21
41,332-333
20-07-1946

|332b|

De verzwegen zestiende conclusie van het kerkrechtelijk rapport der Generale Synode van Utrecht 1946

 

De redeneeringen in het eerder genoemd kerkrechtelijk rapport ter zake van het niet weren der geschorsten van het Heilig Avondmaal dat herhaaldelijk in practijk werd gebracht en een en ander maal nadrukkelijk gehandhaafd, vragen nog in een bepaald verband onze aandacht. Wanneer men na de besproken redeneeringen in het Rapport te hebben gelezen, de conclusies aan het eind van het Rapport erop nagaat, komt men tot de merkwaardige ontdekking, dat over deze zaak in de vijftien conclusies in het geheel niets wordt vermeld. Men vindt in deze conclusies wel uitspraken in betrekking o.a. tot het al of niet instellen van een onderzoek naar het algemeen beleid der vorige Synodes, het al of niet wettig ter tafel komen van de meenings- of leergeschillen ter Synode, het tijdig toezenden van rapporten aan de kerken, een eventueele nadere interpretatie van artikel 30 K.O., de toepassing van artikel 31 K.O., de duidelijkheid van een bepaalde resolutie der Synode 1943-1945 enz., maar men zoekt er tevergeefs in naar een conclusie betreffende het al of niet juiste van de toelating tot het Heilig Avondmaal van geschorste en afgezette ambtsdragers. Wel vindt men er een uitspraak in betreffende „de ingebrachte bezwaren tegen de schorsing of afzetting van de Hoogleeraren Schilder en Greijdanus en tegen wering uit het ambt van cand. H.J. Schilder”, maar het is duidelijk, dat de bezwaren ingebracht tegen de toelating aan het Heilig Avondmaal van met de kerkelijke censuur getroffen, geschorste en afgezette ambtsdragers, een andere zaak regardeeren, dan de bezwaren die tegen de schorsing en afzetting of wering uit het ambt van enkelen hunner, op zichzelf kunnen worden ingebracht. Wij moeten

|332c|

dus wel concludeeren, dat alhoewel men in het Rapport zelf geoordeeld en geconcludeerd heeft ter zake, men het blijkbaar niet de moeite waard geacht heeft over deze belangrijke zaak een aparte conclusie aan het eind van het Rapport op te nemen. Wij meenen dan ook het volste recht te hebben in dit verband te spreken van een verzwegen conclusie uit het kerkrechtelijk Rapport.

Omdat de zaak zoo belangrijk is en wij ongaarne zouden zien, dat deze in het Rapport zelf terdege aanwezige conclusie in het vergeetboek zou geraken, daar alleen de 15 conclusies wereldkundig werden gemaakt en onder de aandacht der kerk-leden werden gebracht door de Synode, daar willen wij gaarne als buitenstaanders de moeite doen, ons strikt bepalende tot de redeneeringen en gevolgtrekkingen te dezer zake zooals deze in het Rapport voorkomen, alsnog een proeve te geven van zulk een aanvullende zestiende conclusie. Deze zou dan zakelijk als volgt moeten luiden:

Wanneer een kerkelijk ambtsdrager zich naar het oordeel der kerk, volgens Gods Woord, aan een grove zonde zal hebben schuldig gemaakt en deswege in zijn ambt zal zijn geschorst of daaruit ontzet, en deze zonde hem niet van harte leed is en hij zich daarvan niet bekeert doch integendeel zich verhardt in zijn kwaad, zal men toch niet in alle gevallen er toe behoeven over te gaan zulkeen van het Heilig Avondmaal des Heeren te weren. Of zulks zal dienen te geschieden zal in elk concreet geval uitsluitend door den gecombineerden kerkeraad worden beoordeeld

Ook al heeft men deze conclusie niet nadrukkelijk aan het eind van het Rapport opgenomen, wij mogen de achter de Generale Synode van Utrecht zich voegende kerken aan deze conclusie, hoe ongoddelijk zij ook zijn moge, gebonden achten. 

Mogelijk vraagt iemand, deze conclusie lezende, hoe is het mogelijk dat een zich gereformeerd noemende Generale Synode, die zich nadrukkelijk beroept op de leiding van den Heiligen Geest, zulk een het heilige ontheiligende en dus den Geest bedroevende conclusie nemen kan? Hoe is het voorts mogelijk, dat men ginds over zulke dingen blijkbaar zoo rustig heenleeft? Wij behoeven in dezen niet in vermoedens te blijven steken, doch kunnen het kerkbederf, dat achter deze conclusies nu nog latent verscholen ligt doch naar te verwachten is in de komende tijden wel openbaar zal worden, behoorlijk scherp omlijnd aanwijzen. 

