Uitgebreid zoeken
Kerkrecht.nl
Help
Contact

De rechtsverhouding van een predikant en zijn gemeente: Een arbeidsovereenkomst in de zin van [...]


auteur(s): Raven, P.
genre: Kerkrecht en civielrecht
bundel:
tijdschrift:
jaargang:
uitgever:
plaats:
jaar: 2006
druk:
ISBN/ISSN:
aantal pagina's:
Afstudeerscriptie Nederlands recht over de rechtsverhouding tussen een predikant en zijn gemeente in de zin van artikel 7 : 610 BW

  • Voorblad scriptie
  • Voorwoord
  • Inhoudsopgave
  • Lijst van afkortingen
  • Hoofdstuk 1 Inleiding
  • Hoofdstuk 2 De rechtspositie van de predikant
  • Hoofdstuk 3 Verkeert de predikant anno 2006 in een gezagsverhouding met diens kerkelijke gemeente?
  • Hoofdstuk 4 Eindconclusie en Aanbevelingen
  • Verkort aangehaalde werken
  • Jurisprudentieregister
  • Noten
  • 3.1 Inleiding

    In hoofdstuk 3 zal aandacht worden besteed aan de civielrechtelijke aspecten van de rechtsrelatie tussen de predikant en diens kerkelijke gemeente. In paragraaf 3.1.1. zal worden bezien hoe in de doctrine wordt geoordeeld over deze rechtsverhouding, waarna in paragraaf 3.1.2. de rechtspraak op dit punt aan het woord komt.

     

    Deze paragraaf kan als een inleiding worden gezien op de hoofdstukken 3.2, 3.3. en 3.4. waarin de visie van de Hoge Raad op de genoemde rechtsverhouding aan de orde komt in de arresten van 1991, Kruis/C.G.K. Den Bosch (3.2.) en 1997 in de zaak Groen/Schoevers, waarna tot slot de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 2005, Den Boer/C.G.K. Zeewolde (3.4.) zal worden besproken en geanalyseerd. In paragraaf 3.3. wordt het arrest Groen Schoevers besproken, een uitspraak waarin weliswaar de rechtsverhouding sec niet aan de orde komt, maar waarin wel een aantal interessante “ piketpaaltjes “worden geslagen aangaande de uitleg van het begrip gezagsverhouding.

     

    Begin oktober 2006 doet de rechtbank Zwolle uitspraak in de zaak Hoogendoorn, waarin wederom de gewone rechter gevraagd wordt zijn licht te laten schijnen op de rechtsverhouding predikant en gemeente.

     

    Tot slot zal in hoofdstuk 3.6. een conclusie worden getrokken, op basis van de besproken literatuur en de genoemde uitspraken.

     

     

     

    3.1.1. De doctrine over de rechtsverhouding tussen predikant en gemeente.

     

    Alvorens de literatuur ”aan de het woord te laten” over de rechtsverhouding tussen predikant en gemeente, zal eerst een zijstapje moeten worden gemaakt. Immers, voordat een oordeel kan worden gevormd over de aard van de rechtsrelatie, zal eerst aan de orde dienen te komen of aan de burgerlijke rechter dit oordeel wel kan worden gevraagd.

     

    In de (rechts)literatuur bestaat er geen verschil van mening meer over de vraag of een predikant zich tot de burgerlijke rechter kan wenden om een oordeel te vragen over de aard van de rechtsverhouding tussen hem/haar en de kerkelijke gemeente.

     

    Bij kerkelijke geschillen komt het regelmatig voor dat een van de betrokken partijen, meestal het kerkgenootschap, stelt dat de eiser, bijvoorbeeld een predikant, niet-ontvankelijk is of dat de bevoegdheid van de burgerlijke rechter om van een dergelijke vordering kennis te nemen wordt betwist. 1

     

    Het uitgangspunt voor de genoemde bevoegdheid van de burgerlijke rechter wordt gevonden in artikel 112 lid 1 Grondwet, dat luidt:

     

    “Aan de rechterlijke macht is opgedragen de berechting van geschillen over burgerlijke

      rechten en over schuldvorderingen”

     

    Reeds in 1915 heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 31 december (NJ 1916, 407) zich gebogen over de bevoegdheid van de burgerlijke rechter, en vastgesteld dat het gaat om de grondslag van de vordering en niet om de werkelijke rechtsverhouding tussen partijen.

