|15|

II

Het apostolisch ambt

 

De evangelisten vertellen hoe Jesus de twaalf apostelen heeft aangesteld. Mattheüs, Marcus en Lucas hebben dit verhaal alle drie en met in wezen overeenstemmende trekken. De evangelist Johannes vertelt ons wèl, hoe Jesus mannen riep om zijn volgelingen te worden, maar brengt geen verhaal van een bizondere roeping van het twaalftal. Hij gebruikt ook nooit het woord apostel. Wij zullen later zien, dat zich hier eenzelfde geval voordoet als bij het verhaal van de instelling van het heilig Avondmaal. Johannes vertelt het niet, en toch is geen van de andere evangeliën zo „sacramenteel”. Evenmin verhaalt Johannes de instelling van het apostolisch ambt; maar geen van de andere evangeliën zal ons over het wezen van dit ambt zoveel te zeggen hebben.

Het evangelie naar Marcus vertelt, hoe Jesus Simon, Andreas, Jacobus en Johannes (1: 16-20) en later Levi (2: 14) riep, om zijn volgelingen te worden. Dit houdt kennelijk meer in, dan dat zij alleen maar Jesus’ aanhangers worden, want „zij verlieten hun netten en volgden Hem” (1: 18, verg. 1: 20 en 2: 14). In 2: 18 en 2: 23 wordt in het algemeen van Jesus’ leerlingen gesproken, 1: 37 en 2: 23 veronderstellen, dat deze leerlingen Jesus vergezellen op zijn tochten door Galilea. Als Jesus uit de kring van deze leerlingen de in 3: 13-19 vermelde twaalf vertrouwden gaat kiezen, moet deze kring dus aanmerkelijk groter zijn geweest, dan de vijf genoemde namen. Of is de bedoeling, dat de bizondere roeping van deze vijf mannen de in hfst. 3 vertelde opneming in de engere kring reeds insluit, en de overigen uit de wijde kring van Jesus belangstellende toehoorders geroepen worden? De wijze, waarop de evangelist Johannes de roeping van Jesus’ discipelen beschrijft, schijnt voor de tweede mogelijkheid te pleiten.

Marc. 3: 13vv. vertellen dan: „Toen beklom (Jesus) de berghelling, en riep tot Zich, wie Hij wenste; en zij kwamen tot Hem. En Hij stelde er twaalf aan (lett. „Hij maakte er twaalf”, verg. vs 16 „Hij maakte de twaalf”) opdat zij bij Hem zouden zijn, en opdat Hij hen kon uitzenden om te prediken, en om macht te hebben, de boze geesten uit te bannen. Zo stelde Hij de twaalf aan:” — en dan volgen de twaalf namen.

|16|

Ook in dit verhaal blijft het twijfelachtig, of Jesus tot zich roept, wie Hij wenst, en dan uit deze geroepenen bij nadere keuze de engere kring van het twaalftal vaststelt, of wel, dat het roepen wie Hij wenst, tegelijk het gaan behoren tot „de twaalf” insluit. Maar hoe dan ook, uit de grote menigte die Hem volgt (3: 7) vormt Jesus een twaalftal. Dit geschiedt duidelijk met een dubbel doel: a opdat zij bij Hem zouden zijn, b opdat Hij hen kon uitzenden.

In dat tweede doel is het woord „apostel” aangeduid in het gebruikte werkwoord „uitzenden” (apostellein). Het woord apostel als zodanig komt in dit verhaal niet voor. De vertaling „opdat Hij hen kon uitzenden” is van prof. Brouwer. De bedoeling is, er op te wijzen, dat die uitzending nog niet dadelijk geschiedt. Eerst in 6: 7 lezen wij: „Hij riep de twaalf tot zich en begon hen twee aan twee uit te zenden.” Maar het doel van de uitzending wordt reeds in hoofdstuk 3 aangegeven: enerzijds om te prediken (kerussein), anderzijds om macht te hebben de boze geesten uit te bannen. Dat dit laatste zowel de eigenlijke exorcismus als de genezing van zieken bedoelt, leert hoofdstuk 6: Jesus gaf hun macht over de onreine geesten, vs 7. „En zij banden vele boze geesten uit en vele zwakken zalfden zij met olie en genazen hen”, vs 13.

Het evangelie naar Mattheüs vertelt op overeenkomstige wijze als Marcus de roeping van Simon, Andreas, Jakobus en Johannes (4: 18-22). Reeds bij het begin van hoofdstuk 5 horen wij van „zijn discipelen”, die tot Hem kwamen en tot wie Hij de bergrede sprak. Alleen deze vier? In 8: 19-22 horen wij van twee geestdriftige aanhangers, die tot Jesus’ volgelingen willen gaan behoren. De tweede wordt aangeduid als: „een ander van zijn leerlingen”. Niet alleen hij, maar ook de eerste was dus een leerling van Jesus, terwijl hij in vs 19 genoemd wordt: „een zeker schriftgeleerde”. Leerlingen (discipelen) behoeven dus nog geen „volgelingen” te zijn. In hetzelfde hoofdstuk lezen wij in vs 9, hoe Mattheüs op Jesus’ roeping volgeling werd. Nadat Jesus’ leerlingen als groep nog enige malen genoemd zijn (9: 11, 14, 19) gaat vs 36 verder:

„Als Jesus nu de volksscharen zag, werd Hij met ontferming over hen bewogen, omdat zij geplaagd en aan hun lot overgelaten waren, als schapen die geen herder hebben. Toen zeide Hij tot zijn leerlingen: De oogst is wel groot, maar het getal der arbeiders gering. Bidt dan den Heer des oogstes, dat hij arbeiders uitzende tot zijnen oogst. En zijne twaalf leerlingen tot zich roepende, gaf Hij hun macht over de onreine geesten, om hen uit te bannen, en om alle ziekte en alle kwaal te genezen. Van deze twaalf apostelen zijn

|17|

dit de namen: — volgen de twaalf namen —. Deze twaalf zond Jesus uit met de volgende opdracht” (9: 36-10: 5).

