201-214

|201|

10 Typen van kerkelijke organisatie

L.C. van Drimmelen

 

 

10.1 Inleiding

Voor het begrijpen van de concrete organisatorische verschijningsvorm van een kerkgemeenschap is kennis van de visie die de desbetreffende kerkgemeenschap op zichzelf heeft onontbeerlijk. De organisatorische vorm van een kerk vloeit voort uit de leer van de kerk en met name uit het hoofdstuk daarvan dat betrekking heeft op de kerk als gemeenschap van gelovigen (de ecclesiologie). Elke kerkorde is confessioneel bepaald.

De in Nederland voorkomende kerkgemeenschappen kunnen, wat hun organisatorische structuur betreft, globaal ingedeeld worden in drie groepen.1 Elke groep heeft gemeenschappelijke kenmerken, die worden aangeduid met een tweeledige term, waarvan de eerste helft iets zegt over de plaatselijke verschijningsvorm van de kerkgemeenschap en de tweede over de landelijke organisatie.

Deze termen zijn:
- episcopaal-hiërarchisch;
- presbyteriaal-synodaal;
- congregationeel-independent.

 

Eerst worden van elk van de drie genoemde systemen de principiële hoofdlijnen geschetst.

Aan de orde komen daarbij de positie van het ambt als leidinggevende instantie in de geloofsgemeenschap en de wijze van functioneren van het ambt, vervolgens de verhouding van de plaatselijke gemeente tot de landelijke kerkgemeenschap en ten slotte de verhouding van de kerk tot de staat. Daarna worden de drie genoemde typen afzonderlijk meer in concreto beschreven.


1 D. Nauta, Typen van structuur der kerk, in: W. van 't Spijker en L.C. van Drimmelen (red.), Inleiding tot de studie van het kerkrecht, Kampen 1992-2, p. 149-158; P. van den Heuvel, De hervormde kerkorde, Zoetermeer 2001-2, p. 28-34.

|202|

10.2 Hoofdlijnen

Gemeenschappelijk is de overtuiging dat het Christus is, die als Hoofd van de Kerk de kerk regeert door zijn Woord en Geest. Dit is het principe van de christocratie. Maar hoe de christocratie gerealiseerd wordt, daarover lopen de meningen uiteen.

De aanhangers van het episcopale systeem zeggen dat Christus de kerk regeert door middel van de apostelen en hun opvolgers, de bisschoppen, die op bijzondere wijze en in bijzondere mate de gave van de Geest ontvangen. De aanhangers van het congregationele systeem zeggen dat Christus zijn wil en weg bekend maakt aan ieder die in Hem gelooft, aan de leden van zijn gemeente, die daarom samen het beleid bepalen en de belangrijkste beslissingen nemen. En de aanhangers van het presbyteriale systeem zeggen dat de bekwaamheid om te besturen gegeven is aan die gemeenteleden die als ambtsdragers de taak krijgen om leiding te geven aan de gemeente en deze taak uitsluitend gezamenlijk uitoefenen.

Dit heeft tot gevolg dat in een episcopale kerk de leer-, regeer- en tuchtmacht wordt uitgeoefend door de bisschop (de episcopus), dat deze macht in een presbyteriale kerk wordt uitgeoefend door de vergadering van ambtsdragers (het presbyterium) en in een congregationele kerk door de gelovigen tezamen in de vergadering van gemeenteleden (de congregatio).

 

Een tweede punt waarin de drie kerkfamilies zich van elkaar onderscheiden heeft betrekking op de vraag hoe de plaatselijke gemeente zich verhoudt tot de nationale (en in bepaalde gevallen de internationale) kerkgemeenschap waartoe die gemeente behoort.

Het hiërarchische systeem gaat uit van de eenheid van de gehele nationale (of internationale) kerkgemeenschap met absolute zeggenschap vanuit de top van de organisatie over de lagere onderdelen, zoals de parochie. Het independente systeem gaat uit van de plaatselijke gemeente als volledige openbaring van de Kerk van Christus en van de onafhankelijkheid van de gemeenten ten opzichte van elkaar en van een eventuele bovenplaatselijke organisatie. Het synodale systeem ziet zowel de plaatselijke gemeente als de landelijke kerkgemeenschap als gestalte van de Kerk van Christus, zij het op verschillende schaal. En zoals de kerkenraad — het presbyterium — als vergadering van ambtsdragers leiding geeft aan de plaatselijke gemeente, zo geeft de synode als vergadering van ambtsdragers leiding aan de landelijke kerk.