     

    Meer toegespitst op kerkgenootschappen kan worden gewezen o.a. op de uitspraak van de rechtbank ‘s – Hertogenbosch van 3 april 1987 (rolnummer.2035/85, niet gepubliceerd), waarin de Rechtbank overweegt:

     

     “Het evenbedoelde onrechtmatig handelen brengt de door eiser gestelde civielrechtelijke

       (schade-)gevolgen met zich. Niet valt in te zien dat eisers vorderingen niet het civiele recht

       doch (slechts) het kerkelijk recht zou treffen”

     

    In zijn uitspraak van 4 maart 1994, KG nr. 63/1994, ongepubliceerd, wordt door de president van de rechtbank Zwolle, in kort geding het volgende overwogen (deze zaak handelde over de losmaking van een predikante):

     

    “Voorzover kerk en classis met hun beroep op onbevoegdheid bedoelen te betogen dat het

      geschil aan het oordeel van de burgerlijke rechter onttrokken is, moet het betoog worden

      verworpen. De verhouding tussen een kerkelijke gemeente en haar predikant moge beheerst

      worden door het kerkelijk statuut, dat neemt niet weg dat geschillen die zich in die

      verhouding voordoen, tot de kennisneming van de burgerlijke rechter kunnen behoren, als ze

      vallen onder de omschrijving van art. 2 RO. Dit is het geval nu de vordering van Van der

      Zwaag (de losgemaakte predikante, PR) begrepen moet worden als te zijn gegrond op

      onrechtmatige daad.”

     

     

    In de rechtspraak, zo kunnen wij wel vaststellen, bestaat er geen verschil van mening over de vraag of de gewone rechter kan worden geaddieerd bij een kerkelijk geschil.

     

    Nu kennen de meeste kerkgenootschappen echter een eigen kerkelijke geschillenregeling, in de regel vastgelegd in de betreffende kerkorde. Moet deze eigen kerkelijke procedure eerst worden gevolgd of kan met ”direct” naar de gewone rechter ? Dit klemt temeer nu in artikel 17 van de Grondwet het volgende wordt bepaald: 

     

    “Niemand kan tegen zijn wil worden afgehouden van de rechter die de wet hem toekent”

     

    In haar dissertatie geeft Santing – Wubs 2 een zeer gedetailleerd overzicht van de jurisprudentie welke op dit punt vanaf de jaren 30 van de vorige eeuw is gewezen. Hieruit trekt zij de conclusie dat het eiser niet altijd vrij staat de gewone rechter te benaderen, wanneer de  geschilbeslechting is opgedragen aan een kerkelijke “rechter” en deze weg door eiser niet wordt bewandeld; eiser wordt dan niet-ontvankelijk verklaard.

     

    Dit is slechts anders, indien de interne rechtsgang met onvoldoende waarborgen is omkleed, dan wel indien het kerkgenootschap zich niet aan de eigen regels (vastgelegd in kerkorde en/of statuut) heeft gehouden. Tot slot komt uit de analyse van Santing – Wubs naar voren dat, wanneer er sprake is van een spoedeisend belang en de eigen rechtsgang hierin niet voorziet (hetgeen vaak het geval is), eiser ook in kort geding ontvankelijk wordt verklaard.

     

    Ook Slump uit zich in gelijke bewoordingen in zijn bijdrage aan de Oldenhuis-bundel. 3

    Slump trekt op basis van zijn jurisprudentieonderzoek eveneens de conclusie dat de rechter bij het toetsen van kerkelijke geschillen (die vallen binnen het bereik van artikel 112 Grondwet en art 6 EVRM) veel betekenis hecht aan de kerkorde en de overige interne regels. Vragen omtrent geloof en belijden zullen door de rechter niet worden beoordeeld. Wel heeft de rechter hier (achteraf) een rol door het uitvoeren van een marginale toets, er mag immers geen sprake zijn van willekeur, kwade trouw etc.

     

    Keren wij nu terug naar de kernvraag van deze paragraaf en wel hoe er in de doctrine wordt geoordeeld over de rechtsverhouding tussen predikant en gemeente.

     

    Reeds in de inleiding is weergegeven dat in de oudere literatuur de lijn wordt verdedigd, dat de rechtsbetrekking tussen predikant en diens gemeente is te beschouwen als een overeenkomst sui generis.

