§ 1. De Nederl. Hervormde Kerk naar haar wezen en in haar oecumenische verbanden.

 

„De Nederlandse Hervormde Kerk, overeenkomstig haar belijdenis openbaring van de ene heilige katholieke of algemene Christelijke Kerk, bestaat uit al de Hervormde gemeenten, waartoe mede worden gerekend de Waalse, Presbyteriaans-Engelse en Schotse gemeenten in Nederland, alsmede de in haar verband opgenomen Nederlandse Hervormde gemeenten buiten Nederland” (K. I).

Tweeërlei stijl is in de omschrijving van wat de Nederl. Hervormde Kerk, waarover het verder in de kerkorde en de bijbehorende ordinanties gaan zal, naar haar wezen is en hoe zij wordt gevormd, heel duidelijk te ontdekken.

Als wij afzien van de tussenzin, die ik cursief liet drukken, treft ons de overeenkomst in stijl met het vroegere Art. 1 van het Algemeen Reglement van 1852. Het is de stijl, die juristen het gemakkelijkst dienen kan, wanneer zij het kerkrecht moeten hanteren op hetzelfde niveau, waarop zedelijke lichamen of rechtspersoonlijkheid bezittende verenigingen hun reglementen laten lezen en toepassen.

Het is niet van betekenis ontbloot, dat deze stijl ook in Art. 1 van de pas in werking getreden kerkorde zich deed gelden. Er mocht geen ogenblik twijfel ontstaan over de vraag, of de Kerk, waarvan de nieuwe kerkorde handelen wilde, wel dezelfde Kerk was, die in het Algemeen Reglement van 1852 omschreven werd zoals zij daar omschreven werd.

Doch nu is het niet minder belangrijk, dat in de cursief gedrukte tussenzin de echt-kerkelijke stijl aanstonds al doorbreekt.

Want dat er een geheel nieuwe kerkorde komen moest, was

|113|

toch immers vooral hierom noodzakelijk, omdat wij van 1816 af eigenlijk zuchtten onder een verburgerlijking van ons Geref. kerkrecht, waarbij de Kerk niet meer als „van eigen rechte” kon worden gezien, doch zich had te voegen in de burgerrechtelijke kategorieën van een „genootschap”, dat niet anders was dan een speciale verschijningsvorm van de „vereniging” in onze burgerlijke samenleving.

De cursief gedrukte zin in Art. I der Kerkorde herinnert er ons weer aan, dat het wezen der Kerk door haar geloofsbelijdenis bepaald en omschreven wordt. Kerkorde-artikelen en kerkelijke verordeningen en reglementen moeten transparant laten worden, wat op het stuk van het wezen der Kerk in de geloofsbelijdenis beleden wordt.

Daarmede krijgt Mr Groen van Prinsterer gelijk, die in zijn dagen reeds zo tegen de pretenties van de 19e-eeuwse kerkelijke reglementen te worstelen had en niet ophield van te betogen, dat de „Hervormde gezindheid” niet uit de reglementen, maar uit de confessie van het klassieke Geref. Protestantisme afgelezen moet worden.

En wat zegt die „belijdenis” dan over het wezen der Kerk? Zij zegt allereerst, dat onze Nederl. Hervormde Kerk gezien mag worden en beleden moet worden als „openbaring van de ene heilige katholieke of algemene christelijke Kerk”.

Onze Kerk is naar haar wezen openbaring van de Una Sancta. Hier staat niet: deel van de Una Sancta 1, hoewel dit woord juridisch ietwat gemakkelijker te hanteren zou zijn. Hier staat het specifiek-theologische woord „openbaring”. Dat betekent zonder twijfel dit: dat wij, in onze Kerk staande en „in gemeenschap met de belijdenis der Vaderen” mee belijdende (K. X), in deze onze Kerk de levenskrachten en levensuitingen van de Una Sancta mogen belijden, wanneer wij met de aloude Apostolische Geloofsbelijdenis uitspreken: „ik geloof één heilige, algemene (katholieke), christelijke Kerk”.

