Uitgebreid zoeken
Kerkrecht.nl
Help
Contact

Codex Iuris Canonici - Wetboek van Canoniek Recht - 1983


auteur(s):
genre: Codex
bundel:
tijdschrift:
jaargang:
uitgever: Gooi en Sticht
plaats: Hilversum
jaar: 1996
druk: 2 (licht herzien)
ISBN/ISSN: 9030403705
aantal pagina's: 855
Deze tekst is genomen uit de Latijns-Nederlandse uitgave in opdracht van de Belgische en de Nederlandse Bisschoppenconferentie verschenen in 1987. Ze fungeert als proeftekst en is nog niet geautoriseerd. Het copyright van de Nederlandse vertaling berust bij de Belgische en Nederlandse Bisschoppenconferenties. Plaatsing op deze website met toestemming van het secretariaat van het Rooms-Katholiek Kerkgenootschap in Nederland.

  • Boek I-Algemene normen 1-203
  • Boek II-Volk Gods Dl.I 204-329
  • Boek II-Volk Gods Dl.II 330-572
  • Boek II-Volk Gods Dl.III 573-746
  • Boek III-Verkondigingstaak 747-833
  • Boek IV-Heiligingstaak 834-1253
  • Boek V-Tijdelijke goederen 1254-1310
  • Boek VI-Sancties 1311-1399
  • Boek VII-Processen 1400-1752
  • Boek II-Volk Gods Dl.I 204-329


    Boek II Volk Gods

    Boek II Deel I Christengelovigen 204-329

    Can. 204 - § 1 Christengelovigen zijn zij die, door het doopsel in Christus ingelijfd, tot volk van God gemaakt, en aldus aan de priesterlijke, profetische en koninklijke taak van Christus op hun wijze deelachtig, ieder volgens zijn eigen plaats, geroepen worden de zending uit te voeren die God aan de Kerk ter vervulling in de wereld toevertrouwd heeft.
    § 2 Deze Kerk, in deze wereld als georganiseerde gemeenschap ingericht en geordend, bestaat in de katholieke Kerk, door de opvolger van Petrus en door de Bisschoppen in gemeenschap met hem bestuurd.

    Can. 205 - Volledig in de gemeenschap van de katholieke Kerk hier op aarde zijn die gedoopten die in haar zichtbaar verband met Christus verbonden zijn, door de banden namelijk van de geloofsbelijdenis, van de sacramenten en van het kerkelijk bestuur.

    Can. 206 - § 1 Op een bijzondere wijze zijn met de Kerk verbonden de catechumenen, die namelijk, bewogen door de Heilige Geest, expliciet hun wil te kennen geven en vragen erbij ingelijfd te worden, en daarom door dit verlangen zelf, evenals ook door het leven van geloof, hoop en liefde dat zij leiden, met de Kerk verbonden zijn, die zorg voor hen draagt als behoorden zij reeds tot haar.
    § 2 Voor de catechumenen heeft de Kerk een bijzondere zorg; terwijl zij hen uitnodigt een evangelisch leven te leiden en hen inleidt tot het vieren van de heilige riten, verleent zij hun reeds verschillende voorrechten die aan christenen eigen zijn.

    Can. 207 - § 1 Krachtens goddelijke instelling zijn er onder de christengelovigen in de Kerk gewijde bedienaren, die in het recht ook clerici genoemd worden; de overigen echter worden ook leken genoemd.
    § 2 In elk van deze beide groepen zijn er christengelovigen die door de professie van de evangelische raden door geloften of andere gewijde bindingen, door de Kerk erkend en bekrachtigd, zich op hun eigen bijzondere wijze aan God toewijden en de heilszending van de Kerk dienen; hun staat behoort, hoewel niet tot de hiërarchische structuur van de Kerk; niettemin tot haar leven en haar heiligheid.

    Boek II Deel I Titel I Verplichtingen en rechten van alle christengelovigen 208-223

    Can. 208 - Tussen alle christengelovigen, en wel krachtens hun wedergeboorte in Christus,
    bestaat een ware gelijkheid in waardigheid en handelen, waardoor allen, ieder overeenkomstig de eigen plaats en taak, aan de opbouw van het Lichaam van Christus meewerken.

    Can. 209 - § 1 De christengelovigen zijn gebonden aan de verplichting, ook in hun eigen handelwijze, altijd de gemeenschap met de Kerk te bewaren.
    § 2 Met grote nauwgezetheid dienen zij de plichten te vervullen waartoe zij gehouden zijn zowel jegens de Kerk als geheel als jegens de particuliere Kerk waartoe zij volgens de voorschriften van het recht behoren.

    Can. 210 - Alle christengelovigen moeten overeenkomstig de eigen plaats hun krachten aanwenden om een heilig leven te leiden alsook om de groei van de Kerk en haar voortdurende heiliging te bevorderen.

    Can. 211 - Alle christengelovigen hebben de plicht en het recht zich ervoor in te zetten dat de goddelijke heilsboodschap meer en meer tot alle mensen van alle tijden en van de gehele wereld doordingt.

    Can. 212 - § 1 Ten aanzien van hetgeen de gewijde Herders, Christus vertegenwoordigend, als geloofsleraren verklaren of als bestuurders van de Kerk bepalen, zijn de christengelovigen, in het besef van hun eigen verantwoordelijkheid, gehouden een christelijke gehoorzaamheid te betonen.
    § 2 De christengelovigen komt het onverminderd toe hun noden, in het bijzonder van geestelijke aard, en hun wensen aan de Herders van de Kerk kenbaar te maken.
    § 3 Naargelang van de kennis, de deskundigheid en het aanzien dat zij genieten, hebben zij het recht, zelfs ook soms de plicht, hun mening over wat het welzijn van de Kerk aangaat aan de gewijde Herders kenbaar te maken en deze, met behoud van de zuiverheid van geloof en zeden en van de eerbied jegens de Herders, en rekening houdend met het algemeen nut en de waardigheid van de personen, aan de overige christengelovigen bekend te maken.

    Can. 213 - De christengelovigen hebben het recht uit de geestelijke goederen van de Kerk, vooral uit het woord Gods en de sacramenten, bijstand van de gewijde Herders te ontvangen.

    Can. 214 - De christengelovigen hebben het recht de eredienst aan God te voltrekken volgens de voorschriften van de eigen, door de wettige Herders van de Kerk goedgekeurde ritus, en een eigen vorm van geestelijk leven te volgen, in overeenstemming evenwel met de leer van de Kerk.

    Can. 215 - Het komt de christengelovigen onverminderd toe vrij verenigingen te stichten en te leiden met doelstelling van caritas of vroomheid of ter bevordering van de christelijke roeping in de wereld, en bijeenkomsten te houden om deze doelstellingen gemeenschappelijk na te streven.

    Can. 216 - Alle christengelovigen hebben, daar zij immers deel hebben aan de zending van de Kerk, het recht ook door eigen initiatieven, naargelang van ieders staat en plaats, de apostolische activiteit te bevorderen of te ondersteunen; geen enkel initiatief evenwel mag aanspraak maken op de naam katholiek tenzij met bijkomende toestemming van de bevoegde kerkelijke overheid.

    Can. 217 - De christengelovigen hebben, daar zij door het doopsel geroepen zijn een leven te leiden in overeenstemming met de evangelische leer, het recht op een christelijke opvoeding, waardoor zij op de juiste wijze onderricht worden om tot de rijpheid van de menselijke persoon te komen en tegelijkertijd het heilsmysterie te leren kennen en beleven.

    Can. 218 - Wie zich toeleggen op de gewijde wetenschappen, genieten een gerechte vrijheid om onderzoek te verrichten alsook om hun mening naar wijs oordeel bekend te maken in zaken waarin zij deskundig zijn, met behoud van de verschuldigde volgzaamheid jegens het leergezag van de Kerk.

    Can. 219 - Alle christengelovigen genieten het recht om in het kiezen van hun levensstaat vrij te zijn van welke dwang ook.

    Can. 220 - Het is niemand geoorloofd de goede naam die iemand geniet onwettig te schaden, of het recht te schenden van wie ook om de eigen privacy te bewaren.

    Can. 221 - § 1 De christengelovigen komt het toe de rechten die zij in de Kerk genieten, wettig op te eisen en te verdedigen voor een bevoegde kerkelijke instantie volgens het recht.
    § 2 De christengelovigen hebben eveneens het recht om, indien zij door een bevoegde overheid voor het gerecht gedaagd worden, geoordeeld te worden met inachtneming van de voorschriften van het recht, welke met billijkheid toegepast moeten worden.
    § 3 De christengelovigen hebben het recht dat hun geen canonieke straffen opgelegd worden tenzij volgens de wet.