 

Een derde punt waarop de drie kerktypen zich van elkaar onderscheiden heeft betrekking op de verhouding tussen kerk en staat. Het episcopaal-hiërarchische

|203|

systeem maakt de staat in principe ondergeschikt aan de kerk (subsidiariteit). Het congregationeel-independente systeem houdt zich aan een volstrekte scheiding tussen kerk en staat als behorende tot twee werkelijkheden (‘twee rijken’-leer). Het presbyteriaal-synodale systeem gaat weliswaar uit van de scheiding van kerk en staat (soevereiniteit in eigen kring) maar plaatst hen vervolgens in correlatie tot elkaar: kerk en staat zijn niet van elkaar afhankelijk maar wel voor elkaar verantwoordelijk.

 

Episcopaal-hiërarchisch

In het episcopaal-hiërarchische systeem is de aanwezigheid van ambtsdragers beslissend voor het bestaan van de geloofsgemeenschap. Er is geen gemeente zonder ambt en waar het ambt is, daar is de gemeente (ubi episcopus ibi ecclesia). De gemeente wordt door het ambt geconstitueerd.

De leiding van de gemeenschap is eenhoofdig. In de plaatselijke geloofsgemeenschap, de parochie, ligt de bestuursbevoegdheid in eerste instantie in handen van de pastoor, de priester. Alleen in financiële aangelegenheden deelt — althans in Nederland — de pastoor de bestuursbevoegdheid met het kerkbestuur, ook wel het parochiebestuur genaamd.

In het grotere verband ligt alle bestuursbevoegdheid in handen van de bisschop. Niettemin wordt de bisschop omringd door adviserende organen die, voordat bepaalde beslissingen genomen worden, geraadpleegd dienen te worden.

De verhouding tussen de priester en de bisschop is hiërarchisch. Ook al is het minder juist om te zeggen, dat de parochie onderdeel is van het bisdom en de pastoor zetbaas van de bisschop, de bisschop is wel de herder van alle gelovigen in zijn diocees en de benoeming van alle functionarissen in de parochie ligt in zijn handen.

De verhouding tussen de kerkgemeenschap en de staat is in het episcopale systeem in de praktijk veelal die van symbiose. Ook bij een scheiding van kerk en staat is het zo dat bij voorkeur het regime van de staat en het regime van de kerk elkaar complementeren. Dat is overigens, door de godsdienstige samenstelling van de Nederlandse bevolking, in ons land minder duidelijk dan in andere landen.

 

Congregationeel-independent

Het congregationeel-independente systeem laat het tegenbeeld zien van het episcopaal-hiërarchische. De aanwezigheid van het ambt is niet constitutief voor het bestaan van de geloofsgemeenschap. Waar de gelovigen zijn, daar is de gemeente. In de meeste congregationele gemeenten in ons land is er, naar presbyteriaal voorbeeld, een kerkenraad met voorgangers, ouderlingen

|204|

en diakenen, maar andere gemeenten hebben een comité of dagelijks bestuur. Alle bestuursbevoegdheid ligt bij de vergadering van gemeenteleden (de congregatie). Het systeem is consequent democratisch. De voorgangers worden door de gelovigen gekozen, zij ontvangen van hen hun mandaat en zij kunnen door de gemeentevergadering worden afgezet.

De gemeenten zijn ten opzichte van elkaar onafhankelijk (independent). Ter behartiging van gemeenschappelijke belangen, zoals het werk van de zending en de opleiding van voorgangers, zijn er regionale en landelijke bijeenkomsten van vertegenwoordigers van de gemeenten. De besluiten van deze vergaderingen zijn voor een gemeente pas van kracht als de gemeentevergadering deze besluiten heeft geratificeerd. De gemeente is op zich compleet kerk.

Er is een consequente scheiding van kerk en staat. De gemeente bemoeit zich niet met het staatkundige en maatschappelijke leven en er wordt geen bemoeienis van de wereldlijke overheid met het leven en werken van de gemeente geduld.

 

Presbyteriaal-synodaal

Het presbyteriaal-synodale systeem neemt ten opzichte van de beide andere systemen een tussenpositie in. Het heeft iets tweeslachtigs en het is daarom moeilijk te doorzien.

