20/88, 01/89 en 02/89

In de zaak 20/88 wordt door de predikant bezwaar gemaakt tegen het besluit van de kerkenraad tot herbevestiging van periodiek aftredende kerkenraadsleden. De PC heeft het bezwaar niet ontvankelijk verklaard omdat ze ord. 3-24-2 van toepassing achtte. Daarbij geldt een korte termijn na de dag van verkiezing of van publicatie van de uitslag.

In dit geval hebben echter geen verkiezingen plaatsgevonden en is aan de lidmaten bewust niet de gelegenheid gegeven aanbevelingen te doen, terwijl in de gemeente toepassing van ord. 3-8 is voorgeschreven. Van een besluit tot herbevestiging van de aftredende leden kon daarom geen sprake zijn.

Toch wordt bezwaarde niet ontvankelijk verklaard, omdat hij geen te be­schermen belang heeft met zijn bezwaar.

Door de ernstig verstoorde verhoudingen tussen de kerkenraad en appellant was het niet mogelijk op aanvaardbare wijze voor langere termijn een nieuwe kerkenraad samen te stellen. Gedurende de overgangsperiode tot de overeen­gekomen vervroegde uittreding van de predikant lag het in de rede, dat de bestaande kerkenraadsleden de lopende zaken zouden behartigen, in afwachting van een definitieve oplossing.

De GCBG "overweegt, dat appellant bij hernieuwde verkiezingen, die naar het niet onbegrijpelijk oordeel van de zittende kerkenraadsleden tot nieuwe problemen aanleiding konden geven en de verhouding tussen predikant, kerkenraad en gemeente gedurende de overgangsperiode ver­der zouden kunnen verstoren, geen redelijk belang had."

In de zaken 01/89 en 02/89 richt appellant zich tegen beslissingen van de PC dat het BM-PKV terecht meermalen ongevraagd verlof heeft verleend als bedoeld in ord. 13-22-4.

"De PC heeft terecht overwogen, dat commissies voor bezwaren en ge­schillen bij de inhoudelijke beoordeling van beslissingen over on­gevraagd verlof een beperkte taak hebben.
Alleen indien het BM PKV in redelijkheid niet tot het geven van on­gevraagd verlof kon besluiten, kon er aanleiding bestaan voor de PC om dergelijke beslissingen te vernietigen".

De verhoudingen zijn zo ernstig verstoord, dat van een onwerkbare situatie kan worden gesproken. Nu partijen er niet in geslaagd zijn in goed overleg tot een regeling te komen kon het BM-PKV in redelijkheid tot ongevraagd verlof besluiten.


Heuvel, P. van den (2005)