Tegelijkertijd schuilt in de voorkeur voor de uitdrukking „openbaring van de Una Sancta” ook een ontzaglijk grote distantie tussen de empirische Nederl. Hervormde Kerk en de Una Sancta. Deze Hervormde Kerk, zoals zij empirisch


1 gelijk in Art. 1 van het „Kerkopbouw”-ontwerp van 1934.

|114|

thans onder ons volk verschijnt, kan hoogstens op weg heten naar dit openbaring-zijn van deze éne, heilige, katholieke, christelijke Kerk. Zij is nog geen openbaring van deze Una Sancta als geloofsobject. Zij moet het nog worden. In het reiskleed van haar nieuwe kerkorde jaagt zij daarnaar, of zij het ook grijpen mocht, waartoe zij door Christus Jezus gegrepen is!

De geloofsbelijdenis van onze Kerk zegt in de locus de ecclesia in de tweede plaats dit: dat onze Nederl. Hervormde Kerk een Christus-belijdende geloofsgemeenschap is — ook hier weer: is, en ook weer niet is, doch moet zijn! — midden in deze wereld (K. VIII-1).

Onze Kerk is dus wel als een gemeenschapsvorm, een societas-vorm te zien in deze wereld, doch deze samenlevingsvorm is van een heel bijzonder karakter. Zij is een geloofsgemeenschap. Een gemeenschapskring dus, waarvan het geldt: dat het geloof in één Heer daarin samenbindt tot gemeenschapsoefening, zoals die in geen wereldse vereniging met een strikte en veelzeggende grondslag-bepaling gekend wordt.

Onze Kerk wil een geloofsgemeenschap zijn rondom het Kruis van die éne Heer, Die in West-Europa zovele oude kerkgebouwen, waarin de geloofsgemeenschap der Christenen haar God en Verlosser wil komen verheerlijken, in het teken zijns kruises funderen en oprichten liet.

Deze geloofsgemeenschap wil immers geen samenleving van romantisch-vromen zijn, voor wie het liggen aan de boezem van het Oneindige, het Universum — aldus de jonge Schleiermacher in zijn Reden über die Religion — het eigenlijke wezen van alle godsdienstig geloof uitmaakt, maar van Christgelovigen, die in de historische Christus-verschijning de unieke en absolute openbaring Gods belijden. Daarom staat er dan ook in het begin van K. VIII, dat de Nederl. Hervormde Kerk een Christusbelijdende geloofsgemeenschap wil zijn.

„Gesteld in de wereld” is deze geloofsgemeenschap, opdat wij er terdege van doordrongen mogen blijven, dat de Nederl. Hervormde Kerk zulk een Christus-belijdende geloofsgemeenschap alleen maar zijn kan in strijd en veel aanvechting. Geen harmonieuze, hemelse en in principe reeds

|115|

verheerlijkte geloofsgemeenschap, doch in waarheid een strijdende Kerk op aarde, die midden in de zwaarste aanvechting alleen haar boodschap uitdragen en zending drijven kan.

Wat het belijden van Christus inhoudt, wordt dan nog nader omschreven in K. X-3, waar van een belijden — „telkens opnieuw” in het heden — van Jezus Christus als Hoofd der Kerk en Heer der wereld gesproken wordt. Dit belijden van Jezus Christus bloeit uit de H. Schrift alleen op, en wordt naar diezelfde Schrift uitsluitend gereguleerd (K. X-1), terwijl „de weg van het belijden der Kerk” afgebakend wordt door de drie oecumenische symbolen, die de Hervormde Kerk met de algemene christelijke Kerk mede belijdt, en door de Drie Formulieren van Enigheid (met, daarnaast, speciaal voor het Waalse ressort: de Catechismus van Genève van 1537), die de grensbakens waren en zijn en blijven van de Kerk, die in ons vaderland uit de Gereformeerde reformatie is opgekomen, nu ongeveer vierhonderd jaren geleden (K. X-2).

 

Dat zulk een Nederl. Hervormde Kerk, als Christus-belijdende geloofsgemeenschap, „deelneemt aan de oecumenische arbeid in Nederland en in de wereld” (K. XXV-1), spreekt vanzelf. Sloot zij zich daarvan af, dan zou zij al heel weinig als „openbaring van de ene heilige katholieke of algemene christelijke Kerk” uitkomen.

