84
10,160-162
06-12-2008

|160|

Overwegingen bij enkele bijbelse uitspraken over de relatie man-vrouw in kerk en samenleving 4

 

Dit wordt het vierde artikel in een reeks over de manier waarop wij het bijbelse spreken over de relatie tussen man en vrouw in kerk en samenleving moeten begrijpen. Nu zal de aandacht uitgaan naar een andere mening dan die ik in de vorige artikelen heb ontwikkeld. Onder andere Prof. Van Bruggen heeft deze naar voren gebracht.

 

18. Andere mening

Van Bruggen
In dit blad, De Reformatie, verscheen in 1992 een drietal artikelen van Dr. J. van Bruggen, hoogleraar aan de Theologische Universiteit van de Gereformeerde Kerken (v) in Nederland. In het eerste van dat drietal doet hij een poging om het beeld van een patriarchale samenleving in de tijd van Paulus te nuanceren.
Hij schreef: ‘Men suggereert vaak dat de wereld van Paulus gekenmerkt werd door een submissieve vrouwenhouding en een dominante mannencultuur. Dit is een onverantwoorde vereenvoudiging van de plurale werkelijkheid bij Hellenen, Scythen en Barbaren en het is bovendien een tekening die alleen naar symptomen en niet naar systemen kijkt. Het is een vereenvoudiging omdat de antieke cultuur allerlei situaties kent, van misbruikte slavinnen tot misbruikende koninginnen als Cleopatra. Van onderdrukte vrouwen tot zelfstandige zakenvrouwen als Lydia de purperverkoopster. Van hulpbehoevende meisjes tot alleenreizende vrouwen als Febe’.
Van Bruggen noemt Cleopatra, koningin van Egypte. Hij zal doelen op Cleopatra VII, gestorven in 30 v. Chr. Deze vrouw behoorde tot het koninklijk geslacht (de Ptolemeeën). Ze regeerde eerst samen met haar vader, daarna met een broer met wie ze trouwde, daarna met een andere broer met wie ze ook in het huwelijk trad. Deze laatste sneuvelde in een strijd met Julius Caesar, met wie Cleopatra toen een verhouding begon. Cleopatra is nooit alléén koningin geweest, er was altijd een mederegent. En de vrouwelijke heersers waren in Egypte altijd ondergeschikt aan de mannelijke mederegent.
Verder noemt Van Bruggen Lydia, de vrouw over wie Hand. 16 verhaalt. Van haar wordt gezegd dat ze purperverkoopster was en dat ze Paulus en diens medewerker Barnabas (en nog andere begeleiders van Paulus?) uitnodigde om bij haar in huis intrek te nemen. Ze woonde in de stad Filippi. Zij en haar huis (genoten) werden gedoopt, zo staat er in vs. 15. Deze gegevens zijn me te vaag om met stelligheid te concluderen dat ze een zelfstandige zakenvrouw was. Maar het is mogelijk.
Febe wordt genoemd in Rom. 16: 1; dat ze alleen reisde wordt echter niet gezegd.
Ik vind dit niét een overtuigende poging om het patriarchale karakter van de samenleving waarin Paulus werkte, te nuanceren. Opvallende vrouwen in opvallende posities zijn er altijd geweest, en altijd en overal moet je ze met een lantaarntje zoeken. Of, om een uitdrukking van de Prediker te variëren: onder duizend koningen heb ik slechts één vrouw ontdekt, en onder duizend mannen met invloedrijke posities op politiek, wetenschappelijk, economisch, militair, politioneel en sociaal gebied heb ik ook slechts één vrouw ontdekt. Dat leert mij de literatuur van de Griekse wereld, van de Hellenistische wereld en van de Romeinse wereld. Een mannenwereld.