Schijnbaar gaat er bij Mattheüs een veel langer periode van werkzaamheid voorbij, alvorens de twaalf binnen de gezichtskring komen. En wanneer ze dit doen, is het op een onverwachte wijze. De verzen 36-38 over de grote oogst en de weinige arbeiders vormen de voor de hand liggende inleiding op de uitzending van de twaalf, die dan ook in 10: 5, anders dan bij Marcus en Lucas, onmiddellijk na de namen van de apostelen verteld wordt. De zinsnede van 10: 1: „zijn twaalf leerlingen tot Zich roepende” komt wel zeer onverhoeds, omdat in het voorafgaande met geen woord van „twaalf leerlingen” gerept is. Men kan desnoods 10: 1 opvatten alsof er stond: „van zijn leerlingen er twaalf tot Zich roepende”. Maar als men verder bedenkt, dat noch Marcus, noch Lucas roeping en uitzending onmiddellijk met elkander verbinden zoals Mattheüs dan hier zou doen, als men ziet, hoe de verzen 2-5 („van deze twaalf apostelen zijn dit de namen, enz.”) het verband verbreken, lijkt een andere verklaring meer aannemelijk. Namelijk, dat Mattheüs de roeping van de twaalf eenvoudig vergeten had te vertellen en nu bij het verhaal van de uitzending dit wil herstellen door de naamlijst van de twaalf in te voegen. De opdracht, die zij ontvangen, heeft hetzelfde tweevoudige karakter als bij Marcus: a „Zo gaat dan en predikt: het koninkrijk der hemelen is nabij; b geneest de kranken, wekt doden op, reinigt melaatsen, bant boze geesten uit” (10: 7-8). Afwijkend van Marcus is het uitdrukkelijk gebruik van het woord apostelen (vs 2) en de verlening van volmacht (vs 1) om hun opdracht te vervullen. Omdat Mattheüs alleen de uitzending van de twaalf vertelt en niet de roeping, is het verder voor de hand liggend, dat het door Marcus allereerst genoemde doel „opdat zij bij Hem zouden zijn” (3: 14) door Mattheüs niet genoemd wordt.

Het evangelie naar Lucas vertelt, hoe Jesus na de verwerping in Nazareth (4: 14-30) afdaalde naar Kapernaüm en daar geregeld leerde op de sabbat (4: 31). Na de genezing van de bezetene in de synagoge „ging Hij van de synagoge naar het huis van Simon” (vs 38), die op deze wijze voor het eerst zonder verdere verklaring geïntroduceerd wordt. Daarna is Hij in Judea (? Galilea? zie de verschillende lezingen) en leert in 5: 1-11 weer bij het meer Gennesareth vanuit het schip van Simon. De wonderbare visvangst volgt, waarbij Simon en de zonen van Zebedeüs, „die metgezellen van Simon waren” (vs 10), de schepen op het land trokken, alles achterlieten

|18|

en Hem volgden (vs 11). In 5: 27-32 volgt de roeping van Levi. Hier als ook in 5: 33 (over het vasten) en 6: 1 (het aren plukken op de sabbat) wordt in het algemeen over Jesus’ discipelen gesproken. In hoofdstuk 6 vs 12 lezen wij dan, dat Hij naar het gebergte ging om te bidden en de nacht doorbracht in het gebed tot God. „En toen het dag geworden was, riep Hij zijn discipelen tot Zich en koos er twaalf uit, die Hij ook apostelen noemde” (vs 13). Dan volgen de twaalf namen en verder in vs 17: „Hij daalde met hen af en bleef staan op een vlakke plaats en daar was een grote schare van zijn discipelen en een grote menigte van volk.” Voor deze menigte discipelen en volk houdt Jesus dan de „veldrede” (6: 20-49). Wat de bedoeling van deze twaalf is, wordt met geen woord gezegd. In de volgende gebeurtenissen (de hoofdman van Kapernaüm 7: 1-10, de jongeling in Naïn 11-17, Johannes de Doper 18-35, de zalving door de zondares 36-50, de gelijkenis van de zaaier 8: 4-15, het ware horen 16-18, Jesus en zijn verwanten 19-21, de storm op het meer 22-25, de bezetene in het land van de Gerasenen 26-39) worden zij niet weer genoemd, ofschoon in 7: 11, 8: 9 en 22-25 van zijn discipelen wordt gesproken. Alleen 8: 1, 2 zegt uitdrukkelijk: „En het geschiedde kort daarna, dat Hij van stad tot stad en van dorp tot dorp trok, verkondigende het evangelie van het Koninkrijk Gods, en de twaalven met Hem, en enige vrouwen, die genezen waren van boze geesten en van ziekten.” En in 8: 40-56, de opwekking van het dochtertje van Jaïrus, worden Petrus (vs 45) en Petrus, Johannes en Jacobus (vs 51) met name genoemd.

