85
5,74-75
31-10-2009

|74|

Weerwoord op kritiek

 

Diskwalificatie

Er worden door dr. Anderson enkele sterke uitdrukkingen gebruikt om mijn artikelen over de relatie man-vrouw in kerk en maatschappij te (dis) kwalificeren. Zo word ik, ietwat verhuld, voorgesteld als een Korach van de 21e eeuw, die protesteert tegen wat God geregeld heeft. Niet een prettige manier om van gedachten te wisselen. Bovendien moet ik nu leven met de gedachte dat elk moment de aarde me kan verzwelgen.

 

Regeerambt?

Verder: ik heb het probleem, waarover ik schreef, veel minder nauw aan het regeerambt verbonden dan dr. Anderson doet. Dat was terecht. Dr. Anderson schrijft: ‘In 1 Kor. 14: 37 horen wij dat vrouwen gedurende de samenkomsten moeten zwijgen en niet mogen spreken’. Paulus heeft het daar niet over ambten. Het is zelfs de vraag of er in de gemeente van Korinte al ambten waren. Hij schrijft: ‘Als zij (de vrouwen in de gemeente van Korinte) iets willen leren, moeten ze het thuis aan hun man vragen’. ‘Willen leren’ betekent niet: ‘willen onderwijzen’, maar ‘onderwezen willen worden’ en daartoe een vraag stellen. Ze mogen niet eens vragen stellen, zo blijkt uit de context. Is vragen stellen in de gemeentelijke samenkomsten soms ambtelijk optreden of ambtelijk gezag niet eerbiedigen?

 

Gal. 3, 28

En dan de manier waarop dr. Anderson mijn gebruik van Gal. 3, 28 mistekent. Ik heb duidelijk geschreven (wat dr. Anderson niet vermeldt), dat de uitdrukking van Paulus dat (in Christus) er geen slaven of vrijen meer zijn, niet, althans niet in de eerste plaats, een uitspraak is die op maatschappelijke verhoudingen slaat of daarvoor bedoeld is. Ik schreef dat het in Gal. 3, 28 in de eerste plaats gaat om een religieuze positiebepaling. Daarmee heb ik de retorische context verdisconteerd, waarvan dr. Anderson zegt dat ik die verwaarloosd heb.
Ik schreef slechts dat het niet anders kan of de uitspraak van Paulus in Gal. 3, 28 zal ook maatschappelijke relevantie krijgen. Ik heb er geen program van Paulus en geen uitgangspunt voor mijn betoog van gemaakt. Er kon een regeerambt worden toevertrouwd aan een slaaf die in het maatschappelijk leven zijn baas moet gehoorzamen. Dat gaat toch schuren. Een uitspraak als ‘in Christus zijn er geen slaven of vrijen’ en de situatie die dat kan meebrengen in de gemeente, zal een maatschappelijke relevantie krijgen. Daarom heb ik die uitspraak genoemd: dynamiet onder de slavernij. Dr. Anderson brengt hier niets zinnigs tegenin. Hij maakt daar alleen, naar mijn oordeel, wat kleinerende opmerkingen over.

 

1 Tim. 2, 11vv

Er staat in 1 Tim. 2, 11vv, dat een vrouw zich gehoorzaam en bescheiden moet laten onderwijzen. Er is in de context geen sprake van regeer- of leerambt.
De regel van 1 Tim 2, 11-14 en die van 1 Kor. 14, 34-35 komen naar mijn inzicht precies op hetzelfde neer.
Het heel simpel samen te vatten onderwijs van Paulus aan de gelovigen van die tijd was: vrouwen moeten zwijgen in de samenkomsten, van welke aard die ook zijn; ze moeten zich daar door (de) mannen laten onderwijzen, in stilte en in onderdanigheid. En hebben ze vragen, dan moeten ze die thuis aan haar echtgenoot stellen.
Wie nu, zoals dr. Anderson dat doet, de zaak

|75|

beperkt tot de houding van vrouwen tegenover de ambtsdragers, toont niet de juiste eerbied voor de bijbel, want hij houdt zich niet aan de inhoud van de besproken passages. Die maakt het zich veel te gemakkelijk.

Uitermate slordig en misleidend vind ik de opmerkingen van dr. Anderson over ‘het knip-oogje’ dat ik Paulus zou laten geven. Hij stelt het nota bene zo voor dat ik van de regel van 1 Kor. 14 en van 1 Tim. 2 betreffende het vereiste gedrag van vrouwen in die tijd, heb gezegd dat Paulus die niet serieus bedoelde. Laat ik nu nog helderder zeggen: een vrouw moest zich inderdaad gehoorzaam en bescheiden, onderdanig en in stilte laten onderwijzen, en zwijgen in de gemeente. Dat meende Paulus. Daar stond hij voor. Daar stond hij op.
Maar ik zeg erbij: De Heer van de kerk vond die regels nodig in Paulus’ tijd. Maar dat betekent nog niet dat Hij die regel voor alle tijden nodig vindt.

 

Speels

Want Adam werd als eerste geschapen, pas daarna Eva. En niet Adam werd misleid, maar de vrouw; zij overtrad Gods gebod.
Slechts van die uitspraken heb ik gezegd dat Paulus ze m.i. niet ernstig bedoeld kan hebben als argumenten. Als iemand tegen mij zou zeggen: denk er aan: Adam werd eerst geschapen, pas daarna Eva, zou ik kunnen reageren met Dat zegt op zichzelf niets. Het andere argument dat Paulus noemt, is ook zeer betwistbaar. Je moet de gegevens van Gen. 2 toch wel heel gekleurd invullen als je zegt dat Adam niet werd misleid. En dan zo exclusief: ZIJ overtrad Gods gebod. Ik aarzel niet om te zeggen dat Paulus met dat laatste een vertekening geeft van het vreselijk gebeuren verteld in Gen. 3. En ik denk ook dat hij dat best wist. Als ik daarbij dan ook bedenk dat Paulus in rabbijnse kringen is opgeleid; dat er gesteld kan worden dat de rabbijnen ijverig en spitsvondig discussieerden over volgorde in verband met rangorde; dat er gezegden de ronde deden als: de vrouw heeft gezondigd en zij heeft de dood in de wereld gebracht; als de vrouw maar wat minder praatlustig en nieuwsgierig was, waren we nu nog in het paradijs; denk er om: de mug is eerder geschapen dan jij; en eindeloos veel meer van dergelijke uitspraken, is het m.i. helemaal niet spitsvondig of in strijd met de eerbied voor de bijbel om te veronderstellen dat Paulus hier op een wat speelse, aan de rabbijnen en aan de Joden in het algemeen ontleende wijze, Timoteüs instrueert de vrouwen in de gemeente er toe te brengen de patriarchale verhoudingen van hun tijd te eerbiedigen.

 

Tenslotte

Als dr. Anderson zegt dat het evengoed Paulus’ bedoeling kan zijn (geweest) te zeggen dat vrouwen na de zondeval een gepaste schaamte tot uiting behoren te brengen voor de manier waarop hun aartsmoeder in overtreding is gevallen, zou ik dr. Anderson er aan willen herinneren dat Eva ook zijn eigen aartsmoeder is, en, niet minder erg, dat Adam ook zijn aartsvader is. Hoe brengt hij een gepaste schaamte tot uiting? In elk geval niet tegenover een collega.