Uitgebreid zoeken
Kerkrecht.nl
Help
Contact

Codex Iuris Canonici - Wetboek van Canoniek Recht - 1983


auteur(s):
genre: Codex
bundel:
tijdschrift:
jaargang:
uitgever: Gooi en Sticht
plaats: Hilversum
jaar: 1996
druk: 2 (licht herzien)
ISBN/ISSN: 9030403705
aantal pagina's: 855
Deze tekst is genomen uit de Latijns-Nederlandse uitgave in opdracht van de Belgische en de Nederlandse Bisschoppenconferentie verschenen in 1987. Ze fungeert als proeftekst en is nog niet geautoriseerd. Het copyright van de Nederlandse vertaling berust bij de Belgische en Nederlandse Bisschoppenconferenties. Plaatsing op deze website met toestemming van het secretariaat van het Rooms-Katholiek Kerkgenootschap in Nederland.

  • Boek I-Algemene normen 1-203
  • Boek II-Volk Gods Dl.I 204-329
  • Boek II-Volk Gods Dl.II 330-572
  • Boek II-Volk Gods Dl.III 573-746
  • Boek III-Verkondigingstaak 747-833
  • Boek IV-Heiligingstaak 834-1253
  • Boek V-Tijdelijke goederen 1254-1310
  • Boek VI-Sancties 1311-1399
  • Boek VII-Processen 1400-1752
  • Boek VII-Processen 1400-1752

    Boek VII Processen 1400-1752

    Boek VII Deel I Gedingen in het algemeen 1400-1500

    Can. 1400 - 1 Voorwerp van een geding zijn:
    1. de opeising van rechten of de vordering tot eerbiediging van rechten van fysieke personen of van rechtspersonen, of de vaststelling van rechtsfeiten;
    2. de misdrijven met betrekking tot het opleggen of verklaren van een straf.
    2 Geschillen echter, ontstaan uit een beschikking van een administratieve overheid, kunnen alleen voor een Overste of voor een administratieve rechtbank gebracht worden.

    Can. 1401 - Bij eigen en uitsluitend recht beoordeelt de Kerk:
    1. zaken die geestelijke aangelegenheden betreffen en aangelegenheden met het geestelijke verbonden;
    2. de schending van kerkelijke wetten en alles waarin een element van zonde aanwezig is, voor zover het de bepaling van de schuld betreft en het opleggen van kerkelijke straffen.

    Can. 1402 - Alle rechtbanken van de Kerk vallen onder de canones die volgen, behoudens de normen voor de rechtbanken van de Apostolische Stoel.

    Can. 1403 - 1 De canonisatieprocessen van de Dienaren Gods vallen onder een bijzondere pauselijke wet.
    2 In deze zaken zijn bovendien de voorschriften van dit Wetboek van toepassing telkens wanneer in deze wet een verwijzing naar het universele recht gemaakt wordt of wanneer het over normen gaat die, uit de aard van de zaak zelf, ook op deze zaken betrekking hebben.

    Boek VII Deel I Titel I Bevoegd gerecht 1404-1416

    Can. 1404 - De Eerste Zetel wordt door niemand geoordeeld.

    Can. 1405 - 1 Alleen de Paus zelf heeft het recht te oordelen in zaken waarover in can. 1401:
    1. over degenen die het hoogste staatsambt bekleden;
    2. over Kardinalen;
    3. over Gezanten van de Apostolische Stoel, en in strafzaken over Bisschoppen;
    4. over andere zaken waarvan hij de beoordeling aan zich getrokken heeft.
    2 Een rechter kan niet oordelen over een beschikking of een document, in bijzondere vorm door de Paus bevestigd, tenzij een mandaat van deze hieraan voorafgegaan is.
    3 Het is aan de Romeinse Rota voorbehouden te oordelen:
    1. over Bisschoppen in contentieuze zaken, onverminderd het voorschrift van can. 1419, 2
    2. over een Abt-primaat, of over een Abt-overste van een monastieke congregatie, en over een hoogste Bestuurder van religieuze instituten van pauselijk recht;
    3. over bisdommen of andere kerkelijke personen, hetzij fysieke hetzij rechtspersonen, die geen Overste hebben lager dan de Paus.

    Can. 1406 - 1 Bij schending van het voorschrift van can. 1404 worden de handelingen en beslissingen als niet-bestaand beschouwd.
    2 In zaken waarover in can. 1405, is de onbevoegdheid van andere rechters absoluut.

    Can. 1407 - 1 Niemand kan in eerste instantie gedagvaard worden, tenzij voor een kerkelijk rechter die bevoegd is op een van de titels die in de canones 1408-1414 bepaald worden.
    2 De onbevoegdheid van de rechter die zich op geen enkele van deze titels beroepen kan, wordt relatief genoemd.
    3 De eiser is gehouden aan het gerecht van de gedaagde partij; indien de gedaagde partij op meerdere plaatsen voor het gerecht gedaagd kan worden, wordt de keuze van het gerecht aan de eiser verleend.

    Can. 1408 - Iedereen kan gedagvaard worden voor de rechtbank van zijn domicilie of quasi-domicilie.

    Can. 1409 - 1 Een zwerver wordt voor het gerecht gedaagd in de plaats waar hij daadwerkelijk verblijft.
    2 Degene van wie noch het domicilie noch het quasi-domicilie noch de verblijfplaats bekend zijn, kan gedagvaard worden voor het gerecht van de eiser, mits er geen ander wettig gerecht is.

    Can. 1410 - Op grond van de ligging van de zaak kan een partij gedagvaard worden voor de rechtbank van de plaats waar de betwiste zaak zich bevindt, telkens wanneer de vordering op de zaak gericht is, of wanneer het over ontvreemde goederen gaat.

    Can. 1411 - 1 Op grond van een verbintenis kan een partij gedagvaard worden voor de rechtbank van de plaats waar de verbintenis aangegaan is of waar zij uitgevoerd moet worden, tenzij de partijen in onderlinge overeenstemming een andere rechtbank gekozen hebben.
    2 Indien de zaak handelt over verplichtingen die uit een andere titel voortvloeien, kan een partij gedagvaard worden voor de rechtbank van de plaats waar de verplichting ontstaan is of waar zij vervuld moet worden.

    Can. 1412 - In strafzaken kan de beschuldigde, ook al is hij afwezig, gedagvaard worden voor de rechtbank van de plaats waar het misdrijf bedreven is.

    Can. 1413 - Een partij kan gedagvaard worden:
    1. in zaken die een beheer betreffen, voor de rechtbank van de plaats waar het beheer gevoerd is;
    2. in zaken die erfenissen of legaten met vrome bestemmingen betreffen, voor de rechtbank van het laatste domicilie of quasi-domicilie of verblijfplaats, volgens de canones 1408-1409, van hem over wiens erfenis of legaat met vrome bestemming het gaat, tenzij het de loutere uitvoering van het legaat betreft, die beoordeeld moet worden volgens de gewone normen van bevoegdheid.

    Can. 1414 - Op grond van samenhang moeten door n en dezelfde rechtbank in hetzelfde proces de zaken behandeld worden die verband houden met elkaar, tenzij een voorschrift van de wet dit verhindert.

    Can. 1415 - Op grond van voorrang, indien twee of meerdere rechtbanken in dezelfde mate bevoegd zijn, heeft die het recht de zaak te behandelen, die het eerst de gedaagde partij wettig gedagvaard heeft.

    Can. 1416 - Bevoegdheidsconflicten tussen rechtbanken aan dezelfde rechtbank van beroep onderworpen, worden door deze rechtbank opgelost; door de Apostolische Signatuur, indien zij niet aan dezelfde rechtbank van beroep onderworpen zijn.

    Boek VII Deel I Titel II Verschillende graden en soorten van rechtbanken 1417-1445

    Can. 1417 - 1 Op grond van het primaatschap van de Paus heeft iedere gelovige het recht zijn zaak, hetzij deze contentieus is hetzij strafrechtelijk, in elke graad van het geding en in elke staat van het geschil ter beoordeling aan de Heilige Stoel over te dragen of bij deze in te leiden.
    2 Een bij de Apostolische Stoel ingediende aanvraag echter schort, buiten het geval van beroep, de uitoefening niet op van de rechterlijke macht van de rechter die met het behandelen van de zaak reeds begonnen is; daarom zal deze het geding tot het eindvonnis kunnen voortzetten, tenzij de Apostolische Stoel aan de rechter meegedeeld heeft dat hij de zaak aan zich getrokken heeft.

    Can. 1418 - Elke rechtbank heeft het recht de hulp in te roepen van een andere rechtbank om een zaak te onderzoeken of om beschikkingen te betekenen.

    Hoofdstuk I - Rechtbank van eerste instantie 1419-1437

    Art. 1 Rechter 1419-1427

    Can. 1419 - 1 In elk bisdom en voor alle zaken door het recht niet uitdrukkelijk uitgezonderd, is de rechter van eerste instantie de diocesane Bisschop, die de rechterlijke macht kan uitoefenen in eigen persoon of door anderen, volgens de canones die volgen.
    2 Indien het echter gaat over rechten of tijdelijke goederen van een rechtspersoon die door de Bisschop vertegenwoordigd wordt, oordeelt in eerste instantie de rechtbank van beroep.

    Can. 1420 - 1 Iedere diocesane Bisschop is gehouden een Gerechtsvicaris ofwel Officiaal met gewone rechterlijke macht aan te stellen, onderscheiden van de Vicaris-generaal, tenzij de beperkte omvang van het bisdom of het kleine aantal zaken iets anders raadzaam maakt.
    2 De Gerechtsvicaris vormt met de Bisschop n rechtbank, maar hij kan geen zaken beoordelen die de Bisschop zichzelf voorbehoudt.
    3 Aan de Gerechtsvicaris kunnen assistenten gegeven worden, die adjunct-Gerechtsvicarissen of Vice-officiaals genoemd worden.
    4 Zowel de Gerechtvicaris als de adjunct-Gerechtsvicarissen moeten priester zijn, van onbesproken naam, doctor of tenminste licentiaat in het canoniek recht en niet jonger dan dertig jaar.
    5 Zij verliezen hun ambt niet wanneer de zetel vacant wordt, en zij kunnen ook niet verwijderd worden door de diocesane Administrator; bij de komst van de nieuwe Bisschop echter behoeven zij bevestiging.

    Can. 1421 - 1 In een bisdom dienen door de Bisschop diocesane rechters aangesteld te worden, die clerici zijn.
    2 De bisschoppenconferentie kan toestaan dat ook leken tot rechter aangesteld worden, uit wie, wanneer de omstandigheden dit raadzaam maken, er n genomen kan worden bij de samenstelling van een college.
    3 De rechters dienen van onbesproken naam te zijn en doctor of tenminste licentiaat in het canoniek recht.

    Can. 1422 - De Gerechtsvicaris, de adjunct-Gerechtsvicarissen en de overige rechters worden voor een bepaalde tijd benoemd, onverminderd het voorschrift van can. 1420 5, en zij kunnen niet ontslagen worden tenzij om een wettige en ernstige reden.

    Can. 1423 - 1 Meerdere diocesane Bisschoppen kunnen in onderlinge overeenstemming, met goedkeuring van de Apostolische Stoel, in de plaats van de diocesane rechtbanken waarover in de canones 1419-1421, in hun bisdommen n enkele rechtbank van eerste instantie oprichten; in dat geval beschikt de vergadering van deze Bisschoppen of de Bisschop door hen aangewezen, over alle machten die een diocesane Bisschop met betrekking tot zijn rechtbank bezit.
    2 De rechtbanken waarover in 1, kunnen opgericht worden ofwel voor alle zaken ofwel alleen voor bepaalde soorten zaken.

    Can. 1424 - In elk geding met n rechter kan deze twee bijzitters, clerici of leken van
    beproefde levenswandel, als raadgevers bij zich nemen.

    Can. 1425 - 1 Met verwerping van elke tegenstrijdige gewoonte worden voorbehouden aan een collegiale rechtbank van drie rechters:
    1. contentieuze zaken: a) aangaande de band van de heilige wijding; b) aangaande de huwelijksband, onverminderd de voorschriften van de canones 1686 en 1688;
    2. strafzaken: a) aangaande misdrijven die de straf van wegzending uit de clericale staat met zich mee kunnen brengen; b) aangaande het opleggen of verklaren van excommunicatie.
    2 De Bisschop kan zaken die moeilijker zijn of van groter belang, toevertrouwen aan het oordeel van drie of vijf rechters.
    3 Voor de behandeling van elke zaak afzonderlijk dient de Gerechtvicaris de rechters in volgorde per beurtrol op te roepen, tenzij de Bisschop in afzonderlijke gevallen anders bepaald heeft.
    4 Indien eventueel in eerste instantie geen college samengesteld kan worden, kan de bisschoppenconferentie, zolang deze onmogelijkheid voortduurt, toestaan dat een Bisschop zaken toevertrouwt aan n rechter-clericus die, waar het mogelijk is, een bijzitter en een onderzoeksrechter bij zich neemt.
    5 Eenmaal aangewezen rechters mag de Gerechtsvicaris niet vervangen, tenzij om een zeer ernstige reden die in een decreet uitgedrukt moet worden.

    Can. 1426 - 1 Een collegiale rechtbank moet als college te werk gaan, en de vonnissen vellen met meerderheid van stemmen.
    2 Voor zover mogelijk moet de Gerechtsvicaris of de adjunct-Gerechtsvicaris deze rechtbank voorzitten.

    Can. 1427 - 1 Indien er een geschil bestaat tussen religieuzen of tussen huizen van hetzelfde clericaal religieus instituut van pauselijk recht, is de rechter van eerste instantie, tenzij iets anders in de constituties voorzien wordt, de provinciale Overste, of, indien het een rechtens zelfstandig klooster is, de plaatselijke Abt.
    2 Behoudens een afwijkend voorschrift van de constituties zal, indien het een contentieuze zaak tussen twee provincies is, in eerste instantie oordelen de hoogste Bestuurder in eigen persoon of door een gedelegeerde; indien tussen twee kloosters, de Abt-overste van de monastieke congregatie.
    3 Tenslotte, als een geschil ontstaat tussen fysieke religieuze personen of rechtspersonen van verschillende religieuze instituten, of ook van hetzelfde clericaal instituut van diocesaan recht of van een lacaal instituut, of tussen een religieus persoon enerzijds en een seculier clericus of leek of niet-religieuze rechtspersoon anderzijds, oordeelt in eerste instantie de diocesane rechtbank.

    Art. 2 - Onderzoeksrechters en referenten 1428-1429

    Can. 1428 - 1 De rechter of de voorzitter van een collegiale rechtbank kunnen een onderzoeksrechter aanwijzen om het onderzoek in een zaak te verrichten; zij kiezen deze ofwel uit de rechters van de rechtbank ofwel uit de personen voor deze taak door de Bisschop goedgekeurd.
    2 De Bisschop kan voor deze taak van onderzoeksrechter clerici of leken goedkeuren, die zich dienen te onderscheiden door een goede levenswandel, wijsheid en kennis.
    3 Het komt de onderzoeksrechter toe, volgens de opdracht van de rechter, alleen de bewijzen te verzamelen en deze vervolgens aan de rechter over te dragen; tenzij de opdracht van de rechter het verhindert, kan hij echter intussen beslissen welke bewijzen verzameld moeten worden en op welke wijze, indien hierover eventueel een moeilijkheid oprijst, terwijl hij zijn taak uitoefent.

    Can. 1429 - De voorzitter van een collegiale rechtbank moet n van de rechters uit het college als ponens ofwel referent aanwijzen, die in de vergadering van rechters verslag over de zaak dient uit te brengen en die de vonnissen schriftelijk dient op te stellen; om een goede reden kan de voorzitter een andere in zijn plaats stellen.

    Art. 3 - Promotor van het recht, verdediger van de band en notarius 1430-1437

    Can. 1430 - Voor contentieuze zaken waarin het publieke belang in het gedrang kan komen, en voor strafzaken dient in een bisdom een promotor van het recht aangesteld te worden, die aan de plicht gehouden is zorg te dragen voor het publiek belang.

    Can. 1431 - 1 In contentieuze zaken komt het aan de diocesane Bisschop toe te oordelen of het publiek belang in het gedrang kan komen of niet, tenzij de tussenkomst van de promotor van het recht door de wet voorgeschreven wordt of uit de aard van de zaak duidelijk noodzakelijk is.
    2 Indien de promotor van het recht in een voorgaande instantie tussenbeide gekomen is, wordt zijn tussenkomst in een verder instantie als noodzakelijk gepresumeerd.

    Can. 1432 - Voor zaken waarin het over de nietigheid van een heilige wijding, ofwel over de nietigheid of ontbinding van een huwelijk gaat, dient in een bisdom een verdediger van de band aangesteld te worden, die aan de plicht gehouden is om alle elementen naar voren te brengen en uiteen te zetten, die redelijkerwijze tegen de nietigheid of ontbinding aangevoerd kunnen worden.

    Can. 1433 - In de zaken waarin de aanwezigheid van de promotor van het recht of van de verdediger van de band vereist wordt, zijn, indien dezen niet opgeroepen werden, de akten ongeldig, tenzij dezen, alhoewel niet opgeroepen, in werkelijkheid aanwezig geweest zijn of tenminste vr het vonnis, na kennisneming van de akten, hun taak hebben kunnen vervullen.

    Can. 1434 - Tenzij iets anders uitdrukkelijk voorzien wordt:
    1. moeten, telkens wanneer de wet aan de rechter voorschrijft de partijen of n van hen te horen, ook de promotor van het recht en de verdediger van de band gehoord worden, indien zij in het geding optreden.
    2. heeft, telkens wanneer het verzoek van een partij vereist is opdat de rechter iets beslissen kan, het verzoek van de promotor van het recht of van de verdediger van de band dezelfde kracht, indien zij in het geding optreden.

    Can. 1435 - Het komt aan de Bisschop toe de promotor van het recht en de verdediger van de
    band te benoemen, die, clerici of leken, van onbesproken naam dienen te zijn, doctor of licentiaat in het canoniek recht, en bekend om hun wijs oordeel en inzet voor rechtvaardigheid.

    Can. 1436 - 1 Dezelfde persoon kan, maar niet in dezelfde zaak, het ambt van promotor van het recht en van verdediger van de band bekleden.
    2 De promotor van het recht en de verdediger van de band kunnen aangesteld worden zowel voor het geheel van zaken als voor afzonderlijke zaken; zij kunnen echter door de Bisschop om een goede reden ontslagen worden.

    Can. 1437 - 1 In elk proces dient een notarius aanwezig te zijn, met dien verstande dat de
    akten als nietig beschouw worden indien zij niet door hem ondertekend zijn.
    2 De akten die notarii opstellen, waarborgen publieke betrouwbaarheid.

    Hoofdstuk II Rechtbank van tweede instantie 1438-1441

    Can. 1438 - Onverminderd het voorschrift van can. 1444, 1, nr.1:
    1. wordt van de rechtbank van een suffragane Bisschop beroep aangetekend bij de rechtbank van de Metropoliet, behoudens het voorschrift van can. 1439;
    2. wordt in zaken die in eerste instantie behandeld zijn voor de Metropoliet, beroep aangetekend bij de rechtbank welke deze, met goedkeuring van de Apostolische Stoel, blijvend aangewezen heeft;
    3. is voor zaken behandeld voor een provinciale Overste, de rechtbank van tweede instantie bij de hoogste Bestuurder; voor zaken behandeld voor een plaatselijke Abt, bij de Abt-overste van de monastieke congregatie.

    Can. 1439 - 1 Indien volgens can. 1423 voor meerder bisdommen n rechtbank van eerste instantie opgericht is, moet de bisschoppenconferentie, met goedkeuring van de Apostolische Stoel, een rechtbank van tweede instantie oprichten, tenzij de bisdommen alle suffragaan zijn van hetzelfde aartsbisdom.
    2 De bisschoppenconferentie kan, met goedkeuring van de Apostolische Stoel, n of meerdere rechtbanken van tweede instantie oprichten, ook naast de gevallen waarover in 1.
    3 Ten aanzien van de rechtbanken van tweede instantie waarover in 1-2, beschikt de bisschoppenconferentie, of de Bisschop door haar aangewezen, over alle macht die een diocesane Bisschop met betrekking tot zijn rechtbank toekomt.

    Can. 1440 - Indien de bevoegdheid op grond van de graad volgens de canones 1438 en 1439 niet in acht genomen wordt, is de onbevoegdheid van de rechter absoluut.

    Can. 1441 - De rechtbank van tweede instantie moet op dezelfde wijze samengesteld worden als de rechtbank van eerste instantie. Indien in de eerste graad van het geding echter volgens can. 1425, 4 n rechter het vonnis geveld heeft, dient de rechtbank van tweede instantie als college te werk te gaan.