     

    Deze gedachte wordt in de regel gebaseerd op een strikte scheiding van kerk en staat. Deze scheiding wordt gekenmerkt door het zgn. non-interventiebeginsel. Dit beginsel heeft zijn basis gekregen in artikel 6 van de Grondwet: de vrijheid van godsdienst of levensovertuiging garandeert (lid 1). Daarnaast is in artikel 2 : 2 BW bepaald, dat kerkgenootschappen, alsmede hun zelfstandige onderdelen rechtspersoonlijkheid bezitten en dat zij worden geregeerd door hun eigen statuut, voorzover dit niet in strijd is met de wet.

     

    Hoewel moeizaam (de Staat heeft slechts met grote moeite en tegenzin zijn bemoeienis met de godsdienst laten varen 4) is er tegenwoordig nagenoeg een volledige scheiding tussen kerk en staat. Een aardig voorbeeld van een hoge uitzondering hierop, treft men aan in artikel 1 : 68 BW, waarin wordt bepaald dat een huwelijk niet kerkelijk mag worden bevestigd, voordat het burgerlijk huwelijk wordt voltrokken.

     

    De scheiding tussen kerk en staat betekent niet, zo wordt ook in de oudere civiele rechtspraak en literatuur erkend, dat kerk en staat geen geschillen met elkaar kunnen hebben, dan wel dat alle kerkelijke geschillen “onderling” kunnen worden opgelost. Uiteindelijk is het de gewone rechter, die dergelijke geschillen dient op te lossen, indien binnen het kerkgenootschap geen oplossing kan worden gevonden.

     

    Predikanten verrichten arbeid en kunnen worden ontslagen, hun positie, beter gezegd het ontbreken van een deugdelijke positie bij ontslag, kan hier conflicteren met de vrijheid van het kerkgenootschap om te leven naar hun eigen statuut.

     

    Tot ver in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw werd door schrijvers als Koopmans en Jacobs verdedigd, dat de rechtsverhouding tussen predikant en gemeente in geen enkel geval kon werden aangeduid als arbeidsovereenkomst in de zin van de wet (toen artikel 7A : 1637 a BW). Koopmans is heel stellig als hij schrijft: 5

     

    “Bij predikanten van de Hervormde Kerk en andere protestantse kerkgenootschappen

      ontbreekt iedere gezagsverhouding. Zij kunnen op bepaalde punten gehouden zijn overleg te

      plegen met een kerkeraad, van opdrachten of aanwijzingen van dit lichaam is geen sprake.

      Het essentiële deel van hun taak, de prediking en de zielszorg, wordt door hen geheel naar

      eigen inzicht verricht “

     

     Koopmans is van oordeel, in navolging van de regering in de Memorie van Toelichting bij de invoering van artikel 7A : 1637 a in 1907, dat geestelijke arbeid, arbeid betreft in de zin van dit artikel, maar zo schrijft hij:

     

    “Het ontbreken van een arbeidsovereenkomst bij bezigheden van godsdienstige aard wortelt

      in andere omstandigheden, meestal in het ontbreken van een gezagsverhouding (…)”

     

    Deze schrijver(s) waren voluit verdedigers van de visie dat predikanten bij de uitoefening van hun (geestelijke) werkzaamheden een zo’n grote, ja zelfs fundamentele vrijheid genieten, dat er simpelweg geen sprake kon zijn van een gezagsverhouding. Prediking, catechese en “zielszorg, zijn werkzaamheden die in volstrekte vrijheid, zonder last en ruggespraak dienen te geschieden; hierin past geen aanwijsinstructie en als gevolg hiervan de vaststelling dat sprake is van een arbeidsovereenkomst in de zin van de wet (er vanuit gaande dat aan de overige voorwaarden om te kunnen spreken van een arbeidsovereenkomst ook is voldaan).

     

    Deze visie heeft lang stand gehouden, zowel in de literatuur als in de civiele rechtspraak, als ook (nog steeds) in uitspraken van de Centrale Raad van Beroep.

     

     

     

    3.1.2. De rechtspraak over de rechtsverhouding tussen predikant en gemeente.

     

    Het is enige tijd onduidelijk geweest of een geestelijke in dienst was van de gemeente en of hij op grond daarvan een arbeidsovereenkomst had. De oude rechtspraak (tot begin negentiger jaren) nam vrij snel aan dat een predikant niet op basis van een arbeidsovereenkomst werkt. Het eigen karakter van de overeenkomst tussen predikant en gemeente staat er aan in de weg, deze overeenkomst te kwalificeren als een arbeidsovereenkomst (en derhalve als een overeenkomst sui generis), zo is lange tijd de heersende gedachte geweest. Dat de beroepsbrief, die deze basis vormt voor de rechtsverhouding tussen predikant en gemeente, in deze overwegingen een prominente plaats inneemt, laat zich raden.