    Can. 222 - § 1 De christengelovigen zijn aan de verplichting gehouden in de noden van de Kerk te voorzien, opdat zij kan beschikken over datgene wat voor de goddelijke eredienst, voor de werken van apostolaat en caritas en voor een passend onderhoud van haar bedienaren noodzakelijk is.
    § 2 Zij zijn ook aan de verplichting gehouden de sociale rechtvaardigheid te bevorderen alsook, het voorschrift van de Heer indachtig, uit eigen middelen de armen bij te staan.

    Can. 223 - § 1 Bij het uitoefenen van hun rechten moeten de christengelovigen zowel ieder afzonderlijk als samen in verenigingen rekening houden met het algemeen welzijn van de Kerk alsook met de rechten van anderen en hun eigen plichten jegens anderen.
    § 2 Het komt de kerkelijke overheid toe om, met het oog op het algemeen welzijn, de uitoefening van de rechten die de christengelovigen eigen zijn, te regelen.

    Boek II Deel I Titel II Verplichtingen en rechten van christengelovigen-leken 224-231

    Can. 224 - Naast die verplichtingen en rechten welke voor alle christengelovigen gemeenschappelijk zijn en naast die welke in andere canones bepaald worden, zijn christengelovigen-leken gehouden aan de verplichtingen en genieten zij de rechten die in de canones van deze titel opgesomd worden.

    Can. 225 - § 1 De leken zijn, daar zij zoals alle christengelovigen door middel van het doopsel en het vormsel door God tot het apostolaat bestemd zijn, gehouden aan de algemene verplichting en genieten het recht, hetzij ieder afzonderlijk hetzij gezamenlijk in verenigingen, er zich voor in te zetten dat de goddelijke heilsboodschap door alle mensen overal ter wereld gekend en aanvaard wordt; deze verplichting dringt zelfs des te meer in die omstandigheden waarin de mensen alleen door hen het Evangelie kunnen horen en Christus leren kennen.
    § 2 Ook zijn zij aan de bijzondere plicht gehouden, ieder evenwel overeenkomstig de eigen plaats, de orde van het tijdelijke met de geest van het Evangelie te doordringen en te vervolmaken, en zo op bijzondere wijze bij het behandelen hiervan en bij het uitoefenen van wereldlijke functies getuigenis van Christus af te leggen.

    Can. 226 - § 1 Wie in de huwelijksstaat leven, zijn, overeenkomst de eigen roeping, aan de bijzondere plicht gehouden zich door hun huwelijk en gezin in te zetten voor de opbouw van het volk Gods.
    § 2 De ouders zijn, omdat zij aan de kinderen het leven geschonken hebben, gehouden aan de zeer zware verplichting en genieten het recht dezen op te voeden; daarom is het op de eerste plaats de taak van de christelijke ouders zorg te dragen voor een christelijke opvoeding van de kinderen volgens de door de Kerk overgeleverde leer.

    Can. 227 - Christengelovigen-leken hebben het recht dat hun in zaken van de burgerlijke samenleving de vrijheid toegekend wordt welke alle burgers toekomt; bij het gebruik maken echter van deze vrijheid dienen zij er zorg voor te dragen dat hun handelen doordrongen is van de evangelische geest, en dienen zij de door het leergezag van de Kerk voorgehouden leer voor ogen te houden, waarbij zij zich er evenwel voor hoeden bij open kwesties hun eigen mening als de leer van de Kerk voor te stellen.

    Can. 228 - § 1 Leken die geschikt bevonden worden, zijn bekwaam om door de gewijde Herders aangenomen te worden voor die kerkelijke ambten en taken die zij volgens de voorschriften van het recht kunnen vervullen.
    § 2 Leken die zich door de vereiste kennis, wijsheid en aanzien onderscheiden, zijn bekwaam als deskundigen of adviseurs, ook in raden volgens het recht, de Herders van de Kerk bij te staan.

    Can. 229 - § 1 De leken zijn, om overeenkomstig de christelijke leer te kunnen leven en deze ook zelf te kunnen verkondigen en, indien nodig, verdedigen, en opdat zij in de uitoefening van het apostolaat hun eigen aandeel kunnen hebben, gehouden aan de verplichting en genieten het recht een kennis van deze leer te verwerven die aangepast is aan de eigen bekwaamheid en plaats van ieder.
    § 2 Zij genieten ook het recht de meer volledige kennis te verwerven in de gewijde wetenschappen die aan kerkelijke universiteiten of faculteiten of in instituten van godsdienstwetenschappen onderwezen worden, daar de colleges bij te wonen en academische graden te behalen.
    § 3 Eveneens zijn zij, met inachtneming van de voorschriften die bepaald zijn betreffende de vereiste geschiktheid, bekwaam van de wettige kerkelijke overheid een leeropdracht in de gewijde wetenschappen te ontvangen.

    Can. 230 - § 1 Mannelijke leken die over de door een decreet van de bisschoppenconferentie bepaalde leeftijd en gaven beschikken, kunnen door de voorgeschreven liturgische ritus vast aangesteld worden tot de bediening van lector en van acoliet; deze verlening van bedieningen evenwel brengt voor hen niet het recht met zich mee op een door de Kerk te verschaffen onderhoud of vergoeding.
    § 2 Leken kunnen krachtens een tijdelijke aanstelling bij liturgische handelingen de taak van lector vervullen; ook kunnen alle leken de taken van commentator, cantor of andere vervullen volgens het recht.
    § 3 Waar de nood van de Kerk dit wenselijk maakt, kunnen bij gebrek aan bedienaren ook leken, al zijn zij geen lector of acoliet, sommige van hun taken waarnemen, namelijk de bediening van het woord uitoefenen, in liturgische gebeden voorgaan, het doopsel toedienen en de heilige Communie uitreiken, volgens de voorschriften van het recht.

    Can. 231 - § 1 Leken die blijvend of tijdelijk voor een bijzondere dienst van de Kerk aangesteld worden, zijn aan de verplichting gehouden de geschikte vorming te verwerven welke vereist is om hun taak naar behoren te vervullen en deze taak gewetensvol, zorgvuldig en nauwgezet te vervullen.
    § 2 Onverminderd het voorschrift van can. 230, § 1 hebben zij recht op een passende, aan hun plaats aangepaste vergoeding waarmee zij op een behoorlijke wijze, met inachtneming ook van de voorschriften van het burgerlijk recht, in hun eigen noden en in die van hun gezin kunnen voorzien; eveneens komt hun het recht toe dat naar behoren gezorgd wordt voor wat men noemt hun sociale voorzieningen, sociale zekerheid en geneeskundige bijstand.

    Boek II Deel I Titel III Gewijde bedienaren of clerici 232-293

    Hoofdstuk I - Opleiding van clerici 232-264

    Can. 232 - Het is de plicht van de Kerk en haar eigen en uitsluitend recht degenen op te leiden die voor de gewijde bedieningen bestemd worden.

    Can. 233 - § 1 Op de gehele christelijke gemeenschap rust de plicht roepingen te bevorderen opdat in de noden van het gewijde dienstwerk in de gehele Kerk voldoende voorzien wordt; speciaal aan deze plicht gehouden zijn de christelijke gezinnen, de opvoeders en op bijzondere wijze de priesters, vooral de pastoors. De diocesane Bisschoppen, op wie bij uitstek de taak rust om roepingen te bevorderen, dienen het hun toevertrouwde volk nauwkeurig te onderrichten over het belang van het gewijde dienstwerk en over de noodzaak van gewijde bedienaren in de Kerk, alsook initiatieven ter bevordering van roepingen, vooral door werken die hiertoe ingesteld zijn, te wekken en te ondersteunen.
    § 2 Bovendien dienen de priesters, maar vooral de diocesane Bisschoppen er voor zorg te dragen dat mannen van rijpere leeftijd die zich tot de gewijde bedieningen geroepen voelen, wijs met woord en daad geholpen en naar behoren voorbereid worden.

    Can. 234 - § 1 Waar ze bestaan, dienen in stand gehouden en bevorderd te worden kleinseminaries of andere gelijksoortige instituten, waarin namelijk ter bevordering van roepingen zorg gedragen wordt dat een bijzondere godsdienstige vorming samen met een algemeen-mensvormende en wetenschappelijke opleiding gegeven wordt; de diocesane Bisschop dient zelfs, waar hij dit nuttig oordeelt, te zorgen voor de oprichting van een kleinseminarie of een gelijksoortig instituut.
    § 2 Tenzij in bepaalde gevallen de omstandigheden iets anders wenselijk maken, dienen jongeren die het voornemen hebben naar het priesterschap op te gaan, die algemeen-mensvormende en wetenschappelijke vorming te ontvangen waarmee jongeren ieder in hun streek op het doen van hogere studies voorbereid worden.

    Can. 235 - § 1 Jongeren die het voornemen hebben priester te worden, dienen voor een aangepaste geestelijke vorming en voor de eigen taken onderricht te worden op een grootseminarie gedurende de gehele vormingstijd of, indien de omstandigheden volgens het oordeel van de diocesane Bisschop dit eisen, gedurende ten minste vier jaar.
    § 2 Zij die wettig buiten het seminarie verblijven, dienen door de diocesane Bisschop toevertrouwd te worden aan een vrome en geschikte priester, die erover waakt dat zij met zorg gevormd worden in het geestelijk leven en in de discipline.