    Hoofdstuk III - Rechtbanken van de Apostolische Stoel 1442-1445

    Can. 1442 - De Paus is voor de gehele katholieke wereld de hoogste rechter, die recht spreekt ofwel in eigen persoon ofwel door de gewone rechtbanken van de Apostolische Stoel ofwel door rechters door hem gedelegeerd.

    Can. 1443 - De gewone rechtbank, door de Paus ingesteld om beroep te aanvaarden, is de Romeinse Rota.

    Can. 1444 - 1 De Romeinse Rota oordeelt:
    1. in tweede instantie over zaken die door gewone rechtbanken van eerste instantie beoordeeld zijn en die door een wettig beroep bij de Apostolische Stoel aanhangig gemaakt worden;
    2. in derde of verdere instantie over zaken die door de Romeinse Rota zelf en door welke andere rechtbanken ook reeds behandeld zijn, tenzij de zaak als in kracht van gewijsde beschouwd wordt.
    2 Deze rechtbank oordeelt eveneens in eerste instantie over de zaken waarover in can. 1405, 3, of over andere die de Paus hetzij uit eigen beweging hetzij op verzoek van de partijen tot zijn rechtbank getrokken en aan de Romeinse Rota toevertrouwd heeft; tenzij iets anders voorzien is in het rescript waarmee de opdracht gegeven is, oordeelt de Rota zelf ook in tweede en in verdere instantie over deze zaken.

    Can. 1445 - 1 De hoogste Rechtbank van de Apostolische Signatuur behandelt:
    1. klachten van nietigheid en verzoeken tot herstel in de oorspronkelijke toestand, en andere vormen van verhaal tegen vonnissen van de Rota;
    2. het verhaal in zaken betreffende de staat van personen, die de Romeinse Rota voor een nieuw onderzoek geweigerd heeft te aanvaarden;
    3. excepties van verdenking en andere zaken tegen Auditeurs van de Romeinse Rota wegens handelingen in de uitoefening van hun ambt;
    4. bevoegdheidsconflicten waarover in can. 1416.
    2 Deze Rechtbank oordeelt over de bij haar wettig aanhangig gemaakte betwistingen voortkomend uit een kerkelijke administratieve overheidsdaad, over andere administratieve geschillen die door de Paus of door dicasteries van de Romeinse Curie bij haar aangebracht worden, en over bevoegdheidsconflicten tussen deze dicasteries.
    3 Het komt deze hoogste Rechtbank bovendien toe:
    1. over een juiste rechtsbedeling te waken en, indien nodig, de advocaten en procuratoren terecht te wijzen;
    2. de bevoegdheid van rechtbanken te verlengen;
    3. de oprichting van de rechtbanken waarover in de canones 1423 en 1439, te bevorderen en goed te keuren.

    Boek VII Deel I Titel III Discipline in de rechtbanken in acht te nemen 1446-1475

    Hoofdstuk I - Ambt van de rechters en van de andere leden van de rechtbank 1446-1457

    Can. 1446 - 1 Alle christengelovigen, op de eerste plaats echter de Bisschoppen, dienen zich in te spannen dat, met behoud van de rechtvaardigheid, geschillen in het volk van God, in de mate waarin het kan, vermeden en zo spoedig mogelijk vreedzaam bijgelegd worden.
    2 Een rechter mag niet naalden, bij de aanvang van een geschil en ook op gelijk welk ander ogenblik dat hij enige hoop heeft op een goed resultaat, de partijen aan te sporen en bijstand te verlenen om door gemeenschappelijk overleg een billijke oplossing voor het geschil te zoeken, en hij dient hun geschikte wegen voor dit doel aan te wijzen, ook door gezaghebbende mensen ter bemiddeling erbij te betrekken.
    3 Indien het geschil handelt over private goederen van partijen, dient de rechter te onderzoeken of door een minnelijke schikking of door een arbitrage, volgens de canones 1713-1716, het geschil doeltreffend beindigd kan worden.

    Can. 1447 - Wie in een zaak opgetreden is als rechter, promotor van het recht, verdediger van de band, procurator, advocaat, getuige of deskundige, kan nadien in een volgende instantie dezelfde zaak niet op geldige wijze als rechter beslechten of hierin het ambt van bijzitter waarnemen.

    Can. 1448 - 1 Een rechter mag geen zaak ter behandeling aannemen, waarin hij op grond van bloed- en aanverwantschap in welke graad ook in rechte lijn en tot en met de vierde graad in zijlijn, of op grond van voogdij en curatele, van nauwe betrokkenheid in het dagelijks leven, van een zeer gespannen verstandhouding, of om er voordeel uit te halen of schade te vermijden, persoonlijk enig belang heeft.
    2 In dezelfde omstandigheden moeten de promotor van het recht, de verdediger van de band, de bijzitter en de onderzoeksrechter zich onthouden van de uitoefening van hun ambt.

    Can. 1449 - 1 In de gevallen waarover in can. 1448, kan, indien de rechter zelf zich niet onthoudt, een partij hem wraken.
    2 De Gerechtsvicaris oordeelt over de wraking; indien hij zelf gewraakt wordt, oordeelt de Bisschop die de rechtbank voorzit.
    3 Indien de Bisschop rechter is en tegen hem een wraking gericht wordt, dient hij zich van een beoordeling te onthouden.
    4 Indien de wraking gericht wordt tegen de promotor van het recht, de verdediger van de band of tegen andere leden van de rechtbank, oordeelt de voorzitter van de collegiale rechtbank over deze exceptie, of de rechter zelf, indien hij als enige rechter in de zaak optreedt.

    Can. 1450 - Bij aanvaarding van de wraking moeten de personen veranderd worden, niet echter de graad van het geding.

    Can. 1451 - 1 Over een kwestie aangaande wraking moet zo snel mogelijk beslist worden, na de partijen gehoord te hebben en de promotor van het recht of de verdediger van de band, indien zij in de zaak optreden en zelf niet gewraakt zijn.
    2 De handelingen door de rechter gesteld voordat hij gewraakt wordt, zijn geldig; die echter welke gesteld zijn na indiening van een wraking moeten vernietigd worden, indien een partij het vraagt binnen tien dagen na het aanvaarden van de wraking.

    Can. 1452 - 1 In een zaak die uitsluitend belangen van private personen betreft, kan de rechter alleen tot handelen overgaan op verzoek van een partij. Maar nadat een zaak wettig ingeleid is, kan en moet de rechter, ook ambtshalve, tot handelen overgaan in strafzaken en in andere zaken die het publiek belang van de Kerk of het zieleheil betreffen.
    2 Een rechter kan echter bovendien de nalatigheid van de partijen om bewijzen aan te voeren of om excepties op te werpen, aanvullen, telkens wanneer hij dit noodzakelijk acht om een zwaar onrechtvaardig vonnis te vermijden, onverminderd de voorschriften van can. 1600.

    Can. 1453 - De rechters en de rechtbanken dienen er zorg voor te dragen dat, met behoud van de rechtvaardigheid, alle zaken zo spoedig mogelijk beindigd worden, en dat zij in een rechtbank van eerste instantie niet langer dan een jaar duren, in een rechtbank van tweede instantie echter niet langer dan zes maanden.

    Can. 1454 - Allen die deel uitmaken van een rechtbank of hieraan meewerken, moeten de eed afleggen hun taak op de voorgeschreven wijze en getrouw te vervullen.

    Can. 1455 - 1 De rechters en medewerkers van de rechtbank zijn in een strafgeding altijd, in een contentieus geding slechts indien uit de bekendmaking van een of andere proceshandeling nadeel voor de partijen kan ontstaan, gehouden het beroepsgeheim te bewaren.
    2 Zij zijn ook steeds gehouden het geheim te bewaren betreffende de bespreking die tussen de rechters in een collegiale rechtbank plaats vindt voordat het vonnis geveld wordt, en eveneens betreffende de verschillende uitgebrachte stemmen en de meningen die daar geuit werden, onverminderd het voorschrift van can. 1609, 4.
    3 Telkens wanneer de aard van de zaak of van de bewijzen zodanig is dat door de bekendmaking van de akten of bewijzen de goede naam van anderen in gevaar komt, of wanneer daardoor een aanleiding verschaft wordt tot onenigheid, of ergernis of een ander dergelijk nadeel ontstaat, kan de rechter bovendien de getuigen, de deskundigen, de partijen en hun advocaten of procuratoren onder eed tot geheimhouding verplichten.

    Can. 1456 - Het is aan de rechter en aan alle leden van de rechtbank verboden bij gelegenheid van het behandelen van het geding enig geschenk te aanvaarden.

    Can. 1457 - 1 De rechters die, wanneer zij zeker en duidelijk bevoegd zijn, rechtsbedeling weigeren of die, zonder op enig voorschrift van het recht te steunen, zich bevoegd verklaren en zaken behandelen en beslechten, of die de wet op het beroepsgeheim schenden, of die door list of ernstige verwaarlozing andere schade aan de gedingvoerende partijen toebrengen, kunnen door de bevoegde overheid gestraft worden met passende straffen, ontneming van het ambt niet uitgesloten.
    2 Aan dezelfde sancties zijn onderworpen de leden en medewerkers van de rechtbank, indien zij in hun ambt, zoals boven bepaald, te kort geschoten zijn; al dezen kan ook de rechter straffen.

    Hoofdstuk II - Volgorde van behandeling 1458-1464

    Can. 1458 - De zaken moeten behandeld worden in die volgorde waarin zij ingediend zijn en op de rol gezet, tenzij een ervan een snelle behandeling vereist vr de overige, hetgeen dan bij bijzonder decreet, met redenen omkleed, vastgesteld moet worden.

    Can. 1459 - 1 Gebreken die de nietigheid van het vonnis tot gevolg kunnen hebben, kunnen in elke staat of graad van het geding tegengeworpen worden en ook door de rechter ambtshalve vastgesteld.
    2 Naast de gevallen waarover in 1, moeten opschortende excepties en vooral die met betrekking tot personen en de wijze van geding voeren, opgeworpen worden vr het vastleggen van het geschil, tenzij zij na het vastleggen van het geschil opgekomen zijn, en zij moeten zo spoedig mogelijk beslecht worden.

    Can. 1460 - 1 Indien een exceptie opgeworpen wordt tegen de bevoegdheid van de rechter, moet de rechter zelf deze aangelegenheid beoordelen.
    2 In geval van een exceptie van relatieve onbevoegdheid is, indien de rechter zich bevoegd verklaart, tegen zijn beslissing geen beroep mogelijk, maar zijn een klacht van nietigheid en een herstel in de oorspronkelijke toestand niet verboden.
    3 Indien de rechter zich echter onbevoegd verklaart, kan de partij die zich benadeeld acht, zich binnen vijftien dagen tot de rechtbank van beroep wenden.

    Can. 1461 - De rechter die, in welke stand van de zaak ook, tot de bevinding komt dat hij absoluut onbevoegd is, moet zich onbevoegd verklaren.

    Can. 1462 - 1 De excepties van kracht van gewijsde, van een minnelijke schikking en de andere peremptoire excepties, welke geschilbeindigend genoemd worden, moeten opgeworpen en behandeld worden vr het vastleggen van het geschil; wie deze later opgeworpen heeft, mag niet afgewezen worden, maar dient veroordeeld te worden tot de kosten, tenzij hij bewijst dat hij zijn verzet niet te kwader trouw uitgesteld heeft.
    2 Andere peremptoire excepties dienen bij het vastleggen van het geschil opgeworpen te worden en moeten te gelegener tijd behandeld worden volgens de regels aangaande incidentele zaken.

    Can. 1463 - 1 Tegenvorderingen kunnen niet geldig ingediend worden, tenzij binnen dertig dagen vanaf het vastleggen van het geschil.
    2 Deze dienen tegelijk met de gewone vordering behandeld te worden, dit wil zeggen in gelijke graad hiermee, tenzij het noodzakelijk is ze afzonderlijk te behandelen of de rechter dit geschikter acht.

    Can. 1464 - Vragen over de borg voor de gerechtskosten, of over de verlening van kosteloze rechtsbijstand, die onmiddellijk na de aanvang aangevraagd is, en andere soortgelijke vragen moeten in de regel vr het vastleggen van het geschil behandeld worden.

    Hoofdstuk III - Termijnen en uitstel 1465-1467

    Can. 1465 - 1 De zogenaamde wettelijke fatale termijnen, dit wil zeggen de door de wet vastgestelde termijnen na afloop waarvan rechten vervallen zijn, kunnen niet verlengd worden, noch, tenzij op verzoek van de partijen, geldig verkort.
    2 Gerechtelijke en overeengekomen termijnen echter zullen vr hun verstrijken om een goede reden door de rechter, na de partijen gehoord te hebben of op hun verzoek, verlengd kunnen worden, maar nooit zonder toestemming van de partijen geldig verkort worden.
    3 De rechter dient evenwel te waken dat het geschil door verlenging niet al te lang duurt.

    Can. 1466 - Waar de wet geen termijnen bepaalt voor het stellen van proceshandelingen, moet de rechter deze vooraf bepalen, rekening houdend met de aard van elke handeling.

    Can. 1467 - Indien de rechtbank op de voor de gerechtelijke handelingen aangeduide dag gesloten is, wordt de termijn beschouwd als verlengd tot de eerstvolgende dag die geen rustdag is.

    Hoofdstuk IV - Plaats van het geding 1468-1469

    Can. 1468 - Elke rechtbank dient in de mate waarin het kan, een vaste zetel te hebben en op vastgestelde uren geopend te zijn.

    Can. 1469 - 1 Een rechter, met geweld verdreven uit zijn ambtsgebied of verhinderd om er zijn rechterlijke macht uit te oefenen, kan buiten het ambtsgebied zijn rechterlijke macht uitoefenen en vonnis vellen, nadat hij echter de diocesane Bisschop van deze aangelegenheid in kennis gesteld heeft.
    2 Naast het geval waarover in 1, kan een rechter, om een goede reden en na de partijen gehoord te hebben, zich ook buiten zijn eigen ambtsgebied begeven om bewijzen te verzamelen, met verlof echter van de diocesane Bisschop van de plaats waarnaar hij zich begeeft, en op de plaats door deze aangewezen.

    Hoofdstuk V - Toelaten van personen in de rechtszaal en wijze van opstellen en bewaren van akten 1470-1475

    Can. 1470 - 1 Tenzij een particulier wet anders voorziet, dienen, terwijl de zaken voor de rechtbank behandeld worden, slechts diegenen in de rechtszaal aanwezig te zijn, van wie de wet of de rechter bepaald heeft dat zij noodzakelijk zijn voor de afhandeling van het proces.
    2 Een rechter kan alle bij het geding aanwezige personen die ernstig te kort geschoten zijn in de aan de rechtbank verschuldigde eerbied en gehoorzaamheid, met passende straffen tot de orde roepen, en bovendien kan hij advocaten en procuratoren ook schorsen in de uitoefening van hun ambt bij de kerkelijke rechtbanken.

    Can. 1471 - Indien een te ondervragen persoon een taal spreekt die de rechter of partijen niet kennen, dient men gebruik te maken van een door de rechter aangewezen bedigde tolk. Nochtans dienen de verklaringen in de oorspronkelijke taal op schrift gesteld te worden en dient hierbij een vertaling gevoegd te worden. Men dient ook van een tolk gebruik te maken, indien een persoon die stom of doof is, ondervraagd moet worden, tenzij de rechter eventueel verkiest dat op de door hem gestelde vragen schriftelijk geantwoord wordt.

    Can. 1472 - 1 Alle gerechtelijke akten, zowel die welke de inhoud van de zaak betreffen, namelijk de akten van de zaak, als die welke tot de procesgang behoren, namelijk de procesakten, moeten op schrift gesteld worden.
    2 Elk blad van de akten dient genummerd en met een teken van authenticiteit gewaarborgd te worden.

    Can. 1473 - Telkens wanneer de handtekening van partijen of getuigen in de gerechtelijke akten vereist is, en indien een partij of getuige niet kan of wil ondertekenen, dient dit in de akten zelf vermeld te worden, en terzelfdertijd dienen de rechter en de notarius te waarborgen dat de akte zelf woordelijk aan de partij of getuige voorgelezen is en dat de partij of getuige niet kon of wilde ondertekenen.

    Can. 1474 - 1 In geval van beroep dient een kopie van de akten, waarvan de authenticiteit door de notarius gewaarborgd is, de hogere rechtbank toegezonden te worden.
    2 Indien de akten opgesteld zijn in een taal die de hogere rechtbank niet kent, dienen zij vertaald te worden in een andere taal die deze rechtbank wel kent, met de nodige voorzorgen dat de betrouwbaarheid van de vertaling vaststaat.

    Can. 1475 - 1 Na beindiging van het geding moeten de documenten die eigendom zijn van private personen teruggegeven worden, waarbij echter een kopie ervan bewaard wordt.
    2 Zowel aan de notarii als aan de kanselier is het verboden zonder opdracht van de rechter een kopie te verstrekken van de gerechtelijke akten en van documenten die voor het proces verworven zijn.

    Boek VII Deel I Titel IV Partijen in een zaak 1476-1490

    Hoofdstuk I - Eiser en gedaagde partij 1476-1480

    Can. 1476 - Iedereen, hetzij gedoopt hetzij niet gedoopt, kan in een geding een vordering instellen; een wettig gedaagde partij moet antwoord geven.

    Can. 1477 - Ook al hebben de eiser of de gedaagde partij een procurator of een advocaat aangesteld, zij zijn niettemin steeds ertoe gehouden persoonlijk in het geding te verschijnen
    op voorschrift van het recht of van de rechter.

    Can. 1478 - 1 De minderjarigen en zij die niet over het gebruik van het verstand beschikken,
    kunnen uitsluitend een geding voeren door hun ouders of door hun voogden of curatoren, behoudens het voorschrift van 3.
    2 Indien de rechter meent dat de rechten van de minderjarigen in conflict zijn met de rechten van ouders of voogden of curatoren, of dat dezen de rechten van de minderjarigen niet voldoende kunnen beschermen, dienen zij een geding te voeren door een door de rechter toegewezen voogd of curator.
    3 In geestelijke zaken evenwel en in zaken hiermee verwant, kunnen minderjarigen, indien zij over het gebruik van het verstand beschikken, zonder de toestemming van ouders of voogd, en zelfs in eigen persoon een vordering instellen en antwoord geven, indien zij het veertiende levensjaar voltooid hebben; anders door een door de rechter toegewezen curator.
    4 Degenen die handelingsonbekwaam verklaard zijn en zij die minder sterk van geest zijn, kunnen slechts in eigen persoon een geding voeren om zich voor eigen misdrijven te verantwoorden of op voorschrift van de rechter; in de overige gevallen moeten zij een vordering instellen of antwoord geven door hun curatoren.

    Can. 1479 - Telkens wanneer er een voogd of curator is, aangesteld door de burgerlijke overheid, kan deze ook door de kerkelijke rechter toegelaten worden, na de diocesane Bisschop van hem aan wie hij toegewezen is, zo mogelijk gehoord te hebben; indien er geen voogd of curator is of indien het niet goed lijkt deze toe te laten, zal de rechter zelf een voogd of curator voor de zaak aanwijzen.

    Can. 1480 - 1 Rechtspersonen voeren een geding door hun wettige vertegenwoordigers.
    2 In geval van ontbreken of van nalatigheid van een vertegenwoordiger kan de Ordinaris zelf, in eigen persoon of door een ander, een geding voeren in naam van de rechtspersonen die onder zijn macht vallen.

    Hoofdstuk II - Procuratoren voor geschillen, en advocaten 1481-1490

    Can. 1481 - 1 Een partij kan vrij een advocaat en een procurator voor zich aanstellen; maar naast de gevallen bepaald in 2 en 3, kan zij ook zelf een vordering instellen en antwoord geven, tenzij de rechter de bijstand van een procurator of van een advocaat noodzakelijk acht.
    2 In een strafgeding moet de beschuldigde steeds over een advocaat beschikken, ofwel door hemzelf aangesteld ofwel door de rechter toegewezen.
    3 In een contentieus geding dient de rechter, indien het over minderjarigen gaat of over een geding waarin het publiek belang aan de orde is, met uitzondering van huwelijkszaken, ambtshalve een verdediger aan te stellen voor de partij die er geen heeft.

    Can. 1482 - 1 Iedereen kan vrij n procurator voor zich aanstellen, die voor zichzelf geen ander in de plaats kan stellen tenzij hem de uitdrukkelijke bevoegdheid gegeven is.
    2 Indien echter om een goede reden meerdere procuratoren door eenzelfde persoon aangesteld worden, dienen dezen op zulke wijze aangewezen te worden dat tussen hen een orde van voorrang gesteld wordt.
    3 Er kunnen echter meerdere advocaten tegelijk aangesteld worden.