Evenals bij het congregationele systeem worden de ambtsdragers gekozen door de gemeente, maar eenmaal gekozen en in het ambt bevestigd hebben de ambtsdragers een ten opzichte van de gemeente onafhankelijke positie. Tegelijk is — evenals bij het episcopale systeem — het ambt constitutief voor de gemeente. Er is geen gemeente zonder ambt maar er is ook geen ambt zonder (de) gemeente.

Een gemeente heeft een of meer predikanten, een aantal ouderlingen en een aantal diakenen. De ambtsdragers vormen samen de kerkenraad. De kerkenraad is de vergadering van alle ambtsdragers van de gemeente. Evenals in het episcopale systeem geeft het ambt leiding aan de gemeente, maar deze leiding is principieel meerhoofdig. De onderscheiden ambtsdragers oefenen hun taak uit op gezag van de vergadering van alle ambtsdragers, de kerkenraad (het presbyterium).

De bestuursbevoegdheid ligt in handen van de kerkenraad zoals die in de parochie ligt bij de pastoor en in een congregationele gemeente bij de vergadering van gemeenteleden. De ambtsdragers kunnen niet door de gemeenteleden worden afgezet.

Voor het leiding geven aan de kerkgemeenschap in grotere verbanden zijn er synodale vergaderingen, bestaande uit afgevaardigde ambtsdragers. Deze synodale vergaderingen zijn de classis (in de Nederlandse Hervormde Kerk en

|205|

in de Protestantse Kerk in Nederland: de classicale vergadering), de particuliere synode (in de Nederlandse Hervormde Kerk: de provinciale kerkvergadering) en de (landelijke) generale synode. Ten opzichte van de kerkenraad worden deze synodale vergaderingen aangeduid als ‘meerdere vergaderingen’ niet omdat zij hiërarchisch boven de kerkenraad staan maar omdat er meer plaatselijke gemeenten bij betrokken zijn. Het systeem is principieel niet-hiërarchisch. De meerdere vergaderingen worden samengesteld uit afgevaardigden vanuit de ‘mindere vergaderingen’; de particuliere synode (provinciale kerkvergadering) en de generale synode worden samengesteld door getrapte verkiezing: de kerkenraden wijzen de leden van de classicale vergadering aan en de classicale vergaderingen wijzen de leden van de particuliere synode, de provinciale kerkvergadering en de generale synode aan. De door de mindere vergaderingen afgevaardigde ambtsdragers zitten in de meerdere vergadering, waarvan zij deel uitmaken, zonder last of ruggespraak. Het is alsof de afvaardigende mindere vergaderingen in hun geheel in de meerdere vergadering aanwezig zijn. Daarom zijn de besluiten van een meerdere vergadering bindend voor de mindere vergaderingen die in de betreffende meerdere vergadering vertegenwoordigd zijn. Dat deze besluitend bindend zijn betekent dat de besluiten niet door de kerkenraden behoeven te worden geratificeerd, zoals in het independente systeem. Dat is kenmerkend voor het synodale systeem. Synodale kerkgemeenschappen zijn principieel niet-hiërarchisch en niet-independent.

Voor de verhouding tot de wereldlijke overheid wordt uitgegaan van de scheiding van kerk en staat. Maar dat betekent niet dat kerk en staat geen boodschap aan elkaar hebben. Op allerlei terreinen wordt met de burgerlijke overheid samengewerkt (bijvoorbeeld armenzorg). Indien nodig wordt voor bepaalde kerkelijke activiteiten subsidie van de wereldlijke overheid aanvaard, bij voorbeeld voor kerkbouw of voor bepaalde takken van zielszorg. En in voorkomende gevallen richt de kerk zich tot de wereldlijke overheid met boodschappen of verklaringen inzake politieke en maatschappelijke vraagstukken.

 

10.3 Rubricering

Aan geen van de in Nederland voorkomende kerkgemeenschappen kan een van de drie genoemde systemen zonder reserve worden toegeschreven. Van de episcopaal-hiërarchische kerkgemeenschappen in Nederland is de Rooms-Katholieke Kerk de bekendste. Maar bijzonder voor haar is dat enerzijds het hiërarchische patroon compleet is, doordat het hoogste gezag in de kerk in handen ligt van één persoon, de paus van Rome, die boven de bisschoppen staat. Anderzijds zijn — althans in Nederland — de parochianen tot op zekere hoogte

|206|

betrokken bij het bestuur van de parochie doordat zij als leken zitting hebben in het parochie- of kerk-bestuur. De eenhoofdige leiding wordt terzijde gestaan door adviserende organen, die in bepaalde gevallen gehoord moeten worden voordat de bisschop of de pastoor een beslissing neemt.