    Can. 236 - De aspiranten voor het permanent diaconaat dienen overeenkomstig de voorschriften van de bisschoppenconferentie gevormd te worden in het voeden van hun geestelijk leven alsook opgeleid te worden om te taken welke aan de wijding eigen zijn, op de juiste wijze te vervullen:
    1. jonge mannen tijdens een verblijf van ten minste drie jaar in een daartoe bestemd huis, tenzij de diocesane Bisschop om ernstige redenen anders bepaald heeft;
    2. mannen van rijpere leeftijd, hetzij ongehuwd hetzij gehuwd, gedurende drie jaar op een wijze welke door dezelfde bisschoppenconferentie bepaald is.

    Can. 237 - § 1 In elk bisdom afzonderlijk dient, waar dit mogelijk en nuttig is, een grootseminarie te zijn; anders dienen de studenten die zich op de gewijde bedieningen voorbereiden, aan het seminarie van een ander bisdom toevertrouwd te worden of dient een interdiocesaan seminarie opgericht te worden.
    § 2 Een interdiocesaan seminarie mag niet opgericht worden tenzij vooraf de goedkeuring van de Apostolische Stoel verkregen is zowel betreffende de oprichting zelf van het seminarie als betreffende zijn statuten, en wel door de bisschoppenconferentie, als het gaat om een seminarie voor geheel haar gebied, en anders door de belanghebbende Bisschoppen.

    Can. 238 - § 1 De wettig opgerichte seminaries genieten van rechtswege rechtspersoonlijkheid in de Kerk.
    § 2 Bij het behandelen van alle zaken wordt het seminarie vertegenwoordigd door zijn rector, tenzij voor bepaalde zaken de bevoegde overheid iets anders bepaald heeft.

    Can. 239 - § 1 In elk seminarie dient een rector te zijn die de leiding ervan heeft en eventueel een vice-rector, een econoom en, als de studenten in het seminarie zelf zich aan de studies wijden, ook professoren die onderricht geven in de verschillende disciplines, die op geëigende wijze op elkaar afgestemd zijn.
    § 2 In elk seminarie dient tenminste één geestelijk directeur te zijn, met behoud van de vrijheid voor de studenten zich tot andere priesters te wenden die door de Bisschop voor deze taak aangesteld zijn.
    § 3 In de statuten van het seminarie dient voorzien te worden in de wijzen waarop de andere bestuurders, de professoren en ook de studenten zelf in de zorg van de rector delen, vooral bij het bewaren van de discipline.

    Can. 240 - § 1 Naast de gewone biechtvaders dienen regelmatig andere biechtvaders in het seminarie te komen en dient het, met behoud evenwel van de seminarie-discipline, de studenten altijd onverminderd toe te komen zich te wenden tot iedere biechtvader hetzij in het seminarie hetzij daarbuiten.
    § 2 Bij het nemen van beslissingen over het toelaten van studenten tot de wijdingen of het wegzenden van het seminarie kan nooit het oordeel van de geestelijk directeur en van de biechtvaders gevraagd worden.

    Can. 241 - § 1 Tot het grootseminarie mogen door de diocesane Bisschop alleen degenen toegelaten worden die, rekening houdend met hun menselijke en morele, geestelijke en intellectuele gaven, met hun fysieke en psychische gezondheidstoestand alsmede hun juiste gezindheid, bekwaam geacht worden zich voor het leven te wijden aan de gewijde bedieningen.
    § 2 Voordat zij aangenomen mogen worden, moeten zij de documenten voorleggen over het ontvangen van het doopsel en het vormsel alsmede de andere documenten die volgens de voorschriften van het Statuut voor de priesteropleiding vereist zijn.
    § 3 Indien het gaat over het toelaten van hen die van een ander seminarie of van een religieus instituut weggezonden zijn, is bovendien het getuigenis van de betreffende overste vereist vooral omtrent de oorzaak van hun wegzending of heengaan.

    Can. 242 - § 1 In elke natie afzonderlijk dient een Statuut voor de priesteropleiding te zijn dat vastgesteld moet worden door de bisschoppenconferentie, rekening houdend met de door de hoogste kerkelijke overheid uitgevaardigde normen, en dat door de Heilige Stoel goedgekeurd moet worden en ook, eveneens met goedkeuring van de Heilige Stoel, aan nieuwe omstandigheden aangepast moet worden; hierin dienen de hoofdbeginselen bepaald te worden van de in het seminarie te geven opleiding alsmede de algemene normen hieromtrent, aangepast aan de pastorale noden van elk gebied of provincie.
    § 2 De normen van het Statuut waarover in § 1, dienen in alle seminaries, zowel diocesane als interdiocesane, in acht genomen te worden.

    Can. 243 - Bovendien dient elk seminarie een eigen reglement te hebben, door de diocesane Bisschop of, indien het om een interdiocesaan seminarie gaat, door de belanghebbende Bisschoppen goedgekeurd, waarin de normen van het Statuut voor de priesteropleiding aan bijzondere omstandigheden aangepast worden, en vooral die gedeelten van de discipline nader bepaald worden die het dagelijks leven van de studenten en de ordening van het gehele seminarie betreffen.

    Can. 244 - De geestelijke vorming en de leerstellige opleiding van de studenten in het seminarie dienen harmonisch op elkaar afgestemd te worden, en zij dienen erop gericht te zijn dat de studenten, ieder naar eigen geaardheid, samen met de vereiste menselijke rijpheid de geest van het Evangelie en een nauwe band met Christus verwerven.

    Can. 245 - § 1 Door de geestelijke vorming dienen de studenten geschikt te worden om de pastorale bediening vruchtbaar uit te oefenen en dienen zij opgevoed te worden tot een missionaire geest, waarbij zij leren dat het altijd in levend geloof en in liefde vervullen van de bediening bijdraagt tot eigen heiliging; eveneens dienen zij die deugden te leren beoefenen welke in de menselijke samenleving hoog aangeslagen worden, en wel zo dat zij tot een passende harmonie van menselijke en bovennatuurlijke waarden kunnen komen.
    § 2 De studenten dienen zo gevormd te worden dat zij, doordrongen van liefde jegens de Kerk van Christus, zich in nederige en kinderlijke liefde aan de Paus als opvolger van Petrus binden, zich als trouwe medewerkers aan hun eigen Bisschop hechten en dat zij met hun broeders samenwerken; door het gemeenschappelijk leven in het seminarie en door het met zorg onderhouden van de band van vriendschap en verbondenheid met de anderen dienen zij zich voor te bereiden op een broederlijke eenheid met het diocesaan presbyterium waarvan zij in dienst van de Kerk deel zullen uitmaken.

    Can. 246 - § 1 De Eucharistieviering dient het middelpunt te zijn van het gehele seminarieleven zodat de studenten dagelijks, delend in de liefde zelf van Christus, vooral uit deze allerrijkste bron de innerlijke kracht putten voor het apostolisch werk en voor hun geestelijk leven.
    § 2 Zij dienen gevormd te worden tot het vieren van de liturgische getijden, waarin de bedienaren van God in naam van de Kerk voor het gehele hun toevertrouwde volk en zelfs voor de gehele wereld bidden tot God.
    § 3 Bevorderd dienen te worden de verering van de Heilige Maagd Maria ook door het rozenkransgebed, het inwendig gebed en andere oefeningen van godsvrucht, opdat de studenten hierdoor de geest van gebed verwerven en sterkte in hun roeping verkrijgen.
    § 4 De studenten dienen de gewoonte aan te nemen dikwijls tot het boetesacrament te naderen, en het wordt aanbevolen dat iedereen een leidsman heeft voor zijn geestelijk leven, en wel naar vrije keuze, aan wie hij in vertrouwen zijn geweten kan openstellen.
    § 5 De studenten dienen elk jaar een retraite te houden.

    Can. 247 - § 1 Zij dienen door een passende opvoeding voorbereid te worden op het onderhouden van de staat van het celibaat, en te leren deze in ere te houden als een bijzondere gave van God.
    § 2 De studenten dienen naar behoren op de hoogte gebracht te worden van de plichten en lasten welke aan de gewijde bedienaren van de Kerk eigen zijn, waarbij geen enkele moeilijkheid van het priesterleven verzwegen wordt.

    Can. 248 - De leerstellige opleiding die gegeven moet worden, is erop gericht dat de studenten tegelijk met een algemene ontwikkeling welke overeenstemt met de noden van plaats en tijd, een brede en gedegen kennis in de gewijde disciplines verwerven, zodat zij vanuit hun eigen geloof, hierop gefundeerd en hieruit gevoed, de leer van het Evangelie aan de mensen van hun tijd naar behoren kunnen verkondigen, op een wijze die aan het begripsvermogen van dezen aangepast is.

