21
27,218-219
13-04-1946

|218c|

De Utrechtsche Synode en het Gereformeerd Kerkrecht (III)

 

Hoe weinig de Synode van Utrecht bedoelde hereeniging te zoeken blijkt hieruit, dat geen der kerkrechtelijke wandaden der vorige Synode’s werd herroepen: in 15 meerendeels breedvoerige conclusie’s worden ze feitelijk alle gehandhaafd, en de begane zonden voorzichtig toegedekt.

In de eerste conclusie wordt uitgesproken, dat de Synode zich niet geroepen gevoelt, naar het algemeen beleid van haar voorgangsters een omstandig onderzoek in te stellen of daarover een oordeel uit te spreken, doch zich meent te moeten beperken tot de beoordeeling van concrete, bij haar ingebrachte bezwaren tegen handelingen of besluiten dier Synodes.

Dus: geen onderzoek of oordeel over het algemeen beleid. Nu, dat had beter weggelaten kunnen worden. Wie zou dat vragen? Wie zou zulk een eisch of onderzoek bij een Synode indienen? Het eerste deel van deze conclusie is volmaakt overbodig. Maar heel deze „conclusie” is ook misplaatst. Immers, de Synode verklaart, alleen op bezwaren in te zullen gaan die bij haar zijn ingebracht tegen de voorafgaande Synoden. Nu zou men kunnen vragen: zou het niet beter en doeltreffender geweest zijn, als de Synode ook onder ’t oog had gezien de bezwaren die door de Kerken onderhoudende art. 31 voorheen ingebracht tegen bepaalde besluiten der Synode van Sneek, Sneek-Utrecht en Amsterdam; beter en doeltreffender, omdat de jongste Synode toch stond in het teeken der eenheid? Wie zegt, eenheid te zoeken en zich van te voren gaat beraden, is die niet genoopt althans kennis te nemen van de oorzaken, die de eenheid verstoorden en te niet deden?

Maar nu zien we nog eens de conclusie’s in.

Zij handelen over bezwaren, in eigen kring tegen de voorafgaande Synoden ingebracht.

En wat blijkt nu?

Een herhaling van de bezwaren, door de thans vrijgemaakte Kerken reeds lang geleden bekend gemaakt.

Vrijwel het geheele bekende bezwaren- en aanklachten-register keert terug.

Over het onwettig aan de orde stellen der meeningsverschillen (concl. 2); over de geheime Synode-zittingen (concl. 3); over het achterhouden van rapporten (concl. 4); over het dóórdrijven van de afhandeling der meeningsverschillen en bezettingstijd (concl. 5); over art. 30 (concl. 6); over art. 31 (concl. 7); over het „zich conformeeren”

|219a|

(concl. 8); over het gedwongen zwijgen (concl. 9); over de afvaardiging van bezwaarde ambtsdragers(concl. 10); over de zelfcontinueering, art. 50; (concl. 11, 12); over art. 79 (concl. 13); over schorsing en afzetting (wering) van Prof. Greijdanus, Prof. Schilder, cand. Schilder (concl. 14, 15).

Dat wil dus zeggen: bezwaarden in de niet-vrijgemaakte Kerken en de thans vrijgemaakte Kerken spreken principieel één taal, trekken één lijn. Als nu ook zij, die de hiërarchie van deze Synode gezien hebben, naar hun eigen belijdenis, deze lijn maar doortrekken (art. 32 Ned. Geloofsbelijdenis: „En daarom verwerpen wij . . . . .”)

Practisch maakt het dus weinig of geen verschil, of men nu behandeld heeft de bezwaren van 1946 of die van 1942 tot 1945. Maar daarmee is conclusie 1 niet slechts overbodig, maar heel de tegenstelling tusschen algemeen en bijzonder of concreet, de vermelding van bij haar ingebrachte bezwaren, als zou dat beduidend verschil maken met bij haar voorgangsters ingebrachte bezwaren, doet niet ter zake, komt hier niet van pas, is misplaatst.

De inzet is dus niet bijster gelukkig.

Doch dit geldt alleen nog maar de vaststelling van ’t kerkrechtelijk agendum.

We komen nu tot de poging, de bezwaren weg te werken, dat is: de begane misslagen en zonden te bedekken.

Dat begint aanstonds in conclusie 2. Ze vindiceert, dat de zaak der meenings- of leergeschillen (toen men ons uitwierp, waren het leergeschillen; thans heeft men de keus tusschen deze benaming en de andere, die het recht van uitbanning ontkent) door de Synode van Amsterdam (1936) niet op onwettige wijze aan de orde is gesteld,
a. omdat dan een meerdere vergadering het recht niet kan worden ontzegd, op eigen initiatief een zaak als de handhaving der leer aan de orde te stellen;
b. omdat bovendien de aanleiding tot het voorstel ter zake is geweest een uit de Kerken zelf bij de Synode aanhangig gemaakt voorstel en de leden eener Synode het recht hebben, op grond van een aanhangige zaak bepaalde voorstellen te doen.

