspunten en via goede methodes tot een goede behandeling van de voorliggende zaken te komen. Dat resulteerde daarin dat de Generale Synode van Leusden 1999 deputaten benoemde die in de behandeling het voortouw moesten nemen en de synodes moesten dienen met een voorstel voor een uitspraak. Daarmee volgde de GS min of meer wat al regionaal wortel begon te schieten. In 1997 kon al geconstateerd worden dat de helft van de classes beschikte over een goed reglement voor de behandeling van appèlzaken. Dat aantal is sinds die tijd alleen maar toegenomen.
Intussen zijn we een kleine tien jaar verder en hebben we de eerste ervaringen opgedaan met deze manier van werken. Nu is aan de orde: waar lopen we tegenaan en welke vragen rijzen er? Een ervan is: “Wat is nu het eigene van kerkelijke rechtspraak?”. Nogal wat vergaderingen werken met stukken die door een commissie uitvoerig voorbereid zijn. Op basis van dat rapport wordt binnen de classis – daar ga ik nu even vanuit – gewerkt. Daarbij wordt geprobeerd, meer dan vroeger, methodisch te werk te gaan. De juridische kant van de zaak speelt daarbij een grotere rol dan weleer. Vragen die dan opkomen zijn: Wordt zo’n deputaatschap appèlzaken niet al te zelfstandig? Welke manieren en methoden ontwikkelen ze? Zijn die methoden wenselijk of juist niet? Juridisch hebben we wellicht gewonnen, maar winnen we kerkelijk ook? Belangrijk is vooraf vast te stellen dat beginselen van algemene rechtswetenschap en het kerkelijk kader elkaar niet beconcurreren maar juist bevruchten moeten. Dat moeten we in de gaten houden en nadenken over de vraag hoe dat het beste ingevuld kan worden. Met deze punten in het achterhoofd heb ik de uitnodiging van de generale deputaten appèlzaken om hier een referaat te houden over het eigene van kerkelijke rechtspraak aangenomen. En dat vooral om te bekijken waar en hoe dat eigene een rol speelt, c.q. moet spelen.
Onderlinge verhouding Eerst iets over de verhouding algemeen versus het eigene van de kerkelijke rechtspraak. Daar is een diepe theologische fundering voor aan te geven, samen te vatten in de zin dat we de schepping niet mogen uitspelen tegen de openbaring. De vooronderstelling die uitgedrukt is in NGB art. 2 is ook van belang als we het hebben over het recht. We zijn kerken die aan die belijdenis gebonden zijn, maar inhoudelijk gaan we makkelijker mee in het tweede deel: we kennen God vanuit de Bijbel. Maar laten we niet veronachtzamen onze belijdenis dat God de wereld ook als zijn schepping onderhoudt. Die tweedeling: algemene en bijzondere openbaring moeten we verdisconteren als we het hebben over het recht. Het ‘algemene’ recht is daarom geen Fremdkörper in de kerkelijke rechtspraak. Daarom zal kerkelijk recht altijd ook vanuit hermeneutisch oogpunt bekeken dienen te worden. Immers, we gebruiken het toch: de ontwikkelingen die zich concreet afspelen binnen de maatschappij, de vraag hoe recht ervaren wordt, welke principes aan de rechtspraak ten grondslag liggen. Al dat soort vragen mogen we niet laten voor wat ze zijn. Ze werken door, in ons zijn zelf, laten we dat dan ook hardop tegen elkaar zeggen. Als er in de burgerlijke wereld eisen gesteld worden aan rechtsprocedures, heeft dat ook invloed op de procedures in de kerk. Dat is op zich niet verkeerd, maar je moet het wel op een goede manier inzetten. Sterker nog, je moet vervolgens ook de stelling durven innemen dat kerkrecht bedoeld is voorbeeldig te zijn. Ook dat dient een afspiegeling te zijn van het rijk van Christus. Het kan niet zo zijn dat het iets krijgt van: in de kerk doen ze maar wat, daar heerst partijdigheid. het is een rommeltje. Het doel is: er dient recht gesproken te worden, met deugdelijke uitspraken die een geestelijke impact hebben. Daarin kan kerkrecht voorbeeldig zijn voor de samenleving om ons heen. Ook als rechtsgemeenschap dienen we een zoutend zout en een lichtend licht te zijn!
