|84|

 

Hoofdstuk IV

De vrouw na de Reformatie

1. Inleiding

Hoeveel herontdekkingen de Reformatie in de Schrift ook deed, dit betrof helaas niet de grote mogelijkheden van de dienst der vrouw. Het niveau, waarop zij in de laat-middeleeuwse cultuurwereld stond en dat meer bepaald was door joodse en heidense factoren dan door het N.T., werd vrijwel zonder meer door de Reformatoren als de voor haar door God gewilde positie aanvaard. Ook voor haar taak in de Kerk oriënteerden zij zich meer op de historisch gegroeide situatie in de Roomse Kerk, waar de vrouw als slachtoffer van ascetische en clericalistische tendensen verdwenen was, dan dat zij zich hier opnieuw bezonnen met de opengeslagen Bijbel voor zich, zoals zij op zoveel andere punten deden. Weliswaar bracht de Reformatie, in plaats van het ascetisch ideaal, huwelijk en gezien weer in groter ere — waarbij met name te denken is aan de geweldige betekenis van de predikantsvrouw in de gemeente 1) —, maar dit was in zeker opzicht zelfs nog geen compensatie voor het werk der non. Door de sluiting van de kloosterscholen ging nl. het onderwijs aan meisjes sterk achteruit, omdat men vrijwel uitsluitend schoolmeesters aanstelde en coïnstructie veelal onbetamelijk achtte 2). In het begin zijn er enkele bescheiden pogingen gewaagd om de vrouw in de dienst der gemeente te betrekken, maar deze liepen op niets uit. Voor zover het nog nodig bleek om de uitsluiting der vrouw te motiveren, werd een beroep op 1 Cor 1434 en 1 Tim 211vv meer dan afdoende geacht. Van hieruit werd alles geëxegetiseerd, welke methode eeuwenlang heeft doorgewerkt, zodat Hommes zelfs spreekt van een rookgordijn, dat over de Schrift is gelegd en van de narcose der Reformatoren-exegese 3).

Hoe begrijpelijk het ook moge zijn, dat niet alle consequenties van het uit de traditie losgepelde Evangelie tegelijkertijd werden doorzien, toch dient hier een leemte gesignaleerd te worden, die aan de Kerk grote mogelijkheden heeft ontnomen en dringend voorziening behoeft.


1) Cf H. Werdermann, Die deutsch Pfarrfrau, ihre Gesch. in 4 Jahrh.en, Witten, 1935.
2) Uitzonderingen zijn b.v. de „schoolvrouwen”: Prov. Syn. Gouda 1620 art. 70 (R. v. V. III, 444); de „matressen”: Part. Syn. Arnhem, 1593 art. 13 en de „schoelmeisterschen” l.c. art. 29 (R. v. V. IV, 39 en 42).
3) Geref. Weekbl. 4 no 21.

|85|

2. Luther

Toen door de hamerslagen van Wittenberg ook vele kloosterpoorten opengesprongen waren, zag Luther zich genoodzaakt om, in plaats van het ascetische nonnenideaal, de vrouw een nieuwe bestemming aan te wijzen. Hij zag deze in huwelijk en gezin, waarbij hij zich al direct geplaatst zag voor het probleem hoe het breken van de coelibaatsgelofte te rechtvaardigen was. Anders dan Melanchton 1) en Karlstadt 2), die het niet kunnen houden der gelofte al een voldoende reden achtten, vond Luther deze in het zondige motief ervan nl. om door een prestatie Gods genade te willen verdienen 3). Door dit wegnemen van principiële bezwaren, maar vooral door zijn eigen voorbeeld: zijn zeer gelukkige huwelijk met de vroegere non Katharina von Bora (13/6-’25) 4), gingen veel kloosterlingen ook tot een huwelijk over, waaraan nu het sacramenteel karakter ontnomen was 5). Luthers waardering van het huwelijk is, afgezien van de wel voorkomende, maar niet dominerende augustijns-scholastieke gedachte dat het sexuele toch eigenlijk zondig is 6), in het algemeen positief. Het ontbreekt bij hem dan ook niet aan loftuitingen over het huwelijk, dat „ein echter himmlischer, geistlicher und gottlicher Stand” is, een hogeschool van het leven, een door God gewilde band, die religieus-zedelijk gefundeerd is 7). Om het huwelijk bij de massa in hoger aanzien te brengen, aarzelt hij niet om het schrijven van blijspelen, drama’s, „Ehebüchlein” e.d. te stimuleren, die de huwelijke staat moeten verheerlijken 8).

In een zekere spanning hiermee staan allerlei uitspraken van Luther, die een volkomen niet-evangelische geest ademen. Dit betreft nog niet zozeer de nadruk op het gezag en het overwicht van de man in het huwelijk, waar de vrouw moet weten dat de man hoger en beter is dan zij en zij tegen elke vorm van heerszucht gewaarschuwd wordt 9), als wel een serie denigrerende waardeoordelen over de vrouw, waarvan vele nauwelijks voor herhaling vatbaar zijn. Zo noemt hij haar b.v. „ein halbes Kind. Wer also ein Weib nimmt, soll