Eerst in 9: 1v. staat dan: „Toen riep Hij de twaalven samen en gaf hun macht over alle boze geesten en om ziekten te genezen. En Hij zond hen uit om het Koninkrijk Gods te verkondigen en genezingen te doen.” Kort volgt hun instructie (3-5) en de opmerking, dat zij hun opdracht uitvoerden (vs 6).

Het evangelie naar Johannes vertelt de aanstellingen van de twaalf niet, en gebruikt ook nooit het woord apostel. Om de in dit evangelie voorkomende waardevolle gegevens over het apostolisch ambt te verstaan, moeten wij ons eerst afvragen, wat het wezen van dit ambt bij de andere evangelisten is.

Zij vertellen dus eenparig, dat Jesus mannen, die door Hem zijn gekozen, uitzendt. Bij Mattheüs wordt deze uitzending gemotiveerd met het beeld van de grote oogst (9: 37, 38). „Bidt daarom den Heer van de oogst, dat Hij arbeiders uitzende in zijn oogst,” zegt Jesus tot zijn leerlingen. Nu worden dan de arbeiders

|19|

uitgezonden. Evenals Jesus deed, moeten zij verkondigen: „Het Koninkrijk Gods is nabij” (Matt. 10: 7, Marc. 1: 15 par.). Maar niet alleen moeten zij dezelfde boodschap brengen, die Jesus bracht, zij moeten ook hetzelfde doen. Voordat wij van hun uitzending horen, is ons met een reeks van voorbeelden verteld, hoe Jesus zieken genas en demonen uitbande. De toeschouwers hebben met ontzag gevraagd: „wat is toch de macht waardoor Hij dit doet?” Nu ontvangen de twaalf van Jesus dezelfde onverklaarbare macht en de opdracht: „Geneest zieken, wekt doden op, reinigt melaatsen, drijft demonen uit” (Matt. 10: 8). Deze gelijkheid in woord en daad van zender en gezondene is zo duidelijk, dat nog een andere gelijkheid daarvan het gevolg zal zijn, en wel dat de mensen de gezondenen evenzo zullen vervolgen als zij het de zender deden. „Het gaat den leerling als den meester, den dienaar als den heer. Indien men den heer des huizes Beëlzebul heeft genoemd, hoeveel temeer dan zijn huisgenoten!” (10: 25). Wat Jesus in vs 40 zegt, kan beschouwd worden als de samenvatting van alle onderwijs en vermaning waarmee Jesus zijn apostelen uitzendt: „Wie u ontvangt, ontvangt Mij, en wie Mij ontvangt, ontvangt Hem, die Mij gezonden heeft.”

In een beknopte vorm brengt dit woord tot uitdrukking, wat het wezen van de apostel is. Jesus gebruikte daarmee geen nieuw woord. De Grieken hadden het woord apostolos gebruikt. Wanneer de Atheners een vloot uitzonden om elders hun belangen te behartigen, was die vloot een apostolos van de stad Athene, en die aanduiding koon in het bizonder gebruikt worden voor de aanvoerder van zulk een vloot. Door die vloot was de stad, waren haar aanspraken en haar macht tegenwoordig in vreemde landen en op verre zeeën. Het lag daarom voor de hand, dat de Joden hun woord sjaliéach door het griekse „apostolos” weergaven (zie de plaatsen bij Strack-Billerbeck op Rom. 1: 2). De sjaliéach was de gezondene in de zin van de gevolmachtigde gedelegeerde. Zo is Abrahams knecht zijn sjaliéach die met gezag de onderhandelingen over het huwelijk van Izaäk en Rebekka kan voeren met Bethuël en Laban. Hogepriester en sanhedrin konden zulke sjaliéach-figuren aanstellen, die met handoplegging werden geordend om het hoogste gezag in de joodse wereld te repraesenteren en die dan gewoonlijk in paren werden uitgezonden. Het kon ook omgekeerd zijn: een joodse gemeente kon een sjaliéach aanstellen, die de gemeente had te repraesenteren voor God. Wanneer de Joden kort gingen samenvatten, wat een sjaliéach eigenlijk was, zeiden zij: Iemands sjaliéach is als het ware hij-zelf.” (Berakoth V, 5). Geen wonder dus, dat zij in inscripties

|20|

deze figuren „apostoli” noemden. En geen wonder, dat de evangeliën de twaalf, die met de genoemde volmacht en opdracht door Jesus werden uitgezonden, apostelen noemen — zij vormen immers de zuivere parallel van de joodse sjaliéach-figuren: de gezondene (sjaliéach) van Christus is als het ware Christus-zelf, of, met Jezus’ woorden tot zijn gezondenen: „Wie u ontvangt, ontvangt Mij.”

Al kan dit hier maar in het kort gebeuren, het is toch van groot belang, om het evangelie van Johannes nu vanuit dit gezichtspunt te bezien. Alleen moeten wij dan de volgorde omkeren. Het thema van dit evangelie is allereerst: „Wie Mij ontvangt, ontvangt Hem, die Mij gezonden heeft”, en daarna: „Wie u ontvangt, ontvangt Mij.”