    Can. 249 - In het Statuut voor de priesteropleiding dient voorzien te worden dat de studenten niet alleen met zorg in hun moedertaal onderricht worden, maar dat zij ook de Latijnse taal goed beheersen, en ook een passende kennis bezitten van vreemde talen waarvan de kennis voor hun vorming of voor de uitoefening van de pastorale bediening noodzakelijk of nuttig lijkt.

    Can. 250 - De filosofische en theologische studies welke in het seminarie zelf ingericht worden, kunnen na elkaar of tegelijk gedaan worden, overeenkomstig het Statuut voor de priesteropleiding; de studies dienen tenminste zes volledige jaren te beslaan, en wel zo dat de tijd welke aan filosofische disciplines besteed moet worden, overeenkomt met twee volle jaren, die voor de theologische studies met vier volle jaren.

    Can. 251 - De filosofische opleiding, die moet steunen op het altijd geldige filosofische erfgoed en ook rekening dient te houden met het filosofisch onderzoek van de voortschrijdende tijd, dient zo gegeven te worden dat ze de menselijke vorming van de studenten vervolmaakt, de scherpte van hun geest bevordert en hen meer geschikt maakt om de theologische studies te volbrengen.

    Can. 252 - § 1 De theologische opleiding dient, in het licht van het geloof, onder leiding van het Leergezag, zo gegeven te worden dat de studenten de volledige katholieke leer, steunend op de goddelijke Openbaring, leren kennen, haar tot voedsel maken voor hun eigen geestelijk leven en haar bij het uitoefenen van de bediening op de juiste wijze kunnen verkondigen en verdedigen.
    § 2 De studenten dienen met een bijzondere zorgvuldigheid onderwezen te worden in de heilige Schrift zodat zij een overzicht van de gehele heilige Schrift krijgen.
    § 3 Er dienen colleges gegeven te worden in de dogmatische theologie, welke altijd steunt op het geschreven woord van God samen met de gewijde Traditie, met behulp waarvan de studenten vooral met de heilige Thomas als leraar, dieper leren doordringen in de heilsmysteries; er dienen eveneens colleges gegeven te worden in de moraal- en pastoraaltheologie, het kerkelijk recht, de liturgie, de kerkgeschiedenis en ook in andere disciplines, bijzondere en hulpdisciplines, volgens de voorschriften van het Statuut voor de priesteropleiding.

    Can. 253 - § 1 Voor het ambt van professor in de filosofische, theologische en rechtswetenschappen mogen door de Bisschop of door de belanghebbende Bisschoppen alleen zij benoemd worden die, zich onderscheidend door een deugdzaam leven, een doctoraat of licentiaat behaald hebben aan een door de Heilige Stoel erkende universiteit of faculteit.
    § 2 Er dient voor gezorgd te worden dat even zovele onderscheiden professoren benoemd worden om onderricht te geven in de heilige Schrift, de dogmatische theologie, de moraaltheologie, de liturgie, de filosofie, het kerkelijk recht, de kerkgeschiedenis, en de andere disciplines die volgens een eigen methode onderwezen moeten worden.
    § 3 Een professor die ernstig in zijn taak tekortschiet, dient door de overheid waarover in § 1, verwijderd te worden.

    Can. 254 - § 1 De professoren dienen bij het geven van hun vakken voortdurend de diepste eenheid en harmonie van de geloofsleer in het oog te houden, opdat de studenten ervaren dat zij één wetenschap leren; om dit beter te bereiken, dient er in het seminarie iemand te zijn die de leiding heeft van de gehele studieregeling.
    § 2 De studenten dienen zo onderwezen te worden dat zij ook zelf bekwaam worden om vraagstukken door eigen aangepast onderzoek en volgens een wetenschappelijke methode te behandelen; er dienen dus oefeningen te zijn waarin de studenten onder leiding van de professoren leren door eigen werkzaamheid bepaalde studies te volbrengen.

    Can. 255 - Hoewel de gehele vorming van de studenten in het seminarie een pastoraal doel beoogt, dient daar een strikt pastorale opleiding ingericht te worden waardoor de studenten de beginselen en de vaardigheden aanleren welke, ook rekening houdend met de behoeften van plaats en tijd, betrekking hebben op de uitoefening van het dienstwerk van het onderrichten, het heiligen en het leiden van het volk Gods.

    Can. 256 - § 1 De studenten dienen zorgvuldig onderwezen te worden in datgene wat op bijzondere wijze het gewijd dienstwerk betreft, vooral in het vakkundig beoefenen van de catechetiek en homiletiek, in het vieren van de goddelijke eredienst en in het bijzonder van de sacramenten, in het omgaan met mensen, ook niet-katholieken of niet-gelovigen, in het beheer van een parochie alsook in het vervullen van de andere taken.
    § 2 De studenten dienen degelijk onderricht te worden aangaande de noden van de gehele Kerk zodat zij bezorgd zijn voor het bevorderen van roepingen, voor vraagstukken van missie en oecumene alsook voor andere dringende vraagstukken, ook sociale.

    Can. 257 - § 1 De opleiding van de studenten dient zo te zijn dat zij niet alleen bezorgd zijn voor de particuliere Kerk in dienst waarvan zij geďncardineerd worden, maar ook voor de gehele Kerk, en dat zij de bereidheid tonen zich te wijden aan particuliere Kerken waarvan de nood ernstig en dringend is.
    § 2 De diocesane Bisschop dient ervoor te zorgen dat clerici die het voornemen hebben van de eigen particuliere Kerk naar een particuliere Kerk van een ander gebied over te gaan, naar behoren voorbereid worden om daar het gewijd dienstwerk uit te oefenen, dat zij namelijk én de taal van het gebied aanleren én inzicht krijgen in zijn instellingen, sociale omstandigheden, gebruiken en gewoonten.

    Can. 258 - Om de vaardigheid het apostolaat uit te oefenen ook in de praktijk aan te leren, dienen de studenten tijdens het verloop van hun studies, maar vooral in de vacantietijd, in de pastorale praxis ingeleid te worden door geschikte oefeningen, welke altijd onder leiding van een ervaren priester staan, aangepast zijn aan de leeftijd van de studenten en de plaatselijke omstandigheden, en naar het oordeel van de Ordinaris bepaald moeten worden.

    Can. 259 - § 1 Het komt de diocesane Bisschop of, als het over een interdiocesaan seminarie gaat, de belanghebbende Bisschoppen toe die zaken te beslissen welke het hoogste bestuur en het beheer van het seminarie betreffen.
    § 2 De diocesane Bisschop of, als het over een interdiocesaan seminarie gaat, de belanghebbende Bisschoppen dienen het seminarie dikwijls te bezoeken; zij dienen te waken over de vorming van hun studenten alsook over de filosofische en theologische opleiding die daar gegeven wordt en, vooral met het oog op het toedienen van de heilige wijdingen, zich op de hoogte te stellen van de roeping, het karakter, de vroomheid en de vorderingen van de studenten.

    Can. 260 - Aan de rector, aan wie de zorg voor de dagelijkse leiding van het seminarie toekomt en wel volgens het Statuut voor de priesteropleiding en het reglement van het seminarie, moeten allen bij de vervulling van hun eigen taken gehoorzamen.

    Can. 261 - § 1 De rector van het seminarie en eveneens, onder diens gezag, de bestuurders en professoren dienen ieder voor hun deel ervoor te zorgen dat de studenten nauwgezet de normen in acht nemen welke door het Statuut voor de priesteropleiding alsook door het reglement van het seminarie voorgeschreven zijn.
    § 2 De rector van het seminarie en hij die de leiding heeft van de studies dienen met zorg erin te voorzien dat de professoren hun taak op de voorgeschreven wijze vervullen overeenkomstig de voorschriften van het Statuut van de priesteropleiding en van het reglement van het seminarie.

    Can. 262 - Het seminarie moet exempt zijn van het bestuur van de parochie; en voor allen die op het seminarie zijn, dient de rector van het seminarie of zijn gedelegeerde de functie van pastoor te vervullen, met uitzondering van huwelijksaangelegenheden en onverminderd het voorschrift van can. 985.

    Can. 263 - De diocesane Bisschop of, als het over een interdiocesaan seminarie gaat, de belanghebbende Bisschoppen moeten, voor het aandeel dat door hen in gemeenschappelijk overleg vastgesteld is, ervoor zorgen dat voorzien wordt in de inrichting en het onderhoud van het seminarie, in het levensonderhoud van de studenten en de vergoeding voor de professoren, en in de andere behoeften van het seminarie.