Het is natuurlijk niet toevallig, dat deze zelfde omschrijving van het wezen der Nederl. Hervormde Kerk, waarop wij in artikel I der Kerkorde reeds stieten, weer terugkeert in K. XXV-1.

In de meeste fundamentele zinsneden van alle artikelen der kerkorde, die aan K. XXV voorafgaan, klinkt trouwens steeds achter het woord Kerk (met een hoofdletter) het begrip Kerk in de zin van de Una Sancta mee door.

En hoewel in K. XV-XVIII de artikelen over de Heilige Doop, de catechese, de openbare belijdenis des geloofs en het Heilig Avondmaal het begrip „gemeente” centraler naar voren komt dan het begrip „Kerk”, geldt van het „gemeente”-begrip in deze artikelen onmiskenbaar, dat ook hierin de „gemeente van Jezus Christus” als Una Sancta

|116|

mede doorklinkt. Men vergelijke daarvoor maar eens K. XVII-1. Zodra in een christelijke Kerk, en dus ook in onze Nederl. Hervormde Kerk, de beide sacramenten, Doop en Avondmaal, binnen het gezichtsveld komen, gevoelen wij intuïtief, dat de grenzen van een empirische, nationale kerk-formatie zich terugtrekken. Vandaar ook onze (Nederl. Hervormde) bereidheid om de Doop van andere kerken te erkennen, als deze aan bepaalde kenmerken voldeed (O. 8-4-1). En ten aanzien van het Heilig Avondmaal kwam in hetzelfde perspectief van de geloofsgemeenschap der Una Sancta natuurlijk de figuur op van het als „gast” deelnemen aan de dis des N. Verbonds (O. 10-2-2 en ook O. 20-4-1). Het oecumenische perspectief gaat even stellig voor ons open in K. II-1, waar de „gemeente”-vorming in de Nederl. Hervormde Kerk uit de drijfkrachten van het genadeverbond wordt afgeleid, en het toch wel aan geen twijfel onderhevig is, of de idee van het genadeverbond voert boven de empirische Kerk uit.

De woorden „krachtens het genadeverbond” uit K. II-1 maken het wel heel duidelijk, dat het oecumenisch perspectief zich moet openen over de Nederl. Hervormde Kerk in al haar geledingen, zoals dat in O. 20-1-1 wordt gesteld. Iedere plaatselijke gemeente in de Hervormde Kerk heeft evengoed „bevestiging en versterking van het verband met andere Kerken te zoeken” als de algemene Nederl. Hervormde Kerk in haar synodale leiding. Oecumenische vragen gaan evengoed de kerkeraden, classicale vergaderingen en provinciale kerkvergaderingen aan als de generale synode en haar organen van bijstand voor de zaken der Wereldkerk. O. 20-2-1 mag dus niet zó worden misverstaan, als had bij de oecumenische vragen alleen de generale synode actief te zijn, omdat zij de „raad voor het verband met andere Kerken” benoemt. De taak van deze raad is toch wel zó omschreven, dat ook hier weer de activering van de Hervormde Kerk „in al haar geledingen” doorschemert.

De gemeente èn haar leden moeten door deze raad worden opgeroepen tot het belijden in woord en daad van de eenheid der Kerk in Christus (O. 20-2-2). Het in het leven roepen van commissies en kleinere organen van bijstand voor plaatselijk-kerkelijke, classicale of provinciale ressorten der

|117|

Hervormde Kerk ligt in het verlengde hiervan (deels overeenkomstig K. VI-2).

 

Het oecumenisch verband van de Hervormde Kerk met andere kerken in binnen- en buitenland is gericht op samenwerking, òf op hereniging. Met het oog hierop valt O. 20 in twee afdelingen uiteen. Als de doelstelling van het oecumenisch streven niet verder gaat dan samenwerking, „gericht op het gemeenschappelijk getuigen en arbeiden in de wereld” (O. 20-1-2), is er voorts toch nog tweeërlei graad van innigheid in de onderlinge betrekking bij het „gemeenschappelijk getuigen en arbeiden”.