     

    Aangaande deze oudere rechtspraak (vanaf begin 20e eeuw) kunnen als voorbeeld dienen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht, 26 januari 1916, NJ 1916, het arrest van de Hoge Raad van 28 juni 1946, NJ 1946, 513 en de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 16 maart 1966, NJ 1967, 178.

     

    Hieronder wordt van de uitspraak van de rechtbank Zwolle de belangrijkste overwegingen weergegeven, op grond waarvan de rechtbank tot zijn beoordeling is gekomen.

     

    Rechtbank Zwolle, 16 maart 1966, NJ 1967, 178:

     

    De visie van de rechtbank in de uitspraak van 16 maart 1966 (NJ 1967) aangaande de aard van de rechtsverhouding tussen predikant en gemeente komt heel duidelijk naar voren in de volgende overweging:

     

    “O. hieromtrent, dat de Rb. met beide pp. aanneemt, dat op de verhouding tussen Kerk en

      predikant in het algemeen niet de bepalingen betrekkelijk tot de arbeidsovereenkomst van

      het B.W. van toepassing zijn, doch wordt deze verhouding in het bijzonder geregeerd wordt

      door de speciale eigen regels van de betrokken kerken.”

     

    Hiermee is niet gesteld dat er geen andersluidende uitspraken zijn geweest tot ca 1990. Illustratief is in dat opzicht een uitspraak van de kantonrechter te Utrecht van 18 april 1990, rolnummer 5311/89, niet gepubliceerd. Het betrof een Molukse predikant die sedert 1953 in dienst was van de Moluks Evangelische Kerk. De predikant werd in 1989 door het Synodebestuur ontslagen. Nadat de kantonrechter overwoog dat de ene partij werkkracht aan de andere gedurende een zekere tijd ter beschikking had gesteld en daarmee de basis voor de toepassing van artikel 7A : 1637 a BW (thans artikel  : 610 BW), vervolgde hij:

     

    “Niet aanvaardbaar is, dat eiser rechtsbescherming van het Nederlands ontslagrecht zou

      moeten missen, te meer niet, nu gebleken is van een beroepsrecht van eiser tegen de door het

      synodebestuur genomen beslissing”6

     

    In 1991 wijst de Hoge Raad haar inmiddels vermaarde arrest in de zaak Kruis/CGK ‘s – Hertogenbosch, waarin de hiervoor geschetste lijn, dat de rechtsverhouding tussen predikant en gemeente niet als een arbeidsovereenkomst wordt beschouwd, wordt bevestigd.

    Een nadere analyse van dit arrest laat ik op deze plaats rusten. In paragraaf 3.2. wordt hieraan de (nodige) aandacht geschonken.

     

    Nadien is er echter het nodige veranderd. In de laatste decennia is er een tendens waarneembaar, dat het geestelijk karakter van de werkzaamheden van een predikant, er niet aan in de weg behoeft te staan, de rechtsverhouding tussen predikant en gemeente te kwalificeren als een arbeidsovereenkomst7 en wordt het kenmerk van de gezagsverhouding anders ingekleurd.

     

    Enige jaren na zijn arrest in de zaak Kruis/C.G.K. ‘s – Hertogenbosch krijgt de Hoge Raad opnieuw de gelegenheid zijn licht te laten schijnen op de rechtsverhouding tussen predikant en gemeente. Dat het in deze zaak handelde om een iman en geen predikant, doet hieraan niet af 8.

     

    Allereerst de feiten.

     

    Met overeenkomst van 30 september 1986 (met als opschrift: arbeidsovereenkomst) komen Zerbouhi Mohammed en de stichting Moskee al Mouhsenin in ‘s – Gravenhage overeen dat Zerbouhi in de functie van iman werkzaamheden zal gaan verrichten, welke o.a. hierin bestaan dat hij dagelijks de gebedsdienst leidt, tijdens de hoofddienst op vrijdag de preek uitspreekt en actief is als sociaal werker onder de gelovigen.

     

    Na enige jaren ontvangt de iman een brief van het bestuur van de stichting, waarin hem wordt medegedeeld dat hij is ontslagen. Als reden heeft het bestuur aan, dat de iman de islam niet heeft uitgelegd zoals deze zou moeten zijn.

     

    Hoge Raad, 17 juni 1994, NJ 1994, 757:

     

    De juridische aspecten.

