|
Inleiding
Artikel 1
Artikel 2
Artikel 3
Artikel 4
Artikel 5
Artikel 6
Artikel 7
Artikel 8
Artikel 9
Artikel 10
Artikel 11
Artikel 12
Artikel 13
Artikel 14
Artikel 15
Artikel 16
Artikel 17
Artikel 18
Artikel 19
Artikel 20
Artikel 21
Artikel 22
Artikel 23
Artikel 24
Artikel 25
Artikel 26
Artikel 27
Artikel 28
Artikel 29
Artikel 30
Artikel 31
Artikel 32
Artikel 33
Artikel 34
Artikel 35
Artikel 36
Artikel 37
Artikel 38
Artikel 39
Artikel 40
Artikel 41
Artikel 42
Artikel 43
Artikel 44
Artikel 45
Artikel 46
Artikel 47
Artikel 48
Artikel 49
Artikel 50
Artikel 51 en 52
Artikel 53
Artikel 54
Artikel 55
Artikel 56
Artikel 57
Artikel 58
Artikel 59
Artikel 60
Artikel 61
Artikel 62
Artikel 63
Artikel 64
Artikel 65
Artikel 66
Artikel 67
Artikel 68
Artikel 69
Artikel 70
Artikel 71
Artikel 72
Artikel 73
Artikel 74
Artikel 75
Artikel 76
Artikel 77
Artikel 78
Artikel 79 en 80
Artikel 81
Artikel 82
Artikel 83
Artikel 84
Artikel 85
Artikel 86
|
Heerlijkheden en Gasthuizen.
Zal ook geen Dienaar dienst mogen aannemen in eenige particuliere Heerlijkheden, Gasthuizen of anderszins; tenzij dat hij voorhenen geadmitteerd en toegelaten zij, volgens de voorgaande artikelen; en ook zal niet minder dan andere aan de Kerkenordening onderworpen zijn.
Art. 6 gaat over Particuliere Heerlijkheden, Gasthuizen of anderszins. In ‘t begin der vrijheid is hierover reeds gehandeld, want er waren dienaren des Woords, die niet aan een bepaalde kerk verbonden waren. Prins Willem had een hofprediker. Dergelijke ook bij oudere heeren b.v. Palland. De Synode van 1578 bepaalde in art. 8, dat ook deze ordelijk en wettelijk gelijk anderen beroepen moeten worden, de formulieren onderschrijven en uit de Hofhouding Ouderlingen en Diakenen aanstellen. Ze wilden ze kerkelijk formeeren. Dit stellen van diakenen is zonderling, want aan het hof waren geen armen. De bedoeling zal geweest zijn om de naburige kerken te helpen. Daar patronaatsrecht. In 1581 de K.O. bekort. Die bepaling verplaatst naar de particuliere vragen. Vraag 7. Hier de omzetting in een vraag met bevestigend antwoord. In eene vraag was het ook ter Synode van 78 gekomen. In 81 is er iets bijgevoegd, want er is nog eene andere categorie van dienaren. Er waren ook predikanten in gasthuizen en weeshuizen. Deze stonden onder de plaatselijke overheid en hadden regenten. Daar was geestelijkheid. Door de Overheid werd de predikant benoemd. De Synode van ‘81 bepaalde nu, dat ook deze zich "reguleeren zullen naar de kerkelijke ordinantiën." De Haagsche Synode van 1586 bracht dit artikel in de K.O. over. De vorsten- en heerenhoven gingen er uit en het artikel werd gemaakt, zooals het nu nog luidt. Vorstenhoven waren er zooveel niet, wel te lande. De hofprediker van den Prins was in Den Haag predikant. In Amsterdam en Delft ontstond er quaestie. De Overheid had de gasthuizen, tegelijk de oude mannen- en vrouwenhuizen, huizen van reconvalescenten en zwakken. Ze wilden nu ook den predikant benoemen. De kerken zeiden: dan moet alles in wettigen vorm gaan. De kerken zeiden: dan moet alles in wettigen vorm gaan. Dit gaf wel moeilijkheid b.v. in Amsterdam. De kerkeraad moet hem beroepen, de classe examineeren. Het beroep moest geapprobeerd en wat de tucht betreft zou hij onderworpen zijn aan classe en synode. Hij kon wel aangewezen worden tot een bepaald werk, maar hij moest predikant van Amsterdam zijn. De Overheid van Amsterdam wilde hiervan niet weten. De kerkeraad erkende nu den dienst in de gasthuiskerk niet als kerkelijken dienst van Amsterdam. De kerkeraad hield dit vol, tenzij hij naderhand door den kerkeraad beroepen werd. De dienst werd nooit erkend, want hij was niet door den kerkeraad ingesteld. In die gasthuiskerk mocht geen doop en avondmaal bediend worden. Dit geschiedde eerst toen de Overheid met den kerkeraad in transactie kwam. Zuiver is het nooit geworden. Ook nu nog bestaat daartegen bij sommigen bezwaar. De bedoeling van de kerken is, dat men alleen dienaren heeft, die verbonden zijn aan een bepaalde kerk, op kerkelijke wijze beroepen en aan de K.O. onderworpen.

|