Het eerste thema wordt behandeld in de hoofdstukken I-XII. Het eeuwige Woord, dat bij God was en God was, is vlees geworden om de zijnen God te doen kennen. Voortdurend spreekt Hij over de Vader als over „Hem, die Mij gezonden heeft”. In Christus geloven betekent: de gelijkheid van Zender en Gezondene zien. De eerste volgelingen komen tot dit geloof door het wonder in Kana, waardoor Jesus zijn heerlijkheid openbaarde (2: 11). In de vele tekenen die volgen, aanschouwen ook anderen zijn heerlijkheid en geloven. De toespraken, die Jesus houdt in de Jeruzalemse tempel of na de wonderbare spijziging, bewegen zich voortdurend om dit thema. „Dit is het werk Gods, dat gij gelooft in Hem, dien Hij gezonden heeft”, Joh. 6: 29. Hij is het Licht, dat de Lichtbron uitzendt, het Levende water, dat uit de Eeuwige Grond welt. Bij de opwekking van Lazarus heeft Hij gesproken „opdat zij geloven dat Gij Mij gezonden hebt”, 11: 42. En tenslotte volgt in 12: 44-50 de samenvatting van dit eerste gedeelte van het evangelie: „Wie in Mij gelooft, gelooft niet in Mij, maar in Hem, die Mij gezonden heeft; en wie Mij aanschouwt, aanschouwt Hem, die Mij gezonden heeft.”

Eerst nadat wij dit eerste thema hebben verstaan en geloofd, kunnen wij aan het tweede beginnen, leert Johannes. Want nadat in de eerste twaalf hoofdstukken de engere kring van Jesus’ volgelingen volkomen op de achtergrond is gebleven, richt Jesus Zich van hoofdstuk XIII af uitsluitend tot deze „twaalf”.

Het begint met de voetwassing: „Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat ook gij doet, gelijk Ik u gedaan heb” (13: 15). Dit houdt klaarblijkelijk veel meer in, dan alleen deze éne dienende daad: „de gezant (apostolos) staat niet boven zijn zender” (13: 16) zegt Jesus; m.a.w. met de voetwassing wordt duidelijk, dat de twaalf nu de

|21|

apostelen van hun heer zullen zijn. En daarom eindigt dit verhaal met het woord, dat ons uit de andere evangeliën reeds bekend is: „Wie ontvangt, dien Ik zend, ontvangt Mij, en wie Mij ontvangt, ontvangt Hem, die Mij gezonden heeft” (13: 20).

Op allerlei wijzen wordt dit wezen van het apostel-zijn in de afscheidsgesprekken verduidelijkt. Op de vraag van Filippus: „Toon ons den Vader” (14: 8) vat Jesus nog eens amen, wat zijn optreden had betekend: „Wie Mij gezien heeft, heeft den Vader gezien.” Dit bleek uit de goddelijke werken (10, 11), maar de gelovige apostel zet die werken, die de heerlijkheid Gods openbaren, voort (12, 13). Zij zullen weten, dat zij in Christus zijn en Christus in hen, zoals de Zoon in den Vader is en de Vader in den Zoon (14: 20). De verhouding van Christus en zijn apostelen is als die van wijnstok en ranken (15: 1-8). Deze wijnstok vervangt de wijnstok van het oude Israël, waarvan Ps. 80: 12 zingt: „Hij zond zijn ranken uit tot aan de zee”, met gebruik van een werkwoord, waarvan het woord sjaliéach is afgeleid. De ranken zijn „de gezondenen”, de vertegenwoordigers van de plant (verg. het hebreeuwse woord in Jez. 16: 8), de „apostelen” dus, die de plant repraesenteren. Ook verder volgen deze Johannes-hoofdstukken de gedachtengang van de apostel-instructie in Matth. 10: „een slaaf staat niet boven zijn heer: indien zij Mij vervolgd hebben, zij zullen ook u vervolgen” (15: 20). En zoals Jesus in 12: 44-50 zijn onderwijs aan de wereld had samengevat, keert de kern van het apostel-onderwijs terug in het gebed van hoofdstuk XVII: „Gelijk Gij Mij gezonden hebt in de wereld, heb ook Ik hen gezonden in de wereld” (vs 18); „de heerlijkheid, die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven, opdat zij één zijn, gelijk Wij één zijn; Ik in hen en Gij in Mij” (vs 22, 23).

Zo laten ons dan alle vier evangeliën de apostel zien als de gezant, die zijn zender repraesenteert. Maar daarnaast horen wij, dat er twaalf apostelen door Jezus zijn uitgezonden en zij worden telkens ook kort als „de twaalf” aangeduid. Natuurlijk heeft het getal twaalf betekenis. Het herinnert onmiddellijk aan de twaalf patriarchen, de stamvaders van het volk Israël. Op de twaalf poorten van het nieuwe Jeruzalem staan de namen van de twaalf apostelen. Zo belangrijk is dit getal dat de na Judas’ verraad overgebleven elf nog vóór het aanbreken van het grote Pinksterfeest tot aanvulling overgaan. Het Nieuwe Testament ziet inderdaad het verband met de twaalf stammen van Israël (Openb. 21: 12). Maar niet het volk van het oude, mozaïsche verbond wordt door deze twaalf ons voor ogen gesteld. Hier staan de twaalf patriarchen voor ons van het nieuwe

|22|

Israël, het nieuwe Godsvolk, dat in het nieuwe verbond wordt opgenomen, waarvan het oude het „tegenbeeld” (anti-type) is, zoals de tabernakel van het hemels heiligdom (Hebr. 9: 24) of de zondvloed van de doop (1 Petr. 3: 21).