 

Onderdeel
In het tweede artikel worden de relevante gedeelten van 1 Kor. 11 en 1 Kor. 14 behandeld. Van Bruggen neemt wat betreft het zwijggebod van 1 Kor. 14: 34-35 de volgende positie in: slechts bij een bepaald onderdeel van de samenkomsten moesten vrouwen zwijgen. Er traden tijdens de samenkomsten profeten op. Paulus verordineert: per samenkomst niet meer dan twee of drie profeten de gelegenheid geven te spreken. En als profeten hebben gesproken, moet datgene wat ze gezegd hebben beoordeeld worden door de anderen (vs. 29). Een soort ‘preekbespreking’: is het allemaal wel juist wat er gezegd werd en zo ja, hoe zetten we het om in concreet handelen? Bij dat onderdeel van de samenkomst moesten vrouwen zwijgen. Van Bruggen schrijft: ‘Wanneer vrouwen deelnemen aan het beoordelend leergesprek waarin de waarde en de betekenis van een ontvangen profetie worden bepaald, zouden

|161|

de geesten van de mannen-profeten dus onderworpen zijn aan de vrouwen-profeten. Dit nu staat lelijk (‘schande’ uit vs. 35, WW) en is in strijd met de wet (vs. 34 slot noemt de wet, WW)’. Vrouwen mogen dus wel profeteren en in een vreemde taal spreken in de samenkomsten, maar niet deel nemen aan kritische discussies. Dat geeft ruimte om in 1 Kor. 11 het daar genoemde bidden en profeteren van vrouwen, in de samenkomsten te laten plaats vinden. Deze positie werd ook verdedigd door Dr. G. Huls in zijn dissertatie De dienst der vrouw in de kerk, (H. Veerman en Zonen, Wageningen. 1951). De Boer heeft zich bij deze uitleg aangesloten (a.w., p. 83, zie ook noot 63, p. 157).

 

Nadere bestudering
Ik heb die positie lange tijd ook ingenomen. Door nadere bestudering ben ik op de volgende punten gestuit.
a. In 1 Kor. n wordt pas vanaf vs. 17 met zoveel woorden gezegd dat wat volgt betrekking heeft op iets dat het geval is als de gemeente is samengekomen. Concreet: misstanden tijdens de viering van de maaltijd van de Heer. Wanneer Paulus ook reeds in 1 Kor. 11: 2-16 gedrag tijdens de samenkomsten op het oog had, waarom werd dat dan niet door hem gezegd in vs. 3? Nu lijkt het toch dat hij een overgang maakt van optreden niét in samenkomsten naar optreden wél in de samenkomsten. Ik kan me aan de kracht van dit argument, mij aangereikt door Drs. K. Wierenga, niet onttrekken.
Men noemt twee tegenargumenten. Het eerste: vindt profeteren, dus ook het profeteren van vrouwen, niet juist in de samenkomsten plaats? Antwoord: uit de voorbeelden uit Hand., boven genoemd, blijkt dat profeten ook optraden niét in de samenkomsten, maar bij particulieren thuis en in kleine kring. Het tweede argument: over schande spreken doe je toch als iets door andere aanwezigen onfatsoenlijk wordt geacht. Dus aanwezigen in de samenkomsten? Dat is ook niet beslissend: ook als er maar een enkeling aanwezig is bij het bidden of profeteren van vrouwen, kan er van schande gesproken worden door die andere aanwezige(n) als dat bidden of profeteren van een vrouw gebeurt zonder hoofdbedekking. Misschien vonden aanwezigen het wel schande tegenover de Heer van de kerk.

 

Bewoordingen
b. Daar komen dan nog bij de bewoordingen in 1 Kor. 14: 34-35. Dat 1 Kor. 14 gaat over optreden in de ekklesia lijkt me duidelijk. Het wordt in feite met zoveel woorden gezegd. In vs. 26vv worden onordelijkheden gesignaleerd en gecorrigeerd betreffende het optreden van gemeenteleden tijdens die samenkomsten. Er treden profeten op, mensen spreken in vreemde talen, de één heeft een lied, de ander een onderwijzing, een openbaring, of uitleg van vreemde taal. Profetieën worden besproken. Dat moet allemaal ordelijk gebeuren (vs. 33), zoals in alle gemeenten van de heiligen. Vs. 33b vormt naar mijn inzicht een zekere afsluiting van zijn aanwijzingen betreffende profetie, spreken in vreemde talen en beoordeling van gegeven profetieën in de samenkomsten. Dan gaat Paulus in vs. 34 tot een ander onderwerp over betreffende optreden in de samenkomsten. Namelijk: het optreden van vrouwen tijdens de samenkomsten. Deze overgang is sterk gemarkeerd. ‘Zoals in alle gemeenten van de heiligen moeten de vrouwen in de ekklesia’s zwijgen’.