Van de presbyteriaal-synodaal georganiseerde kerkgemeenschappen zijn de grootste de Nederlandse Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken in Nederland; deze twee kerkgemeenschappen zijn met de Evangelisch-Lutherse Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden ‘Samen-op-Weg’ naar de Protestantse Kerk in Nederland, eveneens een kerkgemeenschap van het presbyteriaal-synodale type.

Over de drie zojuist genoemde dogmatische uitgangspunten wordt in hervormde en gereformeerde kring niet geheel gelijk gedacht, hetgeen tot uiting komt in de namen van deze kerkgemeenschappen (Nederlandse Hervormde Kerk en Gereformeerde Kerken in Nederland) en in haar kerkorden. In de kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland zijn de meningsverschillen overbrugd. Ook de andere kerkgemeenschappen die het woord gereformeerd in haar naam dragen zijn van het presbyteriaal-synodale type.

Tot het congregationeel-independente type behoren alle kerkgemeenschappen die het woord gemeenten in het meervoud in haar naam hebben, behalve als daar het woord gereformeerd bij staat. Voorbeelden zijn de Bond van Vrije Evangelische Gemeenten, de Unie van Baptistengemeenten en de Broederschap van Pinkstergemeenten.

De congregationeel-independente kerkgemeenschappen in Nederland zijn alle klein van omvang en onderling vertonen zij welhaast alle variaties die er op het congregationeel-independente thema denkbaar zijn. Zo komt het voor dat een congregationele gemeente een kerkenraad heeft die belangrijker is dan je in een congregationele gemeente zou verwachten. Ook komt het voor dat congregationele gemeenten samen een zodanig vast verband vormen, dat zij niet geheel als independent aangemerkt kunnen worden.

 

10.4 De drie typen in de praktijk

Aan de hand van een concreet voorbeeld wordt nu zichtbaar gemaakt hoe de uitgangspunten die ten grondslag liggen aan de zojuist beschreven systemen doorwerken in de praktijk.

Achtereenvolgens komen aan de orde de geboorte van een rooms-katholieke parochie, een hervormde gemeente, een protestantse gemeente (= een gemeente die behoort tot de Protestantse Kerk in Nederland), een gereformeerde kerk en een vrije gemeente.

|207|

Er wordt telkens antwoord gegeven op vragen als: wie neemt het initiatief, met welke instanties heeft de initiatiefnemer te maken, welke voorbereidende maatregelen dienen te worden getroffen, door welke handeling komt de nieuwe parochie of gemeente tot stand en wat moet er na de totstandkoming nog gebeuren om de actie te voltooien. Ten slotte wordt aandacht gegeven aan de burgerrechtelijke aspecten.

Daarbij wordt de terminologie gehanteerd die in de betreffende kerkelijke regelingen wordt gebezigd. De komende onderdelen van deze uiteenzetting dragen daarom als titel:
- de oprichting van een rooms-katholieke parochie;
- de vorming van een hervormde gemeente;
- de vorming van een protestantse gemeente;
- de instituering van een gereformeerde kerk;
- de stichting van een vrije gemeente.

 

Het verschil in terminologie is niet toevallig. Daarin wordt tot uitdrukking gebracht het verschil in visie op de gemeente bij de leden daarvan en bij de kerkgemeenschap waartoe de parochie of gemeente behoort. Om die reden wordt elk onderdeel van deze bijdrage begonnen met het verwoorden van de idee, die ten grondslag ligt aan het tot stand komen van een nieuwe geloofsgemeenschap ter plaatse.

 

De oprichting van een rooms-katholieke parochie

(Zie c. 515 Codex Iuris Canonici.)

Een parochie wordt opgericht door de bisschop tot wiens diocees de op te richten parochie zal behoren. Hij is immers als herder de eerstverantwoordelijke voor de pastorale zorg aan de katholieken binnen zijn werkgebied.

De relatie van het bisdom tot de daartoe behorende parochies is zodanig, dat het de bisschop is, die ervoor heeft te zorgen dat er overal voldoende parochies zijn om de gelovigen in samen te brengen. Toch heeft een parochie een eigen bestaan en een eigen verantwoordelijkheid. Een parochie is meer dan een onderafdeling of een dependance van het bisdom.