     

    Zerbouhi, die wegens ziekte arbeidsongeschikt is geraakt, vecht zijn ontslag aan (bij de kantonrechter) met een beroep op artikel 7A : 1639h, lid 3 BW oud (verbod tot opzegging van de arbeidsovereenkomst tijdens ziekte) en vordert doorbetaling van loon totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is beëindigd. De stichting verweert zich o.a. met de stelling dat het toenmalige bestuur zich heeft vergist en dat er in het geheel geen sprake is van een arbeidsovereenkomst.

     

    De kantonrechter wijst de vordering van Zerbouhi af, stellende dat Zerbouhi er niet in is geslaagd te bewijzen dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen.

     

    Zerbouhi gaat in hoger beroep bij de rechtbank en deze vernietigt het vonnis van de kantonrechter. De rechtbank verwerpt het verweer van de stichting, dat de geestelijke arbeid die Zerbouhi verrichtte, niet zou kunnen geschieden in ondergeschiktheid, zodat geen gezagsverhouding tussen partijen zou kunnen bestaan, en daarmee geen arbeidsovereenkomst. De rechtbank overweegt dat zij wel de redenering van de stichting kan volgen dat Zerbouhi zijn functie als iman dient uit te oefenen in onderworpenheid aan het gezag van de Koran en dat er dus ”op dat punt” geen sprake is van een gezagsverhouding tussen de stichting en Zerbouhi.  9

    Dat behoeft echter niet uit te sluiten, aldus de rechtbank, dat Zerbouhi met de stichting afspreekt voor een bepaalde vaste periode beschikbaar te zijn voor het verrichten van werkzaamheden en het dan ook niet goed valt in te zien waarom zo’n overeenkomst niet als arbeidsovereenkomst moet worden aangemerkt. 10

     

    Het laatste woord is aan de Hoge Raad die het tegen het vonnis van de rechtbank ingesteld cassatieberoep verwerpt. De Hoge Raad overweegt:

     

    “De omstandigheid dat degeen die zich bij overeenkomst verbonden heeft tot het vervullen

      van een godsdienstig ambt, ter zake van de godsdienstige aspecten van zijn taak – tenzij

      anders is overeengekomen, waarvan te dezen niet is gebleken – niet aan instructies van zijn

      wederpartij onderworpen is, sluit niet uit dat met betrekking tot de overige aspecten

      (werktijd, het opnemen van vakantiedagen etc), sprake is van een gezagsverhouding welke

      een van de kernmerken vormt van een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7A : 1637a

      BW.”

     

    De Hoge Raad krijgt in 1997 wederom de kans om zijn visie op dit zeer elementaire kenmerk van de arbeidsovereenkomst uiteen te zetten en wel in het arrest Groen Schoevers, van 14 november 1997. 11 Hoewel dit arrest geen betrekking heeft op de rechtsverhouding tussen predikant en zijn gemeente, wordt de jurisprudentie (nadien) op dit punt wel sterk door dit arrest ingekleurd. In paragraaf 3.3. wordt uitgebreid op deze uitspraak ingegaan.

     

    Eind 1999 12 buigt de rechtbank Utrecht zich over de vraag of een predikant, verbonden aan de Evangelische Broedergemeente, werkzaam is op grond van een arbeidsovereenkomst.

     

    Rechtbank Utrecht, 15 december 1999, NJ 494:

     

    De feiten van deze casus op een rij.

     

    Op 23 november 1995 sluiten ds. C.R. Muler en het Provinciaal Bestuur van de Europees Continentale Provincie van de Broeder – Uniteit, een overeenkomst en wel voor de duur van een jaar, waarbij ds. Mulder als gemeente-predikant wordt aangesteld met als standplaats de Broedergemeente te Rotterdam. In de overeenkomst is expliciet bepaald dat de overeenkomst geen arbeidsovereenkomst is in de zin van de wet.

     

    Nadere invulling van de werkzaamheden vindt plaats in overleg met de Oudstenraad (vergelijkbaar met de kerkenraad) en de Broedergemeente in Rotterdam.

    Begin december 1995 hebben partijen een overleg en wordt besloten de overeenkomst voort te zetten voor onbepaalde tijd. Na verloop van tijd wordt aan ds. Muler echter ontslag verleend.

     

    Tussen partijen is een conflict ontstaan over de vraag wanneer ds. Muler aan de voorwaarde bij zijn beroeping zou voldoen om naar Rotterdam te verhuizen. Het Provinciaal Bestuur komt op grond hiervan tot de conclusie dat de samenwerkingsrelatie met het merendeel van de Oudstenraad van de Broedergemeente problematisch is geworden en geeft te kennen de beroeping te willen intrekken.