Het kan in de eerste plaats een betrekking zijn, die wortelt in het eenheidsverband met de Una Sancta zonder meer. Voor de bevestiging en versterking van deze oecumenische verbanden is vooral de deelneming van onze Kerk aan de arbeid van de Wereldraad van Kerken 1 en gedeeltelijk ook de deelneming aan het werk van de Oecumenische Raad van Kerken in Nederland dienstig, zoals hiervan gesproken wordt in O. 20-1-1.

Het kan voorts ook een betrekking zijn, die van een inniger aard mag wezen, omdat het kerken geldt, „waarmede de Nederl. Hervormde Kerk door bijzondere banden van belijdenis of van geschiedenis is verbonden” (O. 20-2-3). Daarbij valt deels te denken aan kerken, die, evenals de Nederl. Hervormde Kerk, uit de reformatorische confessies van het Geref. Protestantisme zijn opgekomen. Voor een ander deel echter wil ons Hervormde kerkrecht ook ruimte geven aan de verinniging der betrekkingen tussen onze Hervormde Kerk en andere kerken, waarmede wij door bijzondere historische banden verbonden zijn (O. 20-2-3, slot). Hoewel wij ons niet zullen mogen ontveinzen, dat deze banden van andere aard zijn dan de band, die door een en dezelfde belijdenis gelegd wordt, het lijdt toch zeker geen twijfel of ook de eenheid van geschiedenis zal een bijzondere innigheid kunnen geven aan het verband met zusterkerken. Laat ons


1 Vgl. b.v. W.A. Visser ’t Hooft, The first Assembly of the World Council of Churches, The official Report, London, 1948.
Vol. V van een reeks uitgaven van de Wereldraad. Vol. I-IV bevatten de studie-rapporten der vier secties.

|118|

daarbij maar eens denken aan de Hervormde kolonisten-kerken in Amerika en Zuid-Afrika; en in zekere zin ook aan de uit het Geref. Protestantisme stammende kerken in Vlaams België. Is de bijzondere innigheid van het oecumenisch verband tussen zulke in geschiedenis en traditie ons verwante kerken bovendien niet ten volle gerechtvaardigd, zolang wij in onze geloofsbelijdenis voor Gods verbondsbeloften in de lijn der geslachten (Ps. 105; het sacrament van de kinderdoop!) oog hebben en dus met Schüle in zijn Grundlagen des reformierten Kirchenrechtes (Basel, 1926) zullen getuigen van de waarheid, dat de zichtbare Kerk op aarde altijd in haar grondbestek binnen haar gewelven iets wil laten zien van het kruispunt van het Verbond der genade èn het Verbond der natuur?

Het is door middel van het deelnemen aan het werk van de Wereldbond van de gereformeerde Kerken (= de Presbyterian Alliance of Churches holding the presbyterian system of churchorder) 1, dat onze Hervormde Kerk haar bijzondere banden met de kerken van Gereformeerd leertype en presbyteriale orde van kerkinrichting beleeft en versterkt (Art. 1-1 van O. 20).

Bij de behandeling van het ontwerp-Kerkorde in de synode en in de kerkelijke lichamen, die consideraties hadden voor te bereiden, werd er hier en daar aanmerking op gemaakt, dat in O. 20-1-1 bepaalde oecumenische organisaties met name genoemd werden, omdat immers deze organisaties in de toekomst van karakter zouden kunnen veranderen, of zouden kunnen ophouden te bestaan. Gelukkig heeft de synode het advies van de meerderheid in de „Centrale Commissie van rapport” gevolgd en de duidelijke aanduiding van de Wereldraad van Kerken, in Augustus 1948 op de Assembly te Amsterdam tot stand gekomen, en van de veel oudere Presbyterian Alliance laten staan 2. Men moge toch niet vergeten, dat dit met name noemen een waardevolle


1 Vgl. voor oorsprong en geschiedenis van deze „Presbyterian Alliance” R.H. Wallace, Die Einigung der Kirche, Berlin, 1925, S. 51-54; of ook de uitvoerige acta der verschillende „General Councils”. Tijdschrift der Alliantie is thans: The Presbyterian World, uitgegeven te Genève, Rue de Malagnou 17.
2Rapporten, blz. 227-228.