 

Niettemin ligt het initiatief tot het oprichten van een parochie in handen van de bisschop. Maar uiteraard doet hij het niet alleen en niet zonder aanleiding. Aanleiding tot het oprichten van een parochie kan gelegen zijn in het verzoek van een aantal in elkaars omgeving wonende gelovigen, in het advies van in de

|208|

omgeving aanwezige parochies of van in de omgeving werkende pastoors, of gewoon in door de bisschop en zijn staf zelf gesignaleerde ontwikkelingen op demografisch gebied.

Voor de bisschop overgaat tot het oprichten van een parochie, dient hij de priesterraad van zijn bisdom te raadplegen. Aan de orde komt in ieder geval de vraag of de nieuwe parochie als zelfstandige eenheid levensvatbaar zal zijn. De inspraak van de priesterraad is niet beslissend, maar zij kan ook niet zomaar worden genegeerd.

 

Besluit de bisschop tot het oprichten van een parochie, dan neemt hij een aantal voorbereidende maatregelen. Zo moet worden vastgesteld welk geografisch gebied tot de parochie zal behoren. De in dat gebied woonachtige katholieken worden geregistreerd in het ledenregister van de parochie-in-wording. Er dient een pastoor te worden benoemd, evenals een parochie- of kerkbestuur. Ook dient de parochie-in-wording voorzien te worden van voldoende financiële middelen voor kerkbouw en de verdere faciliteiten tot opbouw van het leven en functioneren van de parochie. Ten slotte dient bepaald te worden vanaf welk moment de parochie er is.

In principe is met het besluit van de bisschop het bestaan van de parochie vanaf de in het besluit genoemde datum evenwel een feit.

 

De vorming van een hervormde gemeente en een protestantse gemeente

(Zie Ordinantie 2 artikel 4 HKO en Ordinantie 2 artikel 13 kerkorde PKO.)

Een nieuwe gemeente komt tot stand doordat de kerk daar, waar dat wenselijk is, leden van de kerk bijeen brengt in een gemeente en zorg draagt voor de vorming van een kerkenraad.

Een nieuwe hervormde gemeente wordt gevormd door het breed moderamen van de classicale vergadering. Maar dat gebeurt in de regel op verzoek. Meestal gaat het verzoek uit van kerkleden, die gezamenlijk contact opnemen met de kerkenraad of kerkenraden van de gemeente of gemeenten, waartoe zij volgens de kerkelijke indeling behoren. Voor het gemak gaan we ervan uit, dat de betrokken kerkleden allen behoren tot één hervormde gemeente en we dus te maken hebben met één kerkenraad. Het kan ook zijn dat het initiatief uitgaat van deze kerkenraad, die daarvoor contact opneemt met de gemeenteleden die tot de nieuwe gemeente zullen behoren.

Vervolgens wenden de belanghebbende kerkleden of de betrokken kerkenraad zich tot het breed moderamen (bestuur met toegevoegde leden) van de classicale

|209|

vergadering, waaronder de nieuw te vormen gemeente zal gaan behoren, met een verzoek over te gaan tot de vorming van een nieuwe gemeente. Dat verzoek gaat vergezeld van een weldoordachte opzet waaruit blijkt hoe men zich een nieuwe geografische indeling van de classis in gemeenten had gedacht, uit hoeveel leden de nieuw te vormen gemeente zal bestaan, op welke wijze de nieuwe gemeente denkt te voorzien in de financiering van kerkgebouw, lokaliteiten en pastorale zorg en de ‘erfenis’, die de nieuwe gemeente mee denkt te krijgen van de gemeente waartoe de leden van de nieuw te vormen gemeente tot dan toe behoren.

 

Het breed moderamen van de classicale vergadering gaat vervolgens over tot raadpleging van de belanghebbende kerkleden en de kerkenraden van de gemeenten, die door wijziging van de geografische indeling van de classis met de vorming van de nieuwe gemeente te maken hebben. Tevens vergewist het breed moderamen zich van de levensvatbaarheid van de nieuw te vormen gemeente, onder meer door te bezien of de nieuw te vormen gemeente in staat is een kerkenraad te vormen waarin ten minste drie ouderlingen, drie diakenen en drie ouderlingen-kerkvoogd zitting hebben.

Als dit onderzoek een positief resultaat oplevert, gaat het breed moderamen van de classicale vergadering over tot het vaststellen van de grenzen van de nieuwe gemeente, het vestigen van een predikantsplaats bij de nieuwe gemeente en het aanwijzen van een consulent. Door een daartoe strekkende besluit van het breed moderamen van de classicale vergadering komt de nieuwe gemeente op de in het besluit genoemde datum tot stand. Het breed moderamen van de classicale vergadering organiseert de verkiezing en bevestiging van de ambtsdragers. Zolang de verkiezing en bevestiging van ambtsdragers nog niet heeft plaatsgevonden fungeert het breed moderamen van de classicale vergadering als kerkenraad.