     

    De juridische aspecten.

     

    In eerste aanleg vordert ds. Muler te bepalen dat het aan hem verleend ontslag kennelijk onredelijk is, herstel van dienstbetrekking en een schadevergoeding.

    De kantonrechter oordeelt dat de overeenkomst geen arbeidsovereenkomst is en wijst de vordering(en) van ds. Muler af.

    De Rechtbank in hoger beroep stelt dat de vraag naar de aard van de rechtsbetrekking, dient te worden beantwoord onafhankelijk van hetgeen partijen zelf als benaming hebben gegeven.

    Dit betekent, zo zegt de rechtbank dat als die rechtsbetrekking feitelijk voldoet aan de definitie van de arbeidsovereenkomst van artikel 7 : 610 BW, er sprake is van een arbeidsovereenkomst.

     

    In zijn rechtsoverweging 4.5. verwijst de rechtbank naar hetgeen door de Hoge Raad in zijn arrest van 1994 (iman-arrest) is gesteld:

     

    “Ingevolge HR 17 juni 1994, NJ 1994, 757 sluit de omstandigheid dat degeen die zich bij

      overeenkomst heeft verbonden tot het vervullen van een godsdienstig ambt, ter zake van de

      godsdienstige aspecten van zijn taak niet aan instructies van zijn wederpartij onderworpen

      is, niet uit dat met betrekking tot de overige aspecten van de contractuele relatie sprake is

      van een gezagsverhouding welke een van de kenmerken vormt van een arbeidsovereenkomst

      als bedoeld in artikel 7 : 610 BW (voorheen artikel 7A : 1637 a BW).”

     

    Tot slot stelt de rechtbank in zijn rechtsoverweging 4.8.3:

     

    “ Dat de predikant ook op andere taakonderdelen aan instructies kan worden onderworpen

       (waarbij door de rechtbank wordt teruggegrepen op de kerkorde, PR) leidt de rechtbank af

       uit het feit dat de predikant ten aanzien van leiding en beheer van de gemeenten

       verantwoording dient af te leggen aan, en ondertoezicht staat van het Provinciaal Bestuur

       en voorts uit de bevoegdheid van het Provinciaal Bestuur om in een bijzonder reglement

       verdere richtlijnen over, onder meer, taken te geven.”

     

    In deze uitspraak wordt verwezen naar het materiele gezagsbegrip, zoals dit door de rechtspraak samen met het formele gezagsbegrip is geformuleerd en in verschillende uitspraken is uitgewerkt, als nadere aanduiding van het begrip “in dienst van”. Het materiele gezagsbegrip ziet op de vraag of de opdrachtgever tijdens het werk gerechtigd is eenzijdig aanwijzingen te geven met betrekking tot de inhoud van het werk. Het formele gezagsbegrip heeft betrekking op de vraag of de werkrelatie een “normale”organisatorische inbedding heeft gekregen. 13 Op deze plaats wordt slechts volstaan met deze korte omschrijving van beide begrippen. In paragraaf 3.3. zal hier uitgebreid op worden ingegaan.

     

    Deze zaak is nog niet teneinde, daar de rechtbank het vonnis van de kantonrechter vernietigd en (terug)verwijst naar de kantonrechter ter beoordeling of het ontslag, nu vaststaat dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst, inderdaad kennelijk onredelijk is geweest.

     

    De kantonrechter komt tot het oordeel dat het gegeven ontslag inderdaad kennelijk onredelijk is in de zin van artikel 7 : 681 BW. In zijn vonnis stelt de kantonrechter allereerst vast dat hij zich terughoudend dient op te stellen ten aanzien van kwesties als geloofsbeleving of richtingenstrijd, doch dat dit niet geldt ten opzichte van de uitkomsten van de kerkelijke rechtsgang. Ds. Muler heeft in eerste instantie, derhalve voor dat hij zich tot de gewone rechter heeft gewend, de interne beroepsprocedure bij de Evangelische Broeder-Uniteit, zij het gedeeltelijk, doorlopen.