 

Algemener
Men kan het moeilijk algemener formuleren.
1. Geen verwijzing naar een bepaald onderdeel van ‘de orde van dienst’, tijdens welke de vrouwen moeten zwijgen, nee, in de samenkomsten moeten ze zwijgen (vs. 34). Het wordt herhaald: tijdens de samenkomst (vs. 35). Dat kan niet door iemand beperkt worden tot: tijdens een onderdeel van de samenkomst. Paulus had, als hij die beperking bedoelde, het gemakkelijk kunnen schrijven.
2. Bovendien, reeds in vs. 29 wordt de kritische bespreking van gegeven profetieën genoemd, daarna komen nog een aantal aanwijzingen (vs. 30-31), vervolgens een korte fundering van die aanwijzingen (vs. 32-33) en dan zouden de vs. 34-35 weer aansluiten bij vs. 29? Even simpel gezegd: vs. 34 staat te ver af van vs. 29 om te kunnen stellen dat Paulus in vs. 34 teruggrijpt op vs. 29.
3. De opvatting van Huls, Van Bruggen en van De Boer zou aannemelijker zijn wanneer Paulus hier niet nóg eens geschreven had: in de ekklesia’s (dat ik evenals zij opvat als: in de samenkomsten). In feite vind ik dat die woorden hun opvatting onaannemelijk maken. Wanneer vrouwen tijdens de samenkomsten alleen moesten zwijgen tijdens de bespreking van gegeven profetie, mochten ze dus wél bidden en profeteren in de samenkomsten. Daaruit trekt Van Bruggen de conclusie dat vrouwen vandaag wél de schriftlezing mogen verzorgen in de kerk. Die lezing ligt in het verlengde van het profeteren dat vrouwen wél was toegestaan. Immers, de schriftlezing is het voorlezen van schriftelijk vastgelegde profetie en dus te vergelijken met het haar toegestane profeteren. Dat is me te gekunsteld. Van Bruggen: Ze kan ook als pastoraal werkster en als diakones aangesteld worden. Want dat heeft niet te maken met bespreking van profetie en ook niet te maken met gezag hebben over een man, of met leiding geven. Maar ze mag allicht geen preek houden of ouderling zijn. Want preken is bespreken van de schriftelijk vastgelegde profetie en onderwijs geven. En ouderling zijn is leiding geven, en gezag uitoefenen. Paulus staat haar dat volgens hen niet toe. Maar: waarom op dit standpunt een vrouw wél pastoraal werker mag zijn, begrijp ik niet. Pastoraal werkzaam zijn heeft naar mijn inzicht altijd ook een lerend, onderwijzend aspect. En

|162|

die bezigheden zijn vrouwen toch niet toegestaan? En heeft ook niet het diaconaat een onderwijzend en leiding gevend aspect? Op het standpunt van Van Bruggen e.a. wil Paulus dus niet dat vrouwen beoordelend mee spreken over gegeven profetie. Dat zou tegen haar verplichte onderdanigheid ingaan. Maar waarom staat er dan bij: ‘Als ze iets willen leren, moeten ze het thuis aan hun man vragen’? Vragen stellen is toch niet beoordelend spreken? En het argument dat Paulus daarna geeft, is niet: als een vrouw meedoet met beoordelend spreken, handelt ze tegen de haar opgelegde onderdanigheid. Nee, Paulus zegt: het is een schande voor een vrouw als ze tijdens een samenkomst spreekt. Mijn conclusie is dan ook dat de opvatting van Huls, Van Bruggen en De Boer onjuist is.