Ziezoo. De Synode heeft gesproken. Is het nu uit? Neen, nu begint het pas. Een uitspraak doen is zoo moeilijk niet. Maar die uitspraak waar maken, waar maken, daar is het wachten op. Poneeren is gemakkelijk. Maar bewijzen met klare, steekhoudende argumenten. Dat mochten we verwachten, na al wat sinds lang over dit punt van onze zijde is gezegd en geschreven.

Komt daar iets van terecht?

Neen.

Aan een meerdere vergadering kan het recht niet worden ontzegd, op eigen gezag een zaak als de handhaving der leer aan de orde te stellen? Dat kan wèl. Sterker: dat geschiedt. Door wie? Door de kerkenordening, die de Synode geroepen en verplicht is (zij niet in de laatste plaats) te onderhouden. Die kerkenordening, reeds de eerste, die met gemeen accoord werd aangenomen (Emden 1571) bepaalt, dat aan de roepende Kerk alle zware zaken, die in andere Kerken der provincie (Cap. III, 11) of in andere Kerken uit alle provincie’s (Cap. IV) voorvallen, of die in de vergaderingen van Kerkeraden of classes of Particuliere Synoden niet hebben kunnen afgehandeld worden, of zoodanige zware zaken die de gansche Provincie (III, 11) of alle Provinciën (IV) raken, naarstig en bijtijds moeten gezonden worden? Het agendum moet drie maanden (1578, Cap. II art. 26: twee maanden of daaromtrent) aan alle Kerken worden toegezonden, „van dewelke een iegelijke Kerk bijtijds mag bedanken, en haar oordeel in de classicale vergadering (resp. Particuliere Synode) voortbrengen, opdat zij, die vanwege de classis (resp. Part. Synode) uitgezonden worden, met voorbedacht oordeel, en wat van alle Kerken van die classe (resp. Part. Synode) daarvan gevoeld wordt, mogen voortbrengen”.

Deze bepaling is nooit afgeschaft, integendeel telkens herhaald en nader aangedrongen, zoodat ze naar art. 87 nog steeds van kracht is, en de Synode, die nooit boven, maar steeds onder de Kerkenordening staat (en haar alleen mag wijzigen als de wensch daartoe uit de Kerken opkomt en de Kerken deze wijziging op het Synode-agendum plaatsen) dus in geen geval op eigen initiatief quaestie's, die de leer raken, aan de orde mag stellen. Doet ze dit toch, dan gaat ze rechtstreeks tegen de Kerkenordening in, dan is de zaak, niet zooals Utrecht 1936 beweert, wettig aan de orde gesteld, maar onwettig, en heeft elke Kerk het volste recht zulk een onwettig tot stand gekomen besluit naast zich neer te leggen. 

Dat wat de eerste „grond” van conclusie 2 betreft.

En nu de tweede grond.

Daarin beweert Utrecht, dat de aanleiding tot het voorstel ter zake is geweest een uit de Kerken zelf bij de Synode aanhangig gemaakt voorstel.

Een haastig lezer zou uit deze conclusie-grond de conclusie kunnen trekken, dat de quaestie der

|219b|

meeningsgeschillen dus wel uit de Kerken was opgekomen.

Maar vergis U niet.

Wanneer U de Acta van 1936 opslaat ziet U al heel spoedig, dat het in geen enkel voorstel, bij de Synode aanhangig gemaakt, liep over de meeningsgeschillen zelf, maar alleen over de polemiek. Het ging over den toon van hetgeen destijds in kerkelijke bladen gepubliceerd werd, en heel niet over den inhoud daarvan. Men vroeg aan de Synode: wilt U een weg zoeken, waardoor veranderd wordt de wijze, waarop men schrijft — allerminst: wij hebben bezwaren tegen die en die meeningen of leerstellingen.

Dat wil dus zeggen: over de beslechting van „leer- of meeningsgeschillen” hadden de Kerken niets gevraagd.

De Synode spreekt hier niet eerlijk, niet ronduit, ze is niet waar.

Is de toon de aanleiding tot den inhoud?

Is de scherpte van ene debat aanleiding tot behandeling van de zaken, die in het geding zijn?

Is een rechter, die in een woordenwisseling tusschen twee personen gevraagd wordt een oordeel te vellen over te scherpe of kwetsende uitdrukkingen, die gebezigd zijn, bevoegd om „naar aanleiding daarvan” een heel ander iudicium te geven, n.l. over de vraag, wie van beide partijen gelijk heeft?

Wat zwakke zaak, die met dergelijke „argumenten” moet verdedigd worden.

Twee gronden voor conclusie 1.

De eerste „grond” is niet aanwezig.

De tweede „grond” is niet aanwezig.

Tweemaal nul is nog altijd nul.