     

    Nu is komen vast te staan dat deze interne rechtsgang met onvoldoende waarborgen omkleed is geweest, komt de kantonrechter tot het oordeel dat het ontslag kennelijk onredelijk is te noemen (en kent vervolgens aan ds. Muler een vergoeding toe van € 60.000 (hierbij overigens aansluitend bij de zgn. Kantonrechtersformule)). 14, 15

     

     

    Rechtbank Assen, JAR 2004/233:

     

    In mei 2004 16 buigt ook de voorzieningenrechter te Assen zich over de vraag of een predikant werkzaam is op grond van een arbeidsovereenkomst, in een zaak die uiteindelijk door het Hof Leeuwarden voorlopig (?) definitief wordt beslist.

     

    Wederom eerst de feiten.

     

    Sinds 20 januari 2002 is een voorganger actief bij een kerkgenootschap in Hoogeveen (later blijkt dit te gaan om de Baptistengemeente aldaar). Begin januari 2004 meldt de voorganger zich ziek en wordt hem bij brief van eind januari 2004 medegedeeld dat de ledenvergadering van de gemeente vanaf die dag geen gebruik meer wenst te maken van zijn diensten. Daar de gemeente reeds vanaf 1 februari 2004 het loon (traktement) niet meer voldoet, stapt de voorganger naar de voorzieningenrechter te Assen en vordert doorbetaling van loon en stelt zich hiermee op het standpunt, dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst in de zin van de wet.

     

    De juridische aspecten.

     

    De rechtbank gaat eerst in op het verweer van de gemeente dat de rechtbank onbevoegd is kennis te nemen van het onderhavige geschil. De rechter stelt zich echter op het standpunt dat, ingevolge artikel 112 lid 1 Grondwet, de burgerlijke rechter wel bevoegd is om hiervan kennis te nemen, nu de voorganger bescherming vraagt in een burgerrechtelijk belang. Immers, zo stelt de rechter ten overvloede vast, is de aard van de rechtsverhouding bepalend en niet de werkelijke rechtsverhouding en verwijst vervolgens naar het arrest van de Hoge Raad van 18 februari 1994, NJ 1995, 718.

     

    De voorzieningenrechter oordeelt vervolgens dat de voorganger niet gehouden was om de interne kerkelijke rechtsgang bij de Unieraad (het overkoepelende orgaan, vergelijkbaar met de classis binnen het presbyteriaal-synodale stelsel) te doorlopen, nu er geen verplichte geschillenregeling blijkt te zijn.

     

    Met betrekking tot de stelling dat er geen sprake is van een arbeidsovereenkomst overweegt de rechter:

     

    “dat de “werknemer” ter zake van de godsdienstige aspecten van zijn taak niet aan

      instructies onderworpen is. Dat sluit echter niet uit dat dit anders kan zijn met betrekking tot

      andere aspecten – werktijden, vakantiedagen e.d. – van de contractuele relatie. In

      onderhavig geval is uitgangspunt dat de taak van de voorganger wordt geregeld in overleg

      met de Unieraad. Deze raad regelt alle zaken van de gemeente. Reeds daaruit volgt dat er

      sprake is van een gezagsverhouding. Verder hebben partijen nadere afspraken gemaakt over

      de aard en omvang van de door de “werknemer”te verrichten werkzaamheden,

      nevenfuncties en vakantiedagen.”

     

    Uit deze overweging komt naar mijn mening heel duidelijk het formele gezagsbegrip naar voren. Tevens zij opgemerkt dat het voor de rechtbank blijkbaar van groot belang werd geacht, bij de vraag of er sprake is van een arbeidsovereenkomst, dat er leiding en toezicht is op de gemeente en haar predikanten vanuit het Provinciaal Bestuur. Met name de bevoegdheid van het Provinciaal Bestuur om predikanten te kunnen ontslaan bij slecht functioneren wijst hierop.

    Na de uitspraak van de voorzieningenrechter wordt door de gemeente bij de kantonrechter een verzoekschrift ex artikel 7 : 685 BW ingediend, waarbij wordt verzocht de arbeidsovereenkomst op grond van veranderde omstandigheden te ontbinden, voorzover in rechte komt vast te staan dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst. Bij vonnis van 15 juli 2004 wordt door de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbonden, voor zover vereist, onder toekenning aan de voorganger van een vergoeding naar billijkheid, groot € 15.000

    bruto. 17

     

    De gemeente gaat in hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter bij het Hof te Leeuwarden en het Hof doet op 19 oktober 2005 uitspraak. 18

    Deze uitspraak is in de literatuur niet met onverdeelde vreugde ontvangen. M.n. Loonstra is van mening dat dit geen cassatiebestendige uitspraak is. 19 Het is interessant om te zien, op grond waarvan Loonstra tot deze conclusie komt. Allereerst de belangrijkste overwegingen van het Hof op een rij.