Beperkte kennis Ik spreek met een beperkte kennis van de uitspraken die er gedaan zijn binnen onze kerken. De meeste classicale uitspraken zijn nergens te vinden. Het is voor de kerken een kwetsbaar punt dat er geen concrete jurisprudentie voor handen is van uitspraken van met name de classes en de particuliere synoden. Een van mijn wensen zou zijn dat we daarin meer inzicht krijgen door een goede, waar nodig geanonimiseerde, database. Verder wil ik in dit verhaal een bewustzijn kweken voor het kerkelijk en geestelijk karakter van de rechtspraak. Daarover willen we vandaag nadenken. En dan niet in de trant van: zo moet het. Maar ik wil graag breder kijken en verschillende aspecten aan de orde laten komen. Er is al wel wat literatuur over. Ik denk aan het boekje Recht doen aan bezwaarden. Ook veronderstel ik de schriftgegevens die een rol spelen bekend. Anders gaat u nog maar eens op zoek op www.kerkrecht.nl. Daar vindt u, ik attendeer daar graag op, ook de dissertatie van Gerard Meijer over appèlrecht. De site is overigens een bron van informatie waar iemand die met deze materie bezig is niet dan tot zijn schade aan voorbij kan gaan.
2. Afbakening Bij de voorbereiding van deze inleiding liep ik ertegen aan dat we de zogenaamde taakidentiteit niet altijd even helder hebben. Wat willen we met onze appelprocedure: conflictoplossing? Arbitrage? Rechtspraak in de zin van: er is een rechtsvraag en die voorzien we van een antwoord, maar de onderliggende, vaak relationele, problemen mogen de mensen zelf oplossen. Is het regering of is het een faciliterende tussenstap? We hebben in onze traditie vanouds gezegd: kerkregering voltrekt zich binnen de kerk en is daarom per definitie verkondiging, bediening van het Woord van God. En dat toegepaste Woord vraagt om een geloofsreactie. En niet om een discussie zoals veelal tegenwoordig in een sfeer van gelijk en ongelijk. De bedoeling is daarom mijns inziens dat de vergadering een zaak in zijn geheel behandelt. Nu is het veelal zo dat alleen de gestelde rechtsvragen worden beantwoord. Wie de partijen vervolgens op het juiste spoor zet, dat is een zaak voor anderen. In onze kerken kennen we een oude cultuur waarbinnen de classes zich veel breder met zaken konden bezighouden dan nu het geval is. Het is goed die cultuur nog eens te benoemen. Ze heeft diepe wortels en een lange looptijd.
Mijns inziens zijn er, als je naar een conflict kijkt, drie soorten rollen gevraagd: Conflictconsultants (dat zou een rol voor de visitatoren kunnen zijn), rechters voor het geval er toch een formele uitspraak nodig is, en herstellers van de vrede. Op dit moment is het zo dat de uitspraak bij partijen op de mat ploft en niemand zich daar verder meer mee bemoeit. Vraag is: wie gaat nu het initiatief nemen om de vrede weer te herstellen? We hebben in onze traditie de praktijk gehad dat er een korte uitspraak werd gedaan en dat er deputaten aangewezen werden om ter plaatse de zaak op te lossen aan de hand van die uitspraak. Dat is dus duidelijk méér dan het alleen doen van een formele uitspraak. De invulling van deze drie rollen ligt voor mij nog open. Ik denk wel dat ze alle drie nodig zijn. Maar we moeten de rollen, ook naar partijen toe, niet vermengen. Tot slot van dit gedeelte afbakening: Het is en blijft natuurlijk zo dat iedereen toegang tot de rechter zal moeten hebben.
3. Rechtspraak Het is nodig om bij het nadenken over rechtspraak op deze conferentie met de Heilige Schrift te beginnen. Het is niet moeilijk om iets te vinden dat over recht(sbescherming) spreekt. Kijk naar de Psalmen. De Here wil niet dat het recht krom gemaakt wordt. God trekt zich onrecht aan. Dat mag ons goed voor ogen staan. Het recht is ook het recht van Christus’ regering over de kerk. Daarover zijn in de Bijbel voldoende aanwijzingen te vinden. Die kerk-eigen normen die zo naar ons toekomen staan overigens niet los van de algemene normen. Met een puur theologisch verhaal kunnen we ons van een goede rechtspraak niet afmaken. Ook de vereisten van bijvoorbeeld de rechten van de mens dienen te worden uitgewerkt. Toets uw eigen werk daar eens aan. Ik probeer beide elementen: de ‘biblische Weisung’ en de algemene normen in dit deel te verwerken.