    Can. 264 - § 1 Om in de behoeften van het seminarie te voorzien, kan de Bisschop naast de bijdrage waarover in can. 1266, in het bisdom een belasting opleggen.
    § 2 Tot de belasting voor het seminarie zijn verplicht alle kerkelijke rechtspersonen, ook private, die hun zetel in het bisdom hebben, tenzij zij uitsluitend door giften onderhouden worden of tenzij daarin in feite een college van leerlingen of docenten ter bevordering van het algemeen welzijn van de Kerk gevestigd is; deze belasting moet algemeen zijn, evenredig aan de inkomsten van hen die daartoe verplicht zijn, en vastgesteld overeenkomstig de behoeften van het seminarie.

    Hoofdstuk II - Opname of incardinatie van clerici 265-272

    Can. 265 - Iedere clericus moet geďncardineerd zijn ofwel in een particuliere Kerk of personele prelatuur, ofwel in een instituut van gewijd leven of sociëteit welke over deze bevoegdheid beschikken, zodat clerici zonder overste, dit wil zeggen zwervende clerici, geenszins toegelaten worden.

    Can. 266 - § 1 Door het ontvangen van het diaconaat wordt iemand clericus en geďncardineerd in de particuliere Kerk of personele prelatuur ten dienste waarvan hij gewijd is.
    § 2 Wie als lid in een religieus instituut geloften voor het leven afgelegd heeft of in een clericale sociëteit van apostolisch leven definitief ingelijfd is, wordt door het ontvangen van het diaconaat clericus in datzelfde instituut of diezelfde sociëteit geďncardineerd, tenzij wat sociëteiten betreft de constituties anders bepalen.
    § 3 Een lid van een seculier instituut wordt door het ontvangen van het diaconaat geďncardineerd in de particuliere Kerk ten dienste waarvan hij gewijd is, tenzij hij krachtens vergunning van de Apostolische Stoel in het instituut zelf geďncardineerd wordt.

    Can. 267 - § 1 Opdat een clericus die reeds geďncardineerd is, geldig in een andere particuliere Kerk geďncardineerd wordt, moet hij van de diocesane Bisschop een door deze ondertekende excardinatiebrief verkrijgen; en op gelijke wijze van de diocesane Bisschop van de particuliere Kerk waarin hij geďncardineerd wil worden, een door deze ondertekende incardinatiebrief.
    § 2 Een aldus toegestane excardinatie heeft geen rechtsgevolgen tenzij nadat incardinatie in een andere particuliere Kerk verkregen is.

    Can. 268 - § 1 Een clericus die van de eigen particuliere Kerk wettig naar een andere gegaan is, wordt in deze particuliere Kerk na verloop van vijf jaar van rechtswege geďncardineerd, als hij de wens daartoe schriftelijk kenbaar gemaakt heeft zowel aan de diocesane Bisschop van de Kerk die hem gastvrijheid verleent, als aan de eigen diocesane Bisschop, en als geen van deze beiden binnen vier maanden na ontvangst van de brief hem schriftelijk te kennen gegeven heeft dat hij zich hiertegen verzet.
    § 2 Door de toelating voor het leven of de definitieve toelating in een instituut van gewijd leven of in een sociëteit van apostolisch leven wordt een clericus, die volgens can. 266, § 2, in dat instituut of die sociëteit geďncardineerd wordt, uit de eigen particuliere Kerk geëxcardineerd.

    Can. 269 - De diocesane Bisschop mag niet overgaan tot incardinatie van een clericus tenzij:
    1. de nood of het nut van zijn particuliere Kerk dit vereist, en behoudens de rechtsvoorschriften die het behoorlijk onderhoud van clerici betreffen;
    2. uit een wettig document voor hem is komen vast te staan dat excardinatie verleend is, en hij bovendien beschikt over gunstige getuigschriften van de diocesane Bisschop die excardineert, indien nodig onder geheimhouding, betreffende het leven van de clericus, zijn gedrag en zijn studies.
    3. de clericus deze zelfde diocesane Bisschop schriftelijk verklaard heeft dat hij zich wil wijden aan de dienst van de nieuwe particuliere Kerk volgens het recht.

    Can. 270 - Excardinatie kan alleen geoorloofd verleend worden om goede redenen, zoals daar zijn het nut van de Kerk of het welzijn van de clericus zelf; zij kan echter niet geweigerd worden tenzij ernstige redenen voorhanden zijn; het is evenwel een clericus die zich bezwaard acht en een Bisschop gevonden heeft die hem opneemt, geoorloofd tegen de beslissing in beroep te gaan.

    Can. 271 - § 1 Buiten het geval van echte nood van de eigen particuliere Kerk mag de diocesane Bisschop het verlof om over te gaan niet weigeren aan clerici, van wie hij de bereidheid kent en die hij geschikt acht om naar gebieden te gaan die aan een ernstig tekort aan clerici lijden, om daar het heilig dienstwerk te vervullen; hij dient er echter voor te zorgen dat door een schriftelijke overeenkomst met de diocesane Bisschop van de plaats waarheen zij willen gaan, de rechten en plichten van deze clerici vastgelegd worden.
    § 2 De diocesane Bisschop kan het verlof om naar een andere particuliere Kerk te gaan aan zijn clerici verlenen voor een te voren vastgestelde, ook meerdere malen te verlengen tijd, maar zo dat deze clerici geďncardineerd blijven in de eigen particuliere Kerk en, wanneer zij daarin terugkeren, alle rechten genieten welke zij zouden hebben als zij zich daar aan het heilig dienstwerk gewijd hadden.
    § 3 Een clericus die wettig naar een andere particuliere Kerk gegaan is terwijl hij geďncardineerd blijft in de eigen Kerk, kan door de eigen diocesane Bisschop om een goede reden teruggeroepen worden, mits de overeenkomsten welke met de andere Bisschop aangegaan zijn en de natuurlijke billijkheid in acht genomen worden; evenzo kan, met inachtneming van dezelfde voorwaarden, de diocesane Bisschop van de andere particuliere Kerk om een goede reden aan deze clericus het verlof weigeren om langer in zijn gebied te verblijven.

    Can. 272 - Excardinatie of incardinatie en ook het verlof om naar een andere particuliere Kerk te gaan, kan de diocesane Administrator niet verlenen, tenzij na een jaar sinds de vacatie van de bisschopszetel en met toestemming van het consultorencollege.

    Hoofdstuk III - Verplichtingen en rechten van clerici 273-289

    Can. 273 - Clerici zijn aan de bijzondere verplichting gehouden de Paus en hun eigen Ordinaris eerbied en gehoorzaamheid te betonen.

    Can. 274 - § 1 Alleen clerici kunnen ambten verkrijgen tot uitoefening waarvan wijdingsmacht of kerkelijke bestuursmacht vereist is.
    § 2 Clerici zijn eraan gehouden, tenzij zij door een wettig beletsel verontschuldigd zijn, de taak die hun door hun Ordinaris toevertrouwd wordt, op zich te nemen en getrouw te vervullen.

    Can. 275 - § 1 Clerici dienen, daar zij zich allen gezamenlijk op één werk toeleggen, namelijk de opbouw van het Lichaam van Christus, onderling één te zijn door de band van de broederlijkheid en gebed, en de onderlinge samenwerking na te streven, volgens de voorschriften van het particulier recht.
    § 2 Clerici dienen de zending te erkennen en te bevorderen die de leken, ieder overeenkomstig zijn aandeel, in de Kerk en in de wereld hebben.

    Can. 276 - § 1 Clerici zijn op een bijzondere wijze gehouden om in hun levenswandel de heiligheid na te streven, omdat zij, in het ontvangen van de wijding op een nieuwe titel aan God gewijd, de uitdelers van Gods geheimen zijn ten dienste van Zijn volk.
    § 2 Om deze volmaaktheid te kunnen bereiken:
    1. dienen zij vooral de plichten van de pastorale bediening trouw en onvermoeibaar te vervullen;
    2. dienen zij aan de tweevoudige tafel van de heilige Schrift en de Eucharistie hun geestelijk leven te voeden; derhalve worden de priesters dringend uitgenodigd dagelijks het eucharistisch Offer op te dragen, de diakens evenwel om dagelijks aan het opdragen van dit Offer deel te nemen;
    3. zijn de priesters en de diakens die aspirant zijn voor het priesterschap aan de verplichting gehouden dagelijks de liturgie der getijden te voltrekken volgens de eigen en goedgekeurde liturgische boeken; de permanente diakens evenwel dienen deze te voltrekken voor het gedeelte dat door de bisschoppenconferentie bepaald is;
    4. zijn zij eveneens gehouden zich vrij te maken voor dagen van geestelijke inkeer, volgens de voorschriften van het particulier recht;
    5. worden zij opgeroepen om zich regelmatig toe te leggen op het inwendig gebed, vaak tot het boetesacrament te naderen, de Maagd en Moeder Gods met een bijzondere eerbied te vereren en van andere algemene en bijzondere middelen tot heiliging gebruik te maken.