 

Anderson
R. Dean Anderson (a.w. p. 214): ‘... en vrouwen behoren zonder meer te zwijgen’ (in de samenkomsten, WW). Hij spreekt van een ‘algemeen zwijggebod’. (p. 214) Hij verwijst even kort naar 1 Tim. 2: daar roept Paulus de mannen op te bidden met heilige handen ‘terwijl hij bij de vrouwen een oproep doet tot geschikte kleding (2:8-10). De veronderstelling is dat vrouwen niet voorgaan in gebed’. Ook in 1 Tim. 2:11-15 ‘wordt er van uitgegaan dat vrouwen niet spreken in de erediensten’. (p. 215)
Deze aanhalingen uit de commentaar van R. Dean Anderson zouden kunnen doen vermoeden dat Anderson en ik het eens zijn. Zeker geven hij en ik vrijwel dezelfde uitleg van wat Paulus voorschrijft. Maar over wat wij in onze tijd met die voorschriften moeten doen, zouden we wel eens diepgaand kunnen verschillen. Ik krijg sterk de indruk dat Anderson de voorschriften die Paulus in 1 Kor. 11 en in 1 Kor. 14 aan de gemeente te Korinte gaf, door hem als ook voor vandaag geldig worden aangemerkt. Hij spreekt in verband met het dragen van een hoofdbedekking door vrouwen die bidden en profeteren, van een ‘principieel theologisch argument om deze praktijk van hoofdbedekking te onderbouwen’. (p. 155) Dat argument is het feit dat de man het beeld en de heerlijkheid van God is, en de vrouw de heerlijkheid van de man. Dat verschil moest worden uitgedrukt door het dragen van een hoofdbedekking door de vrouw. Mijn vraag is of dat verschil ook vandaag op dezelfde manier moet worden uitgedrukt. Hierover laat Anderson zich niet duidelijk uit.
Bij zijn uitleg van 1 Kor. 14: 34v schrijft Anderson: ‘De vrouwen zullen ook daar (te Korinte, WW) overeenkomstig de sociale mores niet zomaar ‘in de vergaderingen’ (‘en tais ekklesiais’) opgetreden hebben met een vreemde taal of profetie’. Onduidelijk is waarom het woordje ‘zomaar’ hier gebruikt wordt. Dan volgt: ‘Paulus benadrukt dat aan deze regel (dat vrouwen in de eredienst zonder meer moeten zwijgen, WW) niet zomaar de sociale mores ten grondslag liggen, maar Gods wet’. (...) ‘Paulus doelt hier niet op een specifieke wetstekst (welke wetstekst zou dat moeten zijn?), maar op algemene principes uit Gods wet’. Hij verwijst vervolgens, evenals Van Bruggen doet (zie onder), naar 1 Tim. 2: 11-15: de man is eerst geschapen, de vrouw is verleid, en niet Adam. Dat betekent dat het woord ‘wet’ in 1 Kor. 14: 34 zijn invulling ontvangt uit 1 Tim. 2. Waarom niet gezocht naar een invulling uit de context van 1 Kor.? Bv. de leer van de natuur, genoemd in 1 Kor. 11: 14? Zie verder paragraaf 24. Overigens wekt Anderson weer de indruk dat wat Paulus in 1 Tim. 2 zegt (algemeen zwijggebod) nog altijd onveranderd geldt.
Tenslotte vermeld ik dat Van Bruggen van mening is dat de ondergeschiktheid waarvan in 1 Kor. 14: 34 sprake is, een door God volgens de schepping gegeven ordening is, een ondergeschiktheid die in de wet, de Thora van Israël, wordt geleerd als door God gewild. Voor een nadere invulling van dat spreken van ‘de wet’ verwijst hij naar 1 Tim. 2: 13-14. Deze passage vergt nadere bespreking.