Immers, terwijl men ter eener zijde spreekt en vonnist op grond van de schandelijke zonde van muiterij in de kerk en van kerkscheuring, waardoor het lichaam des Heeren wordt uiteengerukt, waarom de kerk hun, die zich aan deze ergerlijke zonden schuldig maken moet verkondigen, dat zij zoolang zij in dergelijke zonden blijven geen deel hebben in het rijk van Christus zoodat hun gericht en verdoemenis wacht, daar spreken ter anderer zijde deze zelfde kerkelijke dienaren, staande bij den heiligen Disch des Verbonds, tot diezelfde ergerlijke zondaren in dezen trant: „Komt gij gezegenden des Vaders, en zit met ons aan, aan die ééne, ongedeelde Tafel des Heeren, steek met ons uw hand in de schotel en eet van het brood, wij reiken u den beker, drink van den wijn, en verkondig zoo samen met ons den dood des Heeren. Samen zijn wij door denzelfden Geest onder elkander verbonden, en dat als lidmaten van één lichaam, in waarachtige, broederlijke liefde, gelijk de Heilige apostel spreekt; „Eén brood is het, zoo zijn wij velen één lichaam, dewijl wij allen eens broods deelachtig zijn. Laat u toch niet weerhouden van met ons aan te zitten aan den Disch des Heeren, want wel spraken wij zooeven uit, dat gij geen deel hebt in het rijk van Christus en dat U gericht en verdoemenis wachten, maar door met ons aan te zitten zult gij dat gericht en die verdoemenis niet des te zwaarder maken. Het moge u duidelijk zijn, broeders, wij spraken wel van muiterij in de kerk, maar daarmede was niet bedoeld de Kerk des Heeren, maar onze vereeniging van kerken, ons instituut dat een instituut is onder andere instituten en niet meer, wel getuigden wij van u en doen dit nog dagelijks opdat niet nog meerderen van ons gaan, ter waarschuwing van de leden der kerk, dat gij zulke ergerlijke zondaren zijt, die de Kerk verscheuren en uiteenrukken, maar gij wilt ons wel niet misverstaan, daarmede is alleen bedoeld, het zij nogmaals gezegd, onze vereeniging van kerken, gij zijt dan ook feitelijk geen kerk-scheurders maar „kerk”-scheurders; wel betichten wij u ervan, dat gij ’t lichaam des Heeren uiteenrukt, maar, het moet nogmaals gezegd, dat geldt alleen maar ’t „lichaam” des Heeren, voorzoover ons kerkelijk instituut met dat lichaam des Heeren-zonder-aanhalingsteekens op een of andere wijze verbonden is. Tenslotte, getuigden wij van U, dat gij geen deel hebt in het riJk van Christus, dan moet dit zoo worden verstaan, dat gij geen deel hebt in ons kerkelijk rijkje, waarin wij ons ook met anderen op Christus beroepen en naar Hem noemen. Weest toch niet zoo radicaal

|333a|

en absoluut, o gij zeer gewenschte, uitnemende broeders, en hoor toch, hoe nauw wij aan u zijn verbonden, waar wij u zelfs op onze Hoogeschooldagen openlijk aandienen als sieraden der kerk”.

Wanneer wij dit alles zoo scherp zeggen, dan doen wij dat alleen opdat de oogen zouden mogen opengaan voor het bederf in de kerk, dat aanwezig is. Want wanneer wij de woorden kerkscheuring en muiterij in de kerk ernstig nemen, evenals de daarop gegronde vonnissen, in hun betrekking tot het rijk van Christus, dan spreekt men ginds van een afschuwelijk misverstand, gelijk zulks geschiedt in het Geref. Weekblad op een nadrukkelijk omrande plaats in het nummer van 21 Juni j.l. Eerst dan wanneer men zal gaan beven voor de heiligheid des Heeren, die hier in het geding is en niet maar een kerkelijke ruzie, wanneer men niet meer met een slap hart en met trage knieën telkens weer plaats zal gaan nemen op kerkbanken, onder een kansel met geopenden bijbel, aan een avondmaalstafel, waarbij aan deze, gesignaleerde gruwelen in de kerk leiding en voortzetting wordt gegeven, dan zal er door de genade van Gods Geest bekeering kunnen komen. Dan zal er komen in ootmoedige en lijdzame onderwerping aan den Heere, niet een al maar uitgestelde en tot in het oneindige begeerde revisie, maar de openlijke en oogenblikkelijke VRIJMAKING DER KERK van deze roepende zonden, omdat men eer van alle schepselen zal afgaan en die zal laten varen, dan in het allerminste tegen Zijn wil te doen (antw. 94 Heidelb. Catech.)