|18|

3 Kerkelijke Presentie

 

De gemeente is daar waar mensen samenkomen in Jezus’ naam en waar zij bijeenkomen rond Woord en Sacrament. Zo is het steeds geweest. Er ontstaan plaatsen waar de verkondiging leidt tot gemeenschapsvorming en uiteindelijk een kerkelijke gemeente met ambtelijke dienst en een kerkenraad.

In Nederland heeft dat voor wat de Protestantse Kerk betreft geleid tot de huidige situatie waarbij aan de gemeente een geografische spreiding is gegeven, die zodanig is, dat het hele land ermee ‘afgedekt’ wordt. Ook in plaatsen waar meerdere gemeenten van de Protestantse Kerk zijn, is een geografisch beginsel bepalend voor de presentie van de kerk. Bij een plaatselijke gemeente horen de mensen in een gebied en omgekeerd heeft een gemeente met haar kerkenraad verantwoordelijkheid voor de leden van de kerk in dit gebied.

De realiteit van de Protestantse kerk staat in toenemende mate op gespannen voet met het de huidige ‘dekking’ van een netwerk van gemeente over heel Nederland. Dat heeft alles te maken met de voortschrijdende ontkerkelijking. Van een eens gekerstende samenleving zijn wij geroepen kerk te zijn in een post-christelijke samenleving. Dat betekent een diep ingrijpende verschuiving, die velen oprecht pijn en verdriet doet. Het is daarbij echter wel goed te bedenken dat de kerkelijke presentie niet altijd is samengevallen met het huidige parochiale stelsel. Wie het Nieuwe Testament leest, komt woorden tegen als ‘uitverkorenen die als vreemdelingen verspreid in Pontus, Galatië, Kappadocië, Asia en Bythinië verblijven’ (1 Petr. 1: 1) en uit de groeten die Paulus geeft aan het einde van zijn brieven is er sprake van een mix van gemeenten en huisgemeenten, die zich op verschillende plaatsen bevinden, zonder dat sprake is van een regionaal dekkend geheel. Dat beeld kun je niet zomaar toepassen op onze situatie, maar het brengt wel in herinnering dat de kerk van land tot land en van eeuw tot eeuw trekt en de verschijningsvorm ervan is wisselend. Bij deze bewegelijkheid hoort dat gemeenten kunnen ontstaan en ook weer verdwijnen, maar de Kerk blijft.

Kerk 2025 wil een authentieke kerkelijke presentie in Nederland bevorderen en versterken. Dat kan op sommige plaatsen betekenen dat er (meer) ruimte gecreëerd dient te worden voor nieuwe initiatieven, terwijl op andere plaatsen erkend moet worden dat het overeind willen houden van initiatieven of zelfs gemeenten meer schade berokkent dan opbouwt.

Daarbij is het goed te bedenken dat een belangrijke dimensie van de kerkelijk presentie wordt uitgemaakt door de zogenaamde categoriale pastoraten, met name in de gezondheidszorg, in justitionele inrichtingen, bij defensie, in de koopvaardij, in de wereld van studenten en in die van doven. In vele van deze vormen van pastoraat reikt de presentie van de kerk verder dan door het ‘gewone’ kerkelijke leven. De ervaringen die worden opgedaan in deze pastoraten zijn van grote betekenis voor dit ‘gewone’ kerkelijke leven. Om die reden zal de kerk deze pastoraten blijven steunen, in sommige gevallen ook door bijdragen vanuit de solidariteitskas van de kerk.