    Can. 1483 - Een procurator en een advocaat moeten meerderjarig zijn en van goede naam; bovendien moet een advocaat katholiek zijn, tenzij de diocesane Bisschop anders toestaat, en doctor in het canoniek recht of anderszins werkelijk deskundig, en door dezelfde Bisschop goedgekeurd.

    Can. 1484 - 1 Een procurator en een advocaat moeten, voordat zij hun taak opnemen, een authentiek mandaat bij de rechtbank deponeren.
    2 Om echter het tenietgaan van een recht te verhinderen, kan een rechter een procurator toelaten ook zonder dat er een mandaat voorgelegd is, eventueel nadat een passende borg gesteld is; maar een handeling van de procurator mist elke rechtskracht, indien hij binnen een door de rechter te bepalen peremptoire termijn geen mandaat op de voorgeschreven wijze voorlegt.

    Can. 1485 - Een procurator kan, tenzij hij een bijzonder mandaat heeft, niet geldig verzaken aan de vordering, aan de instantie of aan gerechtelijke handelingen, en hij kan evenmin een minnelijke schikking treffen, een overeenkomst sluiten, akkoord gaan met een arbitrage en in het algemeen die daden stellen waarvoor het recht een bijzonder mandaat vereist.

    Can. 1486 - 1 Opdat het ontslag van een procurator of een advocaat gevolg heeft, is het noodzakelijk dat dit aan hen betekend wordt, en, indien het geschil reeds vastgelegd is, dienen de rechter en de tegenpartij op de hoogte gebracht te zijn van het ontslag.
    2 Nadat het eindvonnis geveld is, blijft een procurator het recht en de plicht behouden om beroep aan te tekenen, als de opdrachtgever zich er niet tegen verzet.

    Can. 1487 - Zowel een procurator als een advocaat kunnen door de rechter bij decreet, hetzij ambtshalve hetzij op verzoek van een partij, verwijderd worden, maar alleen om een ernstige reden.

    Can. 1488 - 1 Beiden is het verboden het geschil af te kopen, of voor zich een bovenmatige vergoeding te bedingen of een gedeelte van de goederen die voorwerp zijn van het geschil. Als zij dit gedaan hebben, is de overeenkomst nietig en kunnen zij door de rechter met een geldboete gestraft worden. Bovendien kan de advocaat zowel in zijn ambt geschorst worden als, indien hij recidiveert, door de Bisschop die aan het hoofd van de rechtbank staat, ook geschrapt worden van de lijst van advocaten.
    2 Op dezelfde wijze kunnen de advocaten en procuratoren gestraft worden die, om de wet te ontduiken, zaken aan de bevoegde rechtbank onttrekken opdat ze door andere op een meer gunstige wijze beslecht worden.

    Can. 1489 - De advocaten en procuratoren die, omwille van geschenken of beloften of om welke reden ook, misbruik van hun ambt gemaakt hebben, dienen van het verlenen van rechtsbijstand geschorst te worden en met een geldboete of met andere passende straffen gestraft.

    Can. 1490 - Bij elke rechtbank dienen, voor zover mogelijk, vaste personen voor het verlenen van rechtsbijstand aangesteld te worden, die van de rechtbank zelf een honorarium ontvangen, en die het ambt van advocaat of procurator, vooral in huwelijkszaken, uitoefenen voor de partijen die aan hen de voorkeur geven.

    Boek VII Deel I Titel V Vorderingen en excepties 1491-1500

    Hoofdstuk I - Vorderingen en excepties in het algemeen 1491-1495

    Can. 1491 - Elk recht wordt niet alleen door een vordering beschermd, tenzij iets anders uitdrukkelijk voorzien wordt, maar ook door een exceptie.

    Can. 1492 - 1 Elke vordering gaat teniet door verjaring volgens het recht of op een andere wettige wijze, met uitzondering van de vorderingen betreffende de staat van personen, die nooit tenietgaan.
    2 Een exceptie is, behoudens het voorschrift van can. 1462, steeds mogelijk en van nature blijvend.

    Can. 1493 - Een eiser kan voor meerdere vorderingen tegelijk, die elkaar echter niet mogen tegenspreken, hetzij over dezelfde zaak hetzij over verschillende zaken, iemand voor een rechtbank dagen, indien deze de bevoegdheid niet overschrijden van de rechtbank waartoe hij zich gewend heeft.

    Can. 1494 - Een gedaagde partij kan voor dezelfde rechter in hetzelfde geding tegen de eiser een tegenvordering instellen, ofwel omwille van het verband van de zaak met de hoofdvordering ofwel om het verzoek van de eiser te weerleggen of af te zwakken.
    2 Tegenvordering tegen een tegenvordering is niet toegelaten.

    Can. 1495 - Een tegenvordering moet ingesteld worden voor de rechter bij wie de eerste vordering aanhangig gemaakt is, ook al is hij slechts voor n zaak gedelegeerd of anderszins relatief onbevoegd.

    Hoofdstuk II - Vorderingen en excepties in het bijzonder 1496-1500

    Can. 1496 - 1 Wie met althans waarschijnlijk argumenten aangetoond heeft dat hij een recht heeft op een zaak die een ander in bezit houdt, en dat hij schade dreigt te lijden tenzij deze zaak ter bewaring overgedragen wordt, heeft het recht om van de rechter sekwestratie van deze zaak te verkrijgen.
    2 In gelijksoortige omstandigheden kan hij verkrijgen dat aan iemand de uitoefening van een recht ontzegd wordt.

    Can. 1497 - 1 Ook ter veiligstelling van een schuldvordering is sekwestratie van een zaak
    toegelaten, mits het recht van de schuldeiser voldoende vaststaat.
    2 De sekwestratie kan ook uitgebreid worden tot zaken van de schuldenaar, die op gelijk welke titel bij andere personen aangetroffen worden, en tot de schuldvorderingen van de schuldenaar.

    Can. 1498 - Een beslissing tot sekwestratie van een zaak en tot het ontzeggen van de uitoefening van een recht kan volstrekt niet genomen worden, indien de schade die men vreest op een andere wijze hersteld kan worden en indien een voldoende waarborg tot schadeloosstelling geboden wordt.

    Can. 1499 - De rechter kan aan degene aan wie hij de sekwestratie van een zaak verleent of het ontzeggen van de uitoefening van een recht, een voorafgaande waarborg opleggen om, indien deze zijn recht niet bewijst, de schade te vergoeden.

    Can. 1500 - Wat de aard en de rechtskracht van een bezitsvordering betreft, dienen de voorschriften in acht genomen te worden van het burgerlijk recht van de plaats waar het voorwerp van de bezitsvordering zich bevindt.


    Boek VII Deel II Contentieus geding 1501-1670

    Boek VII Deel II Afdeling I Gewoon contentieus geding 1501-1655

    Titel I Inleiding van de zaak 1501-1512

    Hoofdstuk I Inleidend verzoekschrift van het geschil

    Can. 1501 - Een rechter kan geen enkele zaak behandelen, tenzij een aanvraag in overeenstemming met de canones ingediend is door degene die er belang bij heeft, of door de promotor van het recht.

    Can. 1502 - Wie iemand wil dagen, moet bij de bevoegde rechter een verzoekschrift indienen, waarin het voorwerp van het geschil voorgelegd wordt, en de diensten van de rechter ingeroepen.

    Can. 1503 - 1 De rechter kan een mondelinge aanvraag toestaan, telkens wanneer ofwel de eiser verhinderd is een verzoekschrift in te dienen ofwel de zaak gemakkelijk te onderzoeken is en van minder belang.
    2 In beide gevallen echter dient de rechter de notarius op te dragen een schriftelijke akte op te maken, die aan de eiser voorgelezen moet worden en door hem goedgekeurd, en die voor alle rechtsgevolgen in de plaats treedt van een door de eiser geschreven verzoekschrift.

    Can. 1504 - Het verzoekschrift, waardoor het geschil ingeleid wordt, moet:
    1. uitdrukken voor welke rechter de zaak ingeleid wordt, wat geist wordt en van wie het geist wordt;
    2. aangeven op welk recht de eiser steunt en tenminste in het algemeen op welke feiten en bewijzen, om datgene te verkrijgen wat hij beweert;
    3. door de eiser of door diens procurator ondertekend worden, met vermelding van dag, maand en jaar, alsook van de plaats waar de eiser of diens procurator wonen, of gezegd hebben met het oog op het ontvangen van de akten te verblijven;
    4. het domicilie of quasi-domicilie van de gedaagde partij aangeven.

    Can. 1505 - 1 De enige rechter in de zaak of de voorzitter van de collegiale rechtbank moeten, nadat zij bevonden hebben zowel dat de zaak tot hun bevoegdheid behoort als dat de eiser wettig niet onbekwaam is om een geding te voeren, bij decreet zo spoedig mogelijk het verzoekschrift of aanvaarden of verwerpen.
    2 Het verzoekschrift kan alleen verworpen worden:
    1. indien de rechter of de rechtbank onbevoegd is;
    2. indien het zonder twijfel vaststaat dat de eiser wettig onbekwaam is om een geding te voeren;
    3. indien de voorschriften van can. 1504, nrs.1-3 niet in acht genomen zijn;
    4. indien met zekerheid uit het verzoekschrift zelf blijkt dat de aanvraag elke grond mist en geen mogelijkheid bestaat dat enige grond uit het proces te voorschijn komt.
    3 Indien het verzoekschrift verworpen is omwille van gebreken die hersteld kunnen worden, kan de eiser een op de voorgeschreven wijze opgesteld nieuw verzoekschrift bij dezelfde rechter andermaal indienen.
    4 Tegen de verwerping van een verzoekschrift komt het een partij steeds onverminderd toe binnen de nuttige tijd van tien dagen een met reden omkleed beroep in te stellen ofwel bij de rechtbank van beroep ofwel bij het college, indien het verzoekschrift door de voorzitter verworpen is; de vraag van de verwerping moet wel zo spoedig mogelijk beslecht worden.

    Can. 1506 - Indien de rechter binnen een maand vanaf het indienen van het verzoekschrift geen decreet uitgevaardigd heeft waardoor hij het verzoekschrift volgens can. 1505 aanvaardt of verwerpt, kan de partij die er belang bij heeft, aandringen dat de rechter zijn taak vervult; indien de rechter niettemin het zwijgen bewaart, dient, na het ongebruikt verstrijken van tien dagen sedert het aandringen, het verzoekschrift als aanvaard beschouwd te worden.

    Hoofdstuk II - Dagvaarding en kennisgeving van de gerechtelijke akten 1507-1512

    Can. 1507 - 1 In het decreet waardoor het verzoekschrift van de eiser aanvaard wordt, moet de rechter of de voorzitter de overige partijen in het geding roepen ofwel dagvaarden om het geschil vast te leggen, hierbij bepalend of ze schriftelijk moeten antwoorden of voor hemzelf moeten verschijnen voor het aflijnen van de geschilpunten. Indien hij echter uit de
    schriftelijke antwoorden de noodzaak afleidt om de partijen op te roepen, kan hij dit door een nieuw decreet bepalen.
    2 Indien het verzoekschrift als aanvaard beschouwd wordt volgens can. 1506, moet het decreet van dagvaarding in het geding uitgevaardigd worden binnen twintig dagen na het aandringen waarover in die canon.
    3 Indien echter de partijen in geschil feitelijk voor de rechter verschijnen ter behandeling van hun zaak, is een dagvaarding niet nodig, maar dient de secretaris in de akten te vermelden dat de partijen in het geding aanwezig geweest zijn.

    Can. 1508 - 1 Het decreet van dagvaarding in het geding moet onmiddellijk aan de gedaagde partij ter kennis gebracht worden, en tegelijk aan de overigen die moeten verschijnen, bekend gemaakt worden.
    2 Het inleidend verzoekschrift van het geschil dient bij de dagvaarding gevoegd te worden, tenzij de rechter op grond van ernstige redenen meent dat het verzoekschrift niet bekend gemaakt moet worden aan een partij, voordat deze haar verklaringen in het geding afgelegd heeft.
    3 Indien het geschil gericht is tegen iemand die niet over de vrije uitoefening van zijn rechten beschikt of over het vrije beheer van de goederen waarover getwist wordt, moet, naargelang van het geval, de dagvaarding ter kennis gebracht worden van de voogd, de curator, de bijzondere procurator, of van degene die volgens het recht ertoe gehouden is in diens naam het geding op zich te nemen.

    Can. 1509 - 1 De mededeling van de dagvaardingen, decreten, vonnissen en andere gerechtelijke akten moet per post geschieden of op een andere wijze die zeer veilig is, met inachtneming van de normen door de particuliere wet bepaald.
    2 Het feit en de wijze van mededeling moet in de akten vastgelegd zijn.

    Can.1510 - De gedaagde die het document van dagvaarding weigert te ontvangen, of die verhindert dat de dagvaarding hem bereikt, dient als wettig gedagvaard beschouwd te worden.

    Can. 1511 - Indien de dagvaarding niet wettig betekend is, zijn de akten van het proces nietig, behoudens het voorschrift van can. 1507, 3.

    Can. 1512 - Wanneer de dagvaarding wettig betekend is of de partijen voor de rechter verschenen zijn om de zaak te behandelen:
    1. houdt de zaak op in de oorspronkelijke toestand te zijn;
    2. wordt de zaak een zaak van die, overigens bevoegde, rechter of rechtbank, bij welke de vordering ingesteld is;
    3. wordt de rechterlijke macht van een gedelegeerde rechter zo bevestigd dat zij niet wegvalt door het ophouden van het recht van de delegerende;
    4. wordt de verjaring onderbroken tenzij iets anders voorzien is;
    5. wordt het geschil hangende; en geldt bijgevolg onmiddellijk het principe "hangende het geschil mag niets veranderd worden".

    Boek VII Deel II Afdeling I Titel II Vastleggen van het geschil 1513-1516

    Can. 1513 - 1 Het vastleggen van het geschil geschiedt wanneer door een decreet van de rechter de grenzen van de betwisting, afgeleid uit de aanvragen en de antwoorden van de partijen, bepaald worden.
    2 De aanvragen en de antwoorden van de partijen kunnen, behalve in het inleidend verzoekschrift, uitgedrukt worden ofwel in het antwoord op de dagvaarding ofwel in verklaringen mondeling voor de rechter afgelegd; in meer ingewikkelde zaken echter moeten de partijen door de rechter opgeroepen worden voor het aflijnen van het geschilpunt of van de geschilpunten waarop in het vonnis geantwoord moet worden.
    3 Het decreet van de rechter moet aan de partijen betekend worden; deze kunnen zich, tenzij zij reeds ingestemd hebben, binnen tien dagen tot dezelfde rechter wenden om het te veranderen; de vraag moet wel zo spoedig mogelijk door een decreet van deze rechter beslecht worden.

    Can. 1514 - De eenmaal bepaalde grenzen van het geschil kunnen niet geldig veranderd worden tenzij door een nieuw decreet, om een ernstige reden, op verzoek van een partij, en nadat de overige partijen gehoord en hun argumenten overwogen zijn.

    Can. 1515 - Na het vastleggen van het geschil houdt de bezitter van de zaak van een ander op te goeder trouw te zijn; bijgevolg moet hij, indien hij tot de teruggave van de zaak veroordeeld wordt, ook de vruchten vanaf de dag van het vastleggen van het geschil teruggeven en de schade vergoeden.

    Can. 1516 - Na het vastleggen van het geschil dient de rechter voor de partijen een passende tijd vast te stellen om de bewijzen voor te leggen en te vervolledigen.

    Boek VII Deel II Afdeling I Titel III Geschil in behandeling 1517-1525

    Can. 1517 - De behandeling vangt aan door de dagvaarding; zij eindigt echter niet alleen door de uitspraak van het eindvonnis, maar ook op andere door het recht vooraf bepaalde wijzen.

    Can. 1518 - Indien een partij in geschil sterft of van staat verandert of het ambt verlaat op grond waarvan zij optreedt:
    1. wordt, wanneer de afsluiting van het onderzoek in de zaak nog niet plaatsgevonden heeft, de behandeling opgeschort totdat de erfgenaam van de overledene of de opvolger of hij die er belang bij heeft, het geschil heropneemt;
    2. moet, wanneer de afsluiting van het onderzoek in de zaak plaatsgevonden heeft, de rechter verder gaan met het proces, met dagvaarding van de eventuele procurator, of anders van de erfgenaam van de overledene of van de opvolger.

    Can. 1519 - 1 Indien de voogd of de curator of de procurator, die volgens can. 1481, 1 en 3 noodzakelijk is, ophoudt met zijn zaak, wordt ondertussen de behandeling opgeschort.
    2 De rechter dient echter zo spoedig mogelijk een andere voogd of curator aan te stellen; een procurator voor het geschil echter kan hij aanstellen, indien de partij dit nagelaten heeft binnen een korte, door deze rechter bepaalde termijn.

    Can. 1520 - Indien, zonder dat enig beletsel in de weg staat, gedurende zes maanden geen enkele proceshandeling door de partijen gesteld wordt, vervalt de behandeling. Een particuliere wet kan andere peremptoire termijnen bepalen.

    Can. 1521 - Het verval bestaat van rechtswege en ten aanzien van allen, ook minderjarigen of anderen met minderjarigen gelijkgesteld, en moet tevens van ambtswege verklaard worden, behoudens het recht om schadevergoeding te eisen van de voogden, curatoren, beheerders en procuratoren, die niet bewezen hebben vrij te zijn van schuld.

    Can. 1522 - Het verval doet de akten van het proces tenietgaan, niet echter de akten van de zaak; integendeel, deze kunnen ook in een andere behandeling gelden, mits de zaak tussen dezelfde personen en over dezelfde aangelegenheid gaat; maar wat derden betreft, hebben zij geen andere waarde dan die van documenten.

    Can. 1523 - Elk van de partijen in geschil dient zelf de kosten van het vervallen geding te dragen, die zij gemaakt heeft.

    Can. 1524 - 1 In elke staat en graad van het geding kan de eiser aan de behandeling verzaken; eveneens kunnen zowel de eiser als de gedaagde partij hetzij aan alle hetzij slechts aan enkele handelingen van het proces verzaken.
    2 Voogden en beheerders van rechtspersonen behoeven, om te kunnen verzaken aan een behandeling, de raad of de toestemming van hen wier bijstand vereist is om de handelingen te stellen die de grenzen van gewoon beheer te buiten gaan.
    3 Een verzaking moet, om geldig te zijn, schriftelijk geschieden en door de partij of door haar procurator, voorzien evenwel van een bijzonder mandaat, ondertekend worden, meegedeeld aan de andere partij, door deze aanvaard of althans niet bestreden, en door de rechter toegestaan.

    Can. 1525 - De door de rechter toegestane verzaking heeft voor de handelingen waaraan verzaakt is, dezelfde gevolgen als het verval van de behandeling en verplicht eveneens degene die verzaakt, om de kosten van de handelingen waaraan verzaakt is, te vergoeden.

    Boek VII Deel II Afdeling I Titel IV Bewijzen 1526-1586

    Can. 1526 - 1 De bewijslast rust op hem die een bewering doet.
    2 Geen bewijs behoeven:
    1. hetgeen door de wet zelf gepresumeerd wordt;
    2. feiten door een van de strijdende partijen beweerd en door de andere aanvaard, tenzij het bewijs door het recht of door de rechter niettemin geist wordt.

    Can. 1527 - 1 Bewijzen van welke aard ook die voor de behandeling van de zaak nuttig lijken en geoorloofd zijn, kunnen aangevoerd worden.
    2 Indien een partij erop aandringt dat een door de rechter verworpen bewijs toegelaten wordt, dient de rechter zelf de zaak ten spoedigste te beslechten.

    Can. 1528 - Indien een partij of een getuige weigert te verschijnen voor de rechter verklaringen af te leggen, is het toegelaten hen ook door een door de rechter aangewezen leek te horen of hun verklaring ten overstaan van een publieke notarius of op welke andere wettige wijze ook te verkrijgen.

    Can. 1529 - De rechter mag niet overgaan tot het verzamelen van de bewijzen vr het vastleggen van het geschil, tenzij om een ernstige reden.

    Hoofdstuk I Verklaringen van de partijen 1530-1538

    Can. 1530 - Om de waarheid beter te achterhalen kan de rechter de partijen steeds ondervragen, en moet dit zelfs doen op verzoek van een partij of om een feit te bewijzen waarvan het publiek belang vraagt dat elke twijfel weggenomen wordt.

    Can. 1531 - 1 Een wettig ondervraagde partij moet antwoorden en volledig de waarheid zeggen.
    2 Indien zij geweigerd heeft te antwoorden, komt het aan de rechter toe te beoordelen wat hieruit voor het bewijs van de feiten afgeleid kan worden.

