21
30,241-242
04-05-1946

|241c|

De Utrechtsche Synode en het Gereformeerd Kerkrecht (V)

 

Hoe volkomen de kerkrechtelijke Commissie liep aan den leiband van hen, die op de meeste vergadering der Synodocratische Kerken de teugels, of, meer verborgen, de touwtjes in handen hadden, toont conclusie 5 (op conclusie 4 komen we terug). 

Als ’t nu toch ooit tijd was, na de voorgaande conclusie’s, waarbij de Commissie altijd weer gehoorzaam „ja” knikt, om heftig „neen” te schudden en te getuigen: dit was radicaal mis! dan was het hier. 

Buitengewoon beschamend voor de leden der Synodocratische Kerken, die naar recht en waarheid vragen, en irriteerend voor die buitenstaanders, die gehoopt hadden op een rechtvaardig en daarom niemand-ontziend oordeel, is wat in deze conclusie in den gewonen apodictischen, autoritairen Synode-stijl, als ware de Commissie-wijsheid voor geen tegenspraak vatbaar, den volke wordt kond gedaan.

„Het besluit ter afdoening van de behandeling der leergeschillen, ondanks aandrang uit de Kerken om dit punt van het agendum af te voeren, was naar het oordeel der Commissie volkomen wettig en gemotiveerd o.a. door de volgende omstandigheden” — deze zijn vier in getal.

Volkomen wettig en gemotiveeerd.

Onlangs stelde iemand in zeker blad voor om het communistische blad „De Waarheid”, dat een onvoldoende en eenzijdige berichtgeving de wereld inzond betreffende de wandaden van de extremisten op Java, voortaan „De halve Waarheid” te noemen. Eer men op de Utrechtsche Synode het groote woord spreekt: volkomen wettig en gemotiveerd, is men bezig te dingen naar dienzelfden titel: de halve waarheid.

Want wat hier gezegd wordt is onvolledig en eenzijdig. Er is ook op de Synode zelf krachtig gepleit voor afvoering van de leergeschillen van het Synode-agendum. Door ons is aan Synodeleden gevraagd, of we in ’t publiek naar waarheid konden zeggen: er is op de Synode gesmeekt om toch niet door te gaan — en ze hebben geantwoord: dat kunt U gerust doen, dat is geheel overeenkomstig de waarheid.

En dan: ondanks aandrang uit de Kerken? Als de Synode iets aan de Kerken wil opleggen, en van te voren aan mogelijke tegenspraak den wind uit de zeilen wil nemen, dan verhaalt ze gaarne van haar eenstemmigheid: vergeet niet, dat het besluit met algemeene stemmen genomen is. Maar nu het gaat tegen den wil van hen, die ter Synode op den bok zitten, nu heet het heel poover: ondanks aandrang uit de Kerken.

Was die aandrang gering, weinig beteekenend, zwak? Of was dat aandringen forsch, sterk, machtig?

We behoeven hier niet in den blinde rond te tasten, de officieele Acta zijn verschenen, zij geven het antwoord.

In deze Acta (voortgezette Generale Synode van Sneek 1939) merken we op een aandringen van de Kerken om te overwegen of te besluiten de zaak der leergeschillen van ’t agendum af te voeren, (bl. 26) door: 1. de Part. Syn. van Noord-Holland, vertegenwoordigend (volgens het Jaarboekje 1943) 88269 zielen; 2. de. Part. Syn. van Gelderland, vertegenwoordigend 52433 zielen.

Nu komen de classes. We laten de classes, die binnen het ressort van genoemde Particuliere Synoden liggen, buiten beschouwing. Het Rapport op bl. 246-249 doet ons zien, dat evenzeer voor afvoering pleitten de classes:

|242a|

Almelo vertegenw. 11865 zielen
Breukelen vertegenw. 4964 zielen
Gouda vertegenw. 7081 zielen
Couvorden vertegenw. 8824 zielen
Almkerk vertegenw. 6251 zielen
Ommen vertegenw. 9685 zielen
Drachten vertegenw. 14504 zielen
Rotterdam vertegenw. 40517 zielen
Warffum vertegenw. 12452 zielen
Assen vertegenw. 10967 zielen
Gorkum vertegenw. 6706 zielen
Kollum vertegenw. 10347 zielen
Axel vertegenw. 5499 zielen
Grootegast vertegenw. 13813 zielen
Beilen vertegenw. 3958 zielen
Zwolle vertegenw. 19601 zielen
Franeker vertegenw. 7428 zielen
Deventer vertegenw. 5988 zielen
Amersfoort vertegenw. 14865 zielen
Klundert vertegenw. 4486 zielen
Groningen vertegenw. 27772 zielen.

