21
25,197-198
30-03-1946

|197b|

De kerkrechtelijke beslissingen der Utrechtsche Synode (II)

 

Wanneer we nu de rekening opmaken, dan sluit deze met een ontstellend tekort. Of liever: ze sluit in ’t geheel niet, want tegenover het ontzaglijk deficit zijn geen baten of winsten aan te wijzen.

Vatten wij, op grond, van de verslagen in de bladen, ons oordeel samen, dan heeft deze zoogenaamde appèl-Synode getoond:
1. principieel in gebreke te blijven;
2. van revisie niet te willen weten;
3. de wandaden van haar voorgangsters toe te dekken;
4. uitspraken te doen, die het punt in geding niet raken.
We willen dit aantoonen.
Om met het eerste te beginnen: de Utrechtsche Synode tracht ons duidelijk te maken, dat vele van de door haar voorgangsters genomen besluiten omstandigheids-beslissingen waren.

’t Is opmerkelijk, hoe vaak het woord omstandigheid of omstandigheden voorkomt om daarmee de noodzakelijkheid van bepaalde handelingen of besluiten te willen betoogen, of om, zooals in conclusie 1, de taak van die voorgangsters (wie had haar die opgedragen? wie gaf haar het recht, van boven af in te grijpen?) bij voorbaat als een zeer zware af te schilderen.

Zoo zijn het, zegt conclusie 3, de omstandigheden geweest, die ten aanzien van de meenings- of leergeschillen tot geheime behandeling noopten.

|197c|

Het waren de omstandigheden, verhaalt conclusie 10, die het continueeren van de zittingen der Synode Sneek-Utrecht tot een tijdsduur van meer dan drie jaar motiveerden.

Weer waren het de omstandigheden, aldus conclusie 11, die drongen tot telkens opnieuw provisioneel sluiten van de Synode.

En de omstandigheid was aanwezig, zoo deelt ons conclusie 12 mee, dat de Synode er toe heeft moeten (!) overgaan, rechtstreeks tucht te oefenen, met voorbijgaan van de plaatselijke kerkeraden.

Die omstandigheden toch, hoe kunnen ze den menschen parten spelen!

Want die Synoden, ziet U, waren wel van goeden wille, maar . . . . die omstandigheden!

Ja, ja, waar nu de plechtig aangegane overeenkomst, in de Kerkenordening vastgelegd? Maken de omstandigheden het principiëele ja van de Kerkenordening tot een neen uit berekening en utiliteit?

Waar wordt in deze kerkrechtelijke beslissingen de kerkstijl gevonden, het profetische woord en de profetische toon? Men zoekt ze tevergeefs.

En waar blijft de trouw aan het eens gegeven woord, door het gemeen accoord geëischt?

Waar blijft ten slotte het beginsel, dat in de betreffende artikelen der Kerkenordening tot uitdrukking komt: in de Kerk des Heeren geen hiërarchie, geen eigenmachtig optreden van menschen?

Ziet men niet, dat het beginsel met voeten wordt getreden, als de omstandigheden richtsnoer en maatstaf worden?

Is er één verkeerde daad, die niet kan goed gepraat worden met het verwijzen naar de omstandigheden?

Wie maakt uit, of in een bepaald geval het beginsel moet losgelaten worden voor de praktijk? Dat doet hier de Synode. Telkens dus, als een Synode van oordeel is, dat de omstandigheden afwijking van het accoord van kerkelijk handelen toelaten of vorderen (waar is hier de norm?) kan de Kerkenordening op zij worden gezet.

Hier wordt de deur geopend voor ongebonden machtsusurpatie en willekeur van enkele tientallen Synode-afgevaardigden. Als rechteloos wordt elke Kerk van Christus behandeld en gedirigeerd door hen, die haar moeten dienen; de lastgeefster wordt lastdraagster, en zij, die geroepen zijn aan te raden en te helpen en voor te lichten, worden heerschers. Een beroep op de omstandigheden doet het accoord te niet! Wat helpt de verