Uitgebreid zoeken
Kerkrecht.nl
Help
Contact

Codex Iuris Canonici - Wetboek van Canoniek Recht - 1983


auteur(s):
genre: Codex
bundel:
tijdschrift:
jaargang:
uitgever: Gooi en Sticht
plaats: Hilversum
jaar: 1996
druk: 2 (licht herzien)
ISBN/ISSN: 9030403705
aantal pagina's: 855
Deze tekst is genomen uit de Latijns-Nederlandse uitgave in opdracht van de Belgische en de Nederlandse Bisschoppenconferentie verschenen in 1987. Ze fungeert als proeftekst en is nog niet geautoriseerd. Het copyright van de Nederlandse vertaling berust bij de Belgische en Nederlandse Bisschoppenconferenties. Plaatsing op deze website met toestemming van het secretariaat van het Rooms-Katholiek Kerkgenootschap in Nederland.

  • Boek I-Algemene normen 1-203
  • Boek II-Volk Gods Dl.I 204-329
  • Boek II-Volk Gods Dl.II 330-572
  • Boek II-Volk Gods Dl.III 573-746
  • Boek III-Verkondigingstaak 747-833
  • Boek IV-Heiligingstaak 834-1253
  • Boek V-Tijdelijke goederen 1254-1310
  • Boek VI-Sancties 1311-1399
  • Boek VII-Processen 1400-1752
  • Boek I-Algemene normen 1-203

    Boek I Algemene normen

    Can. 1 - De canones van dit Wetboek betreffen alleen de Latijnse Kerk.

    Can. 2 - Het Wetboek bepaalt meestal niet de riten die bij het voltrekken van liturgische vieringen onderhouden moeten worden, daarom blijven de tot nu toe geldende liturgische wetten van kracht, tenzij een ervan in strijd is met de canones van het Wetboek.

    Can. 3 - De canones van het Wetboek heffen de verdragen, door de Apostolische Stoel aangegaan met naties of andere politieke gemeenschappen, geheel noch gedeeltelijk op; zij blijven derhalve evenals nu van kracht, niettegenstaande daarmee strijdige voorschriften van dit Wetboek.

    Can. 4 - Verworven rechten, en eveneens privileges, door de Apostolische Stoel tot op heden hetzij aan fysieke personen hetzij aan rechtspersonen verleend, die in gebruik zijn en niet herroepen, blijven onverminderd bestaan, tenzij ze door de canones van dit Wetboek uitdrukkelijk herroepen worden.

    Can. 5 - § 1 De tot op heden geldende hetzij universele hetzij particuliere gewoonten tegen de voorschriften van deze canones, die door de canones zelf van dit Wetboek afgekeurd worden, zijn totaal afgeschaft en het herleven ervan in de toekomst mag niet toegestaan worden; ook de overige dienen als afgeschaft beschouwd te worden, tenzij door het Wetboek uitdrukkelijk iets anders voorzien wordt, of tenzij ze sinds honderd jaar of sinds onheuglijke tijden bestaan; deze kunnen geduld worden als ze naar het oordeel van de Ordinaris, naar gelang van plaatselijke en persoonlijke omstandigheden, niet verwijderd kunnen worden.
    § 2 Tot op heden geldende gewoonten buiten het recht, hetzij universele hetzij particuliere, worden gehandhaafd.

    Can. 6 - § 1 Bij van kracht worden van dit Wetboek worden opgeheven:
    1: het Wetboek van Canoniek Recht, afgekondigd in 1917;
    2: ook andere wetten, hetzij universele hetzij particuliere, in strijd met de voorschriften van dit Wetboek, tenzij ten aanzien van particuliere uitdrukkelijk iets anders voorzien wordt;
    3: alle strafwetten, hetzij universele hetzij particuliere door de Apostolische Stoel uitgevaardigd, tenzij ze in dit Wetboek zelf opgenomen worden;
    4: ook de overige universele disciplinaire wetten die een materie betreffen die door dit Wetboek volledig opnieuw geregeld wordt.
    § 2. De canones van dit Wetboek moeten, in zover deze oud recht weergeven, op hun waarde geschat worden, rekening houdend ook met de canonieke traditie.

    Boek I Titel I Kerkelijke wetten

    Can. 7 - Een wet komt tot stand wanneer ze afgekondigd wordt.

    Can. 8 - § 1 Universele kerkelijke wetten worden afgekondigd door publikatie in Actorum Apostolicae Sedis commentarium officiale, tenzij in afzonderlijke gevallen een andere wijze van afkondiging voorgeschreven is, en zijn eerst van kracht na afloop van drie maanden vanaf de datum aangegeven op het nummer van de Acta, tenzij ze uit de aard der zaak terstond verplichten of tenzij in de wet zelf een kortere of langere vacatie speciaal en uitdrukkelijk bepaald is.
    § 2 Particuliere wetten worden afgekondigd op de wijze door de wetgever bepaald en beginnen te verplichten een maand na de dag van afkondiging, tenzij een andere termijn in de wet zelf bepaald wordt.

    Can. 9 - Wetten hebben betrekking op aangelegenheden in de toekomst, niet op die uit het verleden, tenzij hierin met name iets over aangelegenheden uit het verleden voorzien wordt.

    Can. 10 - Als ongeldig of onbekwaam makend moeten alleen die wetten beschouwd worden, waardoor uitdrukkelijk bepaald wordt dat een handeling nietig of een persoon onbekwaam is.

    Can. 11 - Aan louter kerkelijke wetten zijn gehouden zij die in de katholieke Kerk gedoopt of daarin opgenomen zijn, voldoende gebruik van het verstand hebben en, tenzij iets anders door het recht uitdrukkelijk voorzien wordt, hun zevende levensjaar voltooid hebben.

    Can. 12 - § 1 Aan universele wetten zijn allen voor wie ze zijn uitgevaardigd, overal ter wereld gehouden.
    § 2 Van universele wetten echter die in een bepaald gebied niet gelden, zijn allen uitgezonderd die zich daadwerkelijk in dit gebied bevinden.
    § 3 Aan wetten gemaakt voor een bepaald gebied, zijn zij onderworpen voor wie ze uitgevaardigd zijn, daar domicilie of quasi-domicilie hebben en er tevens daadwerkelijk verblijven, onverminderd het voorschrift van can. 13.

    Can. 13 - § 1 Particuliere wetten worden gepresumeerd niet personeel, maar territoriaal te zijn, tenzij anders vaststaat.
    § 2 Vreemdelingen zijn niet gehouden:
    1. aan particuliere wetten van hun gebied zolang zij daar afwezig zijn, tenzij ofwel overtreding ervan schadelijk is in het eigen gebied, ofwel de wetten personeel zijn;
    2. aan wetten van het gebied waar zij verblijven, met uitzondering van die welke de openbare orde beschermen, of die de vormvereisten van handelingen bepalen, of die betrekking hebben op onroerende goederen in het gebied gelegen.
    § 3 Zwervers zijn gehouden zowel aan universele als aan particuliere wetten die gelden op de plaats waar zij verblijven.

    Can. 14 - Wetten, ook ongeldig en onbekwaam makende, verplichten niet bij rechtstwijfel; bij twijfel over feiten echter kunnen Ordinarissen ervan dispenseren, mits, als het een gereserveerde dispensatie betreft, deze verleend pleegt te worden door de overheid waaraan zij gereserveerd is.

    Can. 15 - § 1 Onwetendheid of dwaling inzake ongeldig of onbekwaam makende wetten verhinderen hun uitwerking niet, tenzij uitdrukkelijk iets anders bepaald wordt.
    § 2 Onwetendheid of dwaling inzake een wet of een straf of een feit dat de eigen persoon betreft, of inzake een publiek gekend feit dat een ander betreft, wordt niet gepresumeerd; zij wordt wel gepresumeerd inzake een niet publiek gekend feit dat een ander betreft, tot het tegendeel bewezen wordt.

    Can. 16 - § 1 Wetten interpreteert authentiek de wetgever en degene aan wie de bevoegdheid om authentiek te interpreteren door deze toevertrouwd is.
    § 2 Authentieke interpretatie bij wijze van wet gegeven, heeft dezelfde kracht als de wet zelf en moet afgekondigd worden; als zij woorden van de wet, die op zich duidelijk zijn, slechts verklaart, heeft ze terugwerkende kracht; als zij de wet beperkt of uitbreidt of een twijfelachtige wet uitlegt, heeft ze geen terugwerkende kracht.
    § 3 Een interpretatie echter bij wijze van gerechtelijk vonnis of administratieve beschikking in een bijzonder geval heeft geen wetskracht en bindt alleen de personen voor wie en geldt alleen voor de zaken waarvoor ze gegeven is.

    Can. 17 - Kerkelijke wetten moeten begrepen worden volgens de eigen betekenis van de woorden bezien in tekst en context; als deze onzeker en duister blijft, moet men zijn toevlucht nemen tot parallelle plaatsen, als die er zijn, tot het doel en de omstandigheden van de wet en tot de bedoeling van de wetgever.

    Can. 18 - Wetten die een straf bepalen of de vrije uitoefening van rechten beperken of een uitzondering op de wet bevatten, zijn aan strikte interpretatie onderworpen.

    Can. 19 - Als in een bepaalde zaak een uitdrukkelijk voorschrift hetzij van een universele hetzij van een particuliere wet of een gewoonte ontbreekt, moet de zaak, tenzij het een strafzaak is, beslist worden gelet op wetten uitgevaardigd in soortgelijke gevallen, op algemene rechtsbeginselen met canonieke billijkheid in acht genomen, op de jurisprudentie en de praktijk van de Romeinse Curie en op de gemeenschappelijke en vaststaande mening van de geleerden.

    Can. 20 - Een latere wet heft een vroegere geheel of gedeeltelijk op, als ze dat uitdrukkelijk zegt of daarmee rechtstreeks in strijd is, of de hele materie van de vroegere wet opnieuw regelt; maar een universele wet heft geenszins particulier of speciaal recht op, tenzij iets anders uitdrukkelijk in het recht voorzien wordt.

    Can. 21 - Bij twijfel wordt herroeping van een vroegere wet niet gepresumeerd, maar latere wetten moeten met vroegere in verband en zoveel mogelijk in overeenstemming gebracht worden.

    Can. 22 - Burgerlijke wetten waarnaar het recht van de Kerk verwijst, dienen in het canoniek recht met dezelfde gevolgen onderhouden te worden, in zover ze niet in strijd zijn met goddelijk recht en tenzij iets anders door het canoniek recht voorzien wordt.

    Boek I Titel II Gewoonte

    Can. 23 - Alleen die gewoonte door een gemeenschap van gelovigen ingevoerd, heeft kracht van wet, welke door de wetgever goedgekeurd is, overeenkomstig de canones die volgen.

    Can. 24 - § 1 Geen enkele gewoonte die in strijd is met het goddelijk recht, kan kracht van wet verkrijgen.
    § 2 Evenmin kan kracht van wet verkrijgen een gewoonte tegen of buiten het canoniek recht, tenzij ze redelijk is; een gewoonte echter die in het recht uitdrukkelijk afgekeurd wordt, is niet redelijk.

    Can. 25 - Geen enkele gewoonte verkrijgt kracht van wet, tenzij ze door een gemeenschap ten minste bekwaam om een wet te ontvangen, onderhouden is met de bedoeling om recht in te voeren.

    Can. 26 - Tenzij ze door de bevoegde wetgever speciaal goedgekeurd is, verkrijgt een gewoonte in strijd met het geldend canoniek recht of buiten een canonieke wet, slechts kracht van wet als ze wettig gedurende dertig doorlopende en volle jaren onderhouden werd; maar tegen een canonieke wet die een clausule bevat die toekomstige gewoonten verbiedt, kan slechts een sinds honderd jaar of sinds onheuglijke tijden bestaande gewoonte opwegen.

    Can. 27 - De gewoonte is de beste uitlegster van wetten.

    Can. 28 - Onverminderd het voorschrift van can. 5 wordt een gewoonte, hetzij tegen hetzij buiten de wet, door een daarmee strijdige gewoonte of wet herroepen; maar tenzij ze dit uitdrukkelijk vermeldt, herroept een wet geen sinds honderd jaar of sinds onheuglijke tijden bestaande gewoonten, noch een universele wet particuliere gewoonten.

    Boek I Titel III Algemene decreten en instructies

    Can. 29 - Algemene decreten, waarbij door een bevoegde wetgever gemeenschappelijke voorschriften gegeven worden voor een gemeenschap die bekwaam is om een wet te ontvangen, zijn in eigenlijke zin wetten en vallen onder de voorschriften van de canones over wetten.

    Can. 30 - Wie slechts uitvoerende macht bezit, kan een algemeen decreet waarover in can. 29, niet uitvaardigen tenzij hem dit in bijzondere gevallen volgens het recht door de bevoegde wetgever uitdrukkelijk toegekend is, en met inachtneming van de voorwaarden bij de toekenning bepaald.

    Can. 31 - § 1 Algemene uitvoeringsdecreten, waarbij namelijk de bij de toepassing van een wet in acht te nemen wijzen nader bepaald worden of waarbij het naleven van wetten geurgeerd wordt, kunnen binnen de grenzen van hun bevoegdheid uitvaardigen zij die uitvoerende macht bezitten.
    § 2 Wat betreft de afkondiging en vacatie van decreten waarover in § 1, dienen de voorschriften van can. 8 in acht genomen te worden.

    Can. 32 - Algemene uitvoeringsdecreten verplichten hen die gehouden zijn aan de wetten waarvan deze decreten de wijzen van de toepassing bepalen of het onderhouden ervaren urgeren.

    Can. 33 - § 1 Algemene uitvoeringsdecreten, ook als ze uitgegeven worden in directoria of documenten met een ander naam, doen niets af aan wetten en, in zover hun voorschriften in strijd zijn met wetten, missen ze alle kracht.
    § 2 Zij verliezen hun kracht door expliciete om impliciete herroeping door de bevoegde overheid gedaan, alsook doordat de wet voor de uitvoering waarvan ze gegeven zijn, ophoudt te bestaan; ze houden echter niet op te bestaan door het wegvallen van het recht van degene die ze vastgesteld heeft, tenzij het tegendeel uitdrukkelijk voorzien wordt.

    Can. 34 - § 1 Instructies, die namelijk de voorschriften van wetten verklaren en de wijzen die bij de uitvoering ervan in acht genomen moeten worden, ontwikkelen en bepalen, worden gegeven ten gebruike van hen wier taak het is te zorgen dat de wetten ten uitvoer gebracht worden, en verplichten hen bij de uitvoering van de wetten; ze worden wettig uitgevaardigd door hen die uitvoerende macht bezitten, binnen de grenzen van hun bevoegdheid.
    § 2 De bepalingen van instructies doen niets af aan wetten en als er zijn die niet met de voorschriften van wetten in overeenstemming gebracht kunnen worden, missen deze alle kracht.
    § 3 Instructies houden op van kracht te zijn niet slechts door expliciete of impliciete herroeping door de bevoegde overheid die ze heeft uitgevaardigd of door haar hogere overheid, maar ook door het wegvallen van de wet voor de verklaring of de uitvoering waarvan ze gegeven zijn.

    Boek I Titel IV Administratieve beschikkingen voor afzonderlijke gevallen

    Hoofdstuk I - Gemeenschappelijke normen 35-47

    Can. 35 - Een administratieve beschikking voor afzonderlijke gevallen, hetzij een decreet of een bevel hetzij een rescript, kan uitgevaardigd worden, binnen de grenzen van zijn bevoegdheid, door degene die uitvoerende macht bezit, onverminderd het voorschrift van can. 76 § 1.

    Can. 36 - § 1 Een administratieve beschikking moet begrepen worden volgens de eigen betekenis van de woorden en het algemeen spraakgebruik; bij twijfel zijn administratieve beschikkingen die betrekking hebben op geschillen of op het dreigen met of het opleggen van straffen, of die rechten van de persoon beperken of verworven rechten van anderen schenden of die in strijd zijn met een wet ten voordele van privé-personen, aan strikte interpretatie onderworpen; alle andere aan ruime interpretatie.
    § 2 Een administratieve beschikking mag niet tot andere gevallen buiten de genoemde uitgebreid worden.

    Can. 37 - Een administratieve beschikking die het uitwendige rechtsbereik betreft, moet schriftelijk vastgelegd worden; als zij in de vorm van een opdracht gebeurt, ook de handeling van de uitvoering ervan.

    Can. 38 - Een administratieve beschikking, ook als het een rescript Motu proprio gegeven betreft, heeft geen gevolg in zover ze het verworven recht van iemands anders schendt of in strijd is met een wet of een goedgekeurde gewoonte, tenzij de bevoegde overheid uitdrukkelijk een clausule van wijziging toegevoegd heeft.
    Voorwaarden in een administratieve beschikking worden alleen dan voor de geldigheid toegevoegd geacht wanneer ze uitgedrukt worden door de voorzetsels indien, tenzij, mits.

    Can. 39 - Voorwaarden in een administratieve beschikking worden alleen dan voor de geldigheid toegevoegd geacht wanneer ze uitgedrukt worden door de voorzetsels indien, tenzij, mits.

    Can. 40 - De uitvoerder van een administratieve beschikking verricht zijn functie ongeldig, voordat hij het schrijven ontvangen en de echtheid en volledigheid ervan nagegaan heeft, tenzij hem een voorafgaande mededeling ervan, op gezag van degene die deze beschikking uitvaardigt, toegezonden is.

    Can. 41 - De uitvoerder van een administratieve beschikking aan wie de loutere uitvoering opgedragen wordt, kan de uitvoering van deze beschikking niet weigeren, tenzij duidelijk blijkt dat deze nietig is of om een andere ernstige reden niet gehandhaafd kan worden of de in de administratieve beschikking zelf erbij gevoegde voorwaarden niet vervuld zijn; maar als de uitvoering van een administratieve beschikking wegens omstandigheden van persoon of plaats niet opportuun lijkt, dient de uitvoerder de uitvoering uit te stellen; in die gevallen dient hij onmiddellijk de overheid die de beschikking uitvaardigde, in te lichten.

    Can. 42 - De uitvoerder van een administratieve beschikking dient te werk te gaan volgens de opdracht; maar als hij de wezenlijke in het schrijven erbij gevoegde voorwaarden niet vervult en de wezenlijke werkwijze niet in acht neemt, is de uitvoering ongeldig.

    Can. 43 - De uitvoerder van een administratieve beschikking kan zich naar zijn wijs oordeel door een ander laten vervangen, tenzij vervanging verboden is of tenzij de keuze gebeurde omwille van de kwaliteit van de persoon of tenzij de persoon van de vervanger vooraf aangewezen werd; in deze gevallen echter mag de uitvoerder de voorbereidende handelingen aan een ander opdragen.

    Can. 44 - Een administratieve beschikking kan ook ten uitvoer gebracht worden door de ambtsopvolger van de uitvoerder, tenzij de keuze gebeurde omwille van de kwaliteit van de persoon.

    Can. 45 - Het is de uitvoerder toegestaan, als hij zich bij de uitvoering van een administratieve beschikking op enigerlei wijze vergist heeft, deze beschikking opnieuw ten uitvoer te brengen.

    Can. 46 - Een administratieve beschikking houdt niet op te bestaan bij het wegvallen van het recht van degene die haar uitgevaardigd heeft, tenzij door het recht uitdrukkelijk iets anders voorzien wordt.

    Can. 47 - Herroeping van een administratieve beschikking door een andere administratieve beschikking van een bevoegde overheid, heeft slechts gevolg vanaf het moment waarop zij wettig ter kennis gebracht wordt van de persoon voor wie ze gegeven is.

    Hoofdstuk II - Decreten en bevelen voor afzonderlijke gevallen 48-58

    Can. 48 - Onder een decreet voor afzonderlijke gevallen wordt verstaan een administratieve beschikking door de bevoegde uitvoerende overheid uitgevaardigd, waarbij volgens de normen van het recht voor een bijzonder geval een beslissing genomen wordt of een voorziening getroffen wordt, die van nature niet een door iemand gedane aanvraag veronderstellen.

    Can. 49 - Een bevel voor afzonderlijke gevallen is een decreet waarbij aan een persoon op bepaalde personen rechtstreeks en wettig opgelegd wordt iets te doen of na te laten, vooral om het onderhouden van de wet te urgeren.

    Can. 50 - Alvorens een decreet voor afzonderlijke gevallen uit te vaardigen, dient de overheid de nodige inlichtingen en bewijzen in te winnen en, voor zover mogelijk, hen te horen wier rechten geschonden kunnen worden.

    Can. 51 - Een decreet dienst schriftelijk uitgevaardigd te worden en, als het een beslissing betreft, met tenminste summiere vermelding van de beweegredenen.

    Can. 52 - Een decreet voor afzonderlijke gevallen is alleen van kracht ten aanzien van de zaken waarover het een beslissing neemt en voor de personen voor wie het gegeven is; het bindt dezen echter overal; tenzij anders vaststaat.

    Can. 53 - Als decreten met elkaar in strijd zijn, heeft het bijzondere, in datgene wat in het bijzonder uitgedrukt wordt, voorrang op het algemene; als ze op gelijke wijze bijzonder of algemeen zijn, wijzigt het latere het eerdere, voor zover het daarmee in strijd is.

    Can. 54 - § 1 Een decreet voor afzonderlijke gevallen, waarvan de toepassing aan een uitvoerder opgedragen wordt, heeft uitwerking vanaf het moment van uitvoering; anders vanaf het moment waarop het aan de persoon op gezag van degene die het uitgevaardigd heeft, betekend wordt.
    § 2 Om een decreet voor afzonderlijke gevallen te kunnen urgeren, moet het met een wettig document volgens het recht betekend worden.

    Can. 55 - Onverminderd het voorschrift van de canones 37 en 51 wordt een decreet, wanneer een zeer ernstige reden de overhandiging van de schriftelijke tekst ervan verhindert, als betekend beschouwd, indien het in het bijzijn van een notarius of van twee getuigen voorgelezen wordt aan degene voor wie het bestemd is, waarvan een akte opgemaakt wordt, die door alle aanwezigen ondertekend moet worden.

    Can. 56 - Het decreet wordt als betekend beschouwd, als degene voor wie het bestemd is, wettig opgeroepen om het decreet te ontvangen of te aanhoren, zonder goede reden niet verschenen is of geweigerd heeft te ondertekenen.

    Can. 57 - § 1 Telkens wanneer de wet oplegt een decreet uit te vaardigen of door een belanghebbende een aanvraag of beroep om een decreet te verkrijgen wettig ingediend wordt, dient de bevoegde overheid binnen drie maanden vanaf de ontvangst van de aanvraag of het beroep daarin te voorzien, tenzij een andere termijn door de wet voorgeschreven wordt.
    § 2 Indien, na het verstrijken van deze termijn, het decreet nog niet uitgevaardigd is, wordt een negatief antwoord gepresumeerd voor wat het indienen van een verder beroep betreft.
    § 3 Het gepresumeerd negatief antwoord ontslaat de bevoegde overheid niet van de verplichting om een decreet uit te vaardigen en zelf niet van de verplichting om eventueel veroorzaakte schade, volgens can. 128, te herstellen.

    Can. 58 - Een decreet voor afzonderlijke gevallen houdt op van kracht te zijn bij wettige herroeping door de bevoegde overheid, alsook bij het ophouden van de wet tot uitvoering waarvan het gegeven is.
    § 2 Een bevel voor afzonderlijke gevallen dat niet met een wettig document opgelegd is, houdt op te bestaan met het wegvallen van het recht van degene die het bevel gaf.

    Hoofdstuk III - Rescripten 59-75

    Can. 59 - § 1 Onder een rescript wordt verstaan een administratieve beschikking door de bevoegde uitvoerende overheid schriftelijk uitgevaardigd, waarbij, overeenkomstig de aard van de zaak, op aanvraag van iemand, een privilege, een dispensatie of een andere gunst verleend wordt.
    § 2 De voorschriften die voor rescripten vastgesteld worden, gelden ook voor het geven van een verlof alsook voor het mondeling verlenen van gunsten, tenzij anders vaststaat.

    Can. 60 - Elk rescript kan verkregen worden door allen die niet uitdrukkelijk verhinderd worden.

    Can. 61 - Tenzij anders vaststaat, kan een rescript voor een ander verkregen worden, ook buiten diens instemming, en geldt het voor deze het aanvaardt, behoudens hiermee strijdige clausules.

    Can. 62 - Een rescript waarin geen enkele uitvoerder voorkomt, heeft uitwerking vanaf het moment waarop het schrijven uitgegaan is; de andere vanaf het moment van uitvoering.

    Can. 63 - § 1 Verheimelijking, dat wil zeggen het achterhouden van de waarheid, staat de geldigheid van een rescript in de weg, als in de aanvraag niet vermeld is wat volgens de wet, het ambtelijk gebruik en de canonieke praktijk voor de geldigheid vermeld moet worden, tenzij het een rescript voor een gunst betreft dat Motu proprio gegeven is.
    § 2 Verdraaiing, dat wil zeggen een valse voorstelling van zaken, staat eveneens de geldigheid van een rescript in de weg, als zelfs niet een doorslaggevende reden waar is.
    § 3 De doorslaggevende reden in rescripten waarvoor geen enkele uitvoerder is, moet waar zijn ten tijde dat het rescript gegeven is; in de overige ten tijde van de uitvoering.

    Can. 64 - Behoudens het recht van de Penitentiarie voor het inwendig rechtsbereik, kan een gunst die door gelijk welk dicasterie van de Romeinse Curie geweigerd is, niet geldig verleend worden door een ander dicasterie van deze Curie of door een andere bevoegde overheid lager dan de Paus, zonder de instemming van het dicasterie waar deze zaak aanvankelijk ingediend is.

    Can. 65 - § 1 Behoudens de voorschriften van §§ 2 en 3, mag niemand bij een andere Ordinaris een gunst aanvragen die door de eigen Ordinaris geweigerd werd, tenzij de weigering vermeld wordt; wordt deze vermeld, dan mag de Ordinaris de gunst niet verlenen, tenzij na kennisname van de redenen voor de weigering door de eerste Ordinaris.
    § 2 Een gunst die door een Vicaris-generaal of door een bisschoppelijk Vicaris geweigerd werd, kan door een andere Vicaris van dezelfde Bisschop niet geldig verleend worden, zelfs niet na kennisname van de redenen voor de weigering door de afwijzende Vicaris.
    § 3 Een gunst die door een Vicaris-generaal of door een bisschoppelijk Vicaris geweigerd is en nadien, zonder vermelding van deze weigering, van de diocesane Bisschop verkregen werd, is ongeldig; een gunst die door de diocesane Bisschop geweigerd is, kan niet geldig, zelfs al wordt de weigering vermeld, van diens Vicaris-generaal of bisschoppelijk Vicaris zonder toestemming van de Bisschop verkregen worden.

    Can. 66 - Een rescript wordt niet ongeldig door een vergissing in de naam van de persoon aan wie het gegeven wordt of door wie het uitgevaardigd wordt, of van de plaats waar deze woont, of van de zaak waarover het gaat, mits naar het oordeel van de Ordinaris geen enkele twijfel bestaat over de persoon zelf of over de zaak.

    Can. 67 - § 1 Indien het voorkomt dat over een en dezelfde zaak twee met elkaar strijdige rescripten verkregen worden, dan heeft het bijzondere, voor hetgeen in het bijzonder uitgedrukt wordt, voorrang op het algemene.
    § 2 Zijn ze op gelijke wijze bijzonder of algemeen, dan heeft het eerdere voorrang op het latere, tenzij in het latere het eerdere uitdrukkelijk vermeld wordt, of tenzij degene die het eerst het rescript ontvangen heeft, uit list of aanmerkelijke nalatigheid van zijn kant geen gebruik gemaakt heeft van het rescript.
    § 3 Bij twijfel of het rescript ongeldig is of niet, dient men zich te wenden tot degene die het uitgevaardigd heeft.

    Can. 68 - Een rescript van de Apostolische Stoel waarin geen enkele uitvoerder voorkomt, moet alleen dan aan de Ordinaris van de ontvanger voorgelegd worden, als dat in het schrijven zelf voorgeschreven wordt, of als het publieke zaken betreft, of als voorwaarden geverifieerd moeten worden.

    Can. 69 - Als voor het voorleggen van een rescript geen enkele termijn bepaald is, kan het te allen tijde aan de uitvoerder aangeboden worden, mits bedrog en list uitgesloten zijn.

    Can. 70 - Als in het rescript het verlenen zelf aan de uitvoerder toevertrouwd wordt, is het aan hem om naar eigen wijs oordeel en geweten de gunst te verlenen of te weigeren.

    Can. 71 - Niemand is gehouden gebruik te maken van een alleen te zijnen gunste verleend rescript, tenzij hij op andere gronden door een canonieke verplichting hiertoe gehouden is.

    Can. 72 - Als rescripten, door de Apostolische Stoel verleend, verlopen zijn, kunnen ze door de diocesane Bisschop om een goede reden eenmaal verlengd worden, maar niet langer dan voor drie maanden.

    Can. 73 - Door een tegenstrijdige wet worden geen rescripten herroepen, tenzij iets anders in de wet zelf voorzien wordt.

    Can. 74 - Hoewel iemand van een gunst hem mondeling verleend, in het inwendig rechtsbereik gebruik kan maken, is hij ertoe gehouden deze voor het uitwendig rechtsbereik te bewijzen, telkens wanneer dit wettig van hem gevraagd wordt.

    Can. 75 - Als het rescript een privilege of dispensatie bevat, dienen bovendien de voorschriften van de volgende canones in acht genomen te worden.

    Hoofdstuk IV – Privileges 76-84

    Can. 76 - § 1 Een privilege, dit wil zeggen een gunst ten behoeve van bepaalde personen hetzij fysieke hetzij rechtspersonen door een bijzondere beschikking verleend, kan geschonken worden door de wetgever alsook door de uitvoerende overheid aan wie de wetgever deze macht toegekend heeft.
    § 2 Bezit gedurende honderd jaar of sinds onheuglijke tijden leidt tot de presumptie dat het privilege verleend is.

    Can. 77 - Een privilege moet geinterpreteerd worden volgens can. 36,§ 1; maar steeds moet die interpretatie aangewend worden waardoor de door het privilege begunstigde inderdaad enigerlei gunst verwerven.

    Can. 78 - § 1 Een privilege wordt gepresumeerd blijvend te zijn, tenzij het tegendeel bewezen wordt.
    § 2 Een persoonlijk privilege, dat namelijk de persoon volgt, houdt met deze op te bestaan.
    § 3 Een zakelijk privilege houdt op te bestaan door het volledig verloren gaan van de zaak of de plaats; maar een plaatselijk privilege herleeft als de plaats binnen een periode van vijftig jaar hersteld wordt.

    Can. 79 - Een privilege houdt op te bestaan door herroeping door de bevoegde overheid volgens can. 47, onverminderd het voorschrift van can. 81.

    Can. 80 - § 1 Geen enkel privilege houdt op te bestaan door er afstand van te doen, tenzij dit door de bevoegde overheid aanvaard is.
    § 2 Van een privilege louter te zijner gunste verleend, kan iedere fysieke persoon afstand doen.
    § 3 Van een privilege verleend aan een rechtspersoon, of wegens de waardigheid van een plaats of zaak, kunnen afzonderlijke personen geen afstand doen; ook staat het een rechtspersoon zelf niet vrij afstand te doen van een aan hem verleend privilege, als het afstand doen tot nadeel strekt van de Kerk of van anderen.

    Can. 81 - Bij het wegvallen van het recht van degene die het verleende, houdt een privilege niet op te bestaan, tenzij het verleend is met de clausule ad beneplacitum nostrum of met een andere gelijkwaardige clausule.

    Can. 82 - Door het niet- of tegenstrijdig gebruik houdt een privilege dat voor anderen geenszins bezwarend is, niet op te bestaan; maar een privilege dat anderen tot bezwaar strekt, gaat verloren als wettige verjaring daarbij komt.

    Can. 83 - § 1 Een privilege houdt op te bestaan door het verstrijken van de tijd of het bereiken van het aantal gevallen waarvoor het verleend is, onverminderd het voorschrift van can. 142, § 2
    § 2 Het houdt ook op te bestaan als met verloop van tijd de omstandigheden naar het oordeel van de bevoegde overheid zo veranderd zijn, dat het schadelijk geworden is of het gebruik ervan ongeoorloofd wordt.

    Can. 84 - Wie misbruik maakt van een macht hem bij privilege verleend, verdient dat hem het privilege zelf ontnomen wordt; daarom dient de Ordinaris, na een vergeefse waarschuwing aan de geprivilegieerde, hem bij ernstig misbruik een privilege dat hijzelf verleend heeft, te ontnemen; als het privilege verleend is door de Apostolische Stoel, is de Ordinaris gehouden deze in te lichten.

    Hoofdstuk V - Dispensaties 85-93

    Can. 85 - Een dispensatie, dit wil zeggen de vrijstelling van een louter kerkelijke wet in een bijzonder geval, kan verleend worden door hen die de uitvoerende macht bezitten binnen de grenzen van hun bevoegdheid, alsook door hen aan wie de macht om te dispenseren expliciet of impliciet toekomt, hetzij van rechtswege hetzij krachtens wettige delegatie.

    Can. 86 - Niet vatbaar voor dispensatie zijn de wetten voor zover de datgene bepalen wat wezenlijk constituerend is voor rechtsinstituten of rechtshandelingen.

    Can. 87 - § 1 De diocesane Bisschop kan gelovigen, zo dikwijls hij dat voor hun geestelijk welzijn bevorderlijk acht, dispenseren van disciplinaire wetten, zowel universele als particuliere, door de hoogste overheid van de Kerk voor zijn ambtsgebied of zijn onderdanen uitgevaardigd, maar niet van wetten van proces- of strafrecht, noch van die waarvan de dispensatie aan de Apostolische Stoel of een andere overheid speciaal voorbehouden is.
    § 2 Als beroep op de Heilige Stoel moeilijk is en tevens bij uitstel gevaar voor ernstige schade aanwezig is, kan iedere Ordinaris dispenseren van deze zelfde wetten, ook als de dispensatie voorbehouden is aan de Heilige Stoel, mits het over een dispensatie gaat die deze zelf in dezelfde omstandigheden pleegt te verlenen, onverminderd het voorschrift van can. 291.

    Can. 88 - De plaatselijke Ordinaris kan dispenseren van diocesane wetten en, zo dikwijls hij dat voor het welzijn van de gelovigen bevorderlijk acht, van wetten uitgevaardigd door een plenair of provinciaal Concilie of door de bisschoppenconferentie.

    Can. 89 - De pastoor en andere priesters of de diakens kunnen niet dispenseren van een universele en particuliere wet, tenzij deze macht hun uitdrukkelijk verleend is.

    Can. 90 - § 1 Van een kerkelijk wet mag niet gedispenseerd worden zonder een goede en verantwoorde reden, rekening houdend met de omstandigheden van het geval en het gewicht van de wet waarvan gedispenseerd wordt; anders is de dispensatie ongeoorloofd en, tenzij ze door de wetgever zelf of diens overheid verleend is, ook ongeldig.
    § 2 Bij twijfel over de toereikendheid van de reden wordt de dispensatie geldig en geoorloofd verleend.

    Can. 91 - Wie macht bezit om te dispenseren kan die uitoefenen, ook wanneer hij zich buiten zijn ambtsgebied bevindt, ten aanzien van onderdanen, ook als die uit het ambtsgebied afwezig zijn en, tenzij het tegendeel uitdrukkelijk bepaald wordt, ook ten aanzien van vreemdelingen die daadwerkelijk in zijn ambtsgebied verblijven, alsook ten aanzien van zichzelf.

    Can. 92 - Aan strikte interpretatie is niet alleen een dispensatie volgens can. 36, § 1 onderworpen, maar ook de voor een bepaald geval gegeven macht zelf om te dispenseren.

    Can. 93 - Een dispensatie die zich over een tijdsverloop uitstrekt, houdt op te bestaan op dezelfde wijzen als een privilege, alsook door het zeker en volledig ophouden van de doorslaggevende reden.

    Boek I Titel V Statuten en reglementen

    Can. 94 - § 1 Statuten, in eigenlijke zin, zijn ordeningen die in gehelen hetzij van personen hetzij van zaken volgens het recht vastgesteld worden en waardoor hun doelstelling, inrichting, bestuur en handelwijze bepaald worden.
    § 2 De statuten van een geheel van personen binden alleen die personen die wettig lid daarvan zijn; de statuten van een geheel van zaken hen die zorg dragen voor de leiding ervan.
    § 3 De voorschriften van statuten, vastgesteld en afgekondigd krachtens wetgevende macht, vallen onder de voorschriften van de canones over de wetten.

    Can. 95 - § 1 Reglementen zijn bepalingen of normen die in acht genomen moeten worden in vergaderingen van personen, hetzij door de kerkelijke overheid belegd hetzij door christengelovigen vrij bijeengeroepen, alsook in andere bijeenkomsten, en waarin bepaald wordt wat betrekking heeft op de inrichting, de leiding en de handelwijze.
    § 2 In vergaderingen of bijeenkomsten zijn aan de bepalingen van het reglement zij gehouden die eraan deelnemen.

    Boek I Titel VI Fysieke personen en rechtspersonen

    Hoofdstuk I - Rechtspositie van fysieke personen 96-112

    Can. 96 - Door het doopsel wordt de mens ingelijfd in de Kerk van Christus en daarin tot persoon gemaakt met de plichten en rechten die aan christenen, gelet evenwel op hun positie, eigen zijn, voor zover ze in de kerkelijke gemeenschap zijn en als een wettig opgelegde sanctie dit niet verhindert.

    Can. 97 - § 1 Een persoon die het achttiende levensjaar heeft voltooid, is meerderjarig; onder deze leeftijd minderjarig.
    § 2 Een minderjarige wordt voor het einde van het zevende jaar kind genoemd en geacht niet voor zichzelf verantwoordelijk te kunnen zijn, maar na de voltooiing van het zevende jaar wordt gepresumeerd dat hij over het gebruik van zijn verstand beschikt.

    Can. 98 - § 1 Een meerderjarige persoon beschikt over de volledige uitoefening van zijn rechten.
    § 2 Een minderjarig persoon blijft in de uitoefening van zijn rechten onder de macht van de ouders of voogden, uitgezonderd datgene waarin minderjarigen door de goddelijke wet of het canoniek recht aan hun macht onttrokken zijn; wat betreft de aanstelling van voogden en hun macht dienen de voorschriften van het burgerlijk recht in acht genomen te worden, tenzij door het canoniek recht iets anders voorzien wordt, of de diocesane Bisschop in bepaalde gevallen om een goede reden geoordeeld heeft dat erin voorzien moet worden door de benoeming van een andere voogd.

    Can. 99 - Alwie habitueel het gebruik van het verstand mist, wordt geacht niet voor zichzelf verantwoordelijk te kunnen zijn en wordt met kinderen gelijkgesteld.

    Can. 100 - Een persoon wordt genoemd: inwoner, op de plaats waar zijn domicilie is; quasi-inwoner, op de plaats waar hij quasi-domicilie heeft; vreemdeling, als hij verblijft buiten zijn domicilie of quasi-domicilie dat hij nog aanhoudt; zwerver, als hij nergens een domicilie of quasi-domicilie heeft.

    Can. 101 - § 1 De plaats van oorsprong van een kind, ook van een nieuwgedoopte, is die waar ten tijde van de geboorte van het kind de ouders domicilie hadden of, waar dit ontbreekt, quasi-domicilie of, als de ouders niet dezelfde domicilie of quasi-domicilie hadden, de moeder domicilie of quasi-domicilie had.
    § 2 Als het gaat over een kind van zwervers, is de plaats van oorsprong de plaats zelf van de geboorte; als het gaat over een vondeling, is het de plaats waar het kind gevonden is.

    Can. 102 - § 1 Domicilie wordt verkregen door dat verblijf in het gebied van een parochie of ten minste van een diocees, dat ofwel verbonden is met de bedoeling daar voorgoed te blijven als er geen reden is om daar weg te gaan, ofwel vijf volle jaren geduurd heeft.
    § 2 Quasi-domicilie wordt verkregen door dat verblijf in het gebied van een parochie of ten minste van een diocees, dat ofwel verbonden is met de bedoeling daar ten minste drie maanden te blijven als er geen reden is om daar weg te gaan, ofwel in feite drie maanden geduurd heeft.
    § 3 Een domicilie of quasi-domicilie in het gebied van een parochie wordt parochieel genoemd; in het gebied van een diocees diocesaan, zelfs al is het niet in een parochie.

    Can. 103 - De leden van religieuze instituten en van sociëteiten van apostolisch leven verkrijgen domicilie op de plaats waar het huis ligt waaraan zij verbonden zijn; quasi-domicilie in het huis waar zij, volgens can. 102, § 2, verblijven.

    Can. 104 - Echtgenoten dienen een gemeenschappelijk domicilie of quasi-domicilie te hebben; wegens een wettige scheiding of om een andere goede reden kan ieder van beiden een eigen domicilie of quasi-domicilie hebben.

    Can. 105 - § 1 Een minderjarige behoudt noodzakelijk het domicilie en quasi-domicilie van degene onder wiens macht hij staat. Als hij geen kind meer is, kan hij ook een eigen quasi-domicilie verkrijgen; en indien volgens het burgerlijk recht wettig geëmancipeerd, ook een eigen domicilie.
    § 2 Alwie om een andere reden dan minderjarigheid wettig onder voogdij of curatele van een ander gesteld is, heeft het domicilie en quasi-domicilie van de voogd of curator.

    Can. 106 - Domicilie en quasi-domicilie gaan verloren door vertrek uit de plaats met de bedoeling er niet terug te keren, behoudens het voorschrift van can. 105.

    Can. 107 - § 1 Zowel door domicilie als door quasi-domicilie verkrijgt ieder zijn eigen pastoor en Ordinaris.
    § 2 De eigen pastoor of Ordinaris van een zwerver is de pastoor of Ordinaris van de plaats waar de zwerver daadwerkelijk verblijft.
    § 3 Ook van degene die alleen een diocesaan domicilie of quasi-domicilie heeft, is de eigen pastoor de pastoor van de plaats waar hij daadwerkelijk verblijft.

    Can. 108 - § 1 Bloedverwantschap wordt berekend in lijnen en graden.
    § 2 In de rechte lijn zijn zoveel graden als generaties, dit wil zeggen als personen, de gemeenschappelijk voorouder niet meegerekend.
    § 3 In de zijlijn zijn er zoveel graden als personen in beide lijnen gezamenlijk, de gemeenschappelijke voorouder niet meegerekend.

    Can. 109 - § 1 Aanverwantschap ontstaat uit een geldig huwelijk, ook al is het niet voltrokken, en bestaat tussen de man en de bloedverwanten van de vrouw, en eveneens tussen de vrouw en de bloedverwanten van de man.
    § 2 Ze wordt zo berekend dat de bloedverwanten van de man in dezelfde lijn en graad aanverwanten zijn van de vrouw, en omgekeerd.

    Can. 110 - Kinderen die volgens de burgerlijke wet geadopteerd zijn, worden beschouwd als kinderen van degene of degenen die hen geadopteerd hebben.

    Can. 111 - § 1 In de Latijnse Kerk wordt door het ontvangen van het doopsel ingeschreven het kind van ouders die tot haar behoren of die, als een van hen beiden er niet toe behoort, beiden in onderlinge overeenstemming ervoor gekozen hebben dat hun kind in de Latijnse Kerk gedoopt werd; als de onderlinge overeenstemming ontbreekt, wordt het ingeschreven in de Kerk van de ritus waartoe de vader behoort.
    § 2 Iedere dopeling die het veertiende jaar voltooid heeft, kan vrij kiezen om in de Latijnse Kerk of in een Kerk van eigen recht van een andere ritus gedoopt te worden; in dat geval behoort hij tot de Kerk die hij gekozen heeft.

    Can. 112 - § 1 Na het ontvangen van het doopsel worden in een Kerk van eigen recht van een andere ritus ingeschreven:
    1: wie verlof van de Apostolische Stoel gekregen heeft;
    2: de echtgenoot die bij het aangaan van of tijdens het huwelijk verklaard heeft naar de Kerk van eigen recht van een andere ritus van de andere echtgenoot over te gaan; na ontbinding van het huwelijk kan eerstgenoemde vrij tot de Latijnse Kerk terugkeren;
    3: de kinderen van hen over wie in de nrs. 1 en 2, voor de voltooiing van het veertiende levensjaar, en eveneens, in een gemengd huwelijk, de kinderen van de katholieke partij die wettig overgegaan is naar een Kerk van een andere ritus; maar na het bereiken van die leeftijd kunnen deze naar de Latijnse Kerk terugkeren.
    § 2 Het gebruik, zelfs gedurende lange tijd, om de sacramenten volgens de ritus van een Kerk van eigen recht van een andere ritus te ontvangen heeft geen inschrijving in deze Kerk tot gevolg.

    Hoofdstuk II - Rechtspersonen 113-123

    Can. 113 - § 1 De Katholieke Kerk en de Apostolische Stoel zijn naar hun aard morele
    persoon krachtens goddelijke ordening zelf.
    § 2 Er zijn in de Kerk naast fysieke personen ook rechtspersonen, namelijk subjecten in het canoniek recht van plichten en rechten die met hun aard overeenkomen.

    Can. 114 - § 1 Als rechtspersonen worden opgericht ofwel krachtens rechtsvoorschrift zelf ofwel krachtens speciale verlening door de bevoegde overheid bij decreet gegeven, gehelen hetzij van personen hetzij van zaken, gericht op een met de zending van de Kerk overeenkomende doelstelling, die de doelstelling van enkelingen overstijgt.
    § 2 Onder de doelstellingen waarover in § 1, worden verstaan die welke werken betreffen van vroomheid, apostolaat of caritas, hetzij geestelijk hetzij tijdelijk van aard.
    § 3 De bevoegde overheid van de Kerk mag geen rechtspersoonlijkheid toekennen tenzij aan die gehelen van personen of zaken die een werkelijk nuttige doelstelling nastreven en die, alles in overweging genomen, over de middelen beschikken waarvan men voorziet dat ze kunnen volstaan om het gestelde doel te bereiken.

    Can. 115 - § 1 Rechtspersonen in de Kerk zijn of gehelen van personen of gehelen van zaken.
    § 2 Een geheel van personen, dat niet opgericht kan worden tenzij het minstens uit drie personen bestaat, is collegiaal als de leden zijn werkzaamheid door gezamenlijke besluitvorming bepalen, hetzij met gelijk recht hetzij niet, volgens het recht en de statuten; anders is het niet collegiaal.
    § 3 Een geheel van zaken, dat wil zeggen een autonome stichting, bestaat uit goederen of zaken, hetzij geestelijke hetzij materiële, en wordt geleid door een of meerdere fysieke personen of door een college volgens het recht en de statuten.

    Can. 116 - § 1 Publieke rechtspersonen zijn gehelen van personen of zaken, die door de bevoegde kerkelijke overheid opgericht worden om binnen de voor hen te voren vastgestelde grenzen namens de Kerk, volgens de voorschriften van het recht, de hun eigen, met het oog op het openbaar welzijn toevertrouwde taak te vervullen; de overige rechtspersonen zijn privaat.
    § 2 Publieke rechtspersonen verkrijgen deze rechtspersoonlijkheid hetzij van rechtswege hetzij door een speciaal decreet van de bevoegde overheid, wanneer zij deze uitdrukkelijk verleent; private rechtspersonen verkrijgen deze rechtspersoonlijkheid slechts door een speciaal decreet van de bevoegde overheid, wanneer zij deze rechtspersoonlijkheid uitdrukkelijk verleent.

    Can. 117 - Geen geheel van personen of zaken dat rechtspersoonlijkheid wenst te verkrijgen, kan deze verwerven tenzij zijn statuten door de bevoegde overheid goedgekeurd zijn.

    Can. 118 - Een publieke rechtspersoon vertegenwoordigen, wanneer zij optreden in diens naam, zij aan wie deze bevoegdheid door het universeel of particulier recht of door de eigen statuten toegekend wordt; een private rechtspersoon zij aan wie deze zelfde bevoegdheid door de statuten verleend wordt.

    Can. 119 - Wat collegiale handelingen betreft, tenzij iets anders door het recht of de statuten voorzien wordt:
    1: heeft rechtskracht, als het over verkiezingen gaat, wat in aanwezigheid van de meerderheid van hen die bijeengeroepen moeten worden, besloten is door de absolute meerderheid van de aanwezigen; na twee stemmingen zonder resultaat dient gestemd te worden over de twee kandidaten die het grootste gedeelte van de stemmen behaald hebben, of , als er meerdere zijn, over de oudste twee in leeftijd; na de derde stemming, als er een pariteit blijft, dient degene als gekozen beschouwd te worden die de oudste in leeftijd is;
    2: heeft rechtskracht, als het over andere zaken gaat, wat in aanwezigheid van de meerderheid van hen die bijeengeroepen moeten worden, besloten is door de absolute meerderheid van de aanwezigen; als na twee stemmingen de stemmen gelijk zijn, kan de voorzitter door zijn stem een einde maken aan de pariteit;
    3: moet echter, wat allen afzonderlijk raakt, door allen goedgekeurd worden.

    Can. 120 - § 1 Een rechtspersoon is van nature blijvend; maar hij houdt op te bestaan als hij door de bevoegde overheid wettig opgeheven wordt of gedurende een periode van honderd jaar nagelaten heeft te handelen; bovendien houdt een private rechtspersoon op te bestaan als de vereniging zelf volgens de statuten ontbonden wordt of als de stichting zelf, naar het oordeel van de bevoegde overheid, volgens de statuten heeft opgehouden te bestaan.
    § 2 Als slechts één van de leden van een collegiale rechtspersoon overblijft en het geheel van personen volgens de statuten niet heeft opgehouden te staan, komt de uitoefening van alle rechten van het geheel aan dat lid toe.

    Can. 121 - Als gehelen hetzij van personen hetzij van zaken, die publieke rechtspersonen zijn, zo verenigd worden dat hieruit één geheel ontstaat dat ook zelf rechtspersoonlijkheid bezit, verkrijgt deze nieuwe rechtspersoon de goederen en vermogensrechten eigen aan de vroegere rechtspersonen, en neemt hij de verplichting op zich die op dezen rustten; wat echter de bestemming vooral van de goederen betreft en het vervullen van de verplichtingen, moeten de wil van de stichters en schenkers en de verworven rechten behouden blijven.

    Can. 122 - Als een geheel dat publieke rechtspersoonlijkheid bezit, zo verdeeld wordt dat ofwel een deel ervan met een andere rechtspersoon verenigd wordt, ofwel uit een afgescheiden deel een onderscheiden rechtspersoon opgericht wordt, moet de kerkelijke overheid aan wie de verdeling toekomt er zelf of door middel van een uitvoerder voor zorgen, en wel allereerst met inachtneming zowel van de wil van stichters en schenkers als van verworven rechten alsook van goedgekeurde statuten:
    1: dat de gemeenschappelijke goederen en vermogensrechten die verdeeld kunnen worden, alsmede schulden en andere verplichtingen tussen de betreffende rechtspersonen verdeeld worden met de vereiste evenredigheid naar recht en billijkheid, rekening houdend met alle omstandigheden en de noden van ieder van beiden;
    2: dat het gebruik en vruchtgebruik van de gemeenschappelijke goederen die niet voor verdeling in aanmerking komen, aan ieder van beide rechtspersonen toevallen en dat de hieraan eigen verplichtingen aan ieder van beiden worden opgelegd, eveneens met inachtneming van de vereiste evenredigheid, naar recht en billijkheid te bepalen.

    Can. 123 - Wanneer een publieke rechtspersoon heeft opgehouden te bestaan, wordt de bestemming van zijn goederen en vermogensrechten en eveneens van de verplichtingen geregeld door het recht en de statuten; als deze daarover zwijgen, vervallen zij aan de onmiddellijk hogere rechtspersoon, steeds met behoud van de wil van stichters en schenkers alsook van verworven rechten; wanneer een private rechtspersoon heeft opgehouden te bestaan, wordt de bestemming van zijn goederen en verplichtingen door de eigen statuten geregeld.

    Boek I Titel VII Rechtshandelingen

    Can. 124 - § 1 Voor de geldigheid van een rechtshandeling wordt vereist dat ze gesteld wordt door een daartoe bekwaam persoon en dat ze datgene inhoudt wat de handeling zelf wezenlijk constitueert, alsook de vormvereisten en de elementen die door het recht voor de geldigheid van de handeling opgelegd zijn.

    Can. 125 - § 1 Een handeling gesteld uit dwang van buiten af op een persoon uitgeoefend, waaraan deze geenszins kan weerstaan, wordt als niet gesteld beschouwd.
    § 2 Een handeling gesteld tengevolge van ernstige vrees onrechtmatig aangejaagd, of ten gevolge van list, is geldig tenzij iets anders door het recht voorzien wordt; maar ze kan door een vonnis van de rechter vernietigd worden, hetzij op aanvraag van de benadeelde partij of haar opvolgers in rechte hetzij ambtshalve.

    Can. 126 - Een handeling gesteld uit onwetendheid of dwaling die datgene betreft wat haar wezen uitmaakt of die neerkomt op een voorwaarde sine qua non, is ongeldig; anders is ze geldig tenzij iets anders door het recht voorzien wordt; maar een handeling waartoe overgegaan is uit onwetendheid of dwaling, kan aanleiding geven tot een vordering tot vernietiging volgens het recht.

    Can. 127 - § 1 Wanneer door het recht bepaald wordt dat om handelingen te stellen een Overste de toestemming of het advies van een college of groep van personen nodig heeft, moet het college of de groep bijeengeroepen worden volgens can. 166, tenzij, als het slechts het inwinnen van een advies betreft, door particulier of eigen recht iets anders voorzien is; maar voor de geldigheid van de handelingen is vereist dat toestemming verkregen wordt van de absolute meerderheid van de aanwezigen of dat het advies van allen ingewonnen wordt.
    § 2 Wanneer door het recht bepaald wordt dat de Overste om handelingen te stellen de toestemming of het advies van enige personen afzonderlijk nodig heeft:
    1: is, indien toestemming vereist is, de handeling van de Overste ongeldig als hij de toestemming van deze personen niet vraagt of handelt tegen het door hen of een van hen gegeven oordeel;
    2: is, indien advies vereist is, de handeling van de Overste ongeldig als hij die personen niet hoort; de Overste, al is hij door geen enkele verplichting gehouden zich bij hun oordeel, ook al is dat eensgezind, aan te sluiten, zal toch vooral van hun eensgezind oordeel niet afwijken zonder een, naar zijn oordeel te schatten, overwegende reden.
    § 3 Allen wier toestemming of advies vereist wordt, zijn gehouden door de verplichting hun mening oprecht naar voren te brengen en, indien de belangrijkheid van de zaken dit vraagt, de geheimhouding met zorg in acht te nemen; deze verplichting kan door de Overste geurgeerd worden.

    Can. 128 - Alwie onwettig door een rechtshandeling, en zelfs door welke andere handeling ook met list of met schuld gesteld, een ander schade berokkent, is gehouden aan de verplichting de aangerichte schade te herstellen.

    Boek I Titel VIII Bestuursmacht

    Can. 129 - § 1 Tot bestuursmacht die krachtens goddelijke instelling in de Kerk bestaat en die ook jurisdictiemacht genoemd wordt, zijn volgens de voorschriften van het recht bekwaam zij die een heilige wijding ontvangen hebben.
    § 2 In de uitoefening van deze macht kunnen christengelovigen-leken meewerken volgens het recht.

    Can. 130 - Bestuursmacht wordt uit zichzelf uitgeoefend voor het uitwendige rechtsbereik, soms echter alleen voor het inwendig rechtsbereik en wel zo, dat de gevolgen die de uitoefening ervan van nature voor het uitwendig rechtsbereik heeft, in dit rechtsbereik niet erkend worden tenzij voor zover dat in bepaalde gevallen door het recht bepaald wordt.

    Can. 131 - § 1 Gewone bestuursmacht is die welke van rechtswege aan een ambt verbonden is; gedelegeerde, welke aan een persoon niet door middel van een ambt verleend wordt.
    § 2 Gewone bestuursmacht kan hetzij eigen hetzij plaatsvervangend zijn.
    § 3 Op degene die beweert gedelegeerd te zijn, rust de verplichting de delegatie te bewijzen.

    Can. 132 - § 1 Habituele bevoegdheden vallen onder de voorschriften over gedelegeerde macht.
    § 2 Maar tenzij bij het verlenen ervan iets anders uitdrukkelijk voorzien wordt of tenzij de keuze gebeurde omwille van de kwaliteit van de persoon, houdt een habituele bevoegdheid aan een Ordinaris verleend, niet op te bestaan met het vervallen van het recht van de Ordinaris aan wie deze verleend is, ook al was hij begonnen die uit te oefenen, maar gaat zij over op iedere Ordinaris die hem in het bestuur opvolgt.

    Can. 133 - § 1 Een gedelegeerde die ten aanzien van hetzij zaken hetzij personen de grenzen van zijn mandaat overschrijft, handelt ongeldig.
    § 2 Een gedelegeerde die op een andere wijze dan in de opdracht bepaald, datgene doet waarvoor hij gedelegeerd is, wordt niet geacht de grenzen van zijn mandaat te overschrijden, tenzij de wijze door de delegerende persoon zelf voor de geldigheid voorgeschreven is.

    Can. 134 - § 1 Onder Ordinaris worden in het recht verstaan, behalve de Paus, de diocesane Bisschoppen en de anderen die, hoewel slechts tijdelijk, over een particuliere Kerk of een daarmee volgens can. 368 gelijkgestelde gemeenschap zijn aangesteld alsook zij die daarin algemene gewone uitvoerende macht bezitten, namelijk Vicarissen-generaal en bisschoppelijke Vicarissen; eveneens, voor hun leden, de hogere Oversten van clericale religieuze instituten van pauselijk recht en van clericale sociëteiten van apostolisch leven van pauselijk recht, die ten minste gewone uitvoerende macht bezitten.
    § 2 Onder plaatselijke Ordinaris worden verstaan alle in § 1 genoemden, behalve de Oversten van religieuze instituten en van sociëteiten van apostolisch leven.
    § 3 Wat in de canones bij name aan de diocesane Bisschop binnen het kader van de uitvoerende macht toegekend wordt, wordt geacht alleen toe te komen aan de diocesane Bisschop en aan de anderen met hem in can. 381, § 2 gelijkgesteld, met uitsluiting van de Vicaris-generaal en de bisschoppelijke Vicaris, tenzij krachtens speciaal mandaat.

    Can. 135 - § 1 Bestuursmacht wordt onderscheiden in wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht.
    § 2 Wetgevende macht moet uitgeoefend worden op de wijze door het recht voorgeschreven; en die wetgevende macht die een wetgever lager dan de hoogste overheid in de Kerk bezit, kan niet geldig gedelegeerd worden, tenzij iets anders door het recht expliciet voorzien wordt; door een lagere wetgever kan geen wet die strijdig is met hoger recht, geldig uitgevaardigd worden.
    § 3 Rechterlijke macht, die rechters of rechterlijke colleges bezitten, moet uitgeoefend worden op de wijze door het recht voorgeschreven, en kan niet gedelegeerd worden, tenzij voor het stellen van handelingen die een decreet of vonnis voorbereiden.
    § 4 Wat betreft de uitoefening van uitvoerende macht dienen de voorschriften in acht genomen te worden van de canones die volgen.

    Can. 136 - Uitvoerende macht kan iemand, hoewel buiten zijn ambtsgebied verblijvend, uitoefenen ten aanzien van onderdanen, ook als deze uit het ambtsgebied afwezig zijn, tenzij iets anders uit de aard der zaak of krachtens een voorschrift van het recht vaststaat; ten aanzien van vreemdelingen die daadwerkelijk in het ambtsgebied verblijven, als het gaat over verlening van gunsten of over ten uitvoer brengen van wetten, hetzij universele hetzij particuliere, waaraan deze volgens can. 13, § 2, nr.2 gehouden zijn.

    Can. 137 - § 1 Gewone uitvoerende macht kan gedelegeerd worden zowel voor een afzonderlijke handeling als voor een geheel van gevallen, tenzij iets anders door het recht uitdrukkelijk voorzien wordt.
    § 2 Uitvoerende macht door de Apostolische Stoel gedelegeerd kan gesubdelegeerd worden hetzij voor een afzonderlijke handeling hetzij voor een geheel van gevallen, tenzij de keuze gebeurde omwille van de kwaliteit van de persoon of tenzij subdelegatie uitdrukkelijk verboden is.
    § 3 Uitvoerende macht gedelegeerd door een andere overheid die gewone macht bezit, kan, als zij voor een geheel van gevallen gedelegeerd is, alleen in afzonderlijke gevallen gesubdelegeerd worden; maar als zij voor een afzonderlijke handeling of voor bepaalde handelingen gedelegeerd is, kan zij niet gesubdelegeerd worden tenzij de delegerende dit uitdrukkelijk toestaat.
    § 4 Geen enkele gesubdelegeerde macht kan op haar beurt gesubdelegeerd worden tenzij dit uitdrukkelijk door de delegerende toegestaan is.

    Can. 138 - Gewone uitvoerende macht alsook de voor een geheel van gevallen gedelegeerde macht moet ruim geïnterpreteerd worden, elke andere echter strikt; maar aan wie een macht is gedelegeerd, wordt ook datgene begrepen verleend te zijn zonder hetwelk deze macht niet uitgeoefend kan worden.

    Can. 139 - § 1 Tenzij iets anders door het recht bepaald wordt, wordt door het feit dat iemand zich tot een bevoegde overheid, ook een hogere, wendt, de uitvoerende macht van een andere bevoegde overheid niet opgeschort, hetzij deze gewoon hetzij deze gedelegeerd is.
    § 2 In een zaak echter die voor een hogere overheid gebracht is, mag een lagere overheid zich niet mengen, tenzij om een ernstige en dringende reden; in dat geval dient zij de hogere overheid hiervan onmiddellijk op de hoogte te brengen.

    Can. 140 - § 1 Wanneer meerderen hoofdelijk gedelegeerd zijn om dezelfde zaak te behandelen, sluit hij die het eerst de zaak in behandeling genomen heeft, de anderen uit om hierin te handelen, tenzij hij nadien verhinderd werd of in het afhandelen van de zaak niet wilde doorgaan.
    § 2 Wanneer meerderen collegiaal gedelegeerd zijn om een zaak te behandelen, moeten allen te werk gaan volgens can. 119, tenzij in het mandaat iets anders voorzien is.
    § 3 Een uitvoerende macht aan meerderen gedelegeerd, wordt gepresumeerd aan dezen hoofdelijk gedelegeerd te zijn.

    Can. 141 - Wanneer meerderen achtereenvolgens gedelegeerd zijn, dient hij de zaak af te handelen wiens mandaat het oudste is en nadien niet herroepen werd.

    Can. 142 - § 1 Gedelegeerde macht houdt op te bestaan: doordat het mandaat vervuld is; doordat de tijd verstreken is of het aantal gevallen uitgeput waarvoor het mandaat gegeven is; doordat de beweegreden voor delegatie ophoudt te bestaan; door een rechtstreeks aan de gedelegeerde betekende herroeping vanwege de delegerende, en door een aan de delegerende betekende en door hem aanvaarde afstand vanwege de gedelegeerde; niet echter door het wegvallen van het recht van de delegerende, tenzij dit uit de bijgevoegde clausules blijkt.
    § 2 Een handeling krachtens gedelegeerde macht echter, die alleen voor het inwendig rechtsbereik uitgeoefend wordt en die bij onachtzaamheid gesteld is na het verstrijken van de tijd van verlening, is geldig.

    Can. 143 - § 1 Gewone macht houdt op te bestaan bij het verlies van het ambt waaraan zij verbonden is.
    § 2 Tenzij iets anders door het recht voorzien wordt, wordt gewone macht opgeschort als tegen ontneming van of verwijdering uit een ambt op wettige wijze beroep aangetekend wordt of verhaal ingesteld wordt.

    Can. 144 - § 1 Bij gemeenschappelijke dwaling in feite of in rechte, en eveneens bij positieve en waarschijnlijke twijfel hetzij in rechte hetzij in feite, suppleert de Kerk de uitvoerende bestuursmacht zowel voor het uitwendig als het inwendig rechtsbereik.
    § 2 Dezelfde norm wordt toegepast op de bevoegdheden waarover in de canones 882, 883, 966 en 1111, § 1.

    Boek I Titel IX Kerkelijke ambten

    Can. 145 - § 1 Een kerkelijk ambt is elke taak krachtens hetzij goddelijke hetzij kerkelijke ordening duurzaam ingesteld, uit te oefenen tot een geestelijk doel.
    § 2 De plichten en rechten eigen aan de afzonderlijke kerkelijke ambten, worden bepaald hetzij door het recht zelf waardoor het ambt ingesteld wordt, hetzij door het decreet van de bevoegde overheid waardoor het terzelfdertijd ingesteld en toegewezen wordt.

    Hoofdstuk I - Toekenning van een kerkelijk ambt 146-183

    Can. 146 - Een kerkelijk ambt kan zonder canonieke toekenning niet geldig verkregen worden.

    Can. 147 - Toekenning van een kerkelijk ambt heeft plaats: door vrije toewijzing door de bevoegde kerkelijke overheid; door aanstelling door deze gegeven, als een voordracht voorafgegaan is; door bevestiging of toelating door deze verleend, als een verkiezing of postulatie voorafgegaan is; tenslotte door eenvoudige verkiezing en aanvaarding door de gekozene, als de verkiezing geen bevestiging behoeft.

    Can. 148 - Aan de overheid die de bevoegdheid heeft ambten in te stellen, te veranderen en op te heffen komt ook de toekenning hiervan toe, tenzij iets anders door het recht bepaald wordt.

    Can. 149 - § 1 Om tot een kerkelijk ambt bevorderd te worden, moet iemand in de
    gemeenschap van de Kerk zijn alsook geschikt, dat wil zeggen in het bezit van die eigenschappen die door het universeel of particulier recht of door de stichtingsbepalingen voor dat ambt vereist worden.
    § 2 De toekenning van een kerkelijk abt aan iemand die de vereiste eigenschappen mist, is alleen ongeldig als die eigenschappen door het universeel of particulier recht of door de stichtingsbepalingen voor de geldigheid van de toekenning uitdrukkelijk geëist worden; anders is zij geldig, maar kan vernietigd worden door een decreet van de bevoegde overheid of door een vonnis van een administratieve rechtbank.
    § 3 De toekenning van een ambt gedaan op grond van simonie, is van rechtswege ongeldig.

    Can. 150 - Een ambt dat volledige zielzorg met zich meebrengt, voor het vervullen waarvan de uitoefening van het priesterschap vereist wordt, kan aan iemand die de priesterwijding nog niet heeft ontvangen , niet geldig toegekend worden.

    Can. 151 - De toekenning van een ambt dat zielzorg met zich meebrengt mag zonder ernstige reden niet uitgesteld worden.

    Can. 152 - Aan niemand mogen twee of meer onverenigbare ambten toegekend worden, die namelijk welke niet tegelijk door dezelfde persoon vervuld kunnen worden.

    Can. 153 - § 1 De toekenning van een rechtens niet vacant ambt is door het feit zelf ongeldig en wordt ook niet geldig doordat het daarna vacant wordt.
    § 2 Als het echter een ambt betreft dat rechtens voor een bepaalde tijd wordt toegekend, kan de toekenning binnen zes maanden voor het verstrijken van deze tijd plaats hebben, en wordt deze van kracht vanaf de dag waarop het ambt vacant wordt.
    § 3 De belofte van een of ander ambt, door wie ook gedaan, brengt geen enkel rechtsgevolg voort.

    Can. 154 - Een rechtens vacant ambt dat misschien nog onwettig in iemands bezit is, kan toegewezen worden, mits op de voorgeschreven wijze verklaard is dat dit bezit niet wettig is, en van deze verklaring melding gemaakt wordt in de brief van toewijzing.

    Can. 155 - Wie een ambt toewijst in de plaats van een ander die nalatig of verhinderd is, verkrijgt daardoor geen enkele macht over de persoon aan wie het toegewezen is, maar de rechtspositie van deze laatste wordt juist zo bepaald alsof de toekenning volgens de gewone rechtsnorm plaatsgevonden had.

    Can. 156 - De toekenning van elk ambt dient schriftelijk vastgelegd te worden.

    Art. 1 - Vrije toewijzing 157

    Can. 157 - Tenzij iets anders expliciet door het recht bepaald wordt, komt het de diocesane Bisschop toe door vrije toewijzing te voorzien in de kerkelijke ambten in zijn eigen particuliere Kerk.

    Art. 2 - Voordracht 158-163

    Can. 158 - § 1 De voordracht voor een kerkelijk ambt door degene die het recht van voordracht heeft, moet geschieden bij de overheid aan wie het toekomt de aanstelling in het betreffende ambt te geven, en wel, tenzij iets anders wettig voorzien is, binnen drie maanden na kennisneming van de vacature van het ambt.
    § 2 Als het recht van voordracht aan een college of groep van personen toekomt, dient de voor te dragen persoon aangewezen te worden met inachtneming van de voorschriften van de canones 165-179.

    Can. 159 - Niemand mag tegen zijn wil voorgedragen worden; daarom kan degene die als voor te dragen persoon voorgesteld wordt, naar zijn mening gevraagd, voorgedragen worden, tenzij hij binnen de nuttige tijd van acht dagen weigert.

    Can. 160 - § 1 Wie het recht van voordracht heeft, kan een of ook meerderen voordragen, en deze zowel tegelijk als achtereenvolgens.
    § 2 Niemand kan zichzelf voordragen; een college of groep van personen echter kan een van zijn leden voordragen.

    Can. 161 - § 1 Tenzij iets anders door het recht bepaald wordt, kan degene die iemand heeft voorgedragen die niet geschikt is bevonden, slechts eenmaal opnieuw, binnen een maand, een andere kandidaat voordragen.
    § 2 Als de voorgedragen persoon, voordat de aanstelling heeft plaats gehad, afstand gedaan heeft of overleden is, kan degene die het recht van voordracht heeft binnen een maand na kennisneming van het afstand doen of van het overlijden zijn recht opnieuw uitoefenen.

    Can. 162 - Wie niet binnen de nuttige tijd, volgens can. 158, § 1 en can. 161, de voordracht gedaan heeft, en eveneens wie tweemaal iemand voorgedragen heeft die niet geschikt bevonden is, verliest voor dat geval het recht van voordracht, en de overheid aan wie het toekomt de aanstelling te geven, heeft het recht vrij in het vacante ambt te voorzien, met instemming echter van de eigen Ordinaris van degene aan wie het toegekend wordt.

    Can. 163 - De overheid aan wie het volgens het recht toekomt de voorgedragen persoon aan te stellen, dient de wettig voorgedragen persoon die hij geschikt bevonden heeft en die de voordracht aanvaard heeft, aan te stellen; als hij meerdere wettig voorgedragen personen geschikt bevonden heeft, moet hij een van hen aanstellen.

    Art. 3 – Verkiezing 164-179

    Can. 164 - Tenzij iets anders door het recht voorzien is, dienen bij canonieke verkiezingen de voorschriften van de canones die volgen, in acht genomen te worden.

    Can. 165 - Tenzij iets anders door het recht of de wettige statuten van een college of groep voorzien is, mag, indien een of ander college of groep van personen het recht heeft iemand voor een ambt te kiezen, de verkiezing niet langer uitgesteld worden dan drie nuttige maanden, te rekenen vanaf de kennisneming van de vacature van het ambt; is deze termijn onbenut verstreken, dan dient de kerkelijke overheid, aan wie het recht om de verkiezingen te bevestigen of aan wie het recht van toekenning vervolgens toekomt, in het vacante ambt vrij te voorzien.

    Can. 166 - § 1 De voorzitter van het college of van de groep dient allen die tot het college of de groep behoren, bijeen te roepen; wanneer de convocatie echter persoonlijk moet zijn, is ze geldig als ze gebeurt op de plaats van het domicilie of quasi-domicilie of op de plaats van het verblijf.
    § 2 Als iemand van de bijeen te roepen personen overgeslagen en daarom afwezig is geweest, is de verkiezing geldig; op diens verzoek evenwel moet de verkiezing, ook al is ze bekrachtigd, door de bevoegde overheid vernietigd worden, als bewezen is dat hij overgeslagen werd en afwezig was, mits rechtens vaststaat dat zijn beroep tenminste binnen drie dagen na kennisneming van de verkiezen verzonden is.
    § 3 Als meer dan een derde van de kiezers overgeslagen is, is de verkiezing van rechtswege nietig, tenzij allen die overgeslagen waren in feite aanwezig waren.

    Can. 167 - § 1 Nadat de convocatie wettig plaats gehad heeft, hebben de aanwezigen stemrecht op de dag en de plaats in de convocatie bepaald, met uitsluiting van de bevoegdheid om hun stem uit te brengen hetzij per brief hetzij door een gemachtigde, tenzij iets anders door de statuten wettig voorzien wordt.
    § 2 Als een van de kiezers aanwezig is in het huis waar de verkiezing plaats heeft, maar wegens zwakke gezondheid niet bij de verkiezing aanwezig kan zijn, dient zijn schriftelijke stem door de stemopnemers opgehaald te worden.

    Can. 168 - Al heeft iemand op meerdere titels het recht om uit eigen naam zijn stem uit te brengen, kan hij toch slechts één stem uitbrengen.

    Can. 169 - Opdat de verkiezing geldig is, kan niemand tot de stemming toegelaten worden die niet tot het college of de groep behoort.

    Can. 170 - Een verkiezing waarvan de vrijheid op welke wijze ook in feite belemmerd werd, is van rechtswege ongeldig.

    Can. 171 - § 1 Onbekwaam om een stem uit te brengen is:
    1. wie niet in staat is tot menselijk handelen;
    2. wie actief stemrecht mist;
    3. wie met excommunicatie bestraft is, hetzij door rechterlijk vonnis hetzij door een decreet waarbij de straf opgelegd of verklaard wordt;
    4. wie op publiek gekende wijze van de gemeenschap van de Kerk afgevallen is.
    § 2 Als iemand van de bovengenoemden toegelaten wordt, is zijn stem nietig, maar is de verkiezing geldig, tenzij vaststaat dat na aftrek van deze stem de gekozene het vereiste aantal stemmen niet behaald heeft.

    Can. 172 - § 1 Opdat de stem geldig is, moet ze zijn:
    1. vrij; daarom is ongeldig de stem van iemand die door ernstige vrees of list rechtstreeks of onrechtstreeks ertoe gebracht is om een bepaalde persoon of onderscheiden personen afzonderlijk te kiezen;
    2. geheim, zeker, onvoorwaardelijk en bepaald.
    § 2 Voorwaarden voor de verkiezing aan een stem toegevoegd, dienen als niet gesteld beschouwd te worden.

    Can. 173 - § 1 Voordat de verkiezing begint, dienen uit de kring van het college of de groep minstens twee stemopnemers aangesteld te worden.
    § 2 De stemopnemers dienen de stemmen te verzamelen en ten overstaan van de voorzitter na te gaan of het aantal stembiljetten met het aantal kiezers overeenkomt, de stemmen zelf te controleren en bekend te maken hoeveel ieder behaald heeft.
    § 3 Als het aantal stemmen het aantal kiezers overtreft, is er niets gedaan.
    § 4 Alle handeling van de verkiezing dienen door degene die de functie van secretaris vervult, nauwkeurig beschreven te worden en, ten minste door de secretaris zelf, de voorzitter en de stemopnemers ondertekend, in het archief van het college zorgvuldig bewaard te worden.

    Can. 174 - § 1 Tenzij iets anders door het recht of de statuten voorzien wordt, kan een verkiezing ook gebeuren door compromis, mits namelijk de kiezers, bij eenstemmige en schriftelijke toestemming, op één of meer geschikte personen hetzij uit hun midden hetzij buitenstaanders het kiesrecht voor die keer overdragen, om namens allen krachtens de ontvangen bevoegdheid de verkiezing te verrichten.
    § 2 Als het gaat over een college of groep die alleen uit clerici bestaat, moeten zij aan wie bij compromis de verkiezing opgedragen is, een heilige wijding hebben ontvangen; anders is de verkiezing ongeldig.
    § 3 Zij aan wie bij compromis de verkiezing opgedragen is, moeten de rechtsvoorschriften over de verkiezing in acht nemen en, voor de geldigheid van de verkiezing, de bij het compromis gevoegde voorwaarden die niet in strijd zijn met het recht, onderhouden; maar voorwaarden in strijd met het recht dienen als niet toegevoegd beschouwd te worden.

    Can. 175 - Een compromis houdt op te bestaan en het recht om een stem uit te brengen komt terug aan degenen die bij het compromis de verkiezing hebben overgedragen:
    1. door herroeping door het college of de groep nog voor er iets terzake gedaan is;
    2. wanneer een bij het compromis gevoegde voorwaarde niet vervuld is;
    3. na afloop van de verkiezing als deze nietig was.

    Can. 176 - Tenzij iets anders door het recht of de statuten voorzien wordt, dient diegene als gekozen beschouwd en door de voorzitter van het college of de groep bekend gemaakt te worden, die het vereiste aantal stemmen behaald heeft, volgens can. 119, nr.1.

    Can. 177 - § 1 De verkiezing moet terstond aan de gekozene betekend worden; deze moet binnen de nuttige tijd van acht dagen vanaf de ontvangst van de betekening aan de voorzitter van het college of van de groep meedelen of hij de verkiezing aanvaardt of niet; anders heeft de verkiezing geen uitwerking.
    § 2 Als de gekozene de keuze niet aanvaard heeft, verliest hij alle recht uit de verkiezing voortkomend en dit herleeft niet door een daarop volgende aanvaarding, maar hij kan opnieuw gekozen worden; het college echter of de groep moet binnen een maand na de kennisneming van het niet aanvaarden tot een nieuwe verkiezing overgaan.

    Can. 178 - Na aanvaarding van een verkiezing die geen bevestiging behoeft, verkrijgt de gekozene onmiddellijk rechtens ten volle het ambt; anders verkrijgt hij alleen rechtsaanspraak daarop.

    Can. 179 - § 1 Als de verkiezing bevestiging behoeft, moet de gekozene binnen de nuttige tijd van acht dagen vanaf de dag van de aanvaarding van de verkiezing bevestiging vragen aan de bevoegde overheid, persoonlijk of door een ander; anders wordt hem alle recht ontnomen, tenzij hij bewezen heeft dat hij door een rechtmatig beletsel weerhouden was de bevestiging te vragen.
    § 2 De bevoegde overheid kan, als zij de gekozene geschikt bevonden heeft volgens can. 149, § 1 en de verkiezing volgens het recht verricht is, de bevestiging niet weigeren.
    § 3 De bevestiging moet schriftelijk gegeven worden.
    § 4 Voor de bevestiging betekend is, mag de gekozene zich niet mengen in het beheer van het ambt, hetzij in geestelijke hetzij in tijdelijke zaken, en zijn eventueel door hem gestelde handelingen nietig.
    § 5 Nadat de bevestiging hem betekend is, verkrijgt de gekozene rechtens ten volle het ambt, tenzij iets anders door het recht voorzien wordt.

    Art. 4 – Postulatie 180-183

    Can. 180 - § 1 Als tegen de verkiezing van iemand die de kiezers het meest geschikt achten en aan wie ze de voorkeur geven, een canoniek beletsel bestaat waarvan dispensatie kan en pleegt gegeven te worden, kunnen dezen hem met hun stemmen bij de bevoegde overheid postuleren.
    § 2 Zij aan wie bij compromis de verkiezing is opgedragen, kunnen niet postuleren, tenzij dat in het compromis uitgedrukt is.

    Can. 181 - § 1 Opdat een postulatie van kracht is, zijn ten minste twee derde van de stemmen vereist.
    § 2 Een stem voor een postulatie moet uitgedrukt worden met de woorden: ik postuleer, of gelijkwaardige; de formulering: ik kies of postuleer, of een gelijkwaardige, geldt als verkiezing indien er geen beletsel bestaat, anders als postulatie.

    Can. 182 - § 1 De postulatie moet door de voorzitter binnen de nuttige tijd van acht dagen gezonden worden naar de bevoegde overheid aan wie het toekomt de verkiezing te bevestigen; het is aan haar dispensatie van het beletsel te verlenen of, als ze deze macht niet heeft, haar aan een hogere overheid te vragen; als bevestiging niet vereist is, moet de postulatie gezonden worden naar de bevoegde overheid opdat dispensatie verleend wordt.
    § 2 Als binnen de voorgeschreven tijd de postulatie niet verzonden is, is zij door het feit zelf nietig, en aan het college of de groep wordt voor die keer het recht ontnomen om te kiezen of te postuleren, tenzij bewezen wordt dat de voorzitter door een rechtmatig beletsel weerhouden was de postulatie te verzenden of dat hij met opzet of uit nalatigheid verzuimd heeft die tijdig te verzenden.
    § 3 Degene die gepostuleerd is, verwerft geen enkel recht uit de postulatie; de bevoegde overheid is niet gehouden aan de verplichting haar toe te laten.
    § 4 De kiezers kunnen een bij de bevoegde overheid gedane postulatie niet herroepen tenzij met toestemming van die overheid.

    Can. 183 - § 1 Als de postulatie door de bevoegde overheid niet toegelaten is, komt het recht om te kiezen terug aan het college of de groep.
    § 2 Als de postulatie toegelaten is, dient dit aan de gepostuleerde meegedeeld te worden, die moet antwoorden volgens can. 177, § 1.
    § 3 Wie een toegelaten postulatie aanvaardt, verkrijgt onmiddellijk rechtens ten volle het ambt.

    Hoofdstuk II - Verlies van een kerkelijk ambt 184-196

    Can. 184 - § 1 Een kerkelijk ambt wordt verloren door het verstrijken van de vooraf bepaalde tijd, het bereiken van de door het recht bepaalde leeftijd, afstand, verplaatsing, verwijdering alsook door ontneming.
    § 2 Een kerkelijk ambt wordt niet verloren doordat het recht van de overheid door wie het toegewezen is, hoe dan ook wegvalt, tenzij iets anders door het recht voorzien wordt.
    § 3 Het ambtsverlies dat rechtsgevolgen gekregen heeft, dient zo spoedig mogelijk bekend gemaakt te worden aan allen wie enig recht op de toekenning van het ambt toekomt.

    Can. 185 - Aan degene die wegens bereiken van de leeftijd of aanvaarde afstand zijn ambt verliest, kan de titel van emeritus verleend worden.

    Can. 186 - Door het verstrijken van de vooraf bepaalde tijd of het bereiken van de leeftijd heeft het verlies van het ambt slechts rechtsgevolg vanaf het moment waarop het door de bevoegde overheid schriftelijk betekend wordt.

    Art. 1 - Afstand 187-189

    Can. 187 - Ieder die voor zichzelf verantwoordelijk kan zijn, kan om een goede reden afstand doen van een kerkelijk ambt.

    Can. 188 - Afstand, gedaan ten gevolge van ernstige vrees onrechtmatig aangejaagd, list of wezenlijke dwaling of op grond van simonie, is van rechtswege ongeldig.

    Can. 189 - § 1 Opdat de afstand geldig is, hetzij hij aanvaarding behoeft hetzij niet, moet deze gedaan worden bij de overheid aan wie de toekenning van het betreffend ambt toekomt, en wel schriftelijk of mondeling in aanwezigheid van twee getuigen.
    § 2 De overheid mag een afstand die niet berust op een goede en verhoudingsgewijs voldoende reden, niet aanvaarden.
    § 3 De afstand die aanvaarding behoeft, mist alle rechtskracht, tenzij hij binnen drie maanden aanvaard wordt; die welke geen aanvaarding behoeft, heeft rechtsgevolgen door de volgens het recht gedane mededeling van degene die afstand doet.
    § 4 Zolang de afstand geen rechtsgevolgen gekregen heeft, kan hij door degene die afstand doet, herroepen worden; na intreden van rechtsgevolgen kan hij niet herroepen worden, maar wie afstand gedaan heeft, kan het ambt op grond van een andere titel verkrijgen.

    Art. 2 – Verplaatsing 190-191

    Can. 190 - § 1 Verplaatsing kan alleen gebeuren door degene die het recht heeft het ambt dat verloren wordt, en tevens het ambt dat verleend wordt, toe te kennen.
    § 2 Als de verplaatsing gebeurt tegen de wil van de titularis van het ambt, is een ernstige reden vereist en dient, steeds met inachtneming van het recht de redenen ertegen uiteen te zetten, de door het recht voorgeschreven wijze van te werk gaan gevolgd te worden.
    § 3 Opdat de verplaatsing rechtsgevolgen heeft moet ze schriftelijk betekend worden.

    Can. 191 - § 1 Bij verplaatsing wordt het eerste ambt vacant doordat het andere ambt canoniek in bezit genomen is, tenzij iets anders door het recht voorzien of door de bevoegde overheid voorgeschreven is.
    § 2 Wie verplaatst is, verkrijgt de met het vorige ambt verbonden vergoeding tot hij het andere canoniek in bezit genomen heeft.

    Art. 3 – Verwijdering 192-195

    Can. 192 - Iemand wordt uit een ambt verwijderd hetzij door een decreet door de bevoegde overheid wettig uitgevaardigd, met inachtneming weliswaar van de mogelijk contractueel verworven rechten, hetzij van rechtswege volgens can. 194.

    Can. 193 - § 1 Uit een ambt dat iemand voor onbepaalde tijd toegewezen wordt, kan hij niet verwijderd worden tenzij om ernstige redenen en met inachtneming van de door het recht bepaalde wijze van te werk gaan.
    § 2 Hetzelfde geldt om iemand uit een ambt, dat hem voor een bepaalde tijd toegewezen wordt, voor het verstrijken van deze tijd te kunnen verwijderen, onverminderd het voorschrift van can. 624, § 3.
    § 3 Uit een ambt dat volgens de voorschriften van het recht aan iemand toegewezen wordt naar het wijs oordeel van de bevoegde overheid, kan hij verwijderd worden om een goede reden, naar het oordeel van deze overheid.
    § 4 Opdat een decreet van verwijdering rechtsgevolgen heeft, moet het schriftelijk betekend worden.

    Can. 194 - § 1 Van rechtswege wordt uit een kerkelijk ambt verwijderd:
    1. wie de staat van clericus heeft verloren;
    2. wie publiek van het katholiek geloof of van de gemeenschap van de Kerk afgevallen is;
    3. een clericus die een huwelijk, ook een louter burgerlijk, gewaagd heeft.
    § 2 De verwijdering waarover in de nrs. 2 en 3, kan alleen geurgeerd worden als deze door een verklaring van de bevoegde overheid vaststaat.

    Can. 195 - Als iemand niet van rechtswege maar door een decreet van de bevoegde overheid verwijderd wordt uit een ambt waardoor in zijn middelen van bestaan voorzien wordt, dient deze overheid er zorg voor te dragen dat gedurende een passende tijd in zijn bestaan voorzien wordt, tenzij daarin op een andere wijze voorzien is.

    Art. 4 - Ontneming 196

    Can. 196 - § Ontneming van een ambt, namelijk als straf voor een misdrijf, kan alleen geschieden volgens het recht.
    § 2 De ontneming heeft rechtsgevolgen overeenkomstig de voorschriften van de canones in het strafrecht.

    Boek I Titel X Verjaring

    Can. 197 - Verjaring, als wijze van verkrijgen of verliezen van een subjectief recht alsook van zich bevrijden van verplichtingen, neemt de Kerk over voor zover die bestaat in de burgerlijke wetgeving van de betreffende natie, behoudens de uitzonderingen die in de canones van dit Wetboek bepaald worden.

    Can. 198 - Geen verjaring geldt tenzij zij steunt op goede trouw, niet alleen aan het begin maar gedurende het gehele verloop van de tijd die voor de verjaring vereist is, behoudens het voorschrift van can. 1362.

    Can. 199 - Aan verjaring zijn niet onderhevig:
    1. rechten en verplichtingen die van natuurlijk of positief goddelijk recht zijn;
    2. rechten die alleen krachtens apostolisch privilege verkregen kunnen worden;
    3. rechten en verplichtingen die rechtstreeks het geestelijk leven van de christengelovigen betreffen;
    4. zekere en onbetwistbare grenzen van kerkelijke omschrijvingen;
    5. misstipendia en -verplichtingen;
    6. toekenning van een kerkelijk ambt dat volgens het recht uitoefening van een heilige wijding vereist;
    7. recht van visitatie en verplichting tot gehoorzaamheid, zodanig dat christengelovigen door geen enkele kerkelijke overheid gevisiteerd kunnen worden en onder geen enkele overheid meer staan.

    Boek I Titel XI Tijdberekening

    Can. 200 - Tenzij iets anders uitdrukkelijk door het recht voorzien wordt, dient de tijd berekend te worden overeenkomstig de canones die volgen.

    Can. 201 - § 1 Onder doorlopende tijd wordt verstaan die welke geen enkele onderbreking toelaat.
    § 2 Onder nuttige tijd wordt verstaan die welke zodanig toekomt aan iemand die zijn recht uitoefent of doet gelden, dat deze niet doorloopt voor wie onwetend is of niet in staat om te handelen.

    Can. 202 - § 1 In het recht wordt onder een dag verstaan een tijdsduur bestaande uit en te berekenen als 24 doorlopende uren, en deze begint om middernacht tenzij iets anders uitdrukkelijk voorzien wordt; onder een week een tijdsduur van 7 dagen; onder een maand een tijdsduur van 30 en onder een jaar een tijdsduur van 365 dagen, tenzij gezegd wordt dat een maand en een jaar genomen moeten worden zoals ze in de kalender voorkomen.
    § 2 Als de tijd doorlopend is, moeten een maand en een jaar altijd genomen worden zoals ze in de kalender voorkomen.

    Can. 203 - § 1 De dag a quo wordt niet meegerekend in een termijn, tenzij het begin hiervan samenvalt met het begin van de dag of tenzij iets anders uitdrukkelijk in het recht voorzien wordt.
    § 2 Tenzij het tegendeel bepaald wordt, wordt de dag ad quem meegerekend in de termijn, die, als de tijd bestaat uit een of meer maanden of jaren, een of meer weken, eindigt met het verstrijken van de laatste dag van hetzelfde getal of, als de maand geen dag van hetzelfde getal heeft, met het verstrijken van de laatste dag van de maand.