|119|

beslissing verraadt, die broodnodig is in een tijd, waarin zich exclusieve, confessionalistische vormen van oecumenisch contact tussen enkelingen en kerken „van Gereformeerde belijdenis” aan het Gereformeerd-religieuze leven beproeven op te dringen 1, terwijl het bovendien niet te verwachten is, dat bovengenoemde organisaties wezenlijk van aard veranderen zouden of verdwijnen. En — mocht dit onverhoopt al gebeuren — dan kan onze Kerk immers ordinantie 20 weer wijzigen. De veel moeilijker te veranderen „Kerkorde” bevat in Art. XXV dan ook terecht de namen van bepaalde oecumenische organisaties niet.

Het spreekt wel vanzelf, dat er in O. 20 geen afzonderlijk intermediair in de vorm van een bepaalde, naast Wereldraad en Presbyteriaanse Alliantie nog te noemen, oecumenische organisatie wordt aangewezen, die de Hervormde Kerk zou moeten dienen om de nauwere betrekkingen met die kerken te onderhouden, waarmede zij door een bijzondere band van geschiedenis en traditie verbonden is (K. XXV-2). In de eerste plaats zal hier de „Wereldbond van de Gereformeerde Kerken” wel de organisatie zijn, waarin ook deze bijzondere historische banden met bepaalde kerken zich zullen doen gelden. Deze overweging bracht er waarschijnlijk sommige classes toe om voor te stellen in K. XXV-2 alleen van „belijdenis èn geschiedenis”, of nog duidelijker: van „belijdenis en belijdenis en geschiedenis” te spreken. De Centrale Commissie van rapport oordeelde terecht, dat het mogelijk moet blijven „nauwere betrekkingen aan te knopen met Kerken, waarmede men alleen door banden van geschiedenis is verbonden” (Rapporten, blz. 32). Uiteraard zal, indien dit laatste geval zich zou voordoen, de Wereldraad van Kerken de organisatie zijn, waarin dan deze bijzondere banden kunnen worden beleefd.

De nauwere betrekkingen, in K. XXV-2 bedoeld, kunnen volgens O. 20-3 ten aanzien van Kerken buiten Nederland tot bepaalde besluiten leiden, welke alleen de generale synode bevoegd is te nemen:

1e kan inschrijving in lidmatenboek of doopledenregister


1 Men leze de publicatie van de Oecum. Raad in Nederland van de hand van Prof. Berkelbach van der Sprenkel, De Oecumenische Beweging en de fundamentalisten (1950).

|120|

van die Hervormde gemeente plaatshebben, waar lidmaten of leden van zulke buitenlandse Kerken, behorende tot de kategorie van K. XXV-2, zich komen vestigen;
2e kan afgifte van attestatie c.q. bericht van vertrek naar het land van een dier betrokken Kerken aan een door die kerken aangewezen centraal adres plaatshebben van hen, die in lidmatenboek of doopregister ener Hervormde Gemeente hier te lande ingeschreven staan. Dit laatste is uiteraard van groot belang voor Nederl. Hervormde lidmaten of leden, die gaan emigreren!
De inschrijving van zulke lidmaten en leden van deze groep buitenlandse Kerken in de lidmatenboeken of doopregisters ener Hervormde gemeente hier te lande brengt kennelijk met zich, dat zij in de volle rechten en plichten van gewone Nederl. Hervormde lidmaten en leden gaan delen. Men lette er nl. wel terdege op, dat hier in O. 20-3-1 er niet bij staat, zoals in O. 20-4, dat zij als gast worden ingeschreven;
3e aan dienaren des Woords uit zulke buitenlandse Kerken (van K. XXV-2) onder door de generale synode te stellen voorwaarden het recht te geven zich beroepbaar te stellen in de Nederl. Hervormde Kerk; evenwel niet dan geval voor geval en met inachtneming van O. 7-10.
De laatste woorden van O. 20-3 zijn daarbij zo ruim gesteld, dat de bedoeling schijnt te zijn om predikanten uit buitenlandse Kerken, vallende onder de rubriek K. XXV-2, zonder de vervulling van enige formaliteit, gerechtigd te verklaren tot de bediening van Woord en sacramenten in de Nederl. Hervormde Kerk.