Centraal staat het gebod de naaste lief te hebben. Liefde van mensen die geroepen worden recht te spreken voor mensen die roepen om recht. Dat kan ook betekenen zogenaamde querulanten aan te horen. De opdracht is samen het goede voor de kerk te zoeken. Dat geldt van beide kanten. Ook van mensen die recht zoeken mag en moet liefde worden gevraagd. Rechtspraak moet gericht zijn op vrede en heil en het wegnemen van het kwaad binnen de gemeente. Deze punten doen er toe in de rechtspraak.
4. Preventie Wie moet nadenken over appelzaken heeft deels ook te maken met het ontbreken van goed bestuur, de kwaliteit van het bestuur in de kerk. Dat bestuur dient schriftuurlijk genormeerd te zijn. Lukt het ons nog voldoende om schriftuurlijke en geestelijke leiding te geven? Wat betekent het verzakelijkt klimaat van nu? Ik mis wel eens een bezinning op de vraag hoe geestelijk de gemeenten nu geleid worden. Dat vereist bestuurlijke deskundigheid en wijsheid. En mijns inziens is dat geen overbodige opmerking. In nogal wat kerkelijke organen is veel bestuurskracht aanwezig om de zaken op rolletjes te laten lopen. Maar dat wil nog wel eens ten koste gaan van het pastorale aspect. Een kerkenraad die probeert naar alle kanten iedereen tevreden te houden komt nogal eens met een besluit waarmee dus niemand tevreden is. Je zult zowel relationeel als communicatief wijs moeten optreden. Kerkenraden zouden deze aspecten eens tegen hun eigen praktijk aan moeten houden. Is er niet vaak een gevoel van: wat een vervelende mensen, wat een vervelende zaken etc.? Maar vangen we voldoende de signalen op die daarvan uitgaan?
Een belangrijk feit is ook dat de kerk een vrijwilligersorganisatie is, waarop geen extern toezicht uitgeoefend wordt. Inmiddels zijn we gegroeid naar een zeer laag-kerkelijk klimaat, misschien nog wel het beste te omschrijven als een aandeelhouderskerk. Iedereen mag over alles wat roepen. Ik noem dat ook wel een ‘touwtrekkerk’. Het omgaan met pluraliteit, met verschillende meningen, is moeilijk voor ons geworden. Er zijn teveel mensen die juist wat zij vinden erg belangrijk, ja, haast onopgeefbaar vinden voor de gemeente. Al dat soort zaken werkt in op het thema waar we het vanmorgen over hebben. Er is een vracht aan onderwerpen in de kerken aan de orde. Daarmee roepen we ook zelf een bezwaarschriftencultuur over ons af. Er staan veel, te veel zaken op de agenda’s waarvan je moet zeggen dat we elkaar daar niet aan kunnen, mogen binden. De vraag is dan vaak niet meer: wat wil de Here? maar veeleer een: wat kan en wat kan niet. Dat is een groot risico als we het hebben over de vrede binnen en het heil voor de kerken.
5. Partijen Van partijen mag gevraagd worden dat zij zich ook daadwerkelijk willen onderwerpen aan het recht. We zien nu vaak dat partijen een heel andere houding hebben, nl. een van: ik wil gelijk hebben. En als ik dat niet krijg, dan weet ik eventueel al welke volgende stappen ik ga doen om dat alsnog te krijgen. Dat is een kwalijke houding binnen de kerk. Binnen de PKN moeten partijen aantonen dat er voor hen een werkelijk belang ligt. Dat is een afweging die wij ook zullen moeten maken. Is er een aantoonbaar persoonlijk belang, of betreft het enkel een zaak die vooral voor verantwoordelijkheid van de kerkenraad is. Een voorbeeld. Als de kerkenraad besluit een ambtelijk secretaris aan te stellen en daartegen wordt bezwaar ingediend, dan is de vraag: heeft appellant hier een daadwerkelijk belang of is dit puur een zaak die voor verantwoordelijkheid van de kerkenraad ligt. Nu is het, als ik het goed signaleer, zo dat elk appel feitelijk passeert en wordt behandeld. Daarmee hebben we natuurlijk wel een bepaalde cultuur ontwikkeld waarvan we ons af moeten vragen of die juist is. Van partijen mag verder gevraagd worden dat ze een heldere formulering hebben van hun klachten en dat ze mee willen werken aan het proces.