    Can. 277 - § 1 Clerici zijn aan de verplichting gehouden gedurende geheel hun leven een volledige onthouding omwille van het Rijk der hemelen in acht te nemen en zijn daarom verplicht tot het celibaat, dat een bijzondere gave Gods is, waardoor immers de gewijde bedienaren zich gemakkelijker met een onverdeeld hart aan Christus kunnen hechten en zich met grotere vrijheid kunnen wijden aan de dienst van God en van de mensen.
    § 2 Clerici moeten zich met de nodige voorzichtigheid gedragen ten opzichte van personen met wie een geregelde omgang hun verplichting tot het bewaren van de onthouding in gevaar kan brengen of aan de gelovigen ergernis kan geven.
    § 3 Het komt de diocesane Bisschop toe hieromtrent meer omschreven normen vast te stellen en over het onderhouden van deze verplichting in bijzondere gevallen te oordelen.

    Can. 278 - § 1 Seculiere clerici hebben het recht om zich met anderen te verenigen om doeleinden na te streven die passen bij de clericale staat.
    § 2 Seculiere clerici dienen vooral grote waarde te hechten aan die verenigingen welke, met door de bevoegde overheid erkende statuten, door een geschikte en genoegzaam beproefde levensordening en broederlijke hulp hun heiligheid bij de uitoefening van het dienstwerk bevorderen, en de eenheid van de clerici onderling en met de eigen Bisschop ten goede komen.
    § 3 Clerici dienen zich te onthouden van de oprichting of deelname aan verenigingen waarvan het doel of de activiteit niet met de verplichtingen eigen aan de clericale staat te verenigen is of een nauwgezette vervulling van de taak die hun door de bevoegde kerkelijke overheid toevertrouwd is, in de weg kan staan.

    Can. 279 - § 1 Clerici dienen de gewijde studies ook na het ontvangen van het priesterschap
    voort te zetten en zich toe te leggen op de gedegen leer welke op de heilige Schrift gefundeerd, door hen die ons zijn voorgegaan overgeleverd en algemeen door de Kerk aanvaard is, en zoals deze vooral door de documenten van concilies en Pausen vastgesteld is, met vermijding van profaan en modieus woordgebruik en van schijnwetenschap.
    § 2 Priesters dienen overeenkomstig de voorschriften van het particulier recht lezingen inzake pastoraal bij te wonen, welke na de priesterwijding ingericht moeten worden, en, op tijden vastgesteld door hetzelfde recht, ook andere lezingen, theologische bijeenkomsten of conferenties waardoor hun de gelegenheid gegeven wordt een rijkere kennis van de gewijde wetenschappen en pastorale methoden te verwerven.
    § 3 Ook van andere wetenschappen, vooral van die welke met de gewijde wetenschappen samenhangen, dienen zij kennis te verwerven, vooral in zover deze bijdraagt tot het uitoefenen van de pastorale bediening.

    Can. 280 - Aan clerici wordt sterk enige vorm van gemeenschappelijk leven aanbevolen; en waar deze bestaat, moet hij zoveel mogelijk behouden blijven.

    Can. 281 - § 1 Wanneer clerici zich aan een kerkelijke bediening wijden, verdienen zij een vergoeding te ontvangen die bij hun situatie past, rekening houdend zowel met de aard van de taak zelf als met de omstandigheden van plaats en tijd, en waardoor zij zelf kunnen voorzien in hun eigen levensbehoeften alsmede in een billijke vergoeding voor diegenen op wier dienst zij aangewezen zijn.
    § 2 Eveneens moet ervoor gezorgd worden dat zij die sociale bijstand genieten waardoor op passende wijze in hun behoeften voorzien wordt als zij ziek, invalide of bejaard zijn.
    § 3 Gehuwde diakens die zich volledig aan de kerkelijke bediening wijden, verdienen een vergoeding te ontvangen waarmee zij in hun eigen onderhoud en in dat van hun gezin kunnen voorzien; wie evenwel op grond van een burgerlijk beroep dat zij uitoefenen of uitgeoefend hebben, een vergoeding krijgen, dienen uit de hieruit verkregen inkomsten voor zichzelf en de behoeften van hun gezin te zorgen.

    Can. 282 - § 1 Clerici dienen de eenvoud van leven te beoefenen en zich ver te houden van alles wat zweemt naar ijdelheid.
    § 2 Zij dienen bereid te zijn goederen die hun bij gelegenheid van de uitoefening van een kerkelijk ambt te beurt vallen en die overblijven, nadat hieruit in een behoorlijk levensonderhoud en in het nakomen van alle plichten van hun eigen staat voorzien is, aan het welzijn van de Kerk en aan werken van caritas te besteden.

    Can. 283 - § 1 Clerici mogen, ook al hebben zij geen residentieplicht, toch niet voor een aanzienlijke tijd, door het particulier recht te bepalen, zonder ten minste gepresumeerd verlof van de eigen Ordinaris uit hun bisdom afwezig zijn.
    § 2 Het komt hun echter toe dat zij jaarlijks een behoorlijke en voldoende vacantietijd hebben, welke door het algemeen of particulier recht vastgesteld is.

    Can. 284 - Clerici dienen een passende kerkelijke kleding te dragen volgens de normen door de bisschoppenconferentie uitgevaardigd en volgens de wettige plaatselijke gewoonten.

    Can. 285 - § 1 Clerici dienen zich volstrekt te onthouden van alles wat niet bij hun staat past, volgens de voorschriften van het particulier recht.
    § 2 Clerici dienen te vermijden wat, hoewel niet ongepast, toch vreemd is aan de clericale staat.
    § 3 Het is clerici verboden openbare ambten te aanvaarden die deelname aan de uitoefening van de burgerlijke macht met zich meebrengen.
    § 4 Zonder verlof van hun Ordinaris mogen zij geen beheer van goederen op zich nemen die aan leken toebehoren of wereldlijke ambten aanvaarden die de verplichting van rekenschap met zich meebrengen; borgstelling, ook met eigen goederen, is hun verboden zonder de eigen Ordinaris te raadplegen; ook dienen zij zich te onthouden van het ondertekenen van schuldbekentenissen, waarmee zij namelijk de verplichting op zich nemen geld te betalen zonder dat de reden daartoe bepaald is.

    Can. 286 - Het is clerici verboden zelf of door middel van anderen, hetzij ten eigen bate hetzij ten bate van anderen, zaken te doen of handel te drijven, tenzij met verlof van de wettige kerkelijke overheid.

    Can. 287 - § 1 Clerici dienen altijd zoveel mogelijk te bevorderen dat de vrede en de eendracht op basis van rechtvaardigheid tussen de mensen bewaard blijft.
    § 2 Zij mogen geen actief aandeel hebben in politieke partijen en in het bestuur van vakbonden, tenzij volgens het oordeel van de bevoegde kerkelijke overheid de bescherming van de rechten van de Kerk of de bevordering van het algemeen welzijn dit eisen.

    Can. 288 - Permanente diakens zijn niet aan de voorschriften van de canones 284, 285, §§3 en 4, 286, 287, § 2 gehouden, tenzij het particulier recht iets anders bepaalt.

    Can. 289 - § 1 Omdat de militaire dienst minder goed past bij de clericale staat, mogen clerici alsook kandidaten voor de heilige wijdingen niet vrijwillig in dienst treden, tenzij met verlof van hun Ordinaris.
    § 2 Clerici dienen gebruik te maken van de vrijstellingen van het uitoefenen van taken en publieke burgerlijke ambten vreemd aan de clericale staat, welke door wetten, overeenkomsten of gewoonten ten hunne gunste verleend worden, tenzij in bijzondere gevallen de eigen Ordinaris anders bepaald heeft.

    Hoofdstuk IV - Verlies van de clericale staat 290-293

    Can. 290 - De heilige wijding, eenmaal geldig ontvangen, wordt nooit nietig. Een clericus verliest nochtans de clericale staat:
    1. door een rechterlijk vonnis of een administratief decreet waarin de ongeldigheid van de heilige wijding verklaard wordt;
    2. door de wettig opgelegde straf van wegzending;
    3. door een rescript van de Apostolische Stoel; dit rescript echter wordt door de Apostolische Stoel aan diakens slechts om ernstige redenen, aan priesters slechts om zeer ernstige redenen verleend.

    Can. 291 - Buiten de gevallen waarover in can. 290, nr.1, brengt het verlies van de clericale staat niet de dispensatie van de celibaatsverplichting met zich mee, welke enkel en alleen door de Paus verleend wordt.

    Can. 292 - Een clericus die de clericale staat volgens het recht verliest, verliest daarmee de rechten aan de clericale staat eigen en is niet meer gebonden aan enige verplichting van de clericale staat, onverminderd het voorschrift van can. 291; het uitoefenen van de wijdingsmacht is hem verboden, behouden het voorschrift van can. 976; door het feit zelf worden hem alle ambten, taken en elke gedelegeerde macht ontnomen.