De classis Middelburg „heeft geen behoefte aan behandeling van genoemde zaken”.

En hier zijn de Kerken. Weer laten we liggen de Kerken, die om afvoering verzochten, maar liggen binnen de reeds genoemde ressorten. Dan zijn er de volgende „bezwaarde” Kerkeraden:

Garrelsweer vertegenw. 734 zielen
Utrecht vertegenw. 9679 zielen
Alblasserdam vertegenw. 574 zielen
Bodegraven vertegenw. 1335 zielen
Sneek vertegenw. 3029 zielen
Leiden vertegenw. 4504 zielen
Nieuwerkerk (Z.) vertegenw. 387 zielen
’s-Gravendeel vertegenw. 700 zielen
’s-Hertogenbosch vertegenw. 710 zielen
Nieuw-Lekkerland vertegenw. 388 zielen
Molenaarsgraaf-Brandwijk vertegenw. 268 zielen
Honselersdijk vertegenw. 812 zielen
Boskoop vertegenw. 1402 zielen
Amsterdam vertegenw. 13138 zielen
Maastricht vertegenw. 222 zielen
Maassluis vertegenw. 2945 zielen.

Totaal: 2 Particuliere Synoden, 21 Classes, 16 Kerkeraden, vertegenwoordigend niet minder dan 429102 leden. Alle Nederlandsche Geref. Kerken hadden in 1943 samen 672649 leden (wij rekenen de buitenlandsche Kerken niet mee, wier leden in den bezettingstijd zich niet tot de Synode konden wenden).

Dat beteekent dus, dat het overgroote deel van de Kerken, zooals ze in kerkelijke vergaderingen samenkomen, welke vergaderingen representeerden bijna ⅔ deel van alle leden van alle Nederlandsche Gereformeerde Kerken, tot de Synode gezegd hebben: doe het niet! ga niet voort!

Niettegenstaande de Synode aldus èn van binnen uit, èn van buiten af gewaarschuwd was, zette ze toch door.

Weet U, hoe?

Artikel 577: De bespreking van de behandeling der meeningsgeschillen wordt voortgezet. Dr Hoek geeft een overzicht van den inhoud der ingezonden stukken dienaangaande. Dr Van Es neemt een door Prof. Ridderbos ingediend advies als voorstel over, dat aldus luidt:

„De Synode, overwegende, dat er in de ingekomen stukken geen novum is aangegeven, besluit:
1e. onmiddellijk over te gaan tot behandeling van de zaken, waarvoor ze is samengekomen;
2e. de ingekomen stukken, die op deze zaak betrekking hebben, in handen te stellen van een commissie, die de Synode adviseere, wat haar naar aanleiding van deze stukken te doen staat.

Dat beteekent dus:
De Kerken zeggen in groote meerderheid: neen. Professor Ridderbos — pardon, de Synode zegt en besluit: ja. En nu moet een commissie zien, hoe ze ’t been weer zoo ongeveer in ’t lid krijgt.

De Synode, op instigatie van Professor. Ridderbos, zet dóór, al weet ze niet eens, wat er in de stukken staat. Ze heeft alleen een „overzicht van den inhoud” ontvangen, met de tendenz: „geen novum” — wat gij, Kerken, beweert, zegt de Synode, wisten wij ook al.

Maar de argumenten overwegen, nauwgezet, zooals een vergadering doen moet, gezeten om recht te doen?

Geen sprake van.

De Synode overweegt niet op het beslissende punt, neemt niet eens nauwkeurig kennis van de argumenten. Dit verraadt het rapport, dat op bl. 247 spreekt van een ,,globaal overzicht” dat de Sjmode kreeg, maar tegelijk bekent, dat de Synode niet volledig was ingelicht, en zelfs geen nauwkeurige opgave had van den inhoud van de bezwaarschriften.

En toch maar dóórgaan.