|19|

3.1 Territoriaal en eenheid in verscheidenheid

In Kerk 2025: waar een Woord is, is een weg, is gesteld dat het territoriale beginsel3 in de veranderde situatie van kerk-zijn niet vanzelfsprekend het meest voor de hand liggende is of zal zijn. Territoriale begrenzing binnen een gemeente met wijkgemeenten veronderstelt homogene gemeenten. De realiteit van de Protestantse Kerk in nogal wat plaatsen is dat gemeenten verschillen in profiel, zoals liturgie, geloofsbeleving en modaliteit, waarbij de leden van onze kerk zich aansluiten bij de gemeente waar zij zich het beste thuis voelen en waar zij het beste in kunnen meeleven. Dit thema verscheidenheid heeft niet alleen een verbinding met 'binnenkerkelijk' verkeer, het kan ook verbinding aangaan met de missionaire roeping van de kerk en de uitdaging om tijdgenoten die tot verschillende mentaliteitsgroepen behoren, te bereiken. Er zijn daarom gemeenten (met ‘wijkgemeenten’) waarin bewust voor ‘eenheid in verscheidenheid’ wordt gekozen. Dat vertaalt zich zo, dat aan nieuw ingekomenen een presentatie van het kerkelijk leven van de Protestantse Kerk geboden, ook al is er op papier een territoriale verdeling en vindt inschrijving van inkomende leden op grond hiervan plaats. Het voorstel is om wijkgemeenten in een plaats vrij te laten de territoriale verdeling van het gebied los te laten, mits er een goede regeling is voor inschrijving van inkomende leden. Hiermee wordt het uitgangspunt ‘niet meer dan één protestantse gemeente op hetzelfde grondgebied’ verder gerelativeerd. Dit vraagt wellicht om nadere kerkordelijke regeling. Op plaatsen waar kerkelijk leven is, kunnen daarmee gemakkelijker nieuwe initiatieven van de grond komen. Wel is het van belang dat al deze soorten van gemeenten of kerkelijk leven zich gezamenlijk verantwoordelijk weten voor de presentie van de kerk in de stad of het gebied en dat concurrentiegedachten, waar deze voorkomen, eerlijk bespreekbaar worden gemaakt. Dat alles vraagt om een hartelijk medeleven en ondersteuning van elkaar in de geest van de liefde van Christus.

 

3.2 Open plekken

Wanneer een gemeente te zwak is om te blijven bestaan, bijvoorbeeld omdat er geen kerkenraad meer gevormd kan worden of geen (deeltijd)predikant meer kan worden beroepen, wordt gezocht naar een samenvoeging van deze gemeente met een buurgemeente. Dat is vaak een goede oplossing, maar niet altijd. Het kan leiden tot gedwongen fusering, waar weinig commitment voor is. Het kan een buurgemeente een extra last en verantwoordelijkheid opleggen, die zij niet kan dragen, niet zelden omdat ook zij minder vitaal is. In het laatste geval wordt een gemeente geografisch groter, terwijl er niet echt een extra aan ambtelijke bediening gegeven kan worden.

Gemeenten kunnen om verschillende redenen dan ook afzien van samenvoeging en proberen het kerk-zijn voort te zetten. Soms kan dat omdat er nog aanzienlijke (land)goederen en geldmiddelen tot het vermogen van de kerk behoren. Er is dan nog wel budget om een predikant te bekostigen, maar er is nauwelijks meer een kerkenraad of er zijn nog slechts zeer weinig actieve kerkleden. In andere gevallen wordt bij krappe budgetten met kaasschaven het leven gerekt. In weer andere situaties worden rode cijfers geaccepteerd, die bijvoorbeeld ontstaan wanneer het kerkgebouw een te grote last wordt, die om wat voor reden niet kan worden afgewenteld. Soms treedt daarbij de onwenselijke situatie op dat slechts een beperkt aantal kerkenraadsleden over grote bedragen beslist.

Het zou wel eens zo kunnen zijn dat de ‘overlevingsstand’ of de ‘fusiereflex’ een nieuwe vorm van presentie van de kerk in de weg staat. Het zou ook kunnen zijn dat hierdoor mensen zodanig belast worden, dat de vreugde om het kerk-zijn ernstig wordt ondermijnd en dat waar het ten diepste in de kerk om gaat op afstand komt te staan.
Daarom dient het opheffen van een gemeente een mogelijkheid te zijn, zonder dat hiermee van een vereniging of samenvoeging sprake is. Hiermee wordt aangegeven dat de samenkomst op déze plaats, onder verantwoordelijkheid van een kerkenraad, ophoudt. Dit is voor de betrokken


3 Hieronder verstaan we: een lid van de Protestantse Kerk in Nederland is in principe lid van de (wijk)gemeente op het grondgebied waarvan hij woont, ervan uitgaande dat er ter plaatse in principe maar één gemeente van hetzelfde type (hervormd, gereformeerd, evangelisch-luthers of protestants) is.

|20|

mensen die het jarenlang hebben volgehouden een verdrietige zaak, en een vorm van ‘sterven’. Dat zal de benadering van de Kerk richting deze geloofsgemeenschap dan ook moeten kleuren.