Wanneer wij de nieuw-testamentische gegevens willen verstaan, kunnen wij het belang van deze corresponderende samenhang van oud en nieuw verbond, van oud en nieuw volk, niet belangrijk genoeg achten. In Israël zijn de heilsdaden Gods, waardoor het volk uit Egypte verlost, door de woestijn geleid en in Kanaän binnengebracht werd, altijd weer hèt thema van de tempeldienst en daarmee van het godsdienstig leven geweest. Dat leren de vele psalmen die van deze daden zingen of er op zinspelen. Het hele heilsgebeuren van verlossing en verbondssluiting zou eerst in de mysteriën van Christus’ dood en opstanding als antitype duidelijk worden. Maar reeds daarvoor is samenhang en overeenkomst duidelijk. In het verhaal van Mozes’ roeping (Ex. 3, 4) is het hoofdmotief: Mozes is de gezondene van God. Hij moet daarvan zelf eerst overtuigd zijn, en wanneer het volk Mozes zal geloven, betekent dit hun weten: Het is inderdaad God, die Mozes gezonden heeft. Zozeer is Mozes Gods sjaliéach, dat gezegd kan worden, dat hij Aäron tot God zijn zal (Ex. 4: 16) — al zal het verloop van de geschiedenis duidelijk maken hoezeer hij „slechts” antitype is. Maar de Joden van Jesus’ dagen, die in Hem de profeet als Mozes herkenden, die God zou verwekken (Deut. 18: 15), verwachtten niet anders, dan dat Jesus zou optreden als een tweede Mozes. Hij wilde de wet van de eerste niet ontbinden, maar „vervullen”. Hij spijzigt het nieuwe volk in de woestijn zoals Israël met manna gespijzigd werd. Mozes vertoeft op de berg en daalt af met een van heerlijkheid glanzend gelaat zoals Jesus op de berg verheerlijkt wordt. Zoals Mozes met bloed het verbond bij de Sinaï sluit, stelt Jesus met zijn bloed het nieuwe verbond in.

Bij de aanstelling van de twaalf speelt deze samenhang een grote rol. Uitdrukkelijk zegt Jesus tot de twaalf dat het hun taak zal zijn op twaalf tronen te zitten en de twaalf stammen van Israël te richten (Matth. 19: 28; Luc. 22: 30). En ook hiervoor vinden wij een „antitype” in de geschiedenis van Mozes. In het eerste hoofdstuk van Numeri lezen wij het verhaal van de telling van Israëls leger. Dit is niet slechts een administratieve of militaire maatregel; het is een belangrijk moment bij de constituering van het Gods: „De Heer telt bij het opschrijven der volken: deze is daar geboren” (Ps. 87: 6). Nu zegt God tot Mozes, dat hem bij dit gewichtige

|23|

werk uit elke stam één man behulpzaam zal zijn, de man, die het hoofd is van zijn families (Num. 1: 4). Hun namen worden genoemd (vs 5-15) en dan gaat vs 16 verder: „Dit zijn degenen die uit de vergadering moeten worden opgeroepen, vorsten van de stammen hunner vaderen; hoofden van Israëls geslachten zijn zij.”

Bij de opstelling van de stammen in hoofdstuk 2 groeperen deze zich rondom hun stamvorsten. Wanneer de tabernakel wordt ingewijd brengen deze vorsten twee aan twee een offergave: „de vorsten van Israël, de hoofden van hun families — dit waren de vorsten der stammen, degenen, die aan het hoofd van de getelden stonden —; brachten als hun offergave vor het aangezicht des Heren: zes overdekte wagens en twaalf runderen, één wagen voor elke twee vorsten en voor ieder één rund” (7: 2, 3). Daarna brengen de vorsten nog de wijdingsgaven voor het altaar; zij doen dit afzonderlijk: „Laat op elken dag één vorst zijn offergave voor de inwijding van het altaar brengen” (7: 11).

In alle wezenlijke trekken is hier overeenkomst met de aanstelling van de twaalf. De stamvorsten moeten Mozes en Aäron behulpzaam zijn, letterlijk: „zij zullen met u zijn.” Zo roept Jesus de twaalf „opdat zij met Hem zouden zijn” (Marc. 3: 14). Tegen de achtergrond van dit verhaal wordt de betekenis van de twaalf duidelijk: zij zijn de patriarchen van het nieuwe volk van God, die juist ook bij de constituering van dat volk hun belangrijke taak zullen hebben. Zelfs het paarsgewijze optreden, dat Marcus bij de uitzending vermeldt en dat de naamlijsten van de twaalf kenmerkt vinden wij in het boek Numeri terug!