    Can. 1532 - In gevallen waarbij het publiek belang in het geding is, dient de rechter de partijen op te dragen de eed af te leggen om de waarheid te spreken of ten minste de eed de waarheid gesproken te hebben, tenzij een ernstige reden iets anders raadzaam maakt; in andere gevallen kan hij dit, volgens zijn wijs oordeel.

    Can. 1533 - De partijen, de promotor van het recht en de verdediger van de band kunnen bij de rechter punten indienen waarover een partij ondervraagd dient te worden.

    Can. 1534 - Betreffende de ondervraging van de partijen dient, met de nodige aanpassing, in acht genomen te worden wat in de canones 1548, 2, nr.1, 1552 en 1558-1565 over de getuigen bepaald wordt.

    Can. 1535 - Een bewering omtrent een feit, schriftelijk of mondeling, ten overstaan van de bevoegde rechter, door een partij met betrekking tot de materie zelf van het geding tegen zichzelf uitgebracht, hetzij uit eigen beweging hetzij bij de ondervraging door de rechter, is een gerechtelijke bekentenis.

    Can. 1536 - 1 De gerechtelijke bekentenis van n partij ontslaat, indien het over een private aangelegenheid gaat en het publiek belang niet in het geding is, de overige partijen van de bewijslast.
    2 In zaken echter die het publiek belang betreffen, kunnen een gerechtelijke bekentenis en de verklaringen van partijen die geen bekentenis zijn, bewijskracht bezitten, die door de rechter samen met de overige omstandigheden van de zaak beoordeeld moet worden, maar de kracht van volledig bewijs kan er niet aan toegekend worden tenzij andere elementen erbij komen die deze volledig ondersteunen.

    Can. 1537 - Met betrekking tot een buitengerechtelijke bekentenis in het geding ingebracht, komt het de rechter toe, na afweging van alle omstandigheden, te beoordelen welk gewicht eraan gegeven moet worden.

    Can. 1538 - Een bekentenis of elke andere verklaring van een partij mist elke kracht, indien het vaststaat dat zij naar voren gebracht is op grond van dwaling omtrent een feit, of dat zij afgeperst is onder dwang of zware vrees.

    Hoofdstuk II - Bewijs door documenten 1539-1546

    Can. 1539 - In elk soort geding is bewijs toegestaan door documenten, zowel publieke als private.

    Art. 1 - Aard en betrouwbaarheid van documenten 1540-1543

    Can. 1540 - 1 Kerkelijke publieke documenten zijn die welke een publiek persoon in de uitoefening van zijn taak in de Kerk opgesteld heeft, met inachtneming van de door het recht voorgeschreven vormvereisten.
    2 Burgerlijke publieke documenten zijn die welke volgens de wetten van elke plaats als zodanig door het recht beschouwd worden.
    3 De overige documenten zijn privaat.

    Can. 1541 - Tenzij op grond van tegengestelde en klaarblijkelijke argumenten iets anders bewezen wordt, waarborgen publieke documenten de betrouwbaarheid van alles wat rechtstreeks en in hoofdzaak erin beweerd wordt.

    Can. 1542 - Een privaat document, hetzij door een partij erkend hetzij door de rechter aanvaard, heeft tegen de opsteller of ondertekenaar en tegen hen die door dezen in geding komen, dezelfde bewijskracht als een bekentenis buiten het geding afgelegd; tegen derden heeft het dezelfde kracht als de verklaringen van partijen die geen bekentenis zijn, volgens can. 1536, 2.

    Can. 1543 - Indien aangetoond wordt dat in documenten geschrapt is, dat er verbeteringen of inlassingen aangebracht zijn of dat zij door een ander gebrek aangetast zijn, komt het de rechter toe te beoordelen of er gewicht aan toegekend moet worden en hoeveel.

    Art. 2 - Inbrengen van documenten 1544-1546

    Can. 1544 - Documenten hebben geen bewijskracht in het geding, tenzij het originele zijn of in een authentieke kopie ingediend en bij de kanselarij van de rechtbank neergelegd, opdat zij door de rechter en de tegenpartij onderzocht kunnen worden.

    Can. 1545 - De rechter kan voorschrijven dat een document, gemeenschappelijk aan elk van beide partijen, in het proces ingediend wordt.

    Can. 1546 - 1 Niemand is ertoe gehouden documenten in te dienen, ook al zijn ze gemeenschappelijk, die niet meegedeeld kunnen worden zonder gevaar voor schade volgens can. 1548, 2, nr.2, of zonder gevaar voor schending van een te bewaren geheim.
    2 Maar indien althans een gedeelte van het document overgeschreven kan worden en in kopie zonder de vermelde nadelen ingediend, kan de rechter beslissen dat dit ingebracht wordt.

    Hoofdstuk III Getuigen en getuigenverklaringen 1547-1573

    Can. 1547 - Bewijs door getuigen is in elke zaak toegelaten, onder leiding van de rechter.

    Can. 1548 - 1 Getuigen moeten bij wettige ondervraging door de rechter de waarheid zeggen.
    2 Behoudens het voorschrift van can. 1550, 2, nr.2, zijn van de verplichting te antwoorden vrijgesteld:
    1. clerici, betreffende datgene wat hun op grond van hun heilig dienstwerk meegedeeld is; burgerlijke overheidspersonen, geneesheren, vroedvrouwen, advocaten, notarii en anderen die, zelfs wegens het geven van raad, tot beroepsgeheim gehouden zijn, betreffende de aangelegenheden die onder dit geheim vallen;
    2. zij die vrezen dat uit hun getuigenis hunzelf of hun echtgenoot of hun naaste bloed- of aanverwanten een slechte naam, gevaarlijke mishandelingen of een ander ernstig kwaad ten deel zullen vallen.

    Art. 1 - Wie getuigen kunnen zijn 1549-1550

    Can. 1549 - Allen kunnen getuigen zijn, tenzij zij uitdrukkelijk door het recht ofwel geheel ofwel gedeeltelijk uitgesloten worden.

    Can. 1550 - 1 Tot het afleggen van een getuigenis mogen niet toegelaten worden minderjarigen jonger dan veertien jaar en zwakzinnigen; zij kunnen echter gehoord worden op grond van een decreet van de rechter waarin verklaard wordt dat dit wenselijk is.
    2 Als onbekwaam worden beschouwd:
    1. zij die partij zijn in de zaak, of in naam van partijen in het geding optreden, de rechter of zijn medewerkers, de advocaten en anderen die partijen in dezelfde zaak bijstaan of bijgestaan hebben;
    2. priesters, betreffende alles wat hun ter kennis gekomen is door een sacramentele belijdenis, al heeft de penitent de mededeling ervan gevraagd; ook datgene wat door wie en op welke wijze ook bij gelegenheid van een belijdenis gehoord is, kan zelfs niet als aanwijzing voor de waarheid aangenomen worden.

    Art. 2 - Voordragen en uitsluiten van getuigen 1551-1557

    Can. 1551 - Een partij die een getuige voorgedragen heeft, kan van diens verhoor afzien, maar de tegenpartij kan vragen dat de getuige niettemin verhoord wordt.

    Can. 1552 - 1 Wanneer bewijs door getuigen gevraagd wordt, dienen hun naam en domicilie aan de rechtbank meegedeeld te worden.
    2 Binnen de door de rechter vooraf vastgestelde termijn dienen de punten van de bewijsvoering ingediend te worden waarover de ondervraging van de getuigen aangevraagd wordt; zo niet, dient de aanvraag als opgegeven beschouwd te worden.

    Can. 1553 - Het komt de rechter toe een te groot aantal getuigen in te perken.

    Can. 1554 - Voordat de getuigen verhoord worden, dienen hun namen aan de partijen meegedeeld te worden; indien dit echter naar wijs oordeel van de rechter niet zonder ernstige moeilijkheden kan gebeuren, dient dit tenminste vr de publikatie van de getuigenissen plaats te vinden.

    Can. 1555 - Onverminderd het voorschrift van can. 1550, kan een partij vragen dat een getuige uitgesloten wordt, indien een goede reden tot uitsluiting aangetoond wordt vr het verhoor van de getuige.

    Can. 1556 - De dagvaarding van een getuige gebeurt door een decreet van de rechter, op wettige wijze aan de getuige betekend.

    Can. 1557 - Een getuige die op de voorgeschreven wijze gedagvaard is, dient te verschijnen of aan de rechter de reden van zijn afwezigheid bekend te maken.

    Art. 3 - Verhoor van getuigen 1558-1571

    Can. 1558 - 1 De getuigen moeten verhoord worden in de zetel zelf van de rechtbank, tenzij de rechter iets anders wenselijk lijkt.
    2 Kardinalen, Patriarchen, Bisschoppen en degenen die in het staatsrecht waaronder zij vallen, een soortgelijke gunst genieten, dienen gehoord te worden op de plaats door henzelf gekozen.
    3 De rechter dient te beslissen waar degenen gehoord moeten worden voor wie het wegens afstand, ziekte of een ander beletsel onmogelijk of moeilijk is naar de zetel van de rechtbank te komen, onverminderd de voorschriften van de canones 1418 en 1469, 2.

    Can. 1559 - De partijen kunnen het verhoor van de getuigen niet bijwonen, tenzij de rechter, vooral wanneer de zaak over privaat belang handelt, van oordeel is dat zij toegelaten moeten worden. Hun advocaten of procuratoren echter kunnen het bijwonen, tenzij de rechter van oordeel is dat wegens de omstandigheden van zaken en personen men in het geheim te werk moet gaan.

    Can. 1560 - 1 De getuigen moeten een voor een en afzonderlijk verhoord worden.
    2 Indien de getuigen onderling of met een partij in een ernstige aangelegenheid van mening verschillen, kan de rechter degenen die onderling verschillen, bijeenbrengen of confronteren, met, voor zover mogelijk, vermijding van ruzies en ergernis.

    Can. 1561 - Het verhoor van een getuige gebeurt door de rechter, of door zijn gedelegeerde ofwel onderzoeksrechter, bij wie een notarius moet assisteren; bijgevolg dienen de partijen of de promotor van het recht, of de verdediger van de band, of de advocaten die bij het verhoor aanwezig zijn, indien zij andere vragen aan de getuige te stellen hebben, ze niet aan de getuige, maar aan de rechter of diens plaatsvervanger voor te leggen, opdat deze ze zelf stelt, tenzij een particuliere wet anders voorziet.

    Can. 1562 - 1 De rechter dient de getuige de zware verplichting in herinnering te brengen de gehele waarheid te spreken en alleen de waarheid.
    2 De rechter dient de getuige op te dragen de eed volgens can. 1532 af te leggen; indien de getuige echter weigert deze af te leggen, dient hij zonder eed gehoord te worden.

    Can. 1563 - De rechter dient op de eerste plaats de identiteit van de getuige vast te stellen; hij dient te onderzoeken in welke relatie deze tot de partijen staat en, wanneer hij hem specifieke vragen stelt met betrekking tot de zaak, ook de bronnen na te gaan van diens kennis, alsmede wanneer juist hij datgene vernomen heeft wat hij beweert.

    Can. 1564 - De vragen moeten beknopt zijn, aangepast aan het bevattingsvermogen van de te ondervragen persoon, niet tegelijkertijd meerdere punten bevatten, niet misleidend zijn, niet listig, niet het antwoord suggererend, met vermijding van belediging van wie ook, en betrekking hebben op de zaak waarover het gaat.

    Can. 1565 - 1 De vragen mogen niet vooraf aan de getuige meegedeeld worden.
    2 Indien nochtans datgene waarover getuigenis afgelegd moet worden, zo ver uit het geheugen geraakt is dat het niet met zekerheid beweerd kan worden zonder dat het eerst in de herinnering opgeroepen wordt, kan de rechter aan de getuige van te voren enkele gegevens meedelen, indien hij meent dat dit zonder gevaar kan geschieden.

    Can. 1566 - De getuigen dienen hun getuigenis mondeling te geven, en zij mogen geen geschreven tekst aflezen tenzij het over getallen en berekeningen gaat; in dit geval kunnen zij de aantekeningen raadplegen die zij meegebracht hebben.

    Can. 1567 - 1 Het antwoord moet door de notarius onmiddellijk op schrift gesteld worden en de woorden zelf weergeven van het afgelegd getuigenis, ten minste wat datgene betreft wat rechtstreeks op de materie van het geding betrekking heeft.
    2 Het gebruik van een bandopnemer kan toegestaan worden, mits de antwoorden nadien schriftelijk vastgelegd worden en, indien mogelijk, ondertekend worden door hen die de verklaringen afgelegd hebben.

    Can. 1568 - De notarius dient in de akten te vermelden het afleggen van de eed, het vrijstellen of weigeren ervan, de aanwezigheid van partijen en van anderen, de ambtshalve toegevoegde vragen en in het algemeen al wat mogelijk voorgevallen is tijdens de ondervraging van de getuigen en waard om te onthouden te worden.

    Can. 1569 - 1 Op het einde van het verhoor moet aan de getuige voorgelezen worden wat de notarius van zijn verklaringen op schrift gesteld heeft, of moet men hem laten horen wat met de bandopnemer van zijn verklaringen opgenomen is, waarbij aan deze getuige de mogelijkheid gegeven wordt om iets toe te voegen, te schrappen, te verbeteren of te veranderen.
    2 Tenslotte moeten de getuige, de rechter en de notarius de akte ondertekenen.

    Can. 1570 - De getuigen kunnen, ook al zijn ze reeds verhoord, op verzoek van een partij of ambtshalve, voordat de akten of getuigenissen gepubliceerd worden, opnieuw voor verhoor opgeroepen worden, indien de rechter dit nodig of nuttig acht, mits elk gevaar van geheime afspraak of omkoping uitgesloten is.

    Can. 1571 - Aan de getuigen moeten, volgens billijke taxatie van de rechter, terugbetaald worden zowel de kosten die zij gemaakt hebben als de winstderving die zij geleden hebben omwille van het geven van hun getuigenis.

    Art. 4 - Betrouwbaarheid van getuigenissen 1572-1573

    Can. 1572 - Bij het beoordelen van de getuigenissen dient de rechter, indien nodig met het opvragen van geloofwaardigheidsattesten, in overweging te nemen:
    1. welke de situatie is van de persoon, of welke zijn eerbaarheid;
    2. of hij uit eigen kennis, vooral uit eigen zien en horen getuigt, dan wel naar eigen mening, naar geruchten of naar wat hij gehoord heeft van anderen;
    3. of de getuige standvastig is en coherent blijft met zichzelf, dan wel veranderlijk, onzeker of weifelend;
    4. of hij medegetuigen heeft voor zijn getuigenis of dat dit bevestigd wordt door andere elementen van bewijs, of niet.

    Can. 1573 - De verklaringen van n getuige kunnen geen volledige betrouwbaarheid waarborgen, tenzij het gaat over een gekwalificeerde getuige die verklaringen aflegt over zaken die hij ambtshalve verricht heeft, of tenzij de omstandigheden van zaken en personen iets anders raadzaam maken.

    Hoofdstuk IV Deskundigen 1574-1581

    Can. 1574 - Van de hulp van deskundigen moet gebruik gemaakt worden telkens wanneer op voorschrift van het recht of van de rechter hun onderzoek en oordeel, steunend op de regels van hun kunde of wetenschap, vereist zijn om een of ander feit te bewijzen of om de ware aard van een of andere zaak te onderkennen.

    Can. 1575 - Het komt de rechter toe de deskundigen te benoemen, na de partijen gehoord te hebben of op hun voorstel, of, indien het geval zich voordoet, gebruik te maken van verslagen door andere deskundigen reeds opgesteld.

    Can. 1576 - Omwille van dezelfde redenen als een getuige, kunnen ook deskundigen uitgesloten of geweigerd worden.

    Can. 1577 - 1 De rechter dient, rekening houdend met wat de geschilvoerende partijen mogelijk naar voren brengen, in zijn decreet elk punt te bepalen waarover het werk van de deskundige moet handelen.
    2 Aan de deskundige moeten de akten van de zaak en de andere documenten en hulpmiddelen verschaft worden die hij nodig kan hebben om zijn taak op de voorgeschreven wijze en getrouw te vervullen.
    3 De rechter dient, na de deskundige zelf gehoord te hebben, de tijd vast te stellen binnen welke het onderzoek verricht en het verslag ingediend moet worden.

    Can. 1578 - 1 De deskundigen dienen ieder afzonderlijk hun verslag op te stellen, tenzij de rechter beveelt n verslag te maken, door ieder afzonderlijk te ondertekenen; indien dit gebeurt, dienen de verschillen in mening, zo die er waren, zorgvuldig genoteerd te worden.
    2 De deskundigen moeten duidelijk aangeven door welke documenten of op welke andere geschikte wijzen zij op de hoogte gekomen zijn van de identiteit van personen, zaken of plaatsen, langs welke weg en op welke wijze zij te werk gegaan zijn in het vervullen van de hun opgedragen taak, en op welke argumenten voornamelijk hun besluiten steunen.
    3 De deskundige kan door de rechter opgeroepen worden om de toelichting te verschaffen die verder nog noodzakelijk lijken.

    Can. 1579 - 1 De rechter dient niet alleen de besluiten van de deskundigen, ook al zijn deze eensluidend, maar ook de overige aspecten van de zaak nauwkeurig in overweging te nemen.
    2 Bij het motiveren van zijn beslissing moet hij uiteenzetten op grond van welke argumenten hij de besluiten van de deskundigen ofwel aanvaard ofwel verworpen heeft.

    Can. 1580 - Aan de deskundigen moeten kosten en honoraria betaald worden, door de rechter rechtvaardig en billijk te bepalen, met inachtneming van het particulier recht.

    Can. 1581 - 1 De partijen kunnen eigen deskundigen aanduiden, goed te keuren door de rechter.
    2 Deze kunnen, indien de rechter het toelaat, de akten van de zaak, voor zover dit nodig is, inzien, en de uitvoering van het deskundig onderzoek bijwonen; zij kunnen echter steeds hun verslag voorleggen.

    Hoofdstuk V - Bezoek ter plaatse en gerechtelijke vaststelling 1582-1583

    Can. 1582 - Indien de rechter het voor de beslechting van een zaak wenselijk acht een plaats te bezoeken of een zaak in ogenschouw te nemen, dient hij dit vooraf vast te stellen door een decreet waarin hij, na de partijen gehoord te hebben, summier datgene beschrijft wat bij het bezoek ter plaatse verricht moet worden.

    Can. 1583 - Van het verrichten van de vaststelling dient proces-verbaal opgemaakt te worden.

    Hoofdstuk VI Presumpties 1584-1586

    Can. 1584 - Een presumptie is een op waarschijnlijkheid berustend vermoeden betreffende een zaak die niet zeker is; in het ene geval is dit een vermoeden van rechtswege dat door de wet zelf bepaald wordt; in het andere geval een persoonlijk vermoeden dat door de rechter gesteld wordt.

    Can. 1585 - Wie een presumptie van rechtswege te zijnen gunste heeft, wordt bevrijd van de bewijslast die dan de tegenpartij toevalt.

    Can. 1586 - Presumpties die niet door het recht bepaald worden, mag de rechter niet stellen, tenzij op grond van een zeker en welomschreven feit dat rechtstreeks verband houdt met datgene waarover het geschil handelt.

    Boek VII Deel II Afdeling I Titel V Incidentele zaken 1587-1597

    Can. 1587 - Een incidentele zaak doet zich voor, telkens wanneer na de aanvang van het geding door dagvaarding, een vraag voorgelegd wordt die, ook al is zij niet uitdrukkelijk vervat in het verzoekschrift waardoor het geschil ingeleid wordt, niettemin zozeer in verband staat met de zaak dat zij meestal vr de hoofdvraag opgelost moet worden.

    Can. 1588 - Een incidentele zaak wordt schriftelijk of mondeling, met vermelding van de samenhang die tussen de incidentele zaak zelf en de hoofdzaak bestaat, aanhangig gemaakt bij de rechter, bevoegd om de hoofdzaak te beslechten.

    Can. 1589 - 1 De rechter dient, na het ontvangen van het verzoek en na de partijen gehoord te hebben, ten spoedigste te beslissen of de voorgelegde incidentele vraag gegrond lijkt en verband lijkt te houden met het hoofdgeding, dan wel of zij van een dergelijk gewicht is dat zij door een tussenvonnis opgelost moet worden of door een decreet.
    2 Indien hij echter oordeel dat de incidentele vraag niet opgelost moet worden vr het eindvonnis, dient hij te beslissen dat er rekening mee gehouden wordt wanneer de hoofdzaak beslecht wordt.