Met opheffen alleen kan niet worden volstaan. Er zal nagedacht moeten worden door ‘de kerk’ hoe nu verder, ook in een plaats waar de reguliere kerkdienst en de georganiseerde gemeente is verdwenen. Het kan zijn dat het opheffen van regulier kerkzijn de ruimte schept voor een andere presentie van de kerk. Te denken valt aan een huisgemeente of een pioniersplaats. Deze zouden ook in oecumenisch verband kunnen worden opgezet. Het zou ook kunnen zijn dat leden van de kerk zich aansluiten bij een gemeenschap op een andere plaats die samenkomt rond Woord en Sacrament, of bij een geloofsgemeenschap van een zusterkerk op dezelfde plaats om daar de vreugde van het gemeente-zijn te beleven en ingeschakeld te worden in de dienst aan God.

 

3.3 Opheffen

Wie heft een gemeente op? Lichtvaardig een gemeente opheffen past op geen enkele manier bij ons kerk-zijn. Het is duidelijk dat het opheffen van een gemeente om zorgvuldigheid vraagt, waarbij de stem van de betreffende gemeente gewicht in de schaal legt. Het zal erom gaan tot het inzicht te komen, ook bij de leden en kerkenraad van de betreffende gemeente, dat opheffen niet alleen als een verlies moet worden gezien, maar als een manier om als kerk anders verder te gaan. Het gesprek over opheffing wordt gevoerd vanuit de regionale classicale vergadering.

Het valt te voorzien dat opheffing niet altijd geheel vrijwillig zal plaatsvinden. Er kan echter een moment komen dat een gemeente niet meer verantwoord zelfstandig verder kan, zonder dat fusie om wat voor reden dan ook een optie is. Dat kan omdat er niet langer aan de verplichting tot een minimale bezetting als kerkenraad voldaan kan worden. Het kan ook zijn dat niet langer aan de financiële verplichtingen voldaan kan worden. In het laatste geval is signalering van de RCBB aan de orde. Als de kerkenraad niet tijdig zelf maatregelen neemt kan het zijn dat de schulden de baten overtreffen (denk aan achterstallig onderhoud aan het kerkgebouw). Dit kan leiden tot aansprakelijkheid van personen en als het te vaak gebeurt, schaadt dit het aanzien van de Protestantse Kerk als betrouwbare instelling. In dergelijke gevallen heeft de meerdere vergadering, die verantwoordelijk is voor het welzijn van de kerk in de regio, de bevoegdheid een gemeente op te heffen.

Wanneer een gemeente wordt opgeheven, krijgen de betreffende gemeenteleden een schrijven van de kerk in de regio (facilitair kan dit vanuit LRP gebeuren, hetzij plaatselijk uitgevoerd hetzij landelijk) dat pastoraal van aard is, en waarin gewezen wordt op de mogelijkheid zich aan te sluiten bij een gemeente in de omgeving. Daarbij kunnen een aantal suggesties van gemeenten gedaan worden. Gemeenten waarvoor iemand kiest krijgen een bericht via de ledenadministratie. Voortaan zijn deze leden volwaardig lid van de betreffende gemeente. Wie geen keuze maakt, blijft ingeschreven als lid van de kerk. Zie hiervoor onder het volgende kopje.

Wanneer er een gemeente is van een zusterkerk waar bijzondere betrekkingen mee zijn, kan ook nadrukkelijk gewezen worden op de mogelijkheid om gastlid te worden in deze gemeente. (Met het verzoek wanneer dit zijn beslag gekregen heeft, dit te melden bij de landelijke ledenadministratie). Ook zij blijven ingeschreven als lid van de kerk.

Afhankelijk van de situatie kan er in het gebied van de opgeheven gemeente ook een nieuw initiatief ontstaan. Zie verder onder ‘nieuwe initiatieven’. Eventueel kan hier in genoemde schrijven al gewag van worden gemaakt.

