Uitgebreid zoeken
Kerkrecht.nl
Help
Contact

Rapport en besluit inz. tolerantie GS 1914 van de GKN


auteur(s):
genre: Acta
bundel:
tijdschrift:
jaargang:
uitgever:
plaats:
jaar:
druk:
ISBN/ISSN:
aantal pagina's:

  • Rapport en besluit
  • Text in English
  • Rapport en besluit

    Acta Generale Synode GKN ’s-Gravenhage 1914  - blz. 291

     

    Bijlage XCVII (bij Art. 138)

     

     

    Wat de vraag betreft van de Particuliere Synode van Friesland ten Zuiden of iemand, die in alles met de Gereformeerde belijdenis accoord gaat, maar den kinderdoop verwerpt, doch van dit afwijkend gevoelen belooft geen propaganda te maken en de getuigenis heeft van een vromen wandel, geacht mag worden te voldoen aan de vereischten gesteld in Art. 61 der Kerkenordening voor de toelating tot het heilig Avondmaal, meent Uwe Commissie, dat deze vraag, zoo gesteld, kwalijk anders dan ontkennend kan beantwoord worden, omdat iemand, die op een zoo voornaam punt als den kinderdoop afwijkende gevoelens koestert, zeker niet gezegd kan worden te voldoen aan de vereischten, welke onze Kerk voor de toelating tot het Heilig Avondmaal stelt en tot welke vereischten o.a. behoort, dat men betuigen moet met de belijdenis onzer Kerken in te stemmen. Intusschen zal de bedoeling dezer vraag wel dezelfde wezen als van een dergelijk gravamen, dat door de Noord-Hollandsche Synode op de Nationale Synode te Dordrecht in 1618/19 is ingebracht en juister geformuleerd aldus luidde: of men ten Avondmaal zal toelaten die alle stukken der leere voor goed bekennen, maar den Christelijken kinderdoop niet toestemmen, begeerende daarin gedragen te worden (Dr H. H. KUYPER, Post-Acta, blz. 434). Hoewel de Synode van Dordt, vermoedelijk om straks te melden redenen, op deze vraag geen bevestigend antwoord heeft gegeven, blijkt toch èn uit de handelwijze onzer vroegere Gereformeerde Kerken èn uit de uitspraken onzer beste Theologen, dat men ten opzichte van gemeenteleden (niet ten opzichte van de ambtsdragers, voor wie gansch andere regelen golden) die ter goeder trouw omtrent eenig stuk der leere twijfelden, mits dit niet de fundamenteele stukken der waarheid raakte, met groot geduld en toegevendheid opgetreden is, mits altoos onder beding, dat zij bereid waren zich beter te laten onderrichten en dat zij voor hun afwijkend gevoelen geen propaganda zouden drijven. Deze practijk grondden onze Vaderen daarop, dat de Apostel ons gelast de „zwakken in het geloof" aan te nemen en de „zwakheden dèr onsterken te dragen" (Rom. 14: 1 en 15:2, zie voorts Phil. 3: 15, Hebr. 5 : 11, 12 enz.) ; dat de Schrift in dit opzicht voor de ambtsdragers andere eischen stelt dan voor de gewone gemeenteleden (1 Tim. 3 : 2, Titus 1 : 9) en dat GODS Woord zelf onderscheid maakt tusschen fundamenteele geloofsstukken en dezulke welke niet het fundament der zaligheid raken (Phil. 3 : 15 en I Joh. 4: 1-3). Terecht leidt Voetius Pol. Eccl. Pars I, tract. I, cap. IV p. 56 hieruit af, dat deze tolerantie ons door de Schrift geboden wordt niet alleen tegenover onwetenden, maar zelfs tegenover dwalenden. En al zal deze tolerantie zich natuurlijk verder hebben uit te strekken tegenover degenen, die reeds lid der gemeente zijn dan tegenover degenen, die zich voor het eerst tot de gemeente willen begeven, omdat de Kerk toezien moet, dat zij geen vijanden der waarheid binnen hare poorten toelate, toch hebben onze vaderen zelf in de dagen der Remonstrantsche twisten wel getoond, hoe ze met groot geduld optraden niet alleen tegenover de gemeenteleden, die tot de Gereformeerde Kerk behoorden en daarbij ook bleven maar min of meer Remonstrantsche sympathiën hadden, maar zelfs tegenover degenen, die na een tijdlang bij de Remonstrantsche broederschap zich gevoegd te hebben, later tot de Gereformeerde Kerken wilden terugkeeren. Zoo werd van dezulken bijv. niet geëischt, dat zij de V artikelen tegen de Remonstranten in hun geheel zouden onderteekenen, maar werd een ietwat minder scherp belijnde verklaring daarvoor in de plaats gesteld, gelijk bijv. door den Kerkeraad van Utrecht is geschied. Maar hoezeer onze vaderen deze tolerantie in theorie aanprezen en in de praktijk beoefenden, werd toch tegelijk door hen de zeer juiste raad gegeven, dat de Synode liefst geen generale besluiten zou nemen om te bepalen ten opzichte van welke leerstukken een afwijkend, gevoelen kon gedragen worden, omdat anders zoo licht de indruk zou ontstaan, alsof de Synode dit bepaalde stuk der belijdenis niet meer verbindend achtte (Voetius, Pol. Eccl. Pars III, lib. II, tract. II, p. 377). Hoewel Uwe Commissie eenparig van gevoelen is, dat hoe groot belang het leerstuk van den kinderdoop ook voor de Gereformeerde Kerken heeft, dit leerstuk daarom toch nog niet gezegd kan worden tot de fundamenteele geloofstukken te behooren en daarom tolerantie van een afwijkend gevoelen op dit punt, bij een broeder, die overigens van ganscher harte met de Gereformeerde belijdenis instemt, haar niet ongeoorloofd toeschijnt, zou Uwe Commissie toch niet gaarne een generale uitspraak van de Synode uitlokken, dat instemming met dit gewichtig stuk onzer belijdenis niet langer noodig zou zijn om als lidmaat onzer Kerken te worden aangenomen. Hier komt nog bij, dat de beantwoording van de vraag, of in een bepaald geval zulk een tolerantie geoorloofd en gewenscht is, afhangt van allerlei omstandigheden, die niet door de Generale Synode, maar alleen door den plaatselijken Kerkeraad of Classis beoordeeld kunnen worden, zoo b.v. of zulk een persoon ongehuwd en boven de jaren is om kinderen te krijgen, in welk geval zijn afwijkend gevoelen omtrent den kinderdoop practisch geen invloed zal hebben; dan wel of hij reeds kinderen heeft of vermoedelijk nog krijgen zal, in welk laatste geval hem zeker de eisch zou moeten gesteld worden, dat hij deze kinderen zou moeten laten doopen. De Commissie adviseert daarom de Generale Synode: [volgt in Art. 138]. Namens de Commissie,