Het breed moderamen van de classicale vergadering zorgt ten slotte voor een bericht aan de generale synode van de Nederlandse Hervormde Kerk, de provinciale kerkvergadering en de burgerlijke overheid, dat er een nieuwe hervormde gemeente is gevormd.

 

De vorming van een protestantse gemeente verloopt globaal op dezelfde wijze, met dien verstande dat in de plaats van het breed moderamen van de classicale vergadering de classicale vergadering zelfde nieuwe gemeente vormt. Belanghebbende kerkleden dienen het verzoek tot vorming van een nieuwe gemeente altijd eerst in bij de kerkenraad van de gemeente waartoe zij behoren. Dat kan één kerkenraad zijn, maar het kunnen er ook meer zijn. De aldus betrokken kerkenraad dient vervolgens het verzoek in bij de classicale vergadering

|210|

van de classis waartoe de gemeente waarvan hij de kerkenraad is, behoort. Deze kerkenraad kan ook zelf het initiatief nemen en het verzoek, na raadpleging van de betrokken kerkleden, uit eigen beweging indienen bij de classicale vergadering.

 

De classicale vergadering wint vervolgens advies in bij de kerkenraden van de gemeenten waarvoor de vorming van de nieuwe gemeente gevolgen heeft, met name door de wijziging van de indeling van de classis in gemeenten. Zij vraagt ook de mening van de betrokken gemeenteleden.

Heeft de classicale vergadering zich vergewist van de levensvatbaarheid van de nieuw te vormen gemeente, waar bij het met name gaat om de vraag of deze gemeente in staat is een volledige kerkenraad te vormen en de kerkordelijk bepaalde taken van een gemeente te verrichten, dan neemt de classicale vergadering het besluit tot de vorming van de nieuwe gemeente. De vestiging van een predikantsplaats blijft achterwege, omdat de protestantse gemeenten niet het systeem van predikantsplaatsen kennen.

Met het desbetreffende besluit van de classicale vergadering is de nieuwe gemeente totstandgekomen op de datum die in het besluit wordt genoemd.

 

De instituering van een gereformeerde kerk

(Zie artikel 42 lid 1 van de Gereformeerde kerkorde met uitvoeringsbepalingen.)

Als ergens een nieuwe gereformeerde kerk wordt geïnstitueerd, wordt de stichtingshandeling verricht door de kerkenraad van de kerk waartoe de leden van de te stichten kerk tot dan toe behoren (de ‘moederkerk’) of door de kerkenraad van de daartoe door de classis aangewezen naburige kerk; deze kerkenraad brengt de ter plaatse woonachtige leden van de te stichten kerk bijeen in een gemeente en draagt zorg voor de vorming van een kerkenraad van de nieuwe kerk.

Wanneer gemeenteleden wensen dat in hun woonplaats een gereformeerde kerk wordt geïnstitueerd, wenden zij zich tot de kerkenraad van de kerk waarvan zij lid zijn, met de wens om een nieuwe gereformeerde kerk te institueren en een verzoek om medewerking daaraan. Het kan ook zijn dat een kerkenraad het wenselijk vindt, dat er in het gebied van de kerk waaraan hij leiding geeft een nieuwe gereformeerde kerk wordt geïnstitueerd. In dat geval raadpleegt de kerkenraad eerst de betrokken gemeenteleden.

In het eerste geval wenden de gemeenteleden zich tot de classis, binnen het ressort waarvan de nieuwe kerk zal worden geïnstitueerd, met het verzoek om

|211|

goedvinden van en medewerking aan het institueren van een nieuwe gereformeerde kerk. In het tweede geval doet de kerkenraad dat.

 

De classis onderzoekt of voor het institueren van de nieuwe kerk goede gronden aanwezig zijn, of deze kerk levensvatbaar is en of de levensvatbaarheid van bestaande naburige gereformeerde kerken niet in gevaar komt door de instituering van een nieuwe kerk. Na goedkeuring verleend te hebben aan het institueren van de nieuwe kerk, wijst de classis een kerk binnen haar ressort aan, om bijzondere medewerking te verlenen; dat kan de kerk zijn waartoe de betrokken gemeenteleden behoren en waarvan de betrokken kerkenraad de kerkenraad is.