1) Loci, ed. Plitt-Kolde, Erlangen 19003, S. 125.
2) These 42-47 über den Zölibat, ed. Barge 1905, I, 478.
3) Ursach und Antwort dass Jungfrauen klöster göttlich verlassen mögen; Pred. über Mt 21-12 (EA = Erlanger Ausg. 10, 440ff.).
4) Over haar zie: Albr. Thoma, K. v. Bora, Berlin 1900; E. Kroker, K. v. Bora, Leipzig 19252; H. Böhmer, Luthers Heirat, in Jahrb. d. Luthergesellsch. 1925; E. Giffard, Kath. von Bora, Heemstede 1939; Marg. Weber, Kath. v. Bora, Stuttg. 1950.
5) WA (= Weimarer Ausg.) 30, 3 S. 74.
6) O.a. in De votis monast. WA 12, 114, cf 10 2 S. 304; EA op var. arg. 6, 355; EA 3, 520; 16, 59ff, 541; 21, 72.
7) EA 51, 22ff, 520ff; 16, 64f e.a.; Gr. Kat. z 6. Gebot; cf PRE 5, 192ff; „seine Käthe sei ihm mehr wert als das Königreich Frankreich und die Venediger Herrschaft” (Tischreden IV, 72).
8) Cf Kawerau, Ref. u.d. Ehe S. 64ff.
9) Pred. über Eph 522ff (ed. Walch2 5, 499); cf Kawerau, aaO S. 43ff.

|86|

wissen dass er der Hüter eines Kindes ist.” „Sie ist auch ein toll Tier” 1). De rauwe, onfijngevoelige uitdrukkingswijze van die tijd moge veel begrijpelijk maken, vanuit het Evangelie is dit ontoelaatbaar, al had het ook de bedoeling om de vrouw, wier zeden in dit tijd verre van onberispelijk waren 2), te béteren. Ditzelfde geldt van bepaalde dingen, die Luther toeliet, zoals b.v. echtscheiding, buitenechtelijk geslachtsverkeer en bigamie, waaruit Philips van Hessen zijn consequenties trok met alle fatale gevolgen daarvan voor de zaak der Reformatie 3).

Bij deze stand van zaken wekt het geen verwondering, dat de vrouw in de gemeentedienst geen grote plaats inneemt. In 1516 zegt hij bij de verklaring van het eerste gebod, in een intellectualistische dwaling, uiteen waarom de leiding der godsdienstoefening en de prediking alleen aan de man toekomt: de vrouw is veel meer toegankelijk voor allerlei bijgeloof! 4) Nog in 1518 spreekt hij van een sacerdotium virile et divinum (mannelijk en goddelijk priesterschap) tegenover een satanisch-bijgelovig sacerdotium muliebre (vrouwelijk priesterschap), maar in 1521 heeft het bijbels gegeven van het priesterschap aller gelovigen zover doorgewerkt, dat hij ziet „dass jedermann zu predigen Gewalt hat” 5). De uitschakeling der vrouw geschiedt dan ook uitsluitend op doelmatigheidsgronden: slechts zij mogen prediken, die daartoe „geschickt” zijn, hetgeen o.a. blijken moet uit „eine gute Stimme, ein gutes Aussprechen, ein gut Gedächtnis und andere natürliche Gaben.” Daar in dit opzicht de man „geschickter” is, zal als regel hij het zijn, die predikt, maar zo nodig kan ook een vrouw het doen, waarvoor hij zich beroept op Joël 2, Hand 219, Mirjam, Hulda, Debora, Maria (de lofzang) en 1 Cor 115. In een preek uit 1522 spreekt hij in dezelfde geest: „wenn es dahin käme, dass kein Mann vorhanden wäre, möchte denn ein Weib auftreten und den anderen predigen aufs beste.” 6) Een principiële uitsluiting der vrouw van de verkondiging kent Luther dus niet.

Door de eigenaardige constellatie der lutherse gemeenten inzake de verhouding van het kerkelijke en het politieke, kwam in de practijk het accent eenzijdig te liggen op het „Pfarramt” en ontbrak het mededienen der gemeenteleden vrijwel geheel 7). Ook de armverzorging 8), waarvoor juist de vrouw specifieke gaven heeft, bleef in de practijk vrijwel geheel zaak van de overheid. Toch zijn er, naast vele voorbeelden van particulier initiatief door


1) WA 15, 420; cf Zarncke, Luther und die Frauenfrage, in: Die Chr. Welt 46 (1932) S. 873-877.
2) Kawerau, aaO S. 52.
3) Cf L. Zarncke, Luthers Stellung zu Ehescheidung und Mehrehe, in Ztschr. f.d. syst. Theol. 12 (1935) S. 98-117.
4) ed. Walch2 7, 55.
5) Vom Missbrauch der Messe WA 8, 497f.
6) Kirchenpostille EA 12, 375f.
7) Cf Sehling, Gesch. d. Prot. Kirchenverf. S. 30.
8) EA 7, 230; 15, 166f.