Maar er is één belangrijk verschil: in het boek Numeri worden de namen van de twaalf vorsten door God aan Mozes genoemd en Mozes richt zich gehoorzaam naar de goddelijke opdracht. Jesus, zo vertelt Marcus uitdrukkelijk, riep tot Zich „wie Hij zelf wilde” (Marc. 3: 13). Want Hij is nog op geheel andere wijze de „gezondene” van God, dan Mozes het was, en handelt uit eigen, goddelijke volmacht.

Men vergete niet, hoe de Joden in Jesus’ dagen opgegroeid waren met de Tora en welk een grote betekenis zij vooral hechtten aan alles, wat in de vijf boeken van Mozes geschreven stond. Achtergrond en betekenis van Jesus’ handelen, toen Hij de twaalf aanstelde, is hun zonder enige twijfel duidelijk geweest: dit hield de constituering in van een nieuw volk van God, de „vervulling” van wat Mozes eens had gedaan.

En als wij toch zouden twijfelen, of dit inderdaad voor Jesus’

|24|

omgeving wel zo duidelijk was, treedt uit die omgeving een getuige naar voren, om ons dienaangaande gerust te stellen. De moeder van de zonen van Zebedeüs vraagt Jezus: „Zeg, dat deze mijn twee zonen mogen zitten, één aan uw rechterzijde en één aan uw linkerzijde in uw Koninkrijk” (Matth. 20: 21). Aan deze vraagt ligt als vanzelfsprekend uitgangspunt ten grondslag, dat de twaalf, dus ook Jacobus en Johannes, in het komende Rijk met Christus over het nieuwe volk Gods zullen heersen. Maar nu wil zij voor haar zonen ook de ereplaatsen. Het evangelie van Marcus brengt dit verhaal in hetzelfde verband en geheel overeenkomstig; alleen zijn het hier Jacobus en Johannes zelf, die de vraag stellen.

Deze geschiedenis is ook in een ander opzicht van groot belang voor het verstaan van wat de twaalf zijn. Jesus vindt in de gestelde vraag namelijk aanleiding, om uiteen te zetten in welk opzicht zijn twaalftal radicaal verschilt van de mozaïsche stamvorsten: „Gij weet, dat de regeerders der volken heerschappij over hen voeren en de rijksgroten oefenen macht over hen. Zo is het onder u niet. Maar wie onder u groot wil worden, zal uw dienaar zijn, en wie onder u de eerste wil zijn, zal uw slaaf zijn; gelijk de Zoon des mensen niet gekomen is om Zich te laten dienen, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen” (Matth. 20: 25-28).

Geen wonder, dat de nieuwe patriarchen hiermede moeilijkheden hebben gehad — moeilijkheden, die zich in de Kerk steeds zijn blijven herhalen. Willen zij hun taak vervullen, de hun toegedachte verheven plaats innemen, dan kunnen zij dat alleen langs de weg van het dienen en door elkanders slaaf te zijn. Dat is de wet van het nieuwe Israël. Zoals ten aanzien van het apostel-zijn geldt, dat er een gelijkheid is tussen zender en gezondene in de vervolgingen die zij zullen ondergaan, geldt eenzelfde gelijkheid de Messias en zijn patriarchen: Christus is gekomen om te dien en zijn leven als losprijs te geven.

Zinvol brengen Mattheüs en Marcus dit alles nà Christus’ derde lijdensaankondiging. Johannes en Lucas vertellen geen van beiden de vraag van de Zebedeüs-zonen. Maar dezelfde gedachte komt tot uitdrukking in het verhaal van de voetwassing, waarin „de eerste de slaaf van de zijnen is” en waarbij zich dezelfde vermaningen tot dienen aansluiten: „Gij behoort elkander de voeten te wassen; want Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat ook gij doet, gelijk Ik u gedaan heb. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, een slaaf staat niet boven zijn heer!” (Joh. 13: 15, 16). Lucas laat Jesus dezelfde woorden als Mattheüs en Marcus over het heersen van de vorsten der

|25|

volken spreken bij de laatste maaltijd, naar aanleiding van onenigheid, wie van de twaalf als de eerste moest gelden (Luc. 22: 24v.v.). Jesus gaat dan verder: „Doch gij niet alzo, maar de eerste onder u worde als de jongste en de leider als de dienaar. Want wie is de eerste: die aanligt, of die dient? Is het niet, die aanligt? Maar Ik ben in uw midden als dienaar. Gij zijt het, die steeds bij Mij gebleven zijt in mijn verzoekingen. En Ik beschik u het Koninkrijk, gelijk mijn Vader het Mij beschikt heeft, opdat gij aan mijn tafel eet en drinkt in mijn Koninkrijk. En gij zult zitten op tronen om de twaalf stammen Israëls te richten” (Luc. 22: 26-30). Zo vat Lucas samen alles wat over de twaalf als de stamvorsten van het nieuwe Israël gezegd is. Zij waren aangesteld om bij Jesus te zijn, Hem terzijde te staan, en zij zijn steeds bij Hem gebleven. Zij zullen dan ook hun macht uitoefenen, mits zij, de leiders, dienaars willen zijn, zoals Jesus diende.