De kerkenraad van de aangewezen kerk zet een voorlopige ledenadministratie voor de te institueren kerk op. Hij roept de stemgerechtigde leden van de nieuwe kerk bijeen voor de verkiezing van — ten minste drie — ambtsdragers. Daarna belegt de kerkenraad een kerkdienst, waarin de gekozen ambtsdragers worden bevestigd in het ambt. Ook wijst hij een predikant aan die de gekozen ambtsdragers in het ambt zal bevestigen. Ten slotte zet de kerkenraad een definitieve ledenadministratie op. Met de bevestiging van de gekozen ambtsdragers in het ambt is de instituering van de nieuwe gereformeerde kerk een feit.

De kerkenraad van de nieuwe kerk doet van de instituering bericht aan de classis waaronder de kerk zal ressorteren en aan het bestuur van de burgerlijke gemeente in het gebied waarvan de kerk zich bevindt.

 

De vorming van een nieuwe gereformeerde kerk kan ook totstandkomen door splitsing van een bestaande gereformeerde kerk. In dat geval neemt de kerkenraad van een gereformeerde kerk, na raadpleging van de gemeenteleden, een besluit tot splitsing van de kerk in twee (of meer) kerken. Vervolgens wendt de kerkenraad zich tot de classis met het verzoek om goedvinden van en medewerking aan de splitsing van de kerk. De classis onderzoekt of de uit de splitsing voortkomende kerken levensvatbaar zijn en of de levensvatbaarheid van de naburige kerken niet in gevaar komt door de splitsing.

Na instemming van de classis stelt de kerkenraad het tijdstip van de splitsing vast evenals de verdeling van de bezittingen, rechten en plichten van de ongedeelde kerk over de uit de splitsing voortkomende kerken. Eveneens stelt de kerkenraad vast welke kerk de burgerrechtelijke voortzetting zal zijn van de ongedeelde kerk en regelt hij de overdracht van onroerende zaken door de kerk, die de burgerrechtelijke voortzetting is van de ongedeelde kerk, aan de andere uit de splitsing voortgekomen kerk(en). Dit geschiedt bij notariële akte. Na de splitsing zijn de ambtsdragers van de ongedeelde kerk, zonder nieuwe

|212|

bevestiging, voor de periode waarvoor ze zijn benoemd ambtsdrager van de uit de splitsing voortgekomen kerk waarvan zij lid zijn; voor de splitsing wordt ervoor gezorgd dat de kerkenraad van elke uit de splitsing voortgekomen kerk bestaat uit ten minste drie leden.

De kerkenraad van elke uit de splitsing voortgekomen kerk doet van het bestaan van deze kerk mededeling aan de classis, waaronder de kerk zal ressorteren en aan het bestuur van de burgerlijke gemeente binnen het gebied waarvan de kerk zich bevindt.

 

De stichting van een vrije gemeente

(Zie artikel 6, lid 2 Statuten Bond van Vrije Evangelische Gemeenten.)

Een vrije gemeente ontstaat doordat de leden van de te stichten gemeente zich aaneen voegen tot een gemeente.

Het initiatief tot het stichten van een gemeente gaat altijd uit van de belanghebbende gemeenteleden. Die komen bijeen en spreken met elkaar af over te gaan tot de stichting van een gemeente. In dezelfde bijeenkomst kunnen zij uit hun midden een voorlopige leiding aanwijzen.

Het komt voor dat er een omweg wordt bewandeld. Men gaat dan eerst over tot het oprichten van een (burgerrechtelijke) vereniging. Dat gebeurt bij notariële akte. Het voordeel is dat men op deze wijze een rechtspersoonlijkheid bezittende organisatie heeft, die in staat is rechtshandelingen te verrichten en eventueel een kerkgebouw in eigendom te hebben. Het doel van de vereniging is dan het stichten van een gemeente.

Ter voorbereiding van het stichten van de gemeente zet de voorlopige leiding van de gemeente-in-wording of het bestuur van de genoemde vereniging een ledenadministratie op. Zo kan er een vergadering van gemeenteleden worden belegd, waarin de gemeenteleden uit hun midden de leden van een leidinggevend orgaan aanwijzen.