 

3.4 Opheffen, en dan?

Wat moet er gebeuren nadat er een besluit is tot opheffen van een gemeente? Wat gebeurt er dan met de leden? Er zijn twee mogelijkheden. Mogelijkheid 1 heeft als uitgangspunt dat de opgeheven gemeente in juridische zin wordt samengevoegd met een buurgemeente. De leden van de opgeheven gemeente die niet voor een andere gemeente hebben gekozen, worden

|21|

ingeschreven bij deze gemeente. Het is aan de kerkenraad van deze gemeente hoe gestalte te geven aan de verantwoordelijkheid voor deze leden. In dit geval valt het vermogen van de opgeheven gemeente toe aan de samengevoegde gemeente, maar is geoormerkt geld en zal geheel ten goede moeten komen aan de missionaire en pastorale arbeid, in het bijzonder gericht op de plaats waar de opgeheven gemeente was gevestigd.4 De opgeheven gemeente krijgt inspraak over deze bestemming. Mocht er aan deze mogelijkheid 1 bij nader inzien bezwaren kleven, dan is een mogelijkheid 2 dat de gemeente niet in juridische zin samengevoegd maar simpelweg ophoudt te bestaan. Gemeenteleden van de opgeheven plaats die geen keuze maken voor een andere gemeente, worden ingeschreven in het landelijk register onder vermelding: lid van de voormalige gemeente X. Het gaat hierbij om een noodmaatregel, waarbij gemeenteleden voorlopig worden ‘bewaard’ in de landelijke registratie, totdat zij weer een keuze maken om met een gemeente mee te leven. Het eventuele vermogen van de opgeheven plaats valt toe aan de regionale classis en wordt geheel bestemd voor de missionaire en pastorale arbeid, in het bijzonder gericht op de plaats waar de opgeheven gemeente was gevestigd5. Ook in dit geval krijgt de opgeheven gemeente inspraak over de bestemming6.

Of nu mogelijkheid 1 of 2 zijn beslag krijgt, duidelijk is dat de kerkelijke vermogens die eventueel over zijn in principe ten goede komen aan de voortgaande presentie van de kerk in het gebied van de gemeente. Het is geoormerkt geld, dat aangewend wordt voor stimulering van het kerkelijk leven in de regio waarbij met name aan missionaire activiteiten gedacht moet worden, maar ook aan toerusting van bijvoorbeeld een huisgemeente. Enerzijds zal het voor betrokken leden van de betreffende gemeenten een bittere pil zijn dat zo geld en goederen onttrokken worden aan het kerkzijn zoals het wellicht eeuwen op een bepaalde plaats zijn beslag heeft gekregen. De rouw hierover mag niet worden gebagatelliseerd. Anderzijds mogen zij en wij hopen en verwachten dat er oog zal zijn voor de kansen voor de voortgang van de evangelieverkondiging in het gebied.

 

3.5 Nieuwe initiatieven

Op plaatsen waar de kerk niet meer op reguliere wijze aanwezig is, kunnen andere vormen van kerk-zijn ontstaan. Te denken valt aan leefgemeenschappen, huisgemeenten, pioniersplekken of andere, ‘lichtere’ vormen van kerk-zijn.

Een huisgemeente is een kleinschalige gemeenschap van mensen die samenkomen om te vieren, te leren en te dienen, zonder dat hier regulier een predikant of kerkelijk werker met bevoegdheid van een predikant aan is verbonden. Het praktiseren van zo'n nieuwe vorm vraagt veel. De dynamiek is anders. Hoe ga je om met de Bijbel in een huisgemeente, wat betekent het dat er niet vanaf de kansel een preek tot je komt, hoe blijf je je deel weten van het grotere geheel van de kerk? Eenvoud is een belangrijk kenmerk van een huisgemeente. Er is onderling pastoraat en diaconaat. Gehoopt mag worden op een missionair bewustzijn of de groei daarvan.

Bij de vorming van een huisgemeente of andere vorm van kerk-zijn ligt er een taak voor de regio. Die kan opgedragen worden aan een predikant in het gebied die gaven en deskundigheid heeft om betrokken leden en de leiding van een huisgemeente toe te rusten. Het is denkbaar dat