En toch maar de Kerken door de heillooze binding scheuren. 

|242b|

En degenen, die mede gewaarschuwd hadden, uitmaken voor muiters en scheurmakers!

Het punt mag van het agendum niet af!

Al is het er tegen de Kerkenordening opgekomen — het deert niet.

Al heeft geen enkele Kerk er om gevraagd — het deert niet.

Al zijn niet eens alle Gereformeerde Kerken vertegenwoordigd (Oost-Friesland en de Graafschap Bentheim waren niet meer uitgenoodigd), het deert niet.

Al zeggen de afgevaardigden van het overgroote deel van het gereformeerde volk: doe het niet! — de Synode stoort er zich niet aan. 

’t Heeft nog wel even gespannen. Licht viel den heeren op den bok de overwinning niet. Ofschoon van de professoren 8 van de 10 vóór het voorstel-van Es (Ridderbos) stemden, volgden slechts 27 Synodeleden; 23 waren tegen.

Maar gelukkig — ’t was er dóór. 

En de 23 kunnen zich conformeeren. Zoo niet „de iure”, dan maar „de facto”. En de Synodale wagen rolt weer rustig verder.

Zou men zich, na zooveel moeite, de kans laten ontglippen om de Kuyper-constructie inzake Verkiezing, Verbond en Sacrament tot heerschappij te brengen in de Kerken? Tot geen prijs. Daarom zijn de motieven, door de Commissie gevonden, zeer begrijpelijk, alleen had men zich nog even scherper kunnen uitdrukken:
1e. het desbetreffende punt moest en zou er door;
2e. ’t was de vraag, of een volgende Synode er weer zoo gunstig voor zou staan;
3e. het in 1892 aanvaarde gemis van eenstemmigheid inzake de leer moest nu voor goed de wereld uit;
4e. in verband met den noodtoestand van ons land en volk mocht verwacht worden, dat het getal protesten en bezwaarschriften lang niet zoo groot zou zijn als gebleken is, aangezien zooveler hoofden en harten vol waren van de ééne gedachte: de onmenschelijke tirannie van de Duitschers in Gods kracht te weerstaan, en den geestelijken strijd naar Gods wil te strijden.

Men ergert zich, als men de vier conclusie’s leest van de buigende en knikkende commissie:
a) het desbetreffende punt yan het agendum behoorde na jarenlange voorbereiding, indien eenigszins, mogelijk, te worden afgewerkt; (Ja ja, en de Kerken er aan wagen!)
b) een volgende Synode zou opnieuw de geheele zaak in studie moeten nemen; (dat is een kleinigheid voor de huidige Synoden: in ’n paar dagen heeft men een gefundeerd oordeel over ’n geleerd prae-advies van ruim 70 pagina’s);
c) het in 1936 geconstateerde gemis aan eenstemmigheid inzake de leer bleek in de Kerken nog steeds aanwezig; (maar er waren toch geen ketters, dat heeft immers een Synode-stem, een Deputaat-stem luide over de Synode uitgeroepen, zonder tegenspraak te vinden? En van de „toetsing aan de gangbare meeningen” is immers niets terecht gekomen?);
d) in verband met den noodtoestand van ons land en volk mocht verwacht worden, dat ieder geneigd zou zijn krachtig mee te werken aan een goede oplossing van de gerezen moeilijkheden . . . (Wie deed de moeilijkheden rijzen? De Kerken? Of de Synode? En zijn de Kerken er, om alleen maar ja te knikken, dat is in dat geval: zichzelf al dieper in ’t moeras te helpen?)

Volkomen wettig ongemotiveerd.

Wij houden staande: volkomen onwettig en ongemotiveerd.

Kon de Commissie nu heusch geen betere argumenten vinden? Hoe uitermate zwak, hoe bedroevend arm is deze „argumentatie”.

Toch verbaast ons deze treurige verdediging niet.

Een slechte zaak kan nooit zóó verdedigd worden, of bij confrontatie met de feiten moet haar onhoudbaarheid aan ’t licht komen.

’t Ware beter geweest, indien de Commissie naar geen „gronden” gezocht had. Deze „gronden” kunnen alleen maar dienen om de waarheid te bedekken. Wat is er mee gediend dan de vleeschelijke begeerte het ontruste volk in de Synodocratische Kerken het hoofd in den schoot te doen leggen?