    Can. 1590 - 1 Indien de incidentele vraag opgelost moet worden bij vonnis, dienen de normen met betrekking tot het mondeling contentieus proces in acht genomen te worden, tenzij voor de rechter, rekening houdend met de ernst van de zaak, iets anders verkieslijk lijkt.
    2 Indien zij echter opgelost moet worden bij decreet, kan de rechtbank de zaak aan een onderzoeksrechter of aan de voorzitter toevertrouwen.

    Can. 1591 - Voordat de hoofdzaak beindigd wordt, kan de rechter of de rechtbank, als er een goede reden toe bestaat, het decreet of het tussenvonnis herroepen of herzien, hetzij op verzoek van een partij hetzij van ambtswege, na de partijen gehoord te hebben.

    Hoofdstuk I - Niet-verschijnen van partijen 1592-1595

    Can. 1592 - 1 Indien de gedagvaarde gedaagde partij niet verschenen is, noch een voldoende verontschuldiging voor haar afwezigheid ingebracht heeft, of niet geantwoord heeft volgens can. 1507, 1, dient de rechter haar afwezig bij het geding te verklaren en te beslissen dat de zaak, met inachtneming van de voorschriften, verder dient te gaan tot aan het eindvonnis en de uitvoering ervan.
    2 Voordat het decreet waarover in 1, uitgevaardigd worden, moet vaststaan, zelfs met een nieuwe dagvaarding indien het nodig is, dat de wettig verrichte dagvaarding binnen de nuttige tijd de gedaagde partij bereikt heeft.

    Can. 1593 - 1 Indien de gedaagde partij zich nadien in het geding aanbiedt, of antwoord gegeven heeft vr de beslechting van de zaak, kan zij conclusies en bewijzen inbrengen, onverminderd het voorschrift van can. 1600; de rechter dient echter te waken dat het geding niet met opzet al te lang en onnodige gerekt wordt.
    2 Ook indien zij niet verschenen is of geen antwoord gegeven heeft vr de beslechting van de zaak, kan zij gebruik maken van de middelen om een vonnis te bestrijden; indien zij echter bewijst dat zij verhinderd was door een wettig beletsel dat zij buiten haar schuld niet vroeger heeft kunnen aantonen, kan zij gebruik maken van de klacht van nietigheid.

    Can. 1594 - Indien de eiser op de dag en het uur, vooraf bepaald voor het vastleggen van het geschil, noch verschenen is noch een voldoende verontschuldiging ingebracht heeft:
    1. dient de rechter hem opnieuw te dagvaarden;
    2. wordt, indien de eiser aan de nieuwe dagvaarding geen gevolg gegeven heeft, gepresumeerd dat hij afgezien heeft van de instantie volgens de canones 1524-1525;
    3. dient, indien hij zich echter nadien met het proces wil inlaten, can. 1593 in acht genomen te worden.

    Can. 1595 - 1 De partij afwezig bij het geding, hetzij de eiser hetzij de gedaagde partij, die
    geen rechtmatig beletsel aangetoond heeft, is aan de verplichting gehouden zowel de proceskosten te betalen die wegens haar afwezigheid gemaakt zijn, alsook indien het nodig is, schadeloosstelling te verlenen aan de andere partij.
    2 Indien zowel de eiser als de gedaagde partij afwezig waren bij het geding, zijn zij zelf hoofdelijk gehouden aan de verplichting de proceskosten te betalen.

    Hoofdstuk II - Tussenkomst van een derde in de zaak 1596-1597

    Can. 1596 - 1 Hij die er belang bij heeft, kan toegelaten worden om tussen te komen in een zaak, in gelijk welke instantie van het geschil, hetzij als partij die een eigen recht verdedigt, hetzij als bijkomend om een partij in het geschil bij te staan.
    2 Om echter toegelaten te worden, moet hij vr de afsluiting van het onderzoek in de zaak aan de rechter een verzoekschrift voorleggen, waarin hij zijn recht om tussen te komen beknopt aantoont.
    3 Wie tussenkomt in een zaak, moet erin toegelaten worden in de stand waarin deze zich bevindt, waarbij hem een korte en peremptoire termijn toegekend wordt om zijn bewijzen voor te leggen, indien de zaak in de fase van de bewijsvoering gekomen is.

    Can. 1597 - De rechter moet een derde wiens tussenkomst noodzakelijk lijkt, oproepen in het geding, na de partijen gehoord te hebben.

    Boek VII Deel II Afdeling I Titel VI Publikatie van de akten, afsluiting van het onderzoek in de zaak en bespreking van de zaak 1598-1606

    Can. 1598 - 1 Nadat de bewijzen verzameld zijn, moet de rechter, op straffe van nietigheid, bij decreet aan de partijen en hun advocaten toestaan om de akten die zij nog niet kennen, op de kanselarij van de rechtbank in te zien; bovendien kan ook aan de advocaten die dit vragen, een exemplaar van deze akten overhandigd worden; maar in zaken met betrekking tot het publiek belang kan de rechter, om zeer ernstige gevaren te vermijden, beslissen dat een of andere akte aan niemand ter kennis gebracht wordt, waarbij hij echter erover moet waken dat het recht van verdediging steeds onaangetast blijft.
    2 Om de bewijzen te vervolledigen kunnen de partijen nog andere aan de rechter voorleggen; nadat deze verzameld zijn, wordt, indien de rechter het noodzakelijk oordeelt, opnieuw een decreet waarover in 1, uitgevaardigd.

    Can. 1599 - 1 Nadat alles vervuld is wat tot de bewijsvoering behoort, komt men aan de afsluiting van het onderzoek in de zaak.
    2 Deze afsluiting van het onderzoek vindt plaats telkens wanneer ofwel de partijen verklaren dat zij niets anders meer aan te voeren hebben, ofwel de door de rechter vastgestelde nuttige tijd om bewijzen in te dienen, verstreken is, ofwel de rechter verklaart dat hij de zaak als voldoende genstrueerd beschouwt.
    3 Over het verrichten van de afsluiting van het onderzoek in de zaak, op welke wijze deze ook geschied is, dient de rechter een decreet uit te vaardigen.

    Can. 1600 - 1 Na de afsluiting van het onderzoek in de zaak kan de rechter dezelfde of andere getuigen nog oproepen, of om andere bewijzen vragen waar voordien niet om gevraagd werd, maar slechts:
    1. in zaken waarin het alleen over het privaat belang van de partijen gaat, indien alle partijen toestemmen;
    2. in de overige zaken, nadat de partijen gehoord zijn en mits een ernstige reden voorhanden is en eveneens elk gevaar voor bedrog of heimelijke benvloeding vermeden wordt;
    3. in alle zaken, telkens wanneer het waarschijnlijk is dat, tenzij een nieuw bewijs aanvaard wordt, het vonnis onrechtvaardig zal zijn op grond van de redenen waarover in can. 1645, 2, nrs.1-3.
    2 De rechter kan echter bevelen of aanvaarden dat een document voorgelegd wordt, dat eventueel voordien zonder schuld van de belanghebbende niet voorgelegd kon worden.
    3 De nieuwe bewijzen dienen gepubliceerd te worden, met inachtneming van can. 1598, 1.

    Can. 1601 - Nadat de afsluiting van het onderzoek in de zaak gebeurd is, dient de rechter een passende termijn te bepalen om de verdedigingen of bemerkingen voor te leggen.

    Can. 1602 - 1 De verdedigingen en bemerkingen dienen geschreven te zijn, tenzij de rechter met toestemming van de partijen een debat voor de rechtbank in zitting voldoende acht.
    2 Indien de verdedigingen samen met de voornaamste documenten gedrukt worden, is daartoe voorafgaand verlof van de rechter vereist, met behoud van de verplichting van geheimhouding, indien deze bestaat.
    3 Met betrekking tot de omvang van de verdedigingen, het aantal exemplaren en andere aangelegenheden van die aard, dient het reglement van de rechtbank in acht genomen te worden.

    Can. 1603 - 1 Na het wederzijds meedelen van de verdedigingen en bemerkingen, is het elke partij toegestaan binnen een beperkte, door de rechter vastgestelde tijd antwoorden naar voren te brengen.
    2 Dit recht komt de partijen slecht eenmaal toe, tenzij het de rechter om een ernstige reden verkieslijk lijkt dit andermaal toe te kennen; dan echter dient de toekenning aan n partij gedaan, geacht te worden ook aan de andere gedaan te zijn.
    3 De promotor van het recht en de verdediger van de band hebben het recht om opnieuw repliek te geven op de antwoorden van de partijen.

    Can. 1604 - 1 Absoluut verboden zijn inlichtingen van de partijen of van de advocaten of ook van anderen, aan de rechter gegeven, die buiten de akten van de zaak blijven.
    2 Indien de bespreking van de zaak schriftelijk gebeurd is, kan de rechter bepalen dat een beperkt debat mondeling plaats vindt voor de rechtbank in zitting, om sommige vragen toe te lichten.

    Can. 1605 - Bij het mondeling debat waarover in de canones 1602, 1 en 1604, 2 dient een notarius aanwezig te zijn om, indien de rechter het voorschrijft of een partij het verzoekt en de rechter erin toestemt, de discussies en gevolgtrekkingen onmiddellijk op schrift te kunnen stellen.

    Can. 1606 - Indien de partijen nagelaten hebben binnen de nuttige tijd hun verdediging klaar te maken, of indien zij zich verlaten op het inzicht en het geweten van de rechter, kan de rechter, indien hij op grond van de akten en bewijzen de zaak ten volle doorziet, onmiddellijk het vonnis uitspreken, waarbij echter de bemerkingen van de promotor van het recht en van de verdediger van de band vereist zijn, indien zij in het geding optreden.

    Boek VII Deel II Afdeling I Titel VII Rechterlijke uitspraken 1607-1618

    Can. 1607 - Nadat een zaak op gerechtelijke wijze behandeld is, wordt zij, indien zij de hoofdzaak is, door de rechter bij middel van een eindvonnis beslecht; indien zij incidenteel is, bij middel van een tussenvonnis, onverminderd het voorschrift van can. 1589, 1.

    Can. 1608 - 1 Tot het uitspreken van gelijk welk vonnis is bij de rechter morele zekerheid vereist betreffende de zaak die door het vonnis beslecht moet worden.
    2 De rechter moet deze zekerheid putten uit de akten en bewijzen.
    3 De rechter moet echter de bewijzen volgens zijn geweten beoordelen, onverminderd de voorschriften van de wet aangaande de kracht van sommige bewijzen.
    4 De rechter die deze zekerheid niet heeft kunnen verwerven, dient uit te spreken dat het recht van de eiser niet vaststaat, en hij dient de gedaagde bij vrijspraak te laten gaan, tenzij het een zaak betreft die rechtsgunst geniet, in welk geval ten gunste hiervan een uitspraak gedaan moet worden.

    Can. 1609 - 1 In een collegiale rechtbank dient de voorzitter van het college te bepalen op welke dag en welk uur de rechters bij elkaar komen om te beraadslagen, en deze bijeenkomst dient, tenzij een bijzondere reden iets anders wenselijk maakt, plaats te vinden waar de rechtbank zelf haar zetel heeft.
    2 Op de dag voor de bijeenkomst vastgesteld, dienen alle rechters afzonderlijk schriftelijk hun besluiten met betrekking tot de grond van de zaak in te brengen, alsook de redenen zowel in rechte als in feite, op grond waarvan zij tot hun besluit gekomen zijn; deze besluiten dienen bij de akten van de zaak gevoegd te worden en geheim gehouden.
    3 Na het aanroepen van de naam van God, en na het in volgorde van voorrang inbrengen van de besluiten van ieder afzonderlijk, maar niettemin zo dat steeds met de ponens in de zaak ofwel referent begonnen wordt, dient onder leiding van de voorzitter van de rechtbank een bespreking plaats te vinden, vooral om vast te leggen wat bepaald moet worden in het beschikkend gedeelte van het vonnis.
    4 In de bespreking is het echter aan eenieder toegestaan van zijn vorig besluit af te zien. Maar de rechter die zich niet bij de beslissing van de anderen heeft willen aansluiten, kan eisen dat, indien beroep aangetekend wordt, zijn besluiten aan de hogere rechtbank overgemaakt worden.
    5 Indien de rechters in een eerste bespreking niet tot een vonnis willen of kunnen komen, kan de beslissing uitgesteld worden tot een nieuwe bijeenkomst, maar niet langer dan een week, tenzij het onderzoek in de zaak volgens can. 1600 vervolledigd moet worden.

    Can. 1610 - 1 Indien er in de zaak n rechter is, zal deze zelf het vonnis opstellen.
    2 In een collegiale rechtbank is het de taak van de ponens of referent om het vonnis op te stellen, waarbij hij de motieven ontleent aan die welke ieder van de rechters in de bespreking ingebracht heeft, tenzij door de meerderheid van de rechters de motieven die voorrang moeten hebben, vooraf vastgesteld zijn; het vonnis moet daarna aan ieder van de rechters ter goedkeuring voorgelegd worden.
    3 Het vonnis mag niet later dan een maand vanaf de dag waarop de zaak beslecht werd, uitgevaardigd worden, tenzij in een collegiale rechtbank de rechters omwille van een ernstige reden vooraf een langere termijn vastgesteld hebben.

    Can. 1611 Het vonnis moet:
    1. het voor de rechtbank behandelde geschil beslechten, waarbij op alle geschilpunten afzonderlijk een passend antwoord gegeven wordt;
    2. bepalen welke de verplichtingen van de partijen zijn, die uit het geding voortvloeien en op welke wijze deze vervuld moeten worden;
    3. de argumenten of motieven uiteenzetten, zowel in rechte als in feite, waarop het beschikkend gedeelte van het vonnis steunt;
    4. de proceskosten vaststellen.

    Can. 1612 - 1 Een vonnis behoort, na de aanroeping van de Naam van God, in volgorde te
    vermelden wie de rechter is of de rechtbank; wie de eiser is, de gedaagde partij, de procurator, met aanduiding op de voorgeschreven wijze van hun naam en domicilie, de promotor van het recht en de verdediger van de band, indien zij aan het geding deelgenomen hebben.
    2 Vervolgens moet het bondig een overzicht van de feiten met de conclusies van de partijen en de formulering van de geschilpunten weergeven.
    3 Hierop dient het beschikkend gedeelte van het vonnis te volgen, voorafgegaan door de gronden waarop het steunt.
    4 Het dient besloten te worden met de aanduiding van de dag en de plaats waarop het uitgesproken is, en met de handtekening van de rechter of, indien het een collegiale rechtbank betreft, van alle rechters, en van de notarius.

    Can. 1613 - Bovenvermelde regels betreffende een eindvonnis moeten eveneens op een passende wijze voor een tussenvonnis aangewend worden.

    Can. 1614 - Een vonnis dient zo spoedig mogelijk gepubliceerd te worden, met vermelding van de wijzen waarop het bestreden kan worden; vr de publikatie heeft het geen enkele rechtskracht, ook al werd het beschikkend gedeelte met toestemming van de rechter aan de partijen betekend.

    Can. 1615 - De publikatie of betekening van een vonnis kan geschieden ofwel door een exemplaar van het vonnis te overhandigen aan de partijen of aan hun procuratoren, of door hun dit exemplaar te doen toekomen volgens can. 1509.

    Can. 1616 - 1 Indien in de tekst van het vonnis ofwel een vergissing in de cijfers geslopen is, ofwel een materile vergissing gemaakt is bij het overschrijven van het beschikkend gedeelte of in het weergeven van de feiten of van de eisen van de partijen, ofwel weggelaten is wat can. 1612 4 voorschrijft, moet het vonnis door de rechtbank zelf die het uitsprak, hetzij op aanvraag van een partij hetzij ambtshalve verbeterd worden of vervolledigd, steeds echter na de partijen gehoord te hebben en met toevoeging van een decreet achter het vonnis.
    2 Indien een partij zich hiertegen verzet, dient deze incidentele kwestie bij decreet beslecht te worden.

    Can. 1617 - De overige uitspraken van een rechter, buiten een vonnis, zijn decreten die, indien zij niet van louter ordenende zaak zijn, geen rechtskracht bezitten, tenzij zij ten minste summier de motieven tot uitdrukking brengen, of verwijzen naar motieven in een andere akte uitgedrukt.

    Can. 1618 - Een tussenvonnis of een decreet bezitten de rechtskracht van een eindvonnis, indien zij het geding verder verhinderen ofwel aan het geding zelf of aan een graad ervan een einde maken, met betrekking tot ten minste een van de partijen in de zaak.

    Boek VII Deel II Afdeling I Titel VIII Bestrijding van een vonnis 1619-1640

    Hoofdstuk I - Klacht van nietigheid tegen een vonnis 1619-1627

    Can. 1619 - Onverminderd de canones 1622 en 1623 worden de door het positief recht vastgestelde nietigheden van rechtshandelingen die, hoewel zij aan de partij die de klacht indient, bekend waren, niet vr het vonnis aan de rechter gemeld zijn, door het vonnis zelf gesaneerd, telkens wanneer het een zaak betreft die het welzijn van private personen aangaat.

    Can. 1620 - Een vonnis is aangetast door het gebrek van onherstelbare nietigheid, indien:
    1. het geveld is door een rechter die absoluut onbevoegd is.
    2. het geveld is door iemand die geen macht bezit om te oordelen in de rechtbank waar de zaak beslecht is;
    3. een rechter onder invloed van dwang of ernstige vrees het vonnis geveld heeft;
    4. het geding plaats gevonden heeft zonder het gerechtelijk verzoek waarover in can. 1501, of indien het niet ingesteld is tegen een gedaagde partij;
    5. het geveld is tussen personen waarvan ten minste n onbekwaam is om een geding te voeren;
    6. iemand in naam van een ander gehandeld heeft zonder wettig mandaat;
    7. het recht van verdediging aan n van de partijen geweigerd is;
    8. het geschil zelfs niet gedeeltelijk beslecht is.

    Can. 1621 - De klacht van nietigheid waarover in can. 1620, kan bij wijze van exceptie te allen tijde ingediend worden, bij wijze echter van vordering ten overstaan van de rechter die het vonnis geveld heeft, binnen tien jaar vanaf de dag van publikatie van het vonnis.

    Can. 1622 - Een vonnis is slechts aangetast door het gebrek van herstelbare nietigheid, indien:
    1. het geveld is door een niet wettig aantal rechters, in strijd met het voorschrift van can. 1425, 1;
    2. het geen motieven of argumenten voor de beslissing bevat;
    3. het de door het recht voorgeschreven handtekeningen mist;
    4. het geen aanduiding bevat van het jaar, de maand, de dag en de plaats waarop het geveld is;
    5. het op een nietige gerechtelijke handeling steunt waarvan de nietigheid niet volgens can. 1619 gesaneerd is;
    6. het geveld is tegen een partij, wettig afwezig overeenkomstig can. 1593, 2.

    Can. 1623 - Een klacht van nietigheid in de gevallen waarover in can. 1622, kan ingediend worden binnen drie maanden vanaf de kennisneming van publikatie van het vonnis.

    Can. 1624 - Over de klacht van nietigheid oordeelt de rechter zelf die het vonnis geveld heeft; indien een partij echter vreest dat de rechter die het door de klacht van nietigheid bestreden vonnis geveld heeft, vooringenomen is, en zij daarom een verdenking tegen hem koestert, kan zij eisen dat een andere rechter volgens can. 1450 in diens plaats gesteld wordt.

    Can. 1625 - Een klacht van nietigheid kan samen met een beroep ingediend worden, binnen de termijn voor het beroep bepaald.

    Can. 1626 - 1 Een klacht van nietigheid kunnen indienen niet alleen de partijen die zich benadeeld achten, maar ook de promotor van het recht of de verdediger van de band, telkens wanneer zij het recht van tussenkomst hebben.
    2 De rechter zelf kan ambtshalve een door hem geveld vonnis dat nietig is, binnen de in can. 1623 vastgestelde termijn om te handelen, intrekken of verbeteren, tenzij ondertussen beroep samen met een klacht van nietigheid ingediend is, of de nietigheid door het verlopen van de termijn waarover in can. 1623, gesaneerd is.

    Can. 1627 - De zaken die een klacht van nietigheid betreffen, kunnen volgens de normen van het mondeling contentieus proces behandeld worden.

    Hoofdstuk II - Beroep 1628-1640

    Can. 1628 - De partij die zich door een vonnis benadeeld acht, en eveneens de promotor van het recht en de verdediger van de band in zaken waarin hun aanwezigheid vereist is, hebben het recht om tegen het vonnis bij een hogere rechter in beroep te gaan, behoudens het voorschrift van can. 1629.