Het eigen karakter van kerkelijke rechtspraak begint mijns inziens al bij de houding die je inneemt. Een houding van biddend opzien, vrede zoeken, een ander uitnemender achten dan jezelf. Mijn vraag is: zitten jullie hier zo? En hoe doe je dat, of zelfs, mag je dat doen: een morele boodschap bedienen voor er sprake is van een rechtszaak? Juist in deze situatie van vaak tegenover elkaar staan? Ik wil er toch voor pleiten dat we zoeken naar vormen die duidelijk maken dat we in de appelgang samen voor Gods aangezicht bezig zijn. Dan staat niet – van niemand – het eigen ik voorop. De intentie van alle betrokkenen dient te zijn om coram Deo tot een oplossing te komen. Ook als de uitkomst dan een andere is dan je gehoopt en verwacht had.
6. Voorwerp Wat dient het voorwerp te zijn van de kerkelijke rechtspraak? Bovenaan staat dat een kerkelijke vergadering (meerdere of mindere) alleen kerkelijke zaken behandelt. Dat betekent dat ze geen zakelijke conflicten tussen twee kerkleden oplost en geen zaken behandelt die thuis horen bij de burgerlijke overheid. Het eigene van kerkelijke rechtspraak begint dus al bij een goede terreinkennis. Incestzaken bijvoorbeeld moeten we niet helemaal op de kerkenraad willen trekken. Die zijn primair burgerlijk-strafrechtelijk en de kerkrechtelijke behandeling komt daar voor ons bij. Wij spreken over bezwaren en geschillen. Binnen de PKN noemt men bezwaren dat wat wordt ingebracht tegen een kerkelijk lichaam. Geschillen zijn daar zaken die zich afspelen tussen twee kerkelijke organen: bijvoorbeeld een kerkenraad en een kerkvoogdij. Bij ons is er veelal sprake - in die terminologie gesproken - van bezwaren, die we vervolgens geschil noemen. Wellicht kan een nadere definitie geen kwaad.
Wat voor soort zaken kan aan de orde komen? Je merkt in de praktijk dat er van alles en nog wat op tafel komt: persoonlijke zaken, gemeentelijke problemen inzake bijvoorbeeld beleid en de uitvoering daarvan. En dat loopt dan vaak ook door elkaar heen. Je kunt beleid aanvechten, bijvoorbeeld inzake echtscheiding, maar ook problemen hebben met wat de kerkenraad zegt van je eigen echtscheiding. Verder kun je nog een onderscheid maken tussen zakelijke en gewetenskwesties. Het is goed dat vooraf scherp in beeld te krijgen met de partijen omdat het kan leiden tot een andere sfeer in de rechtsgang. En zo komt er dus van alles en nog wat langs, van complete conflicten tot heel toegespitste vragen.
7. Rechters Als we spreken over het eigene van kerkregering wat betekent dat dan voor de rechters? Is het een functie die afgeleid is van het ambt, resulterend daarin dat er vooral gewerkt wordt met het Woord? En hoever dien je dan te gaan in het vanuit de Schrift onderbouwen van de uitspraak? Wij letten tegenwoordig vooral op de (juridische) deskundigheid van de rechters. Maar bedenk wel dat in het Israël van het Oude Testament de rechtspraak werd uitgeoefend door de priesters. Ook wij zijn in de rechtspraak gebonden aan de leer van de kerk. Je kunt niet doen wat je maar wilt. Voor onze kerken komt daar nog een probleem bij. We zijn maar een klein verband van kerken. Tussen de leden bestaan veel onderlinge verbanden, we hebben allemaal te maken met eenzelfde cultuur. Vaak staan we daarom niet ver genoeg van de materie af, wat een goede rechtspraak des te lastiger maakt. Er is nog een ander probleem en dat betreft de vermenging tussen bestuur en rechtspraak. De classis bijvoorbeeld is niet alleen rechtsorgaan, maar ook bestuursorgaan. De vraag is dan of een classis voor appelzaken niet te dichtbij is en voldoende objectief kan zijn. Daarom kent de PKN een afzonderlijk lichaam voor de rechtspraak. Aan de andere kant kun je ook de voordelen proberen te benutten: de classis is mooi dichtbij en juist daardoor wellicht in staat om de problemen dicht bij de werkvloer op te lossen. Elk voordeel kan zijn nadeel hebben en andersom. Maar het is in elk geval van belang – ik zeg dat ook altijd tegen de generale synodeleden bij de aanvang van de GS – dat de vergadering zich realiseert welke rol zij op dat moment te spelen heeft. Feitelijk zijn het namelijk twee compleet aparte rollen waarin een vergadering functioneert.