Een bijzonderheid is, dat niet elke vrije gemeente een kerkenraad kent. Als de gemeente al een leidinggevend orgaan kent, dat wordt aangeduid als kerkenraad, gaat het in geen enkel geval om een kerkenraad, die dezelfde positie in de gemeente heeft als de kerkenraad van een hervormde gemeente of van een gereformeerde kerk. De kerkenraad van een vrije gemeente lijkt meer op het bestuur van een vereniging; de leden van het bestuur worden benoemd en eventueel afgezet door de vergadering van gemeenteleden.

Vervolgens belegt de voorlopige leiding van de gemeente-in-wording of het bestuur van de vereniging een kerkdienst/samenkomst van de gemeente, waarin de leden van het leidinggevend orgaan/de kerkenraad worden geïnstalleerd.

|213|

Deze installatie gebeurt eventueel onder leiding van een door de voorlopige leiding van de gemeente-in-wording of het bestuur van de vereniging daartoe uitgenodigde voorganger van een andere gemeente, die behoort tot de bond of unie van gemeenten waarbij de nieuwe gemeente zich wil aansluiten. Hiermee heeft de nieuwe gemeente haar eerste stap gezet en is haar bestaan een feit.

De kerkenraad/het leidinggevend orgaan van de nieuwe gemeente meldt de gemeente aan bij de bond of de unie van gemeenten waarbij de nieuwe gemeente zich wil aansluiten. Om als zodanig aanvaard te worden door de bond of unie is meestal een aanbeveling van twee of meer andere gemeenten die lid zijn van de bond of unie, nodig. De bond of unie van gemeenten waarbij de nieuwe gemeente zich wil aansluiten, beslist in haar bonds- of unievergadering over de toelating van de nieuwe gemeente tot de bond of unie.

De kerkenraad/het leidinggevend orgaan van de nieuwe gemeente doet veelal van het bestaan van de gemeente mededeling aan het bestuur van de burgerlijke gemeente binnen het gebied waarvan de gemeente haar vestiging heeft.

 

Burgerrechtelijke aspecten

(Zie artikel 2 Boek 2 Burgerlijk Wetboek.)

Een nieuwe parochie of gemeente heeft ook materiële voorzieningen nodig om als geloofsgemeenschap te kunnen functioneren. Te denken is aan een plaats van samenkomst voor de kerkdiensten en aan vergaderaccommodatie voor vorming en toerusting van de parochianen of gemeenteleden en voor het houden van vergaderingen. Ook moeten er contracten kunnen worden gesloten met verhuurders van zalen en met personeel zoals schoonmakers, kosters, beheerders, organisten, opbouwwerkers, kerkelijk werkers, enzovoort.

Het is denkbaar dat de landelijke kerkgemeenschap daar tijdelijk in voorziet. Een bisdom of de hervormde kerk zou een startende parochie of gemeente financieel op de been kunnen helpen. Bij gereformeerde kerken en gemeenten en bij vrije gemeenten ligt dat, gezien de structuur van het kerkverband, niet in de rede. Is de nieuwe gereformeerde kerk te beschouwen als een afsplitsing van een bestaande gereformeerde kerk, dan wordt wel eens een ‘bruidsschat’ in de vorm van een geldbedrag of een reeds ter plaatse aanwezige lokaliteit die toebehoort aan de ‘moederkerk’, meegegeven. Dat gebeurt echter niet vanzelfsprekend, omdat de afsplitsing voor de moederkerk een verlies aan leden en dus ook een verlies aan financiële draagkracht voor het eigen kerkelijke leven van de moederkerk met zich meebrengt.

 

Wil een nieuwe parochie of gemeente op eigen benen staan, dan zal zij zelf moeten kunnen zorgen voor de — voor het leven van de parochie of gemeente — nodige faciliteiten.

|214|

Een voorwaarde daarvoor is het hebben van rechtspersoonlijkheid. Daar is met het realiseren van de parochie of gemeente automatisch in voorzien. Een rooms-katholieke parochie, een hervormde gemeente en een protestantse gemeente hebben rechtspersoonlijkheid als zelfstandig onderdeel van een landelijk kerkgenootschap. Gereformeerde kerken en vrije gemeenten zijn zelf kerkgenootschap en hebben als zodanig rechtspersoonlijkheid. Daartoe moet duidelijk zijn, dat het gaat om een geloofsgemeenschap die bestaat uit personen met een gemeenschappelijke religieuze overtuiging en met het doel gezamenlijk God te dienen in religieuze samenkomsten en in andere activiteiten en die ook als zodanig een kerkgenootschap wil zijn. Daarvoor is geen oprichting bij notariële acte of inschrijving bij een Kamer van Koophandel nodig.