Zijn er geen „nauwere betrekkingen” in het geding dan de oecumenische tout court, dan moet O. 20-4 in werking treden.

Het is ook volkomen logisch, dat in O. 20-4-1 naast „leden van een buitenlandse Kerk” ook „leden van een andere Kerk in het binnenland” genoemd worden, terwijl deze laatste in O. 20-3-1 kennelijk buiten beschouwing blijven. Een Kerk in het vaderland, met welke wij door bijzondere banden van belijdenis en geschiedenis verbonden zijn, moet van meet af worden gezien en gesteld onder het perspectief van de „hereniging”, waarvan in O. 20-7 en 8 sprake komt. Nederlandse Luthersen, Doopsgezinden, Baptisten, Vrij-Evangelischen

|121|

daarentegen komen kennelijk in aanmerking voor toepassing van O. 20-4-1.

Ten aanzien van de Remonstranten kan men in twijfel verkeren, of zij ook niet van meet af geacht moeten worden te behoren tot een kerkformatie in het binnenland, die naar K. XXV-2 gerubriceerd moet worden onder het gezichtspunt van O. 20, Hfdst. II, Hereniging van Kerken.

Bij voorkomende gevallen zou overeenkomstig O. 20-4-1 het breed moderamen der synode in ieder geval eerst toestemming hebben te geven, of ook voor Nederlandse Remonstranten door een Hervormde kerkeraad de gedragslijn mag worden gevolgd, omschreven in O. 20-4.

Wat deze gedragslijn is?

Kort gezegd: inschrijving als gastlid in het Hervormd register hunner woonplaats, wat dan voor de lidmaten het recht tot medevieren van het H. Avondmaal medebrengt, en voor allen — lidmaten èn leden — het recht om te delen in de pastorale zorg.

Zou het om een grote groep lidmaten of leden van zulk een buitenlandse Kerk gaan, zodat de betrokken buitenlandse Kerk uitzending van een harer predikanten voor de pastorale verzorging overweegt, dan opent O. 20-4-2 het uitzicht op een speciaal verband van die buitenlandse predikant met de Hervormde Kerk, waarvoor de generale synode de regelen zal hebben te stellen.

 

En nu de andere mogelijkheid: dat nl. nog nauwer oecumenisch verband met de Nederl. Hervormde Kerk met andere Kerken binnen de gezichtskring moet komen dan een verband van samenwerking, zij het zelfs samenwerking in de zeer innige vorm van O. 20-3.

Het is het oecumenisch verband, dat op hereniging moet uitlopen. Deze ook bij de behandeling van het ontwerp-Kerkorde in de synode en in de andere kerkelijke lichamen gehandhaafde term bewijst wel, dat hier vooral aan de verhouding tot binnenlandse formaties van Kerken, die met ons door belijdenis èn geschiedenis wel op het allernauwste verwantschap demonstreren, gedacht is.

Op zichzelf beschouwd zou natuurlijk ook aan fusie van onze Hervormde Kerk met buitenlandse, uit het Geref.

|122|

Protestantisme opgekomen, en met ons door traditie en geschiedenis nauw verbonden kerkgemeenschappen kunnen gedacht zijn. Aangezien zulke Kerken — b.v. de Hervormde Kerk van Zuid-Afrika — nimmer in de volle zin van het woord met ons één geweest zijn, spreekt het vanzelf, dat zulk een fusie dan nimmer als hereniging zou kunnen worden gekenschetst. Hoogstens als „vereniging”, of „éénwording”, uitdrukkingen, die tijdens de behandeling van het ontwerp-Kerkorde dan ook wel eens zijn aanbevolen ter vervanging van het begrip „hereniging” 1.

Wij zijn dus met O. 20-7 en 8 (d.i. Hfdst. II, Hereniging van Kerken) wel heel nadrukkelijk op oecumenische doelstellingen voor binnenlands gebruik georiënteerd.