Maar dan is duidelijk, dat de betekenis van de twaalf niet uitgeput wordt door hun apostel-zijn. De evangelisten maken hier een duidelijk onderscheid. Marcus vertelde, dat Jesus de twaalf maakte b om hen uit te zenden, a om bij Hem te zijn (3: 13-19). Mattheüs, dat Jesus twaalf leerllingen had, die Hij bizondere macht schonk (10: 1) en deze twaalf, zegt dan later vs 15, „zond Jesus uit”. Lucas berichtte de keuze van de twaalf in hoofdstuk 6, de uitzending in hoofdstuk 9. Om het met de nauwkeurige formulering van Marcus te zeggen: de twaalf werden aangesteld om met Jesus te zijn. Bovendien werden zij uitgezonden, en waren daarom ook „apostelen”, de gevolmachtigde vertegenwoordigers van Jesus. Hun wezen van twaalf patriarchen veronderstelt het „met-Jesus-zijn” — hetzij in de dagen voor zijn kruisdood, hetzij in zijn komend Rijk, waar zij op tronen zitten (Luc. 22: 30) of de fundamenten van het nieuwe Jerusalem vormen (Openb. 21: 14). Hun apostel-zijn veronderstelt het van hun Meester weggaan, zoals Abrahams knecht wegtrok van zijn heer. Het zijn twee verschillende dingen, die in de personen van deze twaalf mannen verenigd zijn. Als patriarchen van het nieuwe volk zijn zij „einmalig”. Zij zijn fundament, dat niet vervangen of uitgebreid kan worden. Als zodanig zijn zij belangrijk voor de Kerk van alle eeuwen. Als apostelen zijn zij persoonlijk niet zo belangrijk. Want in het wezen van de sjaliéach ligt opgesloten, dat hij „als het ware zijn zender is”, d.i. hij is zelf niets, het representeert alleen hem, die hem aanstelde en is diens orgaan. Het oud-testamentische voorbeeld van een sjaliéach is een slaaf wiens naam niet eens genoemd wordt!

|26|

Al zullen de twaalf het heersten door dienen moeten leren, met hun roeping is hun rang en wezen meteen gegeven: zij zijn de twaalf patriarchen en daarin komt, afgezien van Judas Iskarioth, geen verandering meer. Maar in hun apostel-zijn is wel verandering. Allereerst doordat hun aanvankelijke uitzending tijdens Jesus’ aardse leven straks gevolgd wordt door een blijvende uitzending na ’s Heren hemelvaart. Maar ook, doordat zij eerst alleen de komst van het Koninkrijk hebben aan te kondigen en in ziekengenezing en demonenuitbanning de tekenen van dat Rijk hebben te verrichten. Later, wanneer „het is volbracht”, komt daar het gehele mysterie van Christus’ kruis en opstanding bij; dan is hun de bediening der verzoening toevertrouwd. Naarmate het verlossingswerk voltooid wordt, krijgt hun repraesenteren meer inhoud. Kernachtig komt dit verschil tot uitdrukking in de inhoud van hun prediking. Deze was aanvankelijk: „Bekeert u, want het Koninkrijk Gods is nabij gekomen.” Nu wordt dat: „Bekeert u allen, en laat u dopen in de naam van Jesus Christus, tot vergiffenis uwer zonden” (Hand. 2: 38).

Op deze volheid van het apostolisch ambt laat het evangelie van Johannes een sterke nadruk vallen door, in onderscheid van de synoptische evangeliën, vóór Jesus’ kruisdood van geen uitzending der apostelen te gewagen. Daarom vonden we in dit evangelie het woord „apostel” dan ook niet. Maar deze uitzending komt, wanneer de verrezen Heer temidden van de „twaalf” verschijnt. Dan zegt Hij (Joh. 20: 21-23): „Gelijk de Vader Mij gezonden heeft, zend Ik ook u. En na dit gezegd te hebben, blies Hij op hen en zeide tot hen: Ontvangt den heiligen Geest. Wien gij hun zonden kwijtscheldt, dien zijn ze kwijtgescholden; wien gij ze toerekent, dien zijn ze toegerekend.” Hier wordt het sjaliéachbegrip sterk geaccentueerd: de zending van de apostelen door Christus is de voortzetting van de zending van Christus door de Vader — een andere opvatting dan die van de synoptische evangeliën, maar wel een ander accent: Christus verlaat de wereld weer en gaat heen tot de Vader, de apostelen vertegenwoordigen Hem. De verlening van macht, die bij de uitzending in de Synoptici genoemd wordt, vinden wij ook hier, maar zij wordt omschreven als een verlening van de heilige Geest, die door aanblazing wordt ontvangen. Het grote verschil is, dat bij Johannes met geen woord van prediking, genezing en demonenuitbanning wordt gerept, maar de volmacht betrokken wordt op de kwijtschelding van zonden.