     

    Ook het Hof start met een beoordeling van de vraag of het de burgerlijke rechter vrijstaat zich te buigen over een (kerkelijk) geschil, wanneer er ter beëindiging hiervan, een interne kerkelijke rechtsgang bestaat die voldoende waarborgen geeft. Dit lijkt vaste jurisprudentie. Immers, zoals ook Santing – Wubs in haar proefschrift heeft onderzocht, is een deugdelijke en met voldoende waarborgen omringde interne rechtsgang van essentieel belang, alvorens het geschil aan de gewone rechter kan worden voorgelegd.

     

    Aangaande de beoordeling van de vraag of er sprake is van een arbeidsovereenkomst overweegt het Hof het volgende. Het Hof is allereerst van mening dat deze vraag:

     

    “dient te worden beantwoord aan de hand van hetgeen dienaangaande in de statuten en het huishoudelijk reglement van De Schutse (gemeente te Hoogeveen, PR) is neergelegd, dan wel blijkens de statuten van de Unie of het ongeschreven kerkelijk recht in de bij de Unie aangesloten Baptistengemeente als geldend recht moet worden beschouwd.”

     

    Het Hof vervolgt zijn overweging met :

     

    “De Schutse heeft naar het voorlopig oordeel van het Hof op geen enkele wijze aannemelijk

      gemaakt dat zijn statuten of huishoudelijk reglement het bestaan van een

      arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht met een voorganger uitsluiten of anderszins als

      principieel onaanvaardbaar afwijzen “.

     

    Opmerkelijk is dan dat het Hof bij zijn verdere overwegingen aangaande de beoordeling van de vraag of er sprake is van een arbeidsovereenkomst niet nauwkeurig “het stappenplan” volgt zoals geformuleerd door de Hoge Raad in het Groen/Schoevers – arrest, doch teruggrijpt op de overwegingen van de Hoge Raad uit 1994 (iman-arrest):

     

    “ Het Hof is voorshands van oordeel dat ook het geestelijk godsdienstig karakter van de door

      de een voorganger ten behoeve van de gemeente verrichte arbeid in zijn algemeenheid niet

      steeds een beletsel vormt om de rechtsverhouding als een arbeidsovereenkomst naar

      burgerlijk recht te kwalificeren.”

     

     

    In zijn noot onder het arrest toont Loonstra zich erg kritisch over het arrest. Allereerst buigt Loonstra zich nog even kort over het vonnis van de voorzieningenrechter die, hetzij reeds vermeld, het formele gezagscriterium heeft gehanteerd en niet het materiele gezagscriterium.

     

    Daarnaast staat Loonstra stil bij het feit dat het Hof, in tegenstelling tot de voorzieningenrechter, het materiele gezagscriterium hanteert. Nu de Hoge Raad stelt:

    dat beide gezagsbegrippen de revue dienen te passeren” is reeds op grond hiervan,

    zo is Loonstra van mening, deze uitspraak niet cassatiebestendig.

     

    Hoewel het Hof de partijbedoeling bij de overwegingen betrekt doet het Hof dit zeer versnipperd en slechts in bedekte termen, dit terwijl zo stelt Loonstra, de Hoge Raad eerst en vooral duidelijkheid wil krijgen over de partijbedoeling (waaraan uiteraard voorafgaat het antwoord op de vraag of partijen wel een overeenkomst met elkaar hebben gesloten, zoals de Hoge Raad heeft bepaald in het arrest ABN/AMRO/Malhi 20). Dit is een tweede grond op basis waarvan Loonstra tot de conclusie komt dat dit arrest in cassatie niet zal kunnen standhouden.

     

    Ik deel de mening van Loonstra dat deze uitspraak in cassatie “de toets der kritiek” niet kan doorstaan. Immers niet alleen het materiele gezagsbegrip zal een plaats moeten krijgen in de beoordeling, doch ook zeker het formele gezagsbegrip. Beide begrippen geven een totaalbeeld van alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. Zo is niet alleen van belang of het bestaan van een gezagsverhouding kan worden bepaald aan de hand van het toezicht op de voorganger en de mogelijkheid van ontslag (materiele gezagsbegrip), doch zeker ook hoe de predikant in de totale kerkelijke organisatie is ingebed (veel meer de organisatorische aspecten en dus het formele gezagsbegrip).

     

    Het wachten is nu op de Hoge Raad ! ?