    Can. 293 - Een clericus die de clericale staat verloren heeft, kan niet opnieuw onder de clerici opgenomen worden, tenzij door een rescript van de Apostolische Stoel.

    Boek II Deel I Titel IV – Personele prelaturen 294-297

    Can. 294 - Ter bevordering van een passende spreiding van priesters of om bijzondere pastorale of missionaire werkzaamheden voor de verschillende gebieden of de onderscheiden sociale groeperingen te verrichten, kunnen door de Apostolische Stoel, na de belanghebbende bisschoppenconferenties gehoord te hebben, personele prelaturen opgericht worden, die bestaan uit priesters en diakens van de seculiere clerus.

    Can. 295 - § 1 Een personele prelatuur valt onder de statuten door de Apostolische Stoel bepaald, en aan het hoofd ervan wordt een Prelaat gesteld als eigen Ordinaris, die het recht heeft een nationaal of internationaal seminarie op te richten alsook studenten te incardineren, en hen op titel van dienst aan de prelatuur tot de heilige wijdingen te bevorderen.
    § 2 De prelaat moet zorgen zowel voor de geestelijke vorming van hen die hij op voornoemde titel bevorderd heeft, als voor hun passend levensonderhoud.

    Can. 296 - Door overeenkomsten met de prelatuur aangegaan, kunnen leken zich aan de apostolische werkzaamheden van de personele prelatuur wijden; de wijze echter van deze organische samenwerking en de voornaamste plichten en rechten daarmee verbonden, dienen in de statuten naar behoren bepaald te worden.

    Can. 297 - Op gelijke wijze dienen de statuten de betrekkingen van de personele prelatuur met de plaatselijke Ordinarissen te bepalen in wier particuliere Kerken deze prelatuur, na voorafgaande toestemming van de diocesane Bisschop, haar pastorale of missionaire werkzaamheden uitoefent of wenst uit te oefenen.

    Boek II Deel I Titel V - Verenigingen van christengelovigen 298-329

    Hoofdstuk I - Gemeenschappelijke normen 298-311

    Can. 298 - § 1 In de Kerk zijn verenigingen welke onderscheiden zijn van de instituten van gewijd leven en de sociëteiten van apostolisch leven, waarin christengelovigen, hetzij clerici hetzij leken hetzij clerici en leken samen, in gemeenschappelijke inspanning ernaar streven een meer volmaakt leven te leiden of de publieke eredienst of de christelijke leer te bevorderen, of andere werken van apostolaat, namelijk initiatieven van evangelisatie, werken van vroomheid of caritas, te beoefenen en de tijdelijke orde met christelijke geest te bezielen.
    § 2 Christengelovigen dienen vooral van die verenigingen lid te worden welke door de bevoegde kerkelijke overheid ofwel opgericht ofwel geprezen of aanbevolen zijn.

    Can. 299 - § 1 Het komt de christengelovigen onverkort toe om door het aangaan van een
    onderlinge private overeenkomst verenigingen op te richten om de doelstellingen waarover in can. 298, § 1, na te streven, onverminderd het voorschrift van can. 301, § 1.
    § 2 Dergelijke verenigingen worden, ook als zij door het kerkelijk gezag geprezen of aanbevolen worden, private verenigingen genoemd.
    § 3 Geen enkele private vereniging van christengelovigen wordt in de Kerk erkend tenzij haar statuten door de bevoegde overheid beoordeeld zijn.

    Can. 300 - Geen enkele vereniging mag de naam "katholiek" aannemen tenzij met toestemming van de bevoegde kerkelijke overheid, volgens can. 312.

    Can. 301 - § 1 Het komt alleen de bevoegde kerkelijke overheid toe verenigingen van christengelovigen op te richten welke zich ten doel stellen de christelijke leer in naam van de Kerk over te dragen of de publieke eredienst te bevorderen, of welke andere doelstellingen beogen waarvan de behartiging uit de aard van de zaak aan dit kerkelijk gezag voorbehouden is.
    § 2 De bevoegde kerkelijke overheid kan, als zij dit wenselijk oordeelt, ook verenigingen van christengelovigen oprichten om andere geestelijke doelstellingen rechtstreeks of onrechtstreeks na te streven, waarvan de verwezenlijking niet voldoende verzekerd is door initiatieven van private personen.
    § 3 Verenigingen van christengelovigen die door de bevoegde kerkelijke overheid opgericht worden, worden publieke verenigingen genoemd.

    Can. 302 - Clericale verenigingen van christengelovigen worden die verenigingen genoemd welke onder leiding staan van clerici, de uitoefening van de heilige wijding op zich nemen en
    als zodanig door de bevoegde overheid erkend worden.

    Can. 303 - Verenigingen waarvan de leden, in de wereld deelnemend aan de geest van een of ander religieus instituut, onder de hogere leiding van dit instituut een apostolisch leven leiden en naar de christelijke volmaaktheid streven, worden derde orden genoemd of met een andere passende naam aangeduid.

    Can. 304 - § 1 Alle verenigingen van christengelovigen, hetzij publieke hetzij private, met welke titel of naam zij ook genoemd worden, dienen hun eigen statuten te hebben waarin omschreven worden de doelstelling van de vereniging of haar sociaal object, haar zetel en bestuur en de voorwaarden welke vereist zijn om er deel van uit te maken, en waarin haar werkwijzen bepaald worden, evenwel rekening houdend met de nood of het nut van tijd en plaats.
    § 2 Zij dienen een titel of naam te kiezen die aan de gebruiken van tijd en plaats aangepast is en waarvan de keuze vooral bepaald is door de doelstelling die zij beogen.

    Can. 305 - § 1 Alle verenigingen van christengelovigen staan onder toezicht van de bevoegde kerkelijke overheid wier taak het is ervoor te zorgen dat in deze de integriteit van geloof en zeden behouden blijft, en te waken dat er geen misbruiken sluipen in de kerkelijke discipline; aan haar komt dan ook de plicht en het recht toe om volgens het recht en de statuten deze verenigingen te visiteren; ook vallen zij onder het bestuur van deze overheid overeenkomstig de voorschriften van de canones die volgen.
    § 2 Onder toezicht van de Heilige Stoel staan de verenigingen van gelijk welke soort; onder toezicht van de plaatselijke Ordinaris staan de diocesane verenigingen alsmede de andere verenigingen in zover zij in het bisdom hun werkzaamheden uitoefenen.

    Can. 306 - Opdat iemand de rechten en privileges van de vereniging, de aflaten en andere geestelijke gunsten die aan deze vereniging verleend zijn, geniet, is het noodzakelijk en voldoende dat hij overeenkomstig de voorschriften van het recht en de eigen statuten van de vereniging geldig daarin opgenomen en daar niet wettig uit verwijderd is.

    Can. 307 - § 1 De opname van leden dient te geschieden volgens het recht en de statuten van elke vereniging.
    § 2 Eenzelfde persoon kan bij meerdere verenigingen ingeschreven worden.
    § 3 De leden van religieuze instituten kunnen lid worden van verenigingen, volgens het eigen recht en met toestemming van hun Overste.

    Can. 308 - Niemand die wettig ingeschreven is, mag uit een vereniging verwijderd worden tenzij om een goede reden volgens het recht en de statuten.

    Can. 309 - Wettig opgerichte verenigingen hebben het recht, volgens het recht en de statuten, bijzondere normen uit te vaardigen welke op de vereniging zelf betrekking hebben, vergaderingen te houden, en bestuurders, functionarissen, medewerkers en beheerders van
    goederen aan te wijzen.

    Can. 310 - Een private vereniging die niet als rechtspersoon opgericht is, kan als zodanig geen
    subject van verplichtingen en rechten zijn; de christengelovigen echter die hierin verenigd zijn, kunnen gezamenlijk verplichting aangaan en als medeëigenaars en medebezitters rechten en goederen verwerven en bezitten; deze rechten en verplichtingen kunnen zij door een gevolmachtigde of beheerder uitoefenen.

    Can. 311 - Leden van instituten van gewijd leven die aan het hoofd staan van of hun diensten verlenen aan verenigingen die op een of andere wijze met hun instituut verbonden zijn, dienen er zorg voor te dragen dat deze verenigingen hun hulp verlenen aan de werken van apostolaat welke in het bisdom bestaan, waarbij zij, onder leiding van de plaatselijke Ordinaris, vooral samenwerken met de verenigingen die op de uitoefening van het apostolaat in het bisdom gericht zijn.

