Uitgebreid zoeken
Kerkrecht.nl
Help
Contact

Rutgers, F.L., College-voordrachten DKO, 1892vv ed. J. de Jong


auteur(s): Rutgers, F.L.
genre: Commentaren
bundel:
tijdschrift:
jaargang:
uitgever:
plaats:
jaar:
druk:
ISBN/ISSN:
aantal pagina's:
N.B. De tekst van de collegevoordrachten is door prof. Rutgers niet geautoriseerd en was door hem ook niet voor publicatie bestemd. Ze berust op uitgewerkte aantekeningen van dr. J. de Jong, waarvan door deze in 1918 alleen het vierde deel werd gepubliceerd. Verdere uitgave werd toen door de familie Rutgers geblokkeerd. De digitalisering van deze voordrachten is verzorgd door mw. E. van Baardewijk.

  • Inleiding
  • Artikel 1
  • Artikel 2
  • Artikel 3
  • Artikel 4
  • Artikel 5
  • Artikel 6
  • Artikel 7
  • Artikel 8
  • Artikel 9
  • Artikel 10
  • Artikel 11
  • Artikel 12
  • Artikel 13
  • Artikel 14
  • Artikel 15
  • Artikel 16
  • Artikel 17
  • Artikel 18
  • Artikel 19
  • Artikel 20
  • Artikel 21
  • Artikel 22
  • Artikel 23
  • Artikel 24
  • Artikel 25
  • Artikel 26
  • Artikel 27
  • Artikel 28
  • Artikel 29
  • Artikel 30
  • Artikel 31
  • Artikel 32
  • Artikel 33
  • Artikel 34
  • Artikel 35
  • Artikel 36
  • Artikel 37
  • Artikel 38
  • Artikel 39
  • Artikel 40
  • Artikel 41
  • Artikel 42
  • Artikel 43
  • Artikel 44
  • Artikel 45
  • Artikel 46
  • Artikel 47
  • Artikel 48
  • Artikel 49
  • Artikel 50
  • Artikel 51 en 52
  • Artikel 53
  • Artikel 54
  • Artikel 55
  • Artikel 56
  • Artikel 57
  • Artikel 58
  • Artikel 59
  • Artikel 60
  • Artikel 61
  • Artikel 62
  • Artikel 63
  • Artikel 64
  • Artikel 65
  • Artikel 66
  • Artikel 67
  • Artikel 68
  • Artikel 69
  • Artikel 70
  • Artikel 71
  • Artikel 72
  • Artikel 73
  • Artikel 74
  • Artikel 75
  • Artikel 76
  • Artikel 77
  • Artikel 78
  • Artikel 79 en 80
  • Artikel 81
  • Artikel 82
  • Artikel 83
  • Artikel 84
  • Artikel 85
  • Artikel 86
  • Artikel 6

    Heerlijkheden en Gasthuizen.

    Zal ook geen Dienaar dienst mogen aannemen in eenige particuliere Heerlijkheden, Gasthuizen of anderszins; tenzij dat hij voorhenen geadmitteerd en toegelaten zij, volgens de voorgaande artikelen; en ook zal niet minder dan andere aan de Kerkenordening onderworpen zijn.

    Art. 6 gaat over Particuliere Heerlijkheden, Gasthuizen of anderszins. In ‘t begin der vrijheid is hierover reeds gehandeld, want er waren dienaren des Woords, die niet aan een bepaalde kerk verbonden waren. Prins Willem had een hofprediker. Dergelijke ook bij oudere heeren b.v. Palland. De Synode van 1578 bepaalde in art. 8, dat ook deze ordelijk en wettelijk gelijk anderen beroepen moeten worden, de formulieren onderschrijven en uit de Hofhouding Ouderlingen en Diakenen aanstellen. Ze wilden ze kerkelijk formeeren. Dit stellen van diakenen is zonderling, want aan het hof waren geen armen. De bedoeling zal geweest zijn om de naburige kerken te helpen. Daar patronaatsrecht. In 1581 de K.O. bekort. Die bepaling verplaatst naar de particuliere vragen. Vraag 7. Hier de omzetting in een vraag met bevestigend antwoord. In eene vraag was het ook ter Synode van 78 gekomen. In 81 is er iets bijgevoegd, want er is nog eene andere categorie van dienaren. Er waren ook predikanten in gasthuizen en weeshuizen. Deze stonden onder de plaatselijke overheid en hadden regenten. Daar was geestelijkheid. Door de Overheid werd de predikant benoemd. De Synode van ‘81 bepaalde nu, dat ook deze zich "reguleeren zullen naar de kerkelijke ordinantiën." De Haagsche Synode van 1586 bracht dit artikel in de K.O. over. De vorsten- en heerenhoven gingen er uit en het artikel werd gemaakt, zooals het nu nog luidt. Vorstenhoven waren er zooveel niet, wel te lande. De hofprediker van den Prins was in Den Haag predikant. In Amsterdam en Delft ontstond er quaestie. De Overheid had de gasthuizen, tegelijk de oude mannen- en vrouwenhuizen, huizen van reconvalescenten en zwakken. Ze wilden nu ook den predikant benoemen. De kerken zeiden: dan moet alles in wettigen vorm gaan. De kerken zeiden: dan moet alles in wettigen vorm gaan. Dit gaf wel moeilijkheid b.v. in Amsterdam. De kerkeraad moet hem beroepen, de classe examineeren. Het beroep moest geapprobeerd en wat de tucht betreft zou hij onderworpen zijn aan classe en synode. Hij kon wel aangewezen worden tot een bepaald werk, maar hij moest predikant van Amsterdam zijn. De Overheid van Amsterdam wilde hiervan niet weten. De kerkeraad erkende nu den dienst in de gasthuiskerk niet als kerkelijken dienst van Amsterdam. De kerkeraad hield dit vol, tenzij hij naderhand door den kerkeraad beroepen werd. De dienst werd nooit erkend, want hij was niet door den kerkeraad ingesteld. In die gasthuiskerk mocht geen doop en avondmaal bediend worden. Dit geschiedde eerst toen de Overheid met den kerkeraad in transactie kwam. Zuiver is het nooit geworden. Ook nu nog bestaat daartegen bij sommigen bezwaar. De bedoeling van de kerken is, dat men alleen dienaren heeft, die verbonden zijn aan een bepaalde kerk, op kerkelijke wijze beroepen en aan de K.O. onderworpen.