4 Het ligt in de rede dat deze oormerking aan een termijn van jaren gebonden is. Wel dienen diaconale gelden blijvend voor diaconaat bestemd te worden.
5 Zie noot 3.
6 Wie zich als lid van de Protestantse Kerk op het grondgebied van een “Open Plek-gemeente” vestigt, wordt op basis van een SILA- of kerkelijke mutatie automatisch ingeschreven, hetzij in de samengevoegde gemeente (mogelijkheid 1), hetzij in de landelijke ledenadministratie op de wijze zoals geformuleerd in mogelijkheid 2. Vanuit de gedachte dat een nieuw gemeentelid enerzijds pastorale zorg van een gemeente kan vragen, maar anderzijds ook op verschillende manieren aan die gemeente kan bijdragen, is er veel voor te zeggen om het eerste contact vanuit een buurgemeente(n) van de opgeheven gemeente te laten leggen (in mogelijkheid 1 is dat de samengevoegde gemeente). In LRP kan een voorziening worden getroffen waardoor deze buurgemeente(n) een melding krijgt van een vestiging van een nieuw-ingekomene. De ledenadministrateur kan dan vanuit LRP een op de plaatselijke situatie toegesneden brief produceren, waarin onder andere de alternatieven (zowel binnen als buiten de Protestantse Kerk) worden genoemd. Is hiervoor ter plaatse niet de werk kracht aanwezig, dan kan een en ander ook vanuit het LRP-team worden verzorgd. De geregistreerden die op basis van de brief een keus kenbaar maken, worden door het LRP-team naar de betreffende gemeenten overgeschreven, voor zo ver deze onderdeel zijn van de Protestantse Kerk.

|22|

een van de leden van deze huisgemeente ouderling wordt van de kerkenraad van de predikant die de begeleiding op zich neemt van deze huisgemeente (Wanneer voor ‘mogelijkheid 1’ van hierboven gekozen wordt, kan dat de samengevoegde gemeente zijn, maar dat is geen must).

Wanneer er in een gebied meerdere huisgemeenten ontstaan, wordt bevorderd dat er op gezette tijden een gezamenlijke viering of onderlinge ontmoeting plaatsvindt. Het is ook goed voorstelbaar dat leden van een huisgemeente van tijd tot tijd aanschuiven bij de viering in een van de gemeenten in het gebied. In de toekomst kan, zeker in bepaalde streken in Nederland, zo een netwerk van huisgemeenten ontstaan, die verbonden zijn met een gemeente in het gebied. Aan deze regiogemeente zijn predikanten en kerkelijke werkers verbonden, die verantwoordelijkheid dragen voor de kerkelijke presentie in het gebied.

Een andere mogelijkheid) is het ontstaan van een pioniersplaats of leefgemeenschap. Het moderamen van de ‘classis nieuwe stijl’ en in het bijzonder zijn voorzitter kan een stimulerende rol vervullen bij het laten ontstaan van nieuwe vormen van kerkzijn. Hij of zij kan eraan bijdragen dat een cultuur ontstaat waarin ‘ja’ wordt gezegd tegen mensen met missionair verlangen én dat kansen in de regio invulling krijgen door daar de goede mensen aan te verbinden. De regio heeft daarbij de bevoegdheid om missionaire initiatieven ruimte te geven. Het verdient daarom aanbeveling dat elke regionale classis een missionaire werkgroep heeft. Deze kan ondersteund worden door de Landelijke Diensten Organisatie. Wanneer er grotere ‘open plaatsen’ ontstaan, zal, het liefst in oecumenisch verband, bezien moeten worden of een missionair predikant uitgezonden kan worden. Het gaat om een tijdelijke zending, waarbij o.a. gebruik gemaakt kan worden van geoormerkt geld voor de opbouw en het missionaire werk in het gebied van de regio. In plaats van de regionale classis als initiatiefnemer kan dit ook gebeuren vanuit de hierboven genoemde ‘gemeente in het gebied’ die ook al verantwoordelijkheid neemt voor de huisgemeenten. Er hoeft niet steeds voor één het hetzelfde model gekozen te worden.

Bij dit alles zal een open oog moeten zijn voor de waarde die huisgemeenten, leefgemeenschappen en pioniersplaatsen voor de kerk en haar reguliere uitdrukkingsvormen kunnen hebben. Het is niet alleen verlies wanneer in plaats van een reguliere een andere vorm van kerk-zijn ontstaat. Het kan zijn dat juist hierdoor een meer geconcentreerd zoeken naar God in de vorm van een toegewijd leven ontstaat of het ‘eigenaarschap’ van de leden een meer uitgesproken vorm heeft.