    Hoofdstuk II - Publieke verenigingen van christengelovigen 312-320

    Can. 312 - § 1 De overheid bevoegd tot het oprichten van publieke verenigingen is:
    1. voor universele en internationale verenigingen de Heilige Stoel;
    2. voor nationale verenigingen, die namelijk krachtens hun oprichting zelf ertoe bestemd worden hun activiteit in de gehele natie uit te oefenen, de bisschoppenconferentie in haar gebied;
    3. voor diocesane verenigingen de diocesane Bisschop in zijn eigen gebied, maar niet de diocesane Administrator, met uitzondering evenwel van die verenigingen waarvan het recht tot oprichting krachtens een apostolisch privilege aan anderen voorbehouden is.
    § 2 Voor de geldige oprichting van een vereniging of van een afdeling van een vereniging in een bisdom, ook al geschiedt deze krachtens een apostolisch privilege, is de schriftelijke toestemming van de diocesane Bisschop vereist; de toestemming evenwel welke door de diocesane Bisschop verleend is voor de oprichting van een huis van een religieus instituut, geldt ook voor de oprichting in dat huis of in een daaraan verbonden kerk van een vereniging welke aan dat instituut eigen is.

    Can. 313 - Een publieke vereniging en eveneens een confederatie van publieke verenigingen worden door het decreet zelf waarbij zij door de volgens can. 312 bevoegde kerkelijke overheid opgericht worden, rechtspersoon en ontvangen, in zover vereist wordt, de zending om de doelstellingen die zij zich in naam van de Kerk voorstellen, te verwezenlijken.

    Can. 314 - De statuten van elke publieke vereniging en de beoordeling of wijziging ervan behoeven de goedkeuring van de kerkelijke overheid aan welke de oprichting van de vereniging volgens can. 312, § 1 toekomt.

    Can. 315 - Publieke verenigingen kunnen uit eigen beweging initiatieven ondernemen die bij hun eigen aard passen, en zij worden geleid volgens de statuten, onder de hogere leiding echter van de kerkelijke overheid waarover in can. 312, § 1.

    Can. 316 - § 1 Wie publiek het katholiek geloof verworpen heeft of van de gemeenschap van de Kerk afgevallen is of door een opgelegde of verklaarde excommunicatie getroffen is, kan niet geldig in publieke verenigingen opgenomen worden.
    § 2 Wettig ingeschrevenen die in een situatie komen waarover in § 1, dienen na voorafgaande vermaning uit de vereniging verwijderd te worden, met inachtneming van haar statuten en met behoud van het recht op beroep op de kerkelijke overheid waarover in can. 312, § 1.

    Can. 317 - § 1 Tenzij iets anders in de statuten voorzien wordt, komt het de kerkelijke overheid waarover in can. 312, § 1, toe de bestuurder van een publieke vereniging die door de publieke vereniging zelf gekozen is, te bevestigen of, wanneer hij voorgedragen is, aan te stellen of op grond van eigen recht te benoemen; een cappellanus of kerkelijke assistent dient door deze kerkelijke overheid benoemd te worden na de hogere functionarissen van de vereniging gehoord te hebben, waar dit wenselijk is.
    § 2 De norm in § 1 gesteld, geldt ook voor verenigingen die door leden van religieuze instituten krachtens een apostolisch privilege buiten de eigen kerken of huizen opgericht zijn; bij verenigingen echter die door leden van religieuze instituten in eigen kerk of huis opgericht zijn, komt de benoeming of bevestiging van de bestuurder en cappellanus aan de Overste van het instituut toe, volgens de statuten.
    § 3 In verenigingen die geen clericale verenigingen zijn, kunnen leken de functie van bestuurder uitoefenen, een cappellanus of een kerkelijke assistent mag niet in die functie aangesteld worden, tenzij in de statuten iets anders voorzien wordt.
    § 4 In publieke verenigingen van christengelovigen welke rechtstreeks op de uitoefening van apostolaat gericht zijn, mogen zij die in politieke partijen een leidende functie vervullen,
    geen bestuurder zijn.

    Can. 318 - § 1 In bijzondere omstandigheden, waar ernstige redenen dit eisen, kan de kerkelijke overheid waarover in can. 312, § 1, een commissaris aanwijzen, die in haar naam de vereniging tijdelijk bestuurt.
    § 2 De bestuurder van een publieke vereniging kan om een goede reden ontslagen worden door degene die hem benoemd of bevestigd heeft, na echter zowel de bestuurder zelf als de hogere functionarissen van de vereniging volgens de statuten gehoord te hebben; een cappellanus evenwel kan ontslagen worden, volgens de canones 192-195, door degene die hem benoemd heeft.

    Can. 319 - § 1 Een wettig opgerichte publieke vereniging beheert, tenzij anders voorzien is, de goederen die zij bezit volgens de statuten onder de hogere leiding van de kerkelijke overheid waarover in can. 312, § 1, waaraan zij jaarlijks rekenschap van haar beheer moet afleggen.
    § 2 Ook van de besteding van giften en aalmoezen die zij ingezameld heeft, moet zij aan dezelfde overheid rekenschap afleggen.

    Can. 320 - § 1 Verenigingen die door de Heilige Stoel opgericht zijn, kunnen alleen door deze opgeheven worden.
    § 2 Wegens ernstige redenen kunnen door de bisschoppenconferentie verenigingen welke door haar opgericht zijn, opgeheven worden; door de diocesane Bisschop verenigingen die door hem zijn opgericht, en ook verenigingen die krachtens een apostolisch indult door leden van religieuze instituten met toestemming van de diocesane Bisschop opgericht zijn.
    § 3 Een publieke vereniging mag niet door de bevoegde overheid opgeheven worden, tenzij na haar bestuurder en de andere hogere functionarissen gehoord te hebben.

    Hoofdstuk III - Private verenigingen van christengelovigen 321-326

    Can. 321 - Private verenigingen worden door de christengelovigen geleid en bestuurd volgens de voorschriften van de statuten.

    Can. 322 - § 1 Een private vereniging van christengelovigen kan rechtspersoonlijkheid verwerven door middel van een formeel decreet van de bevoegde kerkelijke overheid waarover in can. 312.
    § 2 Geen enkele private vereniging van christengelovigen kan rechtspersoonlijkheid verwerven tenzij haar statuten door de kerkelijke overheid waarover in can. 312, § 1, goedgekeurd zijn; de goedkeuring van de statuten echter verandert niet de private aard van de vereniging.

    Can. 323 - § 1 Hoewel private verenigingen van christengelovigen autonomie genieten volgens can. 321, staan zij onder toezicht van de kerkelijke overheid volgens can. 305, en eveneens onder het bestuur van deze overheid.
    § 2 Het komt ook aan het kerkelijk gezag toe, met inachtneming evenwel van de autonomie welke de private verenigingen eigen is, toezicht uit te oefenen en ervoor te zorgen dat versnippering van krachten vermeden wordt, en dat de uitoefening van hun apostolaat op het algemeen welzijn gericht is.

    Can. 324 - § 1 Een private vereniging van christengelovigen wijst vrij haar bestuurder en functionarissen aan, volgens de statuten.
    § 2 Een private vereniging van christengelovigen kan, indien zij een geestelijk raadsman wenst, deze vrij kiezen onder de priesters die wettig de bediening in het bisdom uitoefenen; deze behoeft echter de bevestiging van de plaatselijke Ordinaris.

    Can. 325 - § 1 Een private vereniging van christengelovigen beheert vrij de goederen die zij bezit, volgens de voorschriften van de statuten en behoudens het recht van de bevoegde kerkelijke overheid om erop toe te zien dat de goederen voor de doelstellingen van de vereniging aangewend worden.
    § 2 Zij valt onder het gezag van de plaatselijke Ordinaris volgens can. 1301 voor wat betreft het beheer en de besteding van goederen welke haar voor vrome bestemmingen geschonken of nagelaten zijn.

    Can. 326 - § 1 Een private vereniging van christengelovigen houdt op te bestaan volgens de statuten; zij kan ook door de bevoegde overheid opgeheven worden, als haar activiteit tot ernstige schade strekt van de kerkelijke leer of discipline, of tot ergernis is van de gelovigen.
    § 2 De bestemming van de goederen van een vereniging welke opgehouden heeft te bestaan, moet volgens de statuten bepaald worden, behoudens verworven rechten en de wil van de schenkers.

    Hoofdstuk IV - Bijzondere normen betreffende verenigingen van leken 327-329

    Can. 327 - Christengelovigen-leken dienen aan verenigingen die opgericht zijn voor de geestelijke doelstellingen waarover in can. 298, grote waarde te hechten, speciaal aan die welke zich ten doel stellen de orde van de tijdelijke zaken met christelijke geest te bezielen en op deze wijze een nauwe band tussen geloof en leven in hoge mate bevorderen.

    Can. 328 - Zij die aan het hoofd staan van verenigingen van leken, ook van die welke krachtens een apostolisch privilege opgericht zijn, dienen er zorg voor te dragen dat hun verenigingen met andere verenigingen van christengelovigen samenwerken waar dit wenselijk is, en dat zij graag hulp bieden aan de verschillende christelijke werken, vooral aan die welke in hetzelfde gebied bestaan.

    Can. 329 - De bestuurders van verenigingen van leken dienen er zorg voor te dragen dat de leden van de vereniging naar behoren gevormd worden om het apostolaat uit te oefenen dat leken eigen is.