    Can. 1629 - Er is geen beroep mogelijk:
    1. tegen een vonnis van de Paus zelf of van de Apostolische Signatuur;
    2. tegen een vonnis getroffen door een nietigheidsgebrek, tenzij verbonden met een klacht van nietigheid volgens can. 1625;
    3. tegen een vonnis dat in kracht van gewijsde gegaan is;
    4. tegen een decreet van een rechter of tegen een tussenvonnis, die de rechtskracht van een eindvonnis niet bezitten, tenzij verbonden met een beroep tegen het eindvonnis;
    5. tegen een vonnis of tegen een decreet in een zaak waarvan het recht voorziet dat de aangelegenheid ten spoedigste beslecht moet worden.

    Can. 1630 - Het beroep moet aangetekend worden bij de rechter door wie het vonnis geveld is, binnen de peremptoire termijn van vijftien nuttige dagen vanaf de kennisneming van publikatie van het vonnis.
    2 Indien het mondeling geschiedt, dient de notarius dit ten overstaan van de appellant zelf op schrift te stellen.

    Can. 1631 - Indien een vraag rijst met betrekking tot het recht om beroep aan te tekenen, dient de rechtbank van beroep hierover ten spoedigste te beslissen, in overeenstemming met de normen voor het mondeling contentieus proces.

    Can. 1632 - 1 Indien in het beroep niet aangeduid wordt tot welke rechtbank het gericht wordt, wordt het gepresumeerd geschied te zijn bij de rechtbank waarover in de canones 1438 en 1439.
    2 Indien een andere partij zich tot een andere rechtbank van beroep gewend heeft, oordeelt over de zaak de rechtbank die de hoogste in graad is, behoudens can. 1415.

    Can. 1633 - Het beroep moet bij de rechter tot wie het gericht wordt, voortgezet worden binnen een maand na het indienen ervan, tenzij de vorige rechter aan de partij een langere periode toegekend heeft voor de voortzetting ervan.

    Can. 1634 - 1 Om het beroep voort te zetten wordt vereist en is het voldoende dat een partij de diensten van een hogere rechter inroept tot verbetering van het bestreden vonnis, met bijvoeging van een exemplaar van dit vonnis en met aanduiding van de gronden voor het beroep.
    2 Indien een partij echter geen exemplaar van het bestreden vonnis binnen de nuttige tijd van de vorige rechtbank kan verkrijgen, verlopen de termijnen ondertussen niet, en moet het beletsel meegedeeld worden aan de rechter van beroep, die de vorige rechter dwingend dient op te leggen zo spoedig mogelijk aan zijn plicht te voldoen.
    3 Ondertussen moet de vorige rechter de akten volgens can. 1474 aan de rechter van beroep doen toekomen.

    Can. 1635 - Nadat de fatale termijnen voor het beroep, hetzij bij de vorige rechter hetzij bij de volgende rechter, onbenut verstreken zijn, wordt het beroep geacht verlaten te zijn.

    Can. 1636 - 1 De appellant kan aan het beroep verzaken, met de gevolgen waarover in can. 1525.
    2 Indien het beroep aangetekend is door de verdediger van de band of door de promotor van het recht kan, tenzij de wet anders voorziet, de verzaking geschieden door de verdediger van de band of de promotor van het recht van de rechtbank van beroep.

    Can. 1637 - 1 Het beroep aangetekend door de eiser, komt ook de gedaagde ten goede, en omgekeerd.
    2 Indien er meerdere gedaagden of eisers zijn en het vonnis slechts door n of tegen n van hen bestreden wordt, wordt de bestrijding geacht door allen en tegen allen geschied te zijn, telkens wanneer de gevorderde zaak ondeelbaar of de verplichting hoofdelijk is.
    3 Indien het beroep aangetekend wordt door n partij met betrekking tot een gedeelte van het vonnis, kan de tegenpartij, ook al zijn de fatale termijnen voor het beroep verstreken, met betrekking tot andere gedeelten incidenteel beroep aantekenen binnen de peremptoire tijd van vijftien dagen, vanaf de dag waarop haar het beroep in de hoofdzaak meegedeeld is.
    4 Tenzij iets anders vaststaat, wordt het beroep gepresumeerd tegen alle gedeelten van het vonnis gericht te zijn.

    Can. 1638 - Beroep schort de uitvoering van het vonnis op.

    Can. 1639 - 1 Behoudens het voorschrift van can. 1683, kan in de graad van beroep geen nieuwe grond tot eisen aanvaard worden, zelfs niet bij wijze van nuttige toevoeging; bijgevolg kan het vastleggen van het geschil slechts hierin bestaan, of het vorige vonnis bevestigd dan wel herzien dient te worden, hetzij in zijn geheel hetzij gedeeltelijk.
    2 Nieuwe bewijzen echter worden alleen aanvaard volgens can. 1600.

    Can. 1640 - In de graad van beroep moet op dezelfde wijze als in de eerste instantie, met toepassing van dezelfde normen voor zover het kan, gehandeld worden; maar men dient, tenzij de bewijzen eventueel vervolledigd moeten worden, onmiddellijk na het vastleggen van het geschil volgens can. 1513, 1 en can. 1639, 1, over te gaan tot de bespreking van de zaak en tot het vonnis.

    Boek VII Deel II Afdeling I Titel IX Kracht van gewijsde en herstel in de oorspronkelijke toestand 1641-1648

    Hoofdstuk I - Kracht van gewijsde 1641-1644

    Can. 1641 - Onverminderd het voorschrift van can. 1643, is kracht van gewijsde aanwezig:
    1. indien tussen dezelfde partijen twee gelijkluidende vonnissen bestaan over dezelfde eis en op dezelfde grond tot eisen;
    2. indien het beroep tegen het vonnis niet binnen de nuttige tijd aangetekend is;
    3. indien in de graad van beroep de instantie vervallen is of indien hieraan verzaakt is;
    4. indien een eindvonnis geveld is waartegen volgens can. 1629 geen beroep mogelijk is.

    Can. 1642 - 1 Een zaak in kracht van gewijsde geniet rechtsbestendigheid en kan niet rechtstreeks bestreden worden tenzij volgens can. 1645, 1.
    2 Zij schept recht tussen partijen en zij verschaft de vordering van het gewijsde alsook de exceptie van kracht van gewijsde, die de rechter ook ambtshalve kan verklaren om een nieuwe
    inleiding van dezelfde zaak te verhinderen.

    Can. 1643 - Nooit gaan in kracht van gewijsde de zaken met betrekking tot de staat van personen, de zaken met betrekking tot scheiding van echtgenoten niet uitgesloten.

    Can. 1644 - 1 Indien twee gelijkluidende vonnissen in een zaak met betrekking tot de staat van personen geveld zijn, kan men zich te allen tijde tot een rechtbank van beroep wenden, met het aanvoeren van nieuwe en wel zwaarwegende bewijzen of argumenten binnen de peremptoire termijn van dertig dagen vanaf het inleiden van de bestrijding. De rechtbank van beroep echter moet binnen een maand vanaf het voorleggen van de nieuwe bewijzen en argumenten bij decreet vaststellen, of het opnieuw voorleggen van de zaak toegestaan moet worden of niet.
    2 Het zich tot een hogere rechtbank wenden om het opnieuw voorleggen van de zaak te verkrijgen, schort te uitvoering van het vonnis niet op, tenzij ofwel de wet anders voorziet ofwel de rechtbank van beroep volgens can. 1650, 3 de opschorting beveelt.

    Hoofdstuk II - Herstel in de oorspronkelijke toestand 1645-1648

    Can. 1645 - 1 Tegen een vonnis dat ik kracht van gewijsde is gegaan, is, mits de onrechtvaardigheid ervan duidelijk vaststaat, herstel in de oorspronkelijke toestand mogelijk.
    2 De onrechtvaardigheid wordt echter niet geacht duidelijk vast te staan, tenzij:
    1. het vonnis z op bewijzen steunt die nadien vals bevonden zijn, dat het beschikkend gedeelte van het vonnis zonder deze bewijzen niet te handhaven is;
    2. nadien documenten ontdekt zijn, die zonder twijfel het bestaan bewijzen van nieuwe feiten die een tegengestelde beslissing vereisen;
    3. het vonnis door list van een partij geveld is ten nadele van de andere;
    4. een voorschrift van een niet louter procedurele wet klaarblijkelijk veronachtzaamd is;
    5. het vonnis ingaat tegen een voorgaande beslissing die in kracht van gewijsde gegaan is.

    Can. 1646 - 1 Herstel in de oorspronkelijke toestand op grond van de redenen waarover in can. 1645, 2, nrs.1-3, moet gevraagd worden aan de rechter die het vonnis geveld heeft, binnen drie maanden te berekenen vanaf de dag van kennisneming van deze redenen.
    2 Herstel in de oorspronkelijke toestand op grond van de redenen waarover in can. 1645, 2, nrs. 4 en 5, moet gevraagd worden aan de rechtbank van beroep binnen drie maanden vanaf de kennisneming van publikatie van het vonnis; indien echter in het geval waarover in can. 1645, 2, nr.5, de kennisneming van de voorafgaande beslissing later geschiedt, loopt de termijn vanaf deze kennisneming.
    3 De bovenvermelde termijnen lopen niet zolang de benadeelde minderjarig is.

    Can. 1647 - 1 Een aanvraag tot herstel in de oorspronkelijke toestand schort de uitvoering van het vonnis op, die nog niet begonnen is.
    2 Indien echter op grond van waarschijnlijke aanwijzingen de verdenking bestaat dat de aanvraag gedaan is om de uitvoering te vertragen, kan de rechter beslissen dat het vonnis ten uitvoer gelegd wordt, waarbij hij echter aan de aanvrager van het herstel de passende waarborg geeft dat, als herstel in de oorspronkelijke toestand plaatsvindt, hij schadeloos gesteld wordt.

    Can. 1648 - Na het toekennen van herstel in de oorspronkelijke toestand, moet de rechter uitspraak doen over de grond van de zaak.

    Boek VII Deel II Afdeling I Titel X Kosten van het geding en kosteloze rechtsbijstand 1649

    Can. 1649 - 1 De Bisschop onder wiens bestuur de rechtbank valt, dient normen vast te stellen betreffende:
    1. het veroordelen van de partijen tot betaling of vergoeding van de kosten van het geding;
    2. de honoraria van procuratoren, advocaten, deskundigen en tolken alsook de schadeloosstelling van getuigen;
    3. de toekenning van kosteloze rechtsbijstand of van vermindering van de kosten;
    4. de vergoeding van de schade waartoe degene gehouden is die niet alleen verloren heeft in het geding, maar vermetel geprocedeerd heeft;
    5. het deponeren van een geldsom of het geven van een waarborg voor de kosten die moeten betaald en de schade die vergoed moet worden.
    2 Tegen de uitspraak over kosten, honoraria en schade die vergoed moet worden, bestaat geen afzonderlijk beroep, maar een partij kan binnen vijftien dagen verhaal indienen bij dezelfde rechter, die de aanslag kan herzien.

    Boek VII Deel II Afdeling I Titel XI Uitvoering van een vonnis 1650-1655

    Can. 1650 - 1 Een vonnis dat in kracht van gewijsde gegaan is, kan ten uitvoer gelegd worden, behoudens het voorschrift van can. 1647.
    2 De rechter die het vonnis geveld heeft, en indien beroep ingesteld is ook de rechter van beroep, kunnen de voorlopige uitvoering van een vonnis dat nog niet in kracht van gewijsde gegaan is, ambtshalve of op verzoek van een partij bevelen, nadat eventueel passende waarborgen gegeven zijn, indien het gaat om voorzieningen of prestaties bestemd voor een noodzakelijk levensonderhoud, of omwille van een andere dringende, goede reden.
    3 Wanneer echter het vonnis waarover in 2, bestreden wordt, kan de rechter die de bestrijding moet behandelen, indien hij ziet dat deze waarschijnlijk gegrond is en dat onherstelbare schade uit de uitvoering kan voortvloeien, ofwel de uitvoering zelf opschorten ofwel deze aan een waarborg onderwerpen.

    Can. 1651 - Van uitvoering kan geen sprake zijn voordat er een uitvoeringsdecreet van de rechter is, waarin bepaald wordt dat het vonnis zelf ten uitvoer gelegd moet worden; dit decreet dient naargelang van de onderscheiden aard van de zaken ofwel in de tekst zelf van het vonnis opgenomen ofwel afzonderlijk uitgevaardigd te worden.

    Can. 1652 - Indien de uitvoering van een vonnis een voorafgaande verantwoording vereist, bestaat een incidentele vraag, waarover beslist moet worden door dezelfde rechter die het ten uitvoer te leggen vonnis geveld heeft.

    Can. 1653 - 1 Tenzij een particuliere wet iets anders bepaalt, moet de Bisschop van het bisdom waarin het vonnis in eerste instantie geveld is, dit vonnis zelf of door een ander ten uitvoer leggen.
    2 Indien deze dit echter weigert of nalaat, komt de uitvoering toe, op verzoek van een partij die er belang bij heeft of ook ambtshalve, aan de overheid waaraan de rechtbank van beroep volgens can. 1439, 3 onderworpen is.
    3 De uitvoering van een vonnis tussen religieuzen komt toe aan de Overste die het ten uitvoer te leggen vonnis geveld heeft of die de rechter gedelegeerd heeft.

    Can. 1654 - 1 De uitvoerder moet, tenzij iets in de strekking van het vonnis zelf aan zijn oordeel overgelaten is, het vonnis zelf volgens de gewone betekenis van de woorden ten uitvoer leggen.
    2 Het is hem toegestaan excepties te behandelen betreffende de wijze en de rechtskracht van de uitvoering, niet echter betreffende de grond van de zaak; indien het echter anderszins voor hem vaststaat dat het vonnis nietig is of manifest onrechtvaardig volgens de canones 1620, 1622, 1645, dient hij zich van uitvoering te onthouden en de zaak terug te verwijzen naar de rechtbank die het vonnis geveld heeft, na de partijen op de hoogte gebracht te hebben.

    Can. 1655 - 1 Met betrekking tot zakelijke vorderingen moet, telkens wanneer een zaak aan de eiser toegewezen is, deze aan de eiser overgedragen worden zodra kracht van gewijsde ingetreden is.
    2 Met betrekking echter tot persoonlijke vorderingen, wanneer de schuldige veroordeeld is tot het overdragen van een roerend goed ofwel tot het betalen van een geldsom of tot het geven of verrichten van iets anders, dient de rechter in de strekking zelf van het vonnis of de uitvoerder naar eigen en wijs oordeel voor het vervullen van de verplichting een termijn te bepalen, die echter niet tot minder dan vijftien dagen beperkt mag worden nog zes maanden mag overschrijden.

    Boek VII Deel II Afdeling II Mondeling contentieus proces 1656-1670

    Can. 1656 - 1 In een mondeling contentieus proces, waarover in deze afdeling, kunnen behandeld worden alle zaken die niet door het recht uitgesloten zijn, tenzij een partij een gewoon contentieus proces vraagt.
    2 Indien een mondeling proces aangewend wordt buiten de door het recht toegelaten gevallen, zijn de gerechtelijke handelingen nietig.

    Can. 1657 - Een mondeling contentieus proces vindt in eerste instantie plaats ten overstaan van n rechter, volgens can. 1424.

    Can. 1658 - 1 Naast datgene wat in can. 1504 opgesomd wordt, moet het verzoekschrift waardoor een geschil ingeleid wordt:
    1. bondig, volledig en helder de feiten uiteenzetten waarop de verzoeken van de eiser steunen;
    2. de bewijzen waarmee de eiser de feiten bedoelt te staven en die hij niet tegelijk kan aanvoeren, z aanduiden dat zij onmiddellijk door de rechter verzameld kunnen worden.
    2 Bij het verzoekschrift moeten, tenminste in een authentiek afschrift, de documenten gevoegd worden waarop het verzoek steunt.

    Can. 1659 - 1 Indien een poging tot verzoening volgens can. 1446, 2 zonder gevolg gebleven is, dient de rechter, indien hij meent dat het verzoekschrift op enige grond steunt, binnen drie dagen, bij decreet, toegevoegd achter het verzoekschrift zelf, te bevelen dat een exemplaar van het verzoek aan de gedaagde partij betekend wordt, waarbij hij haar de mogelijkheid biedt om binnen de vijftien dagen een schriftelijk antwoord te zenden naar de kanselarij van de rechtbank.
    2 Deze betekening heeft de gevolgen van een gerechtelijke dagvaarding, waarover in can. 1512.

    Can. 1660 - Indien de excepties van de gedaagde partij het vereisen, dient de rechter voor de eisende partij vooraf een termijn vast te stellen om te antwoorden, zodanig dat hij zelf uit de door beide partijen aangevoerde elementen een duidelijk inzicht krijgt in het voorwerp van het geschil.

    Can. 1661 - 1 Na het verstrijken van de termijnen waarover in de canones 1659 en 1660, dient de rechter na bestudering van de akten de formulering van het geschilpunt te bepalen; daarna dient hij voor een rechtszitting, die binnen dertig dagen gehouden moet worden, allen te dagvaarden die hierbij aanwezig moeten zijn, met daarbij voor de partijen de formulering van het geschilpunt.
    2 In de dagvaarding dienen de partijen ervan op de hoogte gebracht te worden dat zij ten minste drie dagen vr de rechtszitting een bondige, schriftelijke toelichting aan de rechtbank kunnen voorleggen om hun beweringen te staven.

    Can. 1662 - Op de rechtszitting worden in de eerste plaats de vragen behandeld waarover in de canones 1459-1464.

    Can. 1663 - 1 De bewijzen worden op de rechtszitting verzameld, behoudens het voorschrift van can. 1418.
    2 Een partij en haar advocaat kunnen het verhoor van de overige partijen, de getuigen en de deskundigen bijwonen.

    Can. 1664 - De antwoorden van partijen, de getuigen en de deskundigen, en de verzoeken en excepties van de advocaten moeten door de notarius op schrift gesteld worden, maar summier en daarvan alleen wat tot het wezen van het geschil behoort, en moeten ondertekend worden door degenen die de verklaring afleggen.

    Can. 1665 - De bewijzen die niet in het verzoek of het antwoord aangevoerd of gevraagd zijn, kan de rechter alleen volgens can. 1452 aanvaarden; maar na het verhoren van zelfs maar n getuige, kan de rechter alleen volgens can. 1600 tot het aanvoeren van nieuwe bewijzen beslissen.

    Can. 1666 - Indien op de rechtszitting niet alle bewijzen verzameld konden worden, dient een tweede rechtszitting vastgesteld te worden.

    Can. 1667 - Na het verzamelen van de bewijzen, vindt op dezelfde rechtszitting de mondelinge bespreking plaats.

    Can. 1668 - 1 Tenzij uit de bespreking blijkt dat het onderzoek in de zaak aangevuld moet worden, of tenzij iets anders aan het licht treedt dat verhindert het vonnis op de voorgeschreven wijze uit te spreken, dient de rechter na afloop van de rechtszitting de zaak onmiddellijk in afzondering te beslissen; het beschikkend gedeelte van het vonnis dient ten overstaan van de partijen voorgelezen te worden.
    2 De rechtbank kan echter omwille van de moeilijkheid van de zaak of om een andere goede reden de beslissing uitstellen tot de vijfde nuttige dag.
    3 De volledige tekst van het vonnis met vermelding van de argumenten dient zo spoedig mogelijk, gewoonlijk binnen vijftien dagen, aan de partijen betekend te worden.

    Can. 1669 - Indien de rechtbank van beroep bevindt dat in een lagere instantie van het geding een mondeling contentieus geding aangewend is in gevallen door het recht uitgesloten, dient zij de nietigheid van het vonnis te verklaren en de zaak terug te verwijzen naar de rechtbank die het vonnis geveld heeft.

    Can. 1670 - Voor het overige dienen, wat de procesvoering betreft, de voorschriften in acht genomen te worden van de canones over het gewoon contentieus geding. De rechtbank kan echter bij een decreet, voorzien van motieven, afwijken van de procedurele normen die niet voor de geldigheid vastgesteld zijn, teneinde, met behoud van de rechtvaardigheid, een snel verloop te bevorderen.

    Boek VII Deel III Bepaalde bijzondere processen 1671-1716

    Titel I Huwelijksprocessen 1671-1707

    Hoofdstuk I - Zaken tot nietigverklaring van een huwelijk 1671-1691

    Art. 1 - Bevoegd gerecht 1671-1673

    Can. 1671 - De huwelijkszaken van gedoopten komen op grond van eigen recht toe aan een kerkelijk rechter.

    Can. 1672 - Zaken met betrekking tot de louter burgerlijke gevolgen van het huwelijk komen toe aan de burgerlijke magistraat, tenzij het particulier recht bepaalt dat deze zaken, indien zij incidenteel en bijkomend aan de orde zijn, door een kerkelijk rechter behandeld en beslecht kunnen worden.