8. Procesgang De tijd is inmiddels bijna om. Inzake de laatste punten die ik aan wilde snijden daarom wat kernwoorden. Als we het hebben over de procesgang dan gelden allereerst de algemene voorwaarde van eenvoud, openheid en transparantie. Ten tweede moeten we de vraag beantwoorden of iedereen voor alles rechtsingang heeft. Dat is nu feitelijk wel het geval en past ook naadloos in de aandeelhouderskerk die we inmiddels geworden zijn. Op dit punt is duidelijk nadere bezinning nodig. Ik denk dat dat minder eenvoudig is dan het wellicht op het eerste gezicht lijkt. Want je kunt niet volstaan met een zuiver juridisch antwoord. Het heeft direct te maken met je kerkvisie en de gevolgen daarvan op de rechtsgang.
9. Toetsing Bij de toetsing van het appel is het allereerst belangrijk nauwkeurig af te palen wat de kern van het bezwaar nu is. Vaak wordt het verpakt in een breed betoog met vele bijlagen. Je moet dat bredere verhaal wel meenemen, maar voorop staat: welke vragen moet ik beantwoorden?
De gewoonte is gegroeid om veel van dat brede verhaal toch mee te nemen in de uiteindelijke uitspraak. Dat wordt dan al gauw weer een verhaal op zich. De vraag is of we de vergaderingen niet zouden moeten verplichten kortere uitspraken te doen en of we in staat zijn daarvoor normen en criteria te ontwikkelen. In de (met name) generale besluiten ‘oude stijl’ was er sprake van een overwegende, een van oordeel zijnde dat, etc. etc uiteindelijk resulterend in een besluit. In de overwegingen nam je de algemene statements en overwegingen mee die tot het uiteindelijke besluit leidde. Ik kom nu nogal eens de situatie tegen dat oordelen en overwegingen door elkaar heen lopen. Het typische, objectieve, statement is er niet altijd even gemakkelijk uit te halen. Ik pleit dus voor een helder besluit dat steunt op een aantal dragende pijlers. In onze traditie kom ik veel besluiten tegen die niet aan deze criteria voldoen. Over alle zeven bezwaren wordt op allerlei plekken iets gezegd. Het antwoord krijgt dan al gauw het karakter van een nieuwe fase in de al lang lopende discussie. Dus, samengevat: geef een heldere beoordeling, beschrijf de parameters die voor de zaak van belang zijn en geef op basis daarvan de beoordeling.
Vraag is dan nog of het ook mogelijk is om een moreel oordeel te geven. Het antwoord op die vraag hangt sterk samen met de rol die we toekennen aan ons rechtsorgaan. Wanneer je die smaller ziet of breder heeft dat onmiddellijk gevolgen voor het antwoord op deze vraag. De bedoeling van de rechtspraak moet zijn het overtuigen van de partijen. Daar mag / kan mijns inziens ook best een terechtwijzing inzitten. Nu is veelal de gewoonte dat we proberen zoveel mogelijk onze neutraliteit te handhaven. Dan is het niet gemakkelijk om te zeggen: dit was goed en dat niet. Maar het gevolg daarvan is wel dat de lezer het er maar ergens uit moet zien af te leiden.
10. Rechtsherstel De belangrijkste vraag die hier beantwoord moet worden en waar een vergadering die een uitspraak moet doen zich ook van zal moeten vergewissen is: is de uitspraak ook daadwerkelijk uit te voeren, te executeren? Nu is het vaak zo – we wezen er al eerder op – dat het vaak een nieuwe zet in de discussie is. Gelukkig – om niet geheel negatief te zijn – zijn er ook voorbeelden van andere reacties. Maar het moet gezegd: de bereidheid zich te conformeren aan een uitspraak is niet altijd even groot. Voor deputaten is dan ook de vraag relevant: wat kunnen we doen, met elkaar, om juist het rechtsherstel te bevorderen? Ik verwijs op dit punt ook graag naar de al genoemde dissertatie van Meijer. Ik pleit ervoor om, ook na een uitspraak, mensen daarmee ‘in loco’ aan het werk te zetten en het natraject goed te behartigen. Nu ligt die taak – zeker als het om een classisuitspraak gaat – veelal bij een kerkenraad, die vaak onderdeel uitmaakte van het geschil en daarmee wellicht niet de eerst aangewezene is om dit traject in te gaan. Let wel: ik doel hiermee echt op het plaatselijk effectueren van de uitspraak van de classis, zonder dat we de discussie voort gaan zetten, want dan is het einde zoek.
Al met al, zeker tegen het einde, heb ik niet veel meer gedaan dan wat lijnen uitzetten voor het gesprek dat we deze dag zullen hebben met elkaar.

|