62
2,69-71
01-07-2014

|69|

Hoe hard telt het huisbezoek?

 

De nieuwe kerkorde kwam op 1 maart moeiteloos door de generale synode. Verbeteringen werden met grote meerderheid van stemmen aanvaard; andere wijzigingen met een overtuigende meerderheid afgewezen. Maar op één punt bleef de synode verdeeld: is het nu echt nodig om te blijven bepalen dat de ouderlingen jaarlijks op huisbezoek moeten gaan (B23.2)? Het lijkt alsof de kerkorde hier achter de feiten aanloopt. Want feit is toch dat veel gemeenten het jaarlijks huisbezoek hebben vervangen door een andere vorm van (onderling) pastoraat. Die ontwikkeling draai je echt niet terug met zo’n traditioneel voorschrift in een kerkordeartikel.

Uiteindelijk werden de voorstellen tot wijziging door een duidelijke meerderheid afgewezen. Het jaarlijkse huisbezoek blijft staan. Maar overtuigend was het niet helemaal. Reden genoeg om er nog eens over te schrijven.

 

Bezoek aan huis

De term ‘huisbezoek’ komt overigens in de nieuwe kerkorde niet meer terug. Want het heeft in de loop van de tijd een andere betekenis gekregen dan oorspronkelijk bedoeld. Tegenwoordig is een huisbezoek een speciaal bezoek: de ouderling kan eventueel wel vaker langskomen, maar slechts één keer per jaar is het een officieel huisbezoek, zo heet het dan. Van oorsprong had de term ‘huisbezoek’ echter een andere bedoeling: het gaf de locatie aan waar de ontmoeting tussen het gemeentelid en de ambtsdrager plaatsvond. Die locatie was niet het kerkgebouw, bijvoorbeeld in de biechtstoel, maar bij het betrokken gemeentelid aan huis. De ambtsdrager gaat de gemeente in. De nieuwe kerkorde zegt dat nog steeds: de ouderlingen bezoeken de gemeenteleden.

Dat principe blijft bij alle veranderingen van belang. Het is niet gezond wanneer het contact tussen gemeenteleden en ouderlingen slechts plaatsvindt door brieven van gemeenteleden aan de kerkenraad enerzijds en kerkenraadsmededelingen aan de gemeente anderzijds. Ouderlingen moeten op bezoek! Dat is gezond voor hun eigen ambtsdienst. Maar het is vooral ook van belang voor de gemeenteleden, dat die in hun dagelijkse leefomgeving worden opgezocht en aangesproken.

 

Assisteren

De vraag is echter of de ouderling al die bezoeken zelf moet afleggen of dat hij daarvoor ook anderen mag inschakelen. De nieuwe kerkorde geeft inderdaad ruimte voor die laatste mogelijkheid, B23.4: “Op verzoek van de kerkenraad kunnen gemeenteleden de ouderlingen assisteren in de pastorale zorg”. Dus werd van allerlei kanten erop aangedrongen om de hoofdregel in B23.2 dan ook anders te formuleren: niet dat de ouderling op bezoek moet gaan, maar dat de ouderling

|70|

erop toeziet dat gemeenteleden jaarlijks bezoek ontvangen. Of hij dat bezoek zelf aflegt of niet, is dan een kwestie van vrije keuze.

De deputaten, en uiteindelijk ook de meerderheid van de synode, waren van mening dat dit te veel een verschraling van de ambtelijke opdracht zou betekenen. Wil een ouderling echt weten wat er in de gemeente leeft, dan moet hij er zelf op uitgaan. Het is te weinig wanneer hij zijn verantwoordelijkheid slechts waarmaakt door anderen aan te sturen. Hij mag anderen wel inschakelen om hem te helpen, maar het blijft zijn eigen persoonlijke taak. Ook versterkt het de betrokkenheid van gemeenteleden wanneer ze van tijd tot tijd direct contact hebben met iemand die opereert in het centrum van het kerkelijk gebeuren en mede verantwoordelijk is voor het gekozen beleid.

 

Wijkkringen

Daarmee is het belangrijkste echter nog niet gezegd en ook het meest gevoelige aspect nog niet geraakt. Dat is de kwestie van de ‘wijken’, ‘miniwijken’ of ‘kringen’, of hoe ze ook maar mogen heten. ‘Onderling pastoraat’ wordt het wel genoemd. En weer is de nieuwe kerkorde daar uitgesproken positief over, al in C48, maar vooral in C49.1: “De gemeenteleden zien als leden van het lichaam van Christus in liefde naar elkaar om en dienen elkaars heil en welzijn in woord en daad”. En C49.2: “De ambtsdragers en gemeenteleden dragen ieder voor hun deel bij aan de pastorale en diaconale zorg in de gemeente”.