|87|

vrouwen 1), enkele schuchtere en sporadische pogingen door Luther gedaan om haar in de gemeentedienst in te schakelen. De dienst der vroedvrouw b.v. werd als een noodzakelijkheid gevoeld en hoewel zij in de meeste gevallen door de stedelijke overheid werd aangesteld en betaald, zijn er toch ook Kerkordeningen, die bepalingen over haar hebben opgenomen. De door Bugenhagen in 1528 voor Brunswijk opgestelde K.O. 2) schrijft de aanstelling van ziekenverzorgsters en vroedvrouwen voor, die door de superintendent of een predikant geïnstrueerd moeten worden voor de geestelijke zijde van haar werk, waarbij ook de nooddoop behoort. Zijn K.O. voor Hamburg (1529) 3) geeft haar de naam „Kirchendienerinnen” en bepaalt dat zij door de „Diakonen der Armen” voor haar diensten bij arme vrouwen gehonoreerd moeten worden. Ook de leraressen aan sommige meisjesscholen stonden in kerkelijke dienst. De oudste K.O., die van Leisnig (1523) 4), door Luther warm aanbevolen, draagt aan de tien „Vorsteher” op om „aus unserm gemeinen Kasten” (d.i. de stedelijke kas voor kerk-, school- en armenzaken) een bejaarde vrouw te betalen om de meisjes onder de twaalf jaar onderwijs te geven „in rechter christlicher zucht, ehre und tugend”. De K.O. van Hall in Zwaben (1526) 5) beroept zich hiervoor op Tit 23vv en die van Hessen (1526) 6) legt sterke nadruk op het godsdienstonderwijs, evenals die van Brunswijk, welke laatste de onderwijzeressen „christliche Dienerinnen der ganzen Stadt” noemt 7). Hoewel Luther voortdurend zijn best deed om vrouwen voor dit werk te animeren 8), vond deze dienst toch geen algemene ingang en stierf langzamerhand uit. Tenslotte zijn er ook enkele symptomen van diaconaal werk der vrouw waar te nemen. Enkele stiften werden, met behoud der vroegere organisatie, tot pensionaten voor adellijke meisjes ingericht, o.a. die van Mintzschen en Keppel, waar verscheidene wereldlijke en geestelijke „Aemter” bestonden, zoals de lerares en de diacones, die met de verdeling der aalmoezen belast was, in welke functie zij van 1549 (of ’67?) tot het begin der zeventiende eeuw kerkordelijk gediend heeft. Hoewel over haar inzegening en de duur van haar „ambt” niets bekend is, geschiedde de opname in het stift met gebed en handoplegging. In Walsdorf werd ook de


1) Cf. b.v. Katharina Zell (RGG 5, 2092 en PRE 21, 652), Argula von Grumbach (RGG 2, 1501f en PRE 18, 779ff), Margaretha Blaurer (RGG 1, 1142 en PRE 3, 253) e.a. Verder: v.d. Goltz, Dienst d. Frau S. 38f; B. Riggenbach, Frauengestalten aus d. Gesch. d. Reich Gottes, Basel 18842, Abschn. 5; F. Piper, Zeugen der Wahrheit, Leipzig 1873 S. 530-573.
2) Richter, I, 106-120.
3) Richter, I, 127-134.
4) Richter I, 10-15.
5) Richter I, 40-50.
6) Richter I, 56-69.
7) Cf verder K.O. van Hamburg, Soest 1532 (Richter I, 165-168) en Wittenberg 1533 (Richter I, 220-226).
8) O.a. Magdalene Staupitz, die in de nacht vóór Pasen (4/5 April) 1523, samen met 8 andere nonnen het klooster te Mintzschen ontvlucht was en die dit werk van 1529 tot 1548 in Wittenberg deed.

|88|

ziekenverzorging tot haar taak gerekend 1). De Brunswijkse K.O. bevat bepalingen, die aan 1 Tim 5 doen denken: er moet een lijst worden bijgehouden van de ondersteunde vrouwen, waarvan de gezonden tot hulp van zieken kunnen worden aangewezen. De K.O. van Minden kent iets dergelijks.

Al blijkt uit deze een soortgelijke bepalingen, dat de bijbelse gedachte van de medewerking der vrouw in de gemeente, vooral voor zieken en noodlijdenden, niet geheel uitgestorven was, toch is dit geen uitgangspunt geworden voor de herleving van het vrouwelijk diaconaat in de lutherse Kerk, waarvan het ontbreken van het mannelijke diaconaat en de kloosterlijke vormen, waarin deze dienst werd uitgeoefend, mede oorzaken zijn.

 

3. Zwingli

De band tussen Kerk en Staat is naar Zwingli’s inzicht zeer nauw, hetgeen o.a. tot resultaat heeft, dat de armen- en ziekenzorg practisch geheel in handen van de overheid komt. In 1524 stelde de Raad van Zürich dan ook een armenordening op, die bepaalde dat er vier armverzorgers benoemd moesten worden en dat het vroegere predikherenklooster tot hospitaal ingericht zou worden, waar de gewezen nonnen van Ortenbach werkzaam waren, terwijl deze ook thuis zieken gingen verplegen. Vanuit kerkelijk standpunt is deze dienst echter niet van belang 2).

 

4. Calvijn

Calvijn exegetiseert, zoals we reeds enkele malen merkten, alle texten uit het N.T., die over het optreden en de dienst der vrouw handelen, vanuit 1 Cor 1434v en 1 Tim 211vv en komt dan in het algemeen ook niet uit boven de traditionele visie van zijn tijd. Ook wat betreft haar plaats in de Kerk conformeert hij zich aan de bestaande situatie in de R.K. hiërarchie, behalve op één punt. Hij verbiedt haar het dopen, spreken en onderwijzen in de Kerk 3) en hij wil haar geen enkel publicum officium (openbaar ambt) laten waarnemen; behalve echter dat van diaken 4). In tegenstelling met Luther heeft Calvijn nl. van het begin af de armverzorging als taak der Kerk gezien en reeds in de eerste uitgave der Institutie (1536), waar hij nog slechts twee ambten kent, is de diaken er één van 5). Onder deze diakenen onderscheidt