O. 20-7 behandelt in verband daarmede de voorbereiding van een hereniging, die hier dus in de allereerste plaats de kerken die geboren zijn uit de afscheidingsbewegingen van de 19e eeuw (1834 en 1886!), raken zou en, wat meer op de achtergrond, voorts ook de Remonstrantse Broederschap.

Deze voorbereiding kan niet bij een eenvoudig besluit der generale synode afgekondigd worden, doch moet vastgesteld worden in een ordinantie der Kerk. Dit zal wel de reden zijn, waarom hier staat, dat „de Hervormde Kerk” het besluit tot voorbereiding der hereniging neemt, en niet: „de generale synode”.
De voorbereiding omvat toelating der lidmaten van de betrokken kerkgemeenschap tot het gebruik van de sacramenten. D.w.z. zonder enige inschrijving in het lidmatenboek der Hervormde Gemeente; men blijft voorlopig nog staan in het lidmatenboek van de eigen kerkgemeente.
De voorbereiding der hereniging omvat mogelijkerwijs verder ten aanzien van de dienaren des Woords uit die betrokken Kerk een toekenning aan dezen van de bevoegdheid tot bediening van Woord en sacramenten en, nog een stap verder, zelfs een beroepbaarverklaring van deze predikanten in de Hervormde Kerk.
Het is duidelijk, dat dit veel verder gaat dan O. 20-3, slot. In O. 20-7 en 8 is geen sprake meer van „geval voor geval”, noch ook van een inachtneming van O. 7-10. De nieuwe ordinantie, die zulk een hereniging inleiden moet, kent aan de betrokken dienaren des Woords de bevoegdheden in de Hervormde Kerk zonder meer en over heel de linie toe.
O. 20-8 stipuleert ten slotte terecht, dat het besluit tot hereniging (met de nadere regeling daarvan) uiteindelijk niet anders tot stand komen kan dan na de kerkrechtelijke procedure, die voor het wet-worden van iedere ordinantie noodzakelijk is volgens K. XXVII.


1Handel. 1949, blz. 564-565.

|123|

Twee artikelen uit de „oecumenische” ordinantie bleven tot dusver nog onbesproken. Het zijn de artikelen 5 en 6, waarvan het eerste heel terecht de gehele pastorale zorg voor de leden van de eigen Kerk in het buitenland in oecumenisch verband zet. De subcommissie van rapport, die in de Synode van 1949 deze 20e ordinantie voor de behandeling in eerste instantie rijp te maken had, gaf bij dit artikel de juiste toelichting, toen zij schreef (Handel., 1949, blz. 653): „Dit artikel drukt uit de verantwoordelijkheid onzer Kerk voor al haar leden in het buitenland, terwijl zij het aan de omstandigheden overlaat of deze zorg de vorm moet hebben van eigen Nederlandse gemeenten in het buitenland dan wel de vorm moet hebben van het bijstaan van de nationale zusterkerken daar, om de overgang van emigranten tot die Kerken te vergemakkelijken”.

Bij de emigratie van Hervormden naar Canada en Australië is al wel gebleken, hoe belangrijk een soepele en ruime formulering van de vorm der pastorale zorg van de Nederl. Hervormde Kerk voor haar emigranten naar die landen is!

 

O. 20-6 ten slotte maakt het aan de generale synode mogelijk om „gemeenschappelijke synoden of vergaderingen” met andere kerken bijeen te roepen of officieel daaraan deel te nemen. De toelichting van de commissie, die over O. 20 bij de eerste behandeling ter synode adviseerde, is vooral voor het vasthouden aan het begrip „gemeenschappelijke synode” belangrijk. Deze uitdrukking onderstreept „het Gereformeerd besef, dat de nationale synode niet het laatste is, maar boven zich uitwijst naar „synodes” van een of meer landen, en zelfs naar de oecumenisch-Gereformeerde synode”. Artikel 6 wil zich hoeden voor te grote woorden, maar ziet „de mogelijkheid van synodes met een of meer andere landen in de komende jaren als geheel niet ondenkbaar” 1.


1Handel., 1949, blz. 563.