Let er echter op dat ambtsdragers en gemeenteleden hier naast elkaar worden gezet. Van beide partijen wordt een bijdrage gevraagd. Zowel het ‘onderling pastoraat’ als ook het ouderlingbezoek (de diakenen laten we nu even buiten beschouwing) blijven van belang. Het één maakt het ander niet overbodig. Laten we het er snel over eens zijn dat je voor een gezond kerkelijk meeleven niet kunt volstaan met een jaarlijks huisbezoek. Laten we het er ook over eens zijn dat het uiterst waardevol is wanneer door middel van wijken of kringen de gemeenteleden leren om verantwoordelijkheid te dragen voor elkaar; elkaar op te zoeken, te troosten en waar nodig zelfs te vermanen. Maar laten we het er ook over eens blijven dat al dit waardevolle werk niet kan dienen als vervanging van het bezoek door de ouderling.

 

Bevoegdheid

Waarom niet? Een ouderling is toch ook maar een gewoon gemeentelid, zonder speciale opleiding? Klopt. Maar het verschil is dat hij door de gemeente is geroepen en daarmee door God wordt gezonden. Daarmee heeft hij bevoegdheid om met het gezag van Christus bij gemeenteleden toegang te vragen tot hun huis en tot hun geloofsleven.
Juist in onze tijd, waarin mensen sterk hechten aan hun persoonlijke vrijheid om belangrijke onderdelen van hun bestaan voor anderen af te schermen, is het waardevol dat er ouderlingen zijn die doorvragen. En die zich niet met een kluitje in het riet laten sturen.
Een zwakte van het werken met wijken of kringen is vaak dat daar wel met elkaar wordt meegeleefd, maar alleen in de zaken waar

|71|

de betrokkene zelf openheid over geeft. Dus gaat het wel gemakkelijk over ziekte en andere zorgen, maar niet zo snel over zonde en andere schulden. Bovendien beperkt het meeleven zich veelal tot de personen die actief meedraaien. Wie zich niet laat zien in de kring, ontvangt ook minder aandacht. Misschien in het begin nog wel. Maar zeker wanneer de betrokkene het contact afhoudt, houdt de kring het al gauw voor gezien. En wie komt er dan nog wel? De ouderling? Maar als die ouderling erop vertrouwde dat de kring het wel zou doen? Dan krijgen juist de zwakke leden dus de minste zorg. Wacht eens even, dat was toch niet helemaal zoals Jezus het ons geleerd heeft.

 

Samenwerking

Het mooiste is als ouderling en wijkkring intensief samenwerken. De ouderling laat zich regelmatig zien op bijeenkomsten in de wijk. Daar wordt gedeeld welke zorgen er zijn, bij de aanwezigen, maar zeker ook rond de afwezigen. Daar ook krijgt de ouderling signalen die hem duidelijk maken waar hij nog eens extra op bezoek moet gaan. Iemand in de kring vertelt over zijn persoonlijke problemen, maar de ouderling vermoedt dat daar meer achter zit. Dus zoekt hij de betrokkene nog eens op om hem onder vier ogen aan te spreken. Of de ouderling constateert dat bepaalde adressen in de wijk nauwelijks aandacht krijgen of vragen. Daar moet hij dan zelf maar eens naar toe. Of hij vraagt (B23.4!) een gekwalificeerd gemeentelid om eens te gaan kijken.
Want nee, de ouderling hoeft niet alles zelf te doen. Dat gaat hem ook nooit lukken. Maar hij kan het toezicht evenmin uitbesteden. Nog te vaak komt het voor dat de wijkkringen ervan uitgaan dat de ouderling wel zal oppakken wat zij laten liggen. Terwijl de ouderling juist dacht dat de wijk wel zou opvangen waar hij niet aan toekwam. Maar ze vertellen het elkaar niet. Dan kun je voorspellen hoe funest de gevolgen zijn.
Wijkkring of ouderlingbezoek, het zijn geen alternatieven, maar ze vullen elkaar aan. Vaak zeggen gemeenteleden dat ze veel meer hebben aan het contact met de wijk dan aan het spaarzame bezoek van de ouderling. Fijn, als de wijk zoveel betekent. Maar tegelijk moet menigeen bekennen dat toen de ouderling toch eens op bezoek kwam, er gesproken werd op een manier die in de wijkkring niet zo vaak voorkwam. Bezoek door de ouderling, het blijft waardevol.