    Can. 1673 - In zaken over de nietigheid van een huwelijk die niet aan de Apostolische Stoel zijn voorbehouden, zijn bevoegd:
    1. de rechtbank van de plaats waar het huwelijk gevierd is;
    2. de rechtbank van de plaats waar de gedaagde partij domicilie of quasi-domicilie heeft;
    3. de rechtbank van de plaats waar de eisende partij domicilie heeft, mits elk van beide partijen in het rechtsgebied van dezelfde bisschoppenconferentie verblijft, en de Gerechtsvicaris van het domicilie van de gedaagde partij, na deze gehoord te hebben, zijn toestemming geeft;
    4. de rechtbank van de plaats waar in feite de meeste bewijzen verzameld moeten worden, mits daarbij de toestemming verkregen is van de Gerechtsvicaris van het domicilie van de gedaagde partij, die aan deze eerst dient te vragen of zij enig bezwaar heeft.

    Art. 2 - Recht om een huwelijk te bestrijden 1674-1675

    Can. 1674 - Bekwaam om een huwelijk te bestrijden, zijn:
    1. de echtgenoten;
    2. de promotor van het recht, wanneer de nietigheid reeds algemeen bekend is, indien het huwelijk niet gevalideerd kan worden of dit niet opportuun is.

    Can. 1675 - 1 Een huwelijk dat niet bestreden is toen beide echtgenoten in leven waren, kan na de dood van een van beide of van beide echtgenoten niet bestreden worden, tenzij de vraag omtrent de geldigheid prejudicieel is om een ander geschil, hetzij voor een canoniek hetzij voor een burgerlijk gerecht, op te lossen.
    2 Indien een echtgenoot echter overlijdt terwijl de zaak aanhangig is, dient can. 1518 in acht genomen te worden.

    Art. 3 - Taak van de rechters 1676-1677

    Can. 1676 - De rechter dient, voordat hij een zaak aanvaardt en telkens wanneer hij ziet dat er hoop is op een goed resultaat, pastorale middelen aan te wenden om de echtgenoten, indien mogelijk, ertoe te brengen het huwelijk eventueel te valideren en het echtelijk samenleven te herstellen.

    Can. 1677 - 1 Na het aanvaarden van het verzoekschrift dient de voorzitter of de ponens over te gaan tot bekendmaking van het decreet van dagvaarding volgens can. 1508.
    2 Na het verstrijken van een termijn van vijftien dagen vanaf de bekendmaking, dient de voorzitter of de ponens, tenzij een van beide partijen een zitting voor het vastleggen van het geschil aanvraagt, binnen tien dagen de formulering van het geschil of van de geschilpunten bij decreet ambtshalve vast te stellen en dit aan de partijen mee te delen.
    3 De formulering van het geschilpunt dient niet alleen de vraag te stellen of de nietigheid van het huwelijk in kwestie vaststaat, maar moet ook bepalen op welke grond of gronden de geldigheid van het huwelijk bestreden wordt.
    4 Na tien dagen vanaf de bekendmaking van het decreet dient de voorzitter of de ponens, indien de partijen zich niet verzet hebben, bij een nieuw decreet een beschikking te treffen over het onderzoek in de zaak.

    Art. 4 Bewijzen 1678-1680

    Can. 1678 - 1 De verdediger van de band, degenen die aan de partijen rechtsbijstand verlenen en, indien hij optreedt in het geding, ook de promotor van het recht, hebben het recht:
    1. bij het verhoor van de partijen, de getuigen en de deskundigen aanwezig te zijn, behoudens het voorschrift van can. 1559;
    2. inzage te nemen van de gerechtelijke akten, ook al zijn deze nog niet gepubliceerd, en de door de partijen ingebrachte documenten te onderzoeken.
    2 Bij het verhoor waarover in 1, nr.1 kunnen de partijen niet aanwezig zijn.

    Can. 1679 - Tenzij de bewijzen anderszins volledig geacht worden, dient de rechter, om de verklaringen van de partijen volgens can. 1536 op hun waarde te beoordelen, zo mogelijk getuigen aan te wenden over de geloofwaardigheid van de partijen zelf, naast andere aanwijzingen en hulpmiddelen.

    Can. 1680 - In zaken betreffende impotentie of gebrek in de consensus wegens een geestesziekte dient de rechter van de hulp van een of meerdere deskundigen gebruik te maken, tenzij deze uit de omstandigheden duidelijk van geen nut lijkt; in de overige zaken dient het voorschrift van can. 1574 in acht genomen te worden.

    Art. 5 - Vonnis en beroep 1681-1685

    Can. 1681 - Telkens wanneer in het onderzoek in een zaak een zeer waarschijnlijke twijfel rijst of het huwelijk al dan niet voltrokken is, kan de rechtbank, na de nietigheidszaak met toestemming van de partijen opgeschort te hebben, het onderzoek aanvullen met het oog op een dispensatie van het niet voltrokken huwelijk, en kan zij tenslotte de akten aan de Apostolische Stoel doen toekomen, samen met de aanvraag tot dispensatie van een of van beide echtgenoten, alsook met het oordeel van de rechtbank en van de Bisschop.

    Can. 1682 - 1 Een vonnis dat de nietigheid van het huwelijk de eerste maal verklaard heeft, dient, samen met de eventuele indieningen van beroep en met de overige akten van het geding, binnen twintig dagen vanaf de publikatie van het vonnis ambtshalve toegezonden te worden aan de rechtbank van beroep.
    2 Indien een vonnis ten gunste van de nietigheid van het huwelijk in de eerste instantie van het geding geveld is, dient de rechtbank van beroep, na de bemerkingen van de verdediger van de band en, indien er zijn, eveneens van de partijen afgewogen te hebben, in haar decreet ofwel zonder uitstel de beslissing te bevestigen, ofwel de zaak voor een gewoon onderzoek in een nieuwe instantie te aanvaarden.

    Can. 1683 - Indien in de instantie van beroep een nieuwe grond voor de nietigheid van het huwelijk aangevoerd wordt, kan de rechtbank, als handelend in eerste instantie, deze aanvaarden en hierover oordelen.

    Can. 1684 - 1 Nadat het vonnis dat de nietigheid van het huwelijk de eerste maal verklaard heeft, in de instantie van beroep ofwel bij decreet ofwel door een tweede vonnis bevestigd is, kunnen zij wier huwelijk nietig verklaard is, een nieuw huwelijk sluiten, zodra het decreet of het tweede vonnis aan henzelf bekend gemaakt is, tenzij dit door een verbod, aan het vonnis of aan het decreet zelf toegevoegd of door de Ordinaris bepaald, verhinderd wordt.
    2 De voorschriften van can. 1644 moeten in acht genomen worden, ook indien het vonnis dat de nietigheid van het huwelijk verklaard heeft, niet door een tweede vonnis maar door een decreet bevestigd is.

    Can. 1685 - Zodra een vonnis uitvoerbaar geworden is, moet de Gerechtsvicaris dit ter kennis brengen van de Ordinaris van de plaats waar het huwelijk gevierd is. Deze echter moet ervoor zorgen dat de uitgesproken nietigheid van het huwelijk en de eventueel vastgestelde verboden zo spoedig mogelijk in de huwelijks- en doopboeken vermeld worden.

    Art. 6 - Documentair proces 1686-1688

    Can. 1686 - Na het ontvangen van de volgens can. 1677 ingediende aanvraag kan de Gerechtsvicaris of de door hem aangewezen rechter, met terzijde laten van de formaliteiten van het gewoon proces maar met dagvaarding van de partijen en met tussenkomst van de verdediger van de band, de nietigheid van een huwelijk door een vonnis verklaren, indien uit een document dat aan geen enkele tegenspraak of exceptie onderhevig is, het bestaan van een ongeldigmakend huwelijksbeletsel of van een gebrek in de wettige vorm met zekerheid vaststaat, mits het met gelijke zekerheid blijkt dat geen dispensatie gegeven is of dat het de gevolmachtigde aan een geldig mandaat ontbrak.

    Can. 1687 - 1 Tegen deze verklaring moet de verdediger van de band, indien hij wijselijk geoordeeld heeft dat ofwel de gebreken waarover in can. 1686, ofwel het ontbreken van de dispensatie niet zeker zijn, beroep aantekenen bij de rechter van de tweede instantie, aan wie de akten toegezonden moeten worden en die schriftelijk verwittigd moet worden dat het gaat over een documentair proces.
    2 De partij die zich benadeeld acht, behoudt onverminderd het recht om beroep aan te tekenen.

    Can. 1688 - De rechter van tweede instantie dient, met tussenkomst van de verdediger van de band en na de partijen gehoord te hebben, op dezelfde wijze als in can. 1686 te beslissen of het vonnis bevestigd moet worden, dan wel of men eerder met de zaak volgens het gewone verloop van het recht verder moet gaan; in dit laatste geval verwijst hij deze terug naar de rechtbank van de eerste instantie.

    Art. 7 - Algemene normen 1689-1691

    Can. 1689 - In het vonnis dienen de partijen gewezen te worden op de morele of eveneens burgerlijke verplichtingen tot levensonderhoud en opvoeding, waaraan zij mogelijk gehouden zijn tegenover elkaar en tegenover hun kinderen.

    Can. 1690 - Zaken tot nietigverklaring van een huwelijk kunnen niet in een mondeling contentieus proces behandeld worden.

    Can. 1691 - Wat de overige zaken van de procesvoering betreft, moeten, tenzij de aard van de zaak het onmogelijk maakt, de canones over de gedingen in het algemeen en over het gewoon contentieus geding toegepast worden, met inachtneming van de bijzondere normen over zaken die de staat van personen en over zaken die het publieke welzijn betreffen.

    Hoofdstuk II - Zaken van scheiding van de echtgenoten 1692-1696

    Can. 1692 - 1 De persoonlijke scheiding van gedoopte echtgenoten kan, tenzij voor particuliere plaatsen hierin op andere wijze wettig voorzien is, beslist worden door een decreet van de diocesane Bisschop, of door een vonnis van de rechter volgens de canones die volgen.
    2 Waar de kerkelijke beslissing geen burgerlijke gevolgen heeft of indien het burgerlijk vonnis, naar te voorzien is, niet strijdig zal zijn met het goddelijk recht, kan de diocesane Bisschop van de verblijfplaats van de echtgenoten, na afweging van de bijzondere omstandigheden, verlof geven om zich tot een burgerlijk gerecht te wenden.
    3 Indien de zaak eveneens handelt over de louter burgerlijke gevolgen van het huwelijk, dient de rechter zich er voor te beijveren dat, met inachtneming van het voorschrift van 2, de zaak vanaf het begin bij het burgerlijk gerecht aanhangig gemaakt wordt.

    Can. 1693 - 1 Tenzij een partij of de promotor van het recht om een gewoon contentieus proces vraagt, dient een mondeling contentieus proces aangewend te worden.
    2 Indien een mondeling contentieus proces aangewend is en beroep aangetekend wordt, dient de rechtbank van tweede instantie volgens can. 1682, 2 te handelen, met inachtneming van wat in acht genomen moet worden.

    Can. 1694 - Wat de bevoegdheid van de rechtbank betreft, dienen de voorschriften van can. 1673 in acht genomen te worden.

    Can. 1695 - De rechter dient, voordat hij de zaak aanvaardt en telkens wanneer hij hoop heeft op een goed resultaat, pastorale middelen aan te wenden opdat de echtgenoten zich verzoenen en ertoe gebracht worden het echtelijk samenleven te herstellen.

    Can. 1696 - Zaken betreffende scheiding van echtgenoten gaan ook het publiek welzijn aan; daarom moet in deze de promotor van het recht steeds optreden, volgens can. 1433.

    Hoofdstuk III - Proces tot dispensatie met betrekking tot een aangegaan en niet-voltrokken huwelijk 1697-1706

    Can. 1697 - Alleen de echtgenoten of een van beiden, ook al is de andere ertegen, hebben het recht de gunst te vragen van een dispensatie met betrekking tot een aangegaan en niet-voltrokken huwelijk.

    Can. 1698 - 1 Alleen de Apostolische Stoel oordeelt over het feit van de niet-voltrekking van een huwelijk en over het bestaan van een goede reden om de dispensatie te verlenen.
    2 De dispensatie wordt echter alleen door de Paus verleend.

    Can. 1699 - 1 Bevoegd om het verzoekschrift in ontvangst te nemen waardoor de dispensatie gevraagd wordt, is de diocesane Bisschop van het domicilie of quasi-domicilie van de aanvrager, die, indien een grond voor de aanvraag vaststaat, een beschikking moet treffen voor het onderzoek in het proces.
    2 Indien het voorgelegde geval echter bijzondere moeilijkheden biedt van juridische of morele aard, dient de diocesane Bisschop de Apostolische Stoel te raadplegen.
    3 Tegen het decreet waardoor de Bisschop het verzoekschrift verwerpt staat beroep open bij de Apostolische Stoel.

    Can. 1700 - 1 Onverminderd het voorschrift van can. 1681, dient de Bisschop het onderzoek in deze processen toe te vertrouwen, op duurzame wijze of in elk geval afzonderlijk, aan de rechtbank van zijn eigen of van een vreemd bisdom, ofwel aan een geschikte priester.
    2 Indien echter een gerechtelijke aanvraag tot nietigverklaring van hetzelfde huwelijk ingediend is, dient het onderzoek aan dezelfde rechtbank toevertrouwd te worden.

    Can. 1701 - 1 In deze processen moet de verdediger van de band steeds tussenkomen.
    2 Een persoon voor het verlenen van rechtsbijstand wordt niet toegelaten, maar wegens de moeilijkheid van het geval kan de Bisschop toestaan dat de aanvrager of de gedaagde partij door een rechtskundige geholpen wordt.

    Can. 1702 - In het onderzoek dient elk van beide echtgenoten gehoord te worden en dienen, voor zover mogelijk, de canones in acht genomen te worden betreffende het verzamelen van bewijzen in een gewoon contentieus geding en in zaken betreffende de nietigheid van een huwelijk, mits zij met de aard van deze processen in overeenstemming gebracht kunnen worden.

    Can. 1703 - 1 Er vindt geen publikatie van de akten plaats; de rechter dient echter, indien hij omwille van de aangevoerde bewijzen een ernstige moeilijkheid voor het verzoek van de aanvragende partij of voor een exceptie van de gedaagde partij ziet oprijzen, de belanghebbende partij hiervan naar wijs oordeel op de hoogte te brengen.
    2 Aan de partij die erom verzoekt, zal de rechter een ingebracht document of een ontvangen getuigenis kunnen tonen, en de tijd bepalen voor het indienen van gevolgtrekkingen.

    Can. 1704 - 1 Na het voltooien van het onderzoek dient degene die het onderzoek verricht, alle akten met een ter zake gepast verslag aan de Bisschop te bezorgen, die een oordeel naar waarheid dient uit te brengen, zowel betreffende het feit van de niet-voltrekking als betreffende de goede reden om te dispenseren en de opportuniteit van de gunst.
    2 Indien het onderzoek in het proces volgens can. 1700 aan een vreemde rechtbank toevertrouwd is, dienen de bemerkingen ten gunste van de band in dat gerecht gemaakt te worden, maar het oordeel waarover in 1, komt toe aan de opdrachtgevende Bisschop, aan wie degene die het onderzoek verricht tegelijk met de akten een ter zake gepast verslag dient te bezorgen.

    Can. 1705 - 1 De Bisschop dient alle akten samen met zijn oordeel en de bemerkingen van de verdediger van de band aan de Apostolische Stoel te doen toekomen.
    2 Indien naar het oordeel van de Apostolische Stoel een aanvulling van het onderzoek vereist is, zal dit aan de Bisschop meegedeeld worden, met aanduiding van de elementen waarover het onderzoek vervolledigd moet worden.
    3 Indien de Apostolische Stoel echter geantwoord heeft dat op grond van wat voorgelegd is, de niet-voltrekking niet vaststaat, kan de rechtskundige over wie in can. 1701, 2, de akten van het proces, maar niet het oordeel van de Bisschop, in de zetel van de rechtbank inzien om af te wegen of iets belangrijks aangevoerd kan worden om de aanvraag opnieuw voor te leggen.

    Can. 1706 - Het rescript van de dispensatie wordt door de Apostolische Stoel naar de Bisschop gezonden; deze zal het rescript aan de partijen bekend maken en bovendien zo spoedig mogelijk opdracht geven, zowel aan de pastoor van de plaats waar het huwelijk gesloten is als aan de pastoor waar het doopsel ontvangen is, dat in de huwelijks- en doopboeken van de verleende dispensatie melding gemaakt wordt.

    Hoofdstuk IV - Proces van vermoedelijk overlijden van de echtgenoot 1707

    Can. 1707 - 1 Telkens wanneer het overlijden van de echtgenoot niet door een authentiek kerkelijk of burgerlijk document bewezen kan worden, mag de andere echtgenoot niet beschouwd worden als vrij van huwelijksband, tenzij na een door de diocesane Bisschop uitgevaardigde verklaring van vermoedelijk overlijden.
    2 De verklaring waarover in 1, kan de diocesane Bisschop alleen uitvaardigen indien hij, na het verrichten van passende onderzoekingen, op grond van getuigenverklaringen, van de algemene opinie of van aanwijzingen morele zekerheid betreffende het overlijden van de echtgenoot verkregen heeft. De afwezigheid alleen van de echtgenoot, ook al is deze langdurig, volstaat niet.
    3 In onzekere en ingewikkelde gevallen dient de Bisschop de Apostolische Stoel te raadplegen.

    Boek VII Deel III Titel II Zaken tot nietigverklaring van een heilige wijding 1708-1712

    Can. 1708 - Het recht de geldigheid van een heilige wijding te betwisten hebben hetzij de clericus zelf hetzij de Ordinaris aan wie de clericus ondergeschikt is, of in wiens bisdom hij gewijd is.

    Can. 1709 - 1 Het verzoekschrift moet naar de bevoegde Congregatie gezonden worden, die beslissen zal of de zaak door de Congregatie van de Romeinse Curie zelf dan wel door een door haar aangewezen rechtbank behandeld moet worden.
    2 Na de verzending van het verzoekschrift is het de clericus van rechtswege verboden de wijdingen uit te oefenen.

    Can. 1710 - Indien de Congregatie de zaak naar een rechtbank verwezen heeft, dienen, tenzij de aard van de zaak het onmogelijk maakt, de canones over de gedingen in het algemeen en over het gewoon contentieus geding in acht genomen te worden, behoudens de voorschriften van deze titel.

    Can. 1711 - In deze zaken heeft de verdediger van de band dezelfde rechten en is hij gehouden aan dezelfde plichten als de verdediger van de huwelijksband.

    Can. 1712 - Na het tweede vonnis, dat de nietigheid van een heilige wijding bevestigd heeft, verliest de clericus alle rechten eigen aan de clericale staat en is hij vrij van alle verplichtingen.

    Boek VII Deel III Titel III Wijzen om gedingen te vermijden 1713-1716

    Can. 1713 - Om gerechtelijke betwistingen te vermijden wordt op nuttige wijze een minnelijke schikking of een verzoening aangewend, of kan het geschil aan het oordeel van een of meerdere scheidsrechters toevertrouwd worden.

    Can. 1714 - Met betrekking tot een minnelijke schikking, een compromis en een scheidsrechterlijk oordeel dienen de door de partijen overeengekomen normen in acht genomen te worden of, indien de partijen er geen overeengekomen zijn, de wet door de bisschoppenconferentie eventueel uitgevaardigd, of de burgerlijke wet geldend op de plaats waar de overeenkomst aangegaan wordt.

    Can. 1715 - 1 Een minnelijke schikking of een compromis kunnen niet geldig getroffen of gesloten worden betreffende datgene wat tot het publiek welzijn behoort, en betreffende andere zaken waarover de partijen niet vrij kunnen beschikken.
    2 Indien het gaat over tijdelijke kerkelijke goederen, dienen, telkens wanneer de materie dit vereist, de vormvereisten in acht genomen te worden, door het recht bepaald voor de vervreemding van kerkelijke zaken.

    Can. 1716 - 1 Indien de burgerlijke wet geen rechtskracht toekent aan een scheidsrechterlijke uitspraak, tenzij deze door de rechter bevestigd wordt, behoeft de scheidsrechterlijke uitspraak over een kerkelijk geschil, om rechtskracht te hebben in het canoniek rechtsbereik, de bevestiging van de kerkelijke rechter van de plaats waar zij gedaan is.
    2 Indien echter de burgerlijke wet de bestrijding van een scheidsrechterlijke uitspraak voor de burgerlijke rechter toestaat, kan in het canoniek rechtsbereik dezelfde bestrijding ingesteld worden voor de kerkelijke rechter die in eerste graad bevoegd is om het geschil te beoordelen.