     

    Dr H. H. KUYPER, Rapporteur.

     

     

    Acta Generale Synode GKN ’s-Gravenhage 1914 – blz. 86 - art. 138

     

     

    ART. 138.

    (in margine: Verwerping van de kinderdoop)

     

    Namens de Commissie van voorbereiding in zake G 5 van het Agendum:

     

    Vraag van de Particuliere Synode van Friesland (Zuidelijk gedeelte) : Of

    iemand, die in alles met de Gereformeerde Belijdenis accoord gaat, maar

    den Kinderdoop verwerpt, doch voor dit afwijkend gevoelen belooft geene

    propaganda te maken en de getuigenis heeft van een vromen wandel,

    geacht mag worden te voldoen aan de vereischten, gesteld in artikel 61

    der Kerkenordening voor de toelating tot het Heilig Avondmaal ?

     

    doet Prof. Dr H. H. KUYPER mededeeling van den zakelijken inhoud van

    haar rapport en voorlezing van de conclusiën [Bijlage XCVII].

     

    Dienovereenkomstig besluit de Synode :

    aan de Particuliere Synode van Friesland (Zuidelijk gedeelte) te antwoorden:


    vooreerst,
    dat de Generale Synode over dit bepaalde geval geene beslissing

    kan geven, omdat haar daartoe de noodige gegevens ontbreken en een

    generale uitspraak, dat afwijking van een bepaald leerstuk der Kerk geen

    beletsel zal behoeven te wezen om iemand tot de gemeenschap der Kerk toe

    te laten, niet wenschelijk kan wezen;

    ten tweede, dat de Generale Synode echter wel wil uitspreken, dat onze

    Gereformeerde Kerken steeds hebben geoordeeld, dat naar het voorbeeld

    der Apostolische Kerk tolerantie kan worden geoefend jegens broeders,

    die ter goeder trouw in eenig stuk der leer dwalen, mits dit niet eenig

    fundamenteel stuk der waarheid raakt, de dwalenden bereid zijn zich beter

    te laten onderrichten, en beloven voor dit gevoelen geen propaganda te

    maken, waarbij het natuurlijk van zelf spreekt, dat zulke broeders, zoolang

    ze in dat gevoelen volharden, in geen geval voor eenig ambt in de Kerk

    verkiesbaar zijn;


    ten derde,
    dat de Generale Synode aan den betrokken Kerkeraad, desnoods

    met advies van de Classis, de beslissing moet overlaten, of in het hier

    bedoelde geval zulk een tolerantie wenschelijk en geoorloofd is.