1) Cf Schäfer, Weibl. Diak. I, 69ff en Anm. 25; v.d. Goltz, aaO S. 41.
2) W. Köhler, Armenpflege und Wohltätigkeit zur Zeit Zwinglis, Neujahrsblatt hrsg. v.d. Hulfsgesellsch. Zürich 119 (1919); Uhlhorn, Chr. Liebest. III, 146ff; R. Christoffel, Huldreich Zwingli, Elberfeld 1857 S. 102f.
3) Inst. IV, xv, 20sqq. Wanneer niet anders vermeld is, wordt steeds de editie van 1559 geciteerd: Op. omn. vol. II (CR XXX).
4) Inst. IV, iii, 9.
5) Op I, 191sq.

|89|

Calvijn dan weer twee verschillende soorten: één groep, die zich met de aalmoezen bezighoudt en een andere, die de zieken verzorgt, onder welke laatste ook vrouwen moeten zijn. Deze opvatting, die hij tot het einde toe is blijven huldigen 1), brengt hij tot uitdrukking in zijn Romeinencommentaar (1539) bij de exegese van c 128: „Per μεταδιδοῦντας... intelligit (sc Paulus) ... Diaconos, qui publicis Ecclesiae facultatibus dispensandis praesunt. Per ἐλεοῦντας autem, viduas et alios ministros, qui curandis aegrotis secundum veteris Ecclesiae morem praeficiebantur. Sunt enim functiones dua diversae...” Bij de omstreden kwestie of Calvijn zijn „ambten” rechtstreeks uit de Schrift heeft geput of dat ze een zaak van practische behoefte waren, met een motivering uit de Schrift a posteriori, is deze exegese ongetwijfeld een punt in het voordeel van de laatste opvatting. Immers reeds vanaf 1535 was het voormalige Clarissenklooster in Genève tot „Groot-Hospitaal” ingericht, waar zieken, armen, weduwen en wezen verzorging vonden en waar, naast de „hospitaliers” ook vrouwen werkzaam waren als verzorgsters en als lerares 2). Aan deze situatie heeft Calvijn bij zijn exegese van Rom 128 zeker gedacht, want voor een onbevangen lezer is het niet zo vanzelfsprekend als hij wil doen voorkomen, dat hier van tweeërlei diakenen sprake is. Opvallend is echter, dat noch in het Ontwerp van 1641, noch in de Ordonnances ecclésiastiques van 1561 zelf, van deze vrouwelijke diakenen sprake is, hoewel de tweedeling in het diaconaat wèl gehandhaafd is. Desondanks blijft het een feit, dat Calvijn toch iets van de oerchristelijke dienst der vrouw in de gemeente hersteld heeft, ook al heeft het hem aan de passie ontbroken om dit met kracht door te zetten en al meent Bouwman 3), dat zelfs dit schuchtere begin nog een vergissing van Calvijn is geweest.

 

5. De dienst der vrouw in de Gereformeerde Kerken

Het nieuwe initiatief van Calvijn vond in den beginne enige navolging. Enkele momenten hiervan zullen we nader bezien, waarbij we ons hoofdzakelijk tot de Nederlanden beperken

Wezel. Het Convent van Wezel (1568), dat meerdere malen blijk geeft minder aan de R.K. traditie gebonden te zijn en meer open te staan voor de nieuwtestamentische gegevens betreffende de K.O. dan de latere Synoden, geeft in zijn „Capita” ook een plaats aan de vrouw. Het neemt uit de Ord.


1) IV, iii, 9; ook IV, xiii, 19 spreekt hij van een publicum ecclesiae ministerium der „diaconessen” uit 1 Tim 512. Door het nonnenwezen is deze instelling echter ontaard: „... ut non minus sit discriminis quam inter sacrarium aliquod castitatis et lupanar” (cf Op 49, 281sqq).
2) Cf Kampschulte, Joh. Calvin I, 465f.
3) Ambt der diakenen, p. 133.

|90|

eccl. van Genève, die waarschijnlijk als enig schriftelijk voorbeeld van een K.O. ter tafel lagen 1), de twee soorten diakenen over: sommigen voor het verzamelen en uitdelen der aalmoezen en anderen ter verzorging van zieken en gevangenen 2). Juist in de vluchtelingengemeenten, wier situatie in meer dan één opzicht met die der eerste Christengemeenten te vergelijken is, kwam het diaconaat tot zijn rijkste ontplooiing en Wezel wil ook vrouwen voor deze dienst gebruiken 3): „Quibus locis erit oportunum existimamus etiam mulieres spectata fide ac probitate et aetate prouectas ad hoc munus Apostolorum exemplo recte ascisci posse” (V, 10). Hiermee sluit het Convent aan bij Calvijns opvatting en wil dit nu in practijk brengen, hetgeen inderdaad in 1573 gebeurt. In de „Armen-ordening” der Nederduitse vluchtelingengemeente is formeel sprake van vier gemeentediaconessen, die speciaal voor arme, zieke en in het kraambed liggende vrouwen hebben te zorgen: „Men sal oock by der hand hebben etlicke fromme Widwen of gehouwde Frauen mit consent ihrer Menner, die gut getüchniss hebben, um in tijden van not die bij den kranken te gebruyken, die to bewaren en te plegen” 4). Zij werden bij meerderheid van stemmen door het presbyterium gekozen voor de tijd van één jaar, doch waren dan herkiesbaar en werden in haar ambt bevestigd 5). In 1578 ontstaan er echter moeilijkheden, die hun oorsprong vinden in een verwarring van de nieuwtestamentische „weduwen” en „diaconessen”. Sommigen voelden zich nl. bezwaard door de verkiezing van gehuwde vrouwen, waarvan er enkelen ook nog onder de zestig jaar waren en achtten dit in strijd met 1 Tim 59. De Kerkeraad legde dit bezwaar aan de Classis voor, die het op 27 April en 6 Oct. 1579 behandelde, maar pas op 12 April 1580 haar mening durfde te geven. Wat de weduwe-staat betreft, wil zij zich aan Paulus houden, maar met de leeftijd mag desnoods — hoe attent tegenover de dames! — enkele jaren gesmokkeld worden, mits „dy andere qualitates, van Paulo dairto gerequireirt, dairby befonden worden.” Om echter helemaal zeker van haar zaak te zijn, legt zij de kwestie voor aan de volgende Synode 6).

Onder de „Particuliere vraeghen”, gesteld aan de Synode van Middelburg (1581) 7), treffen we dan ook deze aan: „Oft Raedtsaem waere, het Ampt der Diaconissen weder in te voeren? Is gheand.: Neen, om verscheijden inconuenienten wille die daer wt souden moghen volghen. Maer in tijden van Pestilentie (sic!) ofte ander kranck-heden... so sullen sy (sc de diakenen) die


1) Cf F.L. Bos, Wezel p. 360; Nauta, Wezel en Emden p. 226v.
2) V, 5, 6; ed. Rutgers, Acta.
3) De opvatting van v. Schelven, Vluchtelingenkerken p. 299, dat dit slechts tot de 2e categorie beperkt was, is willekeurig, cf Sardemann, Wes. Classe S. 35ff; ditzelfde geldt van de mening van Simons, Gem. armenpflege S. 23, dat uitsluitend de zorg voor vreemdelingen bedoeld zou zijn.
4) Citaat bij Sardemann, aaO S. 58.
5) Cf Wolters, Reformationsgesch. S. 395ff.
6) Cf Simons, Synodalbuch S. 545, 548, 554f en 566.
7) Rutgers, Acta p. 437.

|91|

versorghen door haere huysvrn., ofte andere daer toe bequaeme synde” 1). Hiermee heeft het herleefde vrouwelijke diaconaat op de Synoden een vroegtijdige dood gevonden en geen kans gekregen om zich in dienst van de Kerk te ontplooien, al bleven de diaconessen in Wezel nog tot 1610 bestaan, waarna ze, door een herziening der armverzorging die voortaan kerkelijk-burgerlijk werd, verdwenen 2). Dit diaconessenambt heeft als gemeentedienst ook een tijdlang bestaan in de vreemdelingengemeente van Goch 3), terwijl men in Keulen en elders eveneens vrouwen als ziekenverzorgsters kende 4). De Reformatie heeft echter de kracht niet kunnen opbrengen om ook in dit opzicht reformerend te werken. Ongemotiveerd, alleen uit een vage angst voor „inconveniënten” (alsof die er bij een uitsluitende mannendienst niet zijn!) heft men gekozen vóór de traditie en tegen het N.T. en zo het veelbelovende begin van een erkende kerkelijke dienst der vrouw in de kiem gesmoord.

Amsterdam. Toen de gemeente van Amsterdam door de prediking van Jan Arents c.s. in Aug. 1566 een „zichtbare gestalte” kreeg, werden er direct al, naast de diakenen, „etlijke oude deughtsaeme susters tot Diakonessen gekooren” 5). De organisatie der gemeente werd al spoedig door de Inquisitie verstoord, maar bij haar herstel (24/5-1578) wilde men direct weer tot aanstelling van diaconessen overgaan, hetgeen echter om onbekende redenen is uitgesteld tot 1 Maart 1582 — direct na de afwijzing van het diaconessenambt door de Synode van Middelburg! Toen koos de Kerkeraad een drietal zusters tot diacones: Hester Hermansd., Anna Jacobsd. en Jopke Theunisd., de weduwe van burgemeester Reynier van Neck. Voortaan worden er, vrijwel zonder onderbreking, ieder jaar nieuwe benoemd in een steeds stijgend aantal: in 1583 zijn het er 4, in 1587 al 8 en in 1704 zelfs 28. Het betreft hier geen beroepsarbeid, maar vrijwillige gemeentedienst, parallel aan die der diakenen, waarbij de grens van zestig jaar niet als norm gold. In het begin werden naast getrouwde vrouwen en weduwen ook ongehuwden gekozen, want enkele malen treffen we achter de naam de toevoeging „oude vrijster” aan, zoals b.v. bij Lijsbet Claesd. (1598) en Geert Jansd. (1604). Later schijnt men zich tot de beide eerste categorieën beperkt te hebben 6). Er is een Ordening geweest, die haar werk regelde, maar deze is verloren gegaan, althans niet meer bekend 7). Zij worden in de regel door de Kerkeraad, op voordracht