Dat dit het kernpunt is van de goddelijke volmacht, kunnen wij

|27|

ook in de andere evangeliën lezen. In het verhaal van de verlamde (Marc. 2: 1-12 en parallellen) spreekt Jesus tot verontwaardiging van de rabbijnen uit, dat de zonden van de verlamde vergeven zijn. „Wie kan zonden vergeven, dan God alleen?” Maar Jesus toont aan, dat Hij (als gezondene des Vaders, zou Johannes zeggen) de goddelijke volmacht tot zondenvergeving bezit door de man te genezen. De drie evangeliën leggen er nadruk op, hoezeer de toeschouwers onder de indruk zijn: zij zijn ontzet en verheerlijken God, omdat zij ongelofelijke dingen gezien hebben (Marcus en Lucas), omdat God zulk een macht aan „de mensen” gegeven had (Mattheüs). Die bizondere indruk ontstaat niet zozeer door de genezing (er zijn meer verlamden door Jesus genezen) als wel door de macht tot zondenvergeving, die door de genezing bevestigd wordt. Nu zegt Jesus: „Gelijk de Vader Mij gezonden heeft, zend Ik ook u” — en geeft de apostelen de volmacht de zonden kwijt te schelden. Maar deze volmacht is er op een andere wijze bij hen, dan bij Jesus: Hij spreekt de vergeving uit in zijn eigen naam, zij in de naam van Jesus; Hij op grond van zijn eigen goddelijke macht, zij op grond van het offer, gebracht door het Lam, dat der wereld zonden draagt. Daarom was deze volledige vulling van het apostolisch ambt eerst mogelijk, op de plaats waar Johannes het vertelt: na Jesus’ dood en opstanding.

Schijnbaar is hier een tegenspreek met wat wij lezen in Matth. 16: 19 en 18: 18. Daar wordt (in hoofdstuk 16 aan Petrus, in hoofdstuk 18 aan de apostelen in het algemeen) de zgn. sleutelmacht beloofd: „wat gij op aarde binden zult, zal gebonden zijn in de hemelen, en wat gij op aarde ontbinden zult, zal ontbonden zijn in de hemelen.” Het ligt voor de hand, dat hier sprake is van iets, dat nauw samenhangt met de kwijtschelding van zonden. Maar zelfs als men buiten beschouwing laat, dat hier iets voor de toekomst van Petrus wordt toegezegd (evenals de opbouw van de gemeente op de petra in vs 18) of dat over de toekomstige orde in de gemeente wordt gesproken (evenals het handelen tegenover de zondige broeder in 18: 15-17), is het toch nog niet hetzelfde. Het handelen, dat hier ontbinden (b.v. uit de macht van Satan, om binnen de kring van het volk Gods te brengen) of binden genoemd wordt, heeft een geldigheid, die verder reikt dan de aardse aeon en die door God erkend wordt. Dat zal wel steeds samenvallen met de kwijtschelding van zonden, maar het is in wezen iets anders zoals de confirmatie iets anders is dan de doop.

Wanneer dan ook Johannes het apostolisch ambt zo nadrukkelijk

|28|

ons laat zien als de volmacht tot kwijtschelding van zonden, moeten wij dit in de volle omvang verstaan. Hij behoeft dan b.v. het bevel om te dopen niet nog eens afzonderlijk te noemen, want de doop tot vergeving van zonden ligt er in opgesloten. De prediking, het onderwijs in het mysterie van de verzoening, ligt er in opgesloten. Maar vooral ligt er in opgesloten, wat de andere evangeliën onder woorden brengen als: „het bloed van het nieuwe verbond, dat vergoten wordt tot vergeving der zonden” (Matth. 26: 28). Wanneer Johannes de instelling van het sacrament niet nog eens afzonderlijk vermeldt heeft, is dat, omdat het „doet dit tot mijne gedachtenis” voor hem opgesloten lag in de volmacht: „Wien gij hun zonden kwijtscheldt, dien zijn ze kwijtgescholden.”

Het is inderdaad dezelfde opdracht als die door Jesus’ woord: „doet dit tot mijne gedachtenis” aan de apostelen wordt verleend. Zij moeten door deze altijd weer herhaalde handeling de kracht van het éénmaal gebrachte kruisoffer steeds opnieuw tegenwoordig stellen, zodat steeds opnieuw de vergeving van zonden door het bloed van het nieuwe verbond over mensen kan komen. Zij, die in zichzelf geen grond hebben, om de vergeving van zonden uit te spreken, vinden die grond in het volbrachte werk van het Lam Gods en mèt de volmacht wordt hun ook het middel gegeven waardoor zij die vergeving kunnen meedelen. De hun toevertrouwde bediening der verzoening vindt hier haar hart.

Wanneer wij samenvatten wat het onderzoek naar het apostolisch ambt ons tot dusver leerde, is het dit, dat wij de eerste schakels van een keten ontwaarden, die de mens verbindt met God.

Dat God zijn Zoon gezonden heeft is de eerste schakel. In wezen is het ook de enige. Wat wij verder ook zien, het is alles verdere uitwerking van dit éne.

Maar Christus legt een tweede schakel, doordat Hij twaalf mensen tot zijn apostelen smeedt. In zover als zij „de twaalf patriarchen” zijn, kunnen wij voor een betoog over het apostolisch ambt aan hen voorbijgaan. Als apostelen is hun wezen, dat zij als organen die op zichzelf niets zijn, hun zender gevolmachtigd vertegenwoordigen.

Hun volmacht houdt in:

de proclamatie van het Koninkrijk;
het genezen van zieken;
het uitbannen van demonen;
de sleutelmacht om tot het Godsrijk toe te laten;

|29|

de op het kruisoffer gegronde bediening der verzoening, die omvat
 de kwijtschelding;
 het onderwijs in het mysterie van de verzoening;
 de bediening van de sacramenten van de Heilige Doop en het Heilig Avondmaal.