    Boek VII Deel IV Strafproces 1717-1731

    Hoofdstuk I - Voorafgaand onderzoek 1717-1719

    Can. 1717 - 1 Telkens wanneer de Ordinaris van een misdrijf kennis krijgt, ten minste met een schijn van waarheid, dient hij zelf of door een andere geschikte persoon een behoedzaam onderzoek in te stellen betreffende de feiten en omstandigheden en betreffende de toerekenbaarheid, tenzij dit onderzoek volstrekt overbodig lijkt.
    2 Er moet gewaakt worden dat door dit onderzoek niemands goede naam in gevaar gebracht wordt.
    3 Degene die het onderzoek verricht, heeft dezelfde machten en verplichtingen als de onderzoeksrechter in een proces, en hij kan, indien daarna een gerechtelijk proces in gang gezet wordt, hierin niet als rechter optreden.

    Can. 1718 - 1 Wanneer de elementen in voldoende mate verzameld lijken, dient de Ordinaris te beslissen:
    1. of een proces tot het opleggen of verklaren van een straf in gang gezet kan worden;
    2. of dit, rekening houdend met can. 1341, aanbeveling verdient;
    3. of een gerechtelijk proces aangewend moet worden dan wel, tenzij de wet het verbiedt, te werk gegaan moet worden bij buitengerechtelijk decreet.
    2 De Ordinaris dient het decreet waarover in 1, te herroepen of te wijzigen, telkens wanneer het hem voorkomt dat hij op grond van nieuwe elementen een andere beslissing moet nemen.
    3 Bij het uitvaardigen van de decreten waarover in 1 en 2, dient de Ordinaris, indien hij dit wijselijk oordeelt, twee rechters of andere deskundigen in het recht te horen.
    4 Voordat hij volgens 1 een beslissing neemt, dient de Ordinaris te overwegen of het, om nutteloze gedingen te vermijden, aanbeveling verdient dat, met toestemming van de partijen, ofwel hijzelf ofwel degene die het onderzoek verricht, de kwestie van de schade naar recht en billijkheid beslecht.

    Can. 1719 - De akten van het onderzoek en de decreten van de Ordinaris waardoor het onderzoek begonnen of afgesloten wordt, en alles wat aan het onderzoek voorafgaat, dienen, indien zij voor het strafproces niet noodzakelijk zijn, in het geheim archief van de curie bewaard te worden.

    Hoofdstuk II - Verloop van het proces 1720-1728

    Can. 1720 - Indien de Ordinaris van mening is bij buitengerechtelijk decreet te werk te moeten gaan, dient hij:
    1. aan de aangeklaagde de aanklacht en de bewijzen te betekenen, waarbij deze de gelegenheid gegeven wordt om zich te verdedigen, tenzij de aangeklaagde, op de voorgeschreven wijze opgeroepen, nagelaten heeft te verschijnen;
    2. alle bewijzen en argumenten met de twee bijzitters nauwkeurig af te wegen;
    3. indien het misdrijf met zekerheid vaststaat en de strafvordering niet tenietgegaan is, een decreet uit te vaardigen volgens de canones 1342-1350, met een uiteenzetting, ten minste op beknopte wijze, van de redenen in rechte en in feite.

    Can. 1721 - 1 Indien de Ordinaris besloten heeft dat een strafproces begonnen moet worden, dient hij de akten van het onderzoek aan de promotor van het recht te doen toekomen, die een op schrift gestelde aanklacht volgens de canones 1502 en 1504 aan de rechter dient voor te leggen.
    2 Voor een hogere rechtbank vervult de bij de rechtbank aangestelde promotor van het recht de rol van aanklager.

    Can. 1722 - Om ergernis te voorkomen, om de vrijheid van de getuigen te beschermen en om de loop van de gerechtigheid veilig te stellen, kan de Ordinaris, na de promotor van het recht gehoord en de aangeklaagde zelf gedagvaard te hebben, in elke fase van het proces de aangeklaagde van de gewijde bediening of van een kerkelijk ambt en kerkelijke taak weren, hem verblijf opleggen of verbieden in een plaats of gebied, of ook publieke deelname aan de allerheiligste Eucharistie verbieden; dit alles moet, wanneer de oorzaak ophoudt te bestaan, herroepen worden en wordt van rechtswege beindigd bij het ophouden van het strafproces.

    Can. 1723 - 1 De rechter moet de aangeklaagde bij de dagvaarding uitnodigen een advocaat volgens can. 1481, 1 voor zich aan te stellen, binnen de tijd door de rechter zelf bepaald.
    2 Indien de aangeklaagde hierin niet voorzien heeft, dient de rechter zelf vr het vastleggen van het geschil een advocaat te benoemen, die zo lang in functie zal blijven als de aangeklaagde geen advocaat voor zich aangesteld heeft.

    Can. 1724 - 1 In elke graad van het geding kan door de promotor van het recht afstand gedaan worden van de instantie, op vraag of met toestemming van de Ordinaris door wiens beslissing het proces in gang gezet is.
    2 De afstand moet, om geldig te zijn, door de aangeklaagde aanvaard worden, tenzij deze door de rechter afwezig bij het geding verklaard is.

    Can. 1725 - In de bespreking van de zaak, hetzij deze schriftelijk gebeurt hetzij mondeling, dient de aangeklaagde steeds het recht te hebben om zelf of door zijn advocaat of procurator zich als laatste schriftelijk of mondeling te uiten.

    Can. 1726 - In welke graad en fase ook van het strafgeding moet de rechter, indien klaarblijkelijk vaststaat dat het misdrijf niet door de aangeklaagde bedreven is, dit bij vonnis verklaren en de aangeklaagde vrijspreken, zelfs indien tezelfdertijd vaststaat dat de strafvordering tenietgegaan is.

    Can. 1727 - 1 De aangeklaagde kan beroep instellen, zelfs indien het vonnis hem slecht daarom vrijgesproken heeft, omdat de straf facultatief was, of omdat de rechter gebruik gemaakt heeft van de macht waarover in de canones 1344 en 1345.
    2 De promotor van het recht kan in beroep gaan telkens wanneer hij meent dat niet voldoende voorzien is in het wegnemen van de ergernis of in het herstel van de rechtvaardigheid.

    Can. 1728 - 1 Behoudens de voorschriften van de canones van deze titel moeten in een strafgeding, tenzij de aard van de zaak het onmogelijk maakt, de canones over de gedingen in het algemeen en over het gewone contentieus geding toegepast worden, met inachtneming van de bijzondere normen betreffende zaken die op het publiek welzijn betrekking hebben.
    2 Een beschuldigde is niet gehouden tot het bekennen van een misdrijf, noch kan hem het afleggen van een eed opgedragen worden.

    Hoofdstuk III - Vordering tot schadevergoeding 1729-1731

    Can. 1729 - 1 Een benadeelde partij kan een contentieuze vordering tot vergoeding van de schade haar door het misdrijf berokkend, in het strafgeding zelf instellen, volgens can. 1596.
    2 De tussenkomst van de benadeelde partij waarover in 1, wordt niet meer toegelaten, indien deze niet geschied is in de eerste graad van het strafgeding.
    3 Beroep in een zaak betreffende schade geschiedt volgens de canones 1628-1640, zelfs indien beroep in het strafgeding niet ingesteld kan worden; indien echter beide vormen van beroep, al is het door verschillende partijen, ingediend worden, dient er n geding van beroep plaats te vinden, behoudens het voorschrift van can. 1730.

    Can. 1730 - 1 Om te grote vertragingen van het strafgeding te vermijden, kan de rechter het oordeel over de schade uitstellen totdat hij het eindvonnis in het strafgeding geveld heeft.
    2 De rechter die op deze wijze gehandeld heeft, moet, nadat hij vonnis geveld heeft in het strafgeding, over de schade oordelen, zelfs indien het strafgeding wegens een ingestelde bestrijding nog hangende is, of indien de aangeklaagde vrijgesproken is wegens een reden die de verplichting tot schadevergoeding niet wegneemt.

    Can. 1731 - Een vonnis geveld in een strafgeding, ook indien het in kracht van gewijsde gegaan is, schept op geen enkele wijze recht voor de benadeelde partij, tenzij deze volgens can. 1729 tussengekomen is.

    Boek VII Deel V Procedure bij administratief beroep en bij verwijdering of verplaatsing van pastoors 1732-1752

    Boek VI Deel V Afdeling I Beroep tegen administratieve decreten 1732-1739

    Can. 1732 - Wat in de canones van deze afdeling over decreten bepaald wordt, moet toegepast worden op alle administratieve beschikkingen voor afzonderlijke gevallen, die in het uitwendig rechtsbereik buitengerechtelijk gegeven worden, met uitzondering van die welke door de Paus zelf of door een Oecumenisch Concilie zelf uitgevaardigd worden.

    Can. 1733 - 1 Het is zeer wenselijk dat, telkens wanneer iemand zich door een decreet benadeeld acht, een betwisting tussen hem en de auteur van het decreet vermeden wordt, en dat tussen hen door gezamenlijk overleg gezorgd wordt voor het zoeken van een billijke oplossing, waarbij mogelijk ook gezaghebbende personen betrokken worden om te bemiddelen en de zaak te bestuderen, zodat het geschil op een geschikte wijze vermeden of opgelost wordt.
    2 De bisschoppenconferentie kan bepalen dat ik elk bisdom een bepaalde dienst of raad duurzaam ingesteld wordt die, volgens normen door de conferentie zelf te bepalen, de taak heeft billijke oplossingen te zoeken en aan te reiken; indien de conferentie echter hiertoe geen opdracht gegeven heeft, kan de Bisschop een dergelijke raad of dienst instellen.
    3 De dienst of raad waarover in 2, dient vooral dan op te treden wanneer de herroeping van het decreet volgens can. 1734 gevraagd is en de termijnen om beroep aan te tekenen niet verstreken zijn; indien echter tegen een decreet beroep ingesteld is, dient de Overste zelf die het beroep behandelt, telkens wanneer hij hoop heeft op een goed resultaat, de indiener van het beroep en de auteur van het decreet aan te sporen om dergelijke oplossingen te zoeken.

    Can. 1734 - 1 Voordat iemand beroep indient, moet hij de herroeping of de verbetering van het decreet schriftelijk aan de auteur ervan vragen; wanneer deze aanvraag ingediend is, wordt door het feit zelf ook de opschorting van de uitvoering als gevraagd beschouwd.
    2 De aanvraag moet geschieden binnen de peremptoire termijn van tien nuttige dagen vanaf de wettige betekening van het decreet.
    3 De normen van 1 en 2 gelden niet:
    1. voor het indienen van beroep bij de Bisschop tegen decreten, uitgevaardigd door overheden die aan hem ondergeschikt zijn;
    2. voor het indienen van beroep tegen een decreet waardoor beslist wordt over een hirarchisch beroep, tenzij de beslissing genomen is door de Bisschop;
    3. voor het indienen van beroep volgens de canones 57 en 1735.

    Can. 1735 - Indien de auteur van het decreet binnen dertig dagen vanaf de dag waarop de aanvraag waarover in can. 1734 hem bereikt heeft, een nieuw decreet betekent waardoor hij ofwel het eerste verbetert ofwel beslist dat de aanvraag verworpen moet worden, lopen de termijnen om beroep in te dienen vanaf de betekening van het nieuwe decreet; indien hij echter binnen dertig dagen niets beslist, lopen de termijnen vanaf de dertigste dag.

    Can. 1736 - 1 In die zaken waarin een hirarchisch beroep de uitvoering van een decreet opschort, heeft ook de aanvraag waarover in can. 1734, dezelfde werking.
    2 In de overige gevallen kan, tenzij de auteur van het decreet binnen tien dagen vanaf de dag waarop de aanvraag waarover in can. 1734, hem bereikt heeft, de opschorting van de uitvoering bevolen heeft, de opschorting tussentijds gevraagd worden aan zijn hirarchisch Overste, die hiertoe slechts kan beslissen om ernstige redenen en altijd met de nodige voorzorg dat niets ten nadele strekt van het zieleheil.
    3 Na de opschorting van de uitvoering van het decreet volgens 2 dient, indien daarna beroep ingediend wordt, degene die het beroep moet behandelen, volgens can. 1737, 3 te beslissen of de opschorting bevestigd of herroepen moet worden.
    4 Indien geen enkele beroep binnen de vastgestelde termijn tegen een decreet ingediend wordt, houdt de opschorting van de uitvoering, volgens 1 of 2 tussentijds tot stand gekomen, door het feit zelf op.

    Can. 1737 - 1 Wie beweert door een decreet benadeeld te zijn, kan bij de hirarchische Overste van degene die het decreet uitgevaardigd heeft, om elk goed motief beroep indienen; het beroep kan ingediend worden bij de auteur zelf van het decreet, die dit onmiddellijk naar de bevoegde hirarchische Overste moet doorzenden.
    2 Het beroep moet ingediend worden binnen de peremptoire termijn van vijftien nuttige dagen, die in de gevallen waarover in can. 1734, 3, loopt vanaf de dag waarop het decreet betekend is, maar die in de overige gevallen loopt volgens can. 1735.
    3 Ook in de gevallen waarin het beroep de uitvoering van het decreet niet van rechtswege opschort en niet tot opschorting volgens can. 1736, 2 beslist is, kan de Overste evenwel om een ernstige reden bevelen dat de uitvoering opgeschort wordt, met de nodige voorzorg echter dat niets ten nadele strekt van het zieleheil

    Can. 1738 - De indiener van het beroep heeft altijd het recht van een advocaat of procurator gebruik te maken, met vermijding van nutteloze vertragingen; meer nog, er dient zelfs van ambtswege een persoon voor het verlenen van rechtsbijstand aangesteld te worden, indien de indiener van het beroep niet over een dergelijke persoon beschikt en de Overste dit noodzakelijk acht; de Overste kan evenwel steeds bevelen dat de indiener van het beroep zelf verschijnt om ondervraagd te worden.

    Can. 1739 - Aan de Overste die het beroep behandelt, is het toegestaan, naargelang het geval zich voordoet, niet alleen een decreet te bevestigen of ongeldig te verklaren, maar het ook te vernietigen, te herroepen of, indien dit de Overste meer aanbevelenswaardig lijkt, het te verbeteren, te vervangen of te wijzigen.

    Boek VI Deel V Afdeling II Procedure bij verwijdering of verplaatsing van pastoors 1740-1752

    Hoofdstuk I - Procedure bij verwijdering van pastoors 1740-1747

    Can. 1740 - Wanneer het dienstwerk van een pastoor om een of andere reden, zelfs buiten diens zware schuld, schadelijk wordt of althans geen uitwerking meer heeft, kan hij door de diocesane Bisschop uit de parochie verwijderd worden.

    Can. 1741 - De redenen waarom een pastoor op wettige wijze uit zijn parochie verwijderd kan worden, zijn vooral deze:
    1. een wijze van handelen die de kerkelijke gemeenschap ernstig nadeel berokkent of in verwarring brengt;
    2. onkunde of een blijvende geestelijke of lichamelijke ziekte die de pastoor ongeschikt maken om zijn taken goed te vervullen;
    3. verlies van goede naam bij rechtschapen en in aanzien staande parochianen of afkeer jegens de pastoor, waarvan voorzien wordt dat zij niet binnen korte tijd zullen ophouden;
    4. ernstige verwaarlozing of schending van zijn parochile plichten, die na waarschuwing voortduurt.
    5. slecht beheer van de tijdelijke goederen met ernstige schade voor de Kerk, telkens wanneer dit kwaad met geen ander middel verholpen kan worden.

    Can. 1742 - 1 Indien na het verrichten van een onderzoek is komen vast te staan dat de reden aanwezig is waarover in can. 1740, dient de Bisschop de zaak te bespreken met twee pastoors, die hiervoor door de priesterraad op duurzame wijze uit de groep, op voorstel van de Bisschop, gekozen zijn; indien hij echter daarna meent tot verwijdering te moeten overgaan, dient hij, voor de geldigheid met aanduiding van de reden en van de motieven, de pastoor vaderlijk aan te raden om binnen de periode van vijftien dagen afstand te doen.
    2 Ten aanzien van pastoors die lid zijn van een religieus instituut of van een sociteit van apostolisch leven, dient het voorschrift van can. 682, 2 in acht genomen te worden.

    Can. 1743 - Het afstand doen door een pastoor kan niet alleen zuiver en zonder meer geschieden, maar ook onder voorwaarde, mits deze door de Bisschop wettig aanvaard kan worden en in feite aanvaard wordt.

    Can. 1744 - 1 Indien de pastoor binnen de vooraf bepaalde dagen niet geantwoord heeft, dient de Bisschop de uitnodiging te herhalen met verlenging van de nuttige tijd om te antwoorden.
    2 Indien het voor de Bisschop is komen vast te staan dat de pastoor de tweede uitnodiging ontvangen heeft, maar dat hij, ofschoon door geen enkel beletsel weerhouden, niet geantwoord heeft, of indien de pastoor zonder enig motief aan te voeren weigert afstand te doen, dient de Bisschop een decreet van verwijdering uit te vaardigen.

    Can. 1745 - Indien de pastoor echter de aangevoerde reden en de argumenten ervoor bestrijdt door motieven aan te halen die de Bisschop ontoereikend voorkomen, dient deze, om geldig te handelen:
    1. hem uit te nodigen om, na inzage van de akten, zijn tegenwerpingen in een schriftelijk verslag bijeen te brengen, en bovendien de bewijzen voor het tegendeel aan te voeren indien hij er heeft;
    2. vervolgens, na het vervolledigen van het onderzoek indien nodig, de zaak af te wegen, samen met dezelfde pastoors over wie in can. 1742, 1, tenzij anderen omwille van hun niet beschikbaar zijn aangewezen moeten worden;
    3. tenslotte te bepalen of de pastoor verwijderd moet worden of niet, en kort daarna een decreet over de zaak uit te vaardigen.

    Can. 1746 - Na de verwijdering van de pastoor dient de Bisschop voor hem zorg te dragen, hetzij door de toewijzing van een ander ambt, indien hij hiervoor geschikt is, hetzij door een uitkering, naargelang het geval zich voordoet en de omstandigheden het toelaten.

    Can. 1747 - 1 De verwijderde pastoor moet zich van de uitoefening van het ambt van pastoor onthouden, zo spoedig mogelijk de pastorie ontruimen, en alles wat de parochie toebehoort, overdragen aan degene aan wie de Bisschop de parochie toevertrouwd heeft.
    2 Indien het echter over een zieke gaat die niet zonder bezwaar uit de pastorie naar elders overgebracht kan worden, dient de Bisschop het gebruik ervan, zelfs het exclusieve, aan hem te laten, zolang deze noodzaak voortduurt.
    3 Zolang het beroep tegen het decreet van verwijdering hangende is, kan de Bisschop geen nieuwe pastoor benoemen, maar dient hij intussen door een parochie-administrator hierin te voorzien.

    Hoofdstuk II - Procedure bij verplaatsing van pastoors 1748-1752

    Can. 1748 - Indien het zieleheil ofwel de nood of het nut van de Kerk vereist dat een pastoor van zijn parochie, die hij goed leidt, naar een andere parochie of naar een ander ambt verplaatst wordt, dient de Bisschop hem de verplaatsing schriftelijk voor te leggen en hem aan te raden uit liefde voor God en de zielen hierin toe te stemmen.

    Can. 1749 - Indien de pastoor de intentie niet heeft de raad en de aanbevelingen van de Bisschop te volgen, dient hij zijn redenen schriftelijk uiteen te zetten.

    Can. 1750 - Indien de Bisschop, niettegenstaande de aangevoerde redenen, oordeelt niet van zijn voornemen te moeten terugkomen, dient hij met de twee volgens can. 1742, 1 gekozen pastoors de redenen af te wegen die ten gunste of ten nadele van de verplaatsing zijn; maar indien hij vervolgens meent dat de verplaatsing doorgevoerd moet worden, dient hij zijn vaderlijke aansporingen ten opzichte van de pastoor te herhalen.

    Can. 1751 - 1 Indien, nadat dit geschied is, de pastoor nog altijd weigert en de Bisschop van mening is dat de verplaatsing moet gebeuren, dient hij een decreet van verplaatsing uit te vaardigen, waarbij hij bepaalt dat de parochie na het verstrijken van de vastgestelde tijd vacant zal zijn.
    2 Wanneer deze tijd ongebruikt verstreken is, dient hij de parochie vacant te verklaren.

    Can. 1752 - In zaken van verplaatsing dienen de voorschriften van can. 1747 toegepast te worden, met inachtneming van de canonieke billijkheid en met het zieleheil voor ogen, dat in de Kerk steeds de hoogste wet moet zijn.