1) De mening van Slotemaker de Bruine, De vrouw en de Kerk p. 19v, als zouden Wezel en Middelburg iets verschillends aan de orde gesteld hebben, nl. resp. „vrouwelijke diakenen” en „diaconessen” lijkt mij onwaarschijnlijk.
2) Cf Schäfer, Weibl. Diak. I, 73; Sardemann, aaO S. 9.
3) Cf W. Bösken, Zur Gesch. d. Diakonissenambtes (Evang. Gem.bl. 1902, Nr 43ff).
4) Janssen-v. Toorenenbergen, Handel. Kerker. Keulen en v. Toorenenbergen, Brieven uti Archieven van Keulen (werken der Marnix-Ver. Serie I, Dl III en Serie III, Dl V).
5) Brandt, Hist. d. Ref., A’dam 1671, I, 379.
6) H.L. Bentheim, Holl. Kirch- u. Schulenstaat, Frankfurt, 1698, I, 476f.
7) G.J. Vos, Amstels kerkelijk leven, A’dam 1903, p. 46.

|92|

van diakenen voor een nog al eens wisselende termijn benoemd, maar ook hebben zij zelf wel eens aan de verkiezing van haar collegae meegewerkt. Oorspronkelijk waren zij werkaam in de huizen ter verzorging van armen, zieken, wezen, ouden van dagen, kraamvrouwen e.d., maar na de oprichting van het Weeshuis (1657) en het Oudevrouwenhuis (1683) vindt er een splitsing in de werkzaamheden plaats: in ieder van deze huizen dienen er tien als „binnenmoeders” 1), terwijl er zich acht als „buitenmoeders”, wijksgewijze twee aan twee, aan de gewone taak blijven wijden in nauwe samenwerking met de diakenen. Haar werk wordt ook administratief bijgehouden, zodat we hier een formeel geordende vrouwelijke gemeente-diaconie aantreffen. Een enkele maal wordt de samenwerking met de diakenen ingrijpend verstoord door een competentiestrijd, die 40 foliovel Acta beslaat 2), maar gelukkig is dit een uitzondering geweest. In 1713 kan Ds Burmannus bij de inzegening van nieuwe diaconessen zijn gemeente gelukkig prijzen omdat zij de enige in de Christenheid is, die nog diaconessen heeft en brengt hij haar verdwijnen in verband met het afsterven van geloof en liefde. Als teksten voor deze inzegeningen zijn o.a. nog bekend Rom 161 (1763, Ds Joh. Calkoen) en Hand 2035 (1783), waarbij haar werk een „ambtelijke dienst” wordt genoemd. In de loop der achttiende eeuw begint het aantal diaconessen echter te slinken en na de storm der Franse Revolutie is haar dienst in de gemeente verdwenen. Maar tot op deze dag toe heten de regentessen van het Diaconie-weeshuis en -oudeliedenhuis nog „diaconessen” en worden zij in een speciale dienst in de consistoriekamer van de Nieuwe Kerk ingezegend.

Ook de Engels-Gereformeerde gemeente in Amsterdam had ca 1600 een diacones, die in hoog aanzien stond. Als weduwe van zestig jaar was zij gekozen voor bijstand aan (voornamelijk vrouwelijke) zieken en armen, waarbij zij zich de hulp van andere vrouwen en meisjes assumeerde. In de kerk had zij een speciale plaats, waar zij — met een berkenroede in de hand! — de lieve jeugd in toom moest houden 3).

Den Hoorn. Diaconessen treffen we ook aan in Den Hoorn op Texel, waar ze zelfs tot de Kerkeraad schijnen te behoren. In de Acta van deze Kerkeraad d.d. 30/5-1604 lezen we nl.: „... is verkiezinghe des Kerkeraets geschiet ende is... vercoren... tot diaconisse Aal Albertsd.” Verder: „Anno 1607 den 27 Mey soo sijn... berechtycht in haeren dienst... Tel Joert tot dyakenysse.” Tenslotte: „Op den 11 Mei 1612 is ... voorgesteld... tot dyakonesse Martin Peters; ... den 13 Mayers 1612 heeft de gemeente verkozen... tot dyakenesse Marretien Petters” 4).

Omstreeks dezelfde tijd werk in Middelburg de vrouwen der vier diakenen,


1) Benthem, aaO.
2) Cf Merens, Weibl. Diakonie S. 228f; Predikb.blad Herv. Gem. A’dam 1880, no 38.
3) A. Young, Chronicles of the Pilgrim Fathers, Boston 18442 p. 455f, gec. bij Schäfer, aaO I, 213.
4) gec. bij Cramer, Diakonessenarbeid I, 40.

|93|

die ook toezicht op de weesscholen uitoefenden, actief mee in de gemeente, door als „buitenmoeders” haar mannen in dat toezicht en voor de verzorging van de kleding der wezen bij te staan 1). In Emden had de gemeente een „Gasthus” met een echtpaar aan het hoofd, dat geassisteerd werd door vier weduwen en „matronen” voor het in stand houden van de inventaris 2). Al zijn dit geen diaconessen in de volle zin van het woord, toch wordt hier de dienst der vrouw aanvaard.

Ondanks het feit, dat de Synode van Middelburg het herstel van het diaconessenambt had afgewezen, is het dus toch in verscheidene plaatsen ingevoerd. Van grote betekenis voor de gehele Kerk is dit echter niet geworden en in het algemeen viel de vrouw al weer spoedig in haar vroegere onmondigheid en non-activiteit terug. De Reformatie heeft noch in theorie, noch in de practijk radicaal en consequent met de heersende mening over de vrouw gebroken, zodat zij in de Kerk geen enkele volwaardige en erkende dienst kan vervullen. De oorzaak hiervan moet enerzijds gezocht worden in een opvatting van het „ambt”, die veel zwaarder clericalistisch geladen is, dan men zelf heeft vermoed en anderzijds in een waardering der vrouw, die soms vrijwel elke notie van de nieuwtestamentische boodschap schijnt verloren te hebben.

Voetius (1589-1676) bevindt zich reeds op deze weg door, in de trant van de middeleeuwse speculaties, serieus vragen te behandelen als: is de vrouw wel naar het beeld Gods geschapen?, is zij wel wezenlijk een mens? e.d. en haar het stemrecht bij verkiezingen te ontzeggen 3). Hij voelt er wél voor om de diaconessen te herstellen, echter niet als draagster van een zelfstandig „ambt”, maar als „auxiliatrices diaconorum, iisque in exercitio muneris sui subserviunt”, als een „hulpdienst” dus 4). Hoewel zij onder de „adjutores perpetuos et permanentes” (permanente helpers) gerekend worden, is haar aanstelling niet absoluut noodzakelijk. Rom 161 en 1 Tim 53vv geven echter, naast de zware taak, die op de diakenen rust en de practijk der Oude Kerk, voldoende grond om haar te benoemen. Dit moet dan gebeuren „ab ecclesia aut ab synedrio ecclesiam representante aut a diaconis consentienti synedrio” (door Kerkeraad of diakenen). Haar werk bestaat, volgens Voetius, uit dienstbetoon aan armen, zieken, vreemdelingen en gevangenen, voornamelijk vrouwen en kinderen. In kleinere plaatsen kunnen echter de vrouwen, moeders of zusters der diakenen dit werk wel verrichten. In deze vrouwendienst combineert Voetius de nieuwtestamentische weduwen en diaconessen, hoewel hij zich niet streng aan de leeftijdsgrens van 60 jaar houdt.


1) Diaconie-aantekeningen 15 July 1594; cf F. Nagtglas, De Alg. Kerker. d. NHG te Middelburg, M’burg 1860 p. 144, 188.
2) K.O. van Emden 1594, gec. bij v.d. Goltz, aaO S. 135f; Ed. Meiners, Oostvrieschlandts Kerkelijke Gesch., Gron. 1739 II, 655f.
3) Pol. Eccl. I/1, 32, 426; II, 179-212.
4) Pol. Eccl. II, 508-513: De Diaconissis.

|94|

In dezelfde geest als Voetius schrijven Junius 1), Walaeus 2), Koelman 3) en Wittewrongel, welke laatste deze vrouwen aldus aanspreekt: „Ghy Godtvruchtige Matronen en Diaconissen... sijt de Broederen Diaconen tot eenige verlichtinge van hare zware ende zeer lastige bedieninghe... naer Godts eygen Ordinantie bijgevoeght geworden; om oock... een woord des Troostes ende der vriendelicke onderwijsinge ende bestraffinge... toe te bringen.” Overigens zegt hij wel heel duidelijk hoe hij over de vrouw denkt: hij noemt haar zonder meer de mindere van de man, die o.a. op zijn commando direct verschijnen moet en zelfs een door vergissing gegeven bestraffing van haar man zonder protest dient te slikken, „wetende dat het is de eygenschap van een goetaerdige dispositie, somtijdts een schuldt te erkennen, even daer geen en is” (sic!) 4). Deze visie op de vrouw is lange tijd — en ten dele tot vandaag toe — de algemeen geldende gebleven. Huygens noemt haar een „mindermensch”, Cats heeft gedicht: „alwat een man gelijct, een hooger wesen heeft” en zelfs een hoogstaand mens als Bilderdijk doet in dit verband krasse uitspraken 5). Ook het Huwelijksformulier, met zijn sterke nadruk op de gehoorzaamheid en volgzaamheid der vrouw is aan deze geest niet geheel vreemd. Naast een onbijbelse „ambts”-opvatting, die we nog nader zullen moeten bespreken, is deze onbijbelse onderwaardering der vrouw een zeer belangrijke factor geweest voor haar uitsluiting uit de dienst der Kerk.

Ook in het buitenland zijn in het begin enkele pogingen gedaan om de vrouw in dienst der Kerk te stellen, evenwel zonder blijvend resultaat. In Frankrijk bestemde Hendrik Robert van der Marck, vorst van Sédan, bij zijn overgang tot de Reformatie in 1559, het kerkegoed voor de oprichting van scholen, hospitalen en een instituut, dat meisjes vormde, die zich aan de verzorging van armen, zieken en bejaarden wilden wijden: de „démoiselles de charité” of „Filles de Sédan”, die geen gelofte aflegden, maar wel gebonden waren aan de regels van het huis. Zij hadden een pendant in de „Dames de la Rochelle”, maar van blijvende betekenis zijn zij niet geweest, ook al zette, na Hendriks dood, zijn echtgenote Françoise de Bourbon-Montpensier dit werk voort. (Cf Peyran, Hist. de la principauté de Sédan (Berl. Kön. Bibl.) 1798, I, c. 1suiv.; Schäfer, Weibl. Diak. I, 71; v.d. Goltz, Dienst d. Frau S. 42).
In Engeland vinden we bij de non-conformisten een enkele vage aanduiding, die er op zou kunnen wijzen, dat in 1576 door een Synode bepalingen zijn gemaakt voor de verkiezing van mannelijke en vrouwelijke diakenen. (Cf D. Neal, Hist. of the Puritans, London 1733, I, 344-346.)

 

6. De dienst der vrouw buiten de Gereformeerde Kerken

Ook buiten de Gereformeerde Kerken heeft men de dienst der vrouw ten nutte weten te maken, waarvan slechts een paar voorbeelden.


1) Op. I, 1567.
2) Op. I, 466.
3) ’t Ampt, p. 508vv.
4) Oeconomia Christiana, Amsterd. 1655, p. 211vv, 231v.
5) Cf H. Bavinck, Bilderdijk als Denker en Dichter, Kampen 1906 p. 174v; C. Busken Huet, Het Land van Rembrand, Haarlem 1882-84, II/2, 269vv. Cf ook John Knox, The First Blast of the Trumpet against the monstrous Regiment of Women, London 1878.

|95|

De Moravische Broeders kennen een vrouwendienst, die het midden houdt tussen die van de diacones en van een vrouwelijke ouderling. Bij de fixering van hun organisatie in 1609 regelden zij ook de verkiezing van presbyterae, die daarna bevestigd worden. Zij hebben opzicht en tucht te houden over de vrouwelijke leden, zieken te bezoeken, bedroefden te troosten en de behoeftigen te helpen (Cf J.F. Buddeus, J. Amos Comenius, Halae 1702, sub Ratio Disciplinae p. 11: „Similiter (sc als presbyteri) a muliebri sexu honestae, prudentes, graves matronae, attendendum feminis eliguntur, similique potestate instruuntur”; PRE 3, 458; Lechler, Gesch. d. Presb.Verf. S. 146; Schäfer, Weibl. Diak. I, 74 Anm 31, niet nog meer literatuur noemt).
In navolging hiervan geeft von Zinzendorf op de Synode van Mariënborg (1745) in overweging om het oud-kerkelijk ambt der diaconessen te herstellen, hetgeen eenstemmig wordt aangenomen en nog op dezelfde Synode worden enkele zusters met handoplegging als diacones ingezegend. Ook als „Aeltistinnen” en in andere functies spelen vrouwen bij de Hernhutters een grote rol (Cf A.G. Spangenberg, Leben des Grafen v. Zinzendorf, 4 Bde 1771-1774 S. 441ff, 477f, 487f, 594f, 602f, 1204f, 1306f, 1580f, 1614ff en 2053ff; Schäfer, aaO Anm 32; v.d. Goltz, aaO S. 67ff; O. Uttendörfer, Zinzendorf und die Frauen, Herrnhut 1919).
Ook de Mennonieten in Nederland kennen vrijwel vanaf het begin diaconessen, die niet alleen met de armenzorg, maar b.v. ook met die voor jonge meisjes belast zijn (Cf H. Schijn, Hist. Mennonitarum, Amstelod. 1729 p. 40; J. Wagenaar, Amsterdam in zijne opkomst..., Amst. 1760-1767, VIII, 60; Schäfer, aaO Anm 30, S. 86). Het waren deze Doopsgezinde diaconessen, die Fliedner gestimuleerd hebben bij de opbouw van het moderne diaconessenwezen (Fliedner, Collectenreise n. Holland, Essen 1831, I, 150f).
Robert Browne noemt in zijn, in Middelburg geschreven, tractaten ook één of meer weduwen bij de door de Schrift geëiste diensten (cf H.M. Dexter, The Congregationalism, N.Y. 1880 p. 96-111). Barrow en Greenwood, wier invloed op het Congregationalisme zeker even groot is geweest als die van Browne (PRE 10, 682) willen in hun, uit de gevangenis gesmokkelde geschrift: „A true description out of the word of God of the visible church” (1589) ook weduwen door de gemeente gekozen zien (Dexter, l.l. p. 233ff), ofschoon dit niet regelmatig is uitgevoerd (RGG 3, 1204). In Cromwells tijd zijn profetessen onder de Independenten geen zeldzaamheid (cf v. Walter, Frauenlos S. 71) en in het midden der vorige eeuw trad de eerste vrouwelijke predikant (Anth.e L. Brown) bij de Congregationalisten in de U.S.A. in dienst.
De Quakers, die geen eigenlijke organisatie bezitten, hebben van het begin af man en vrouw geheel gelijkgesteld, zodat ieder predikant, oudste en opziener kan zijn (PRE 16, 357, 377f; RGG 4, 1665; Bacon, Women p. 62-72. Een vrouw als Ann Lee (1736-83), die naar Amerika emigreerde en daar in haar gemeente o.a. diaconessen invoerde, heeft dan ook zeer grote invloed uit kunnen oefenen.
In het Duitse Piëtisme trad de vrouw aanvankelijk nauwelijks op de voorgrond: in Speners conventikels zat zij in een zijkamer als toehoorster (A. Ritschl, Gesch. d. Piët. 3 Bde, Bonn 1880-86, II, 136). Vanaf 1677 staat hij haar echter toe om te spreken (aaO II, 158) en sindsdien spelen vrouwen een grote, zij het niet steeds een verheffende rol. Te noemen zijn o.a. Beate Sturm (aaO III, 19ff), Johanna E. Petersen (aaO II, 225ff) en Eva von Butlar (aaO I, 426; cf verder nog: M. Busch, Wunderliche Heilige, Leipzig, 1879, S. 121ff; Wiechert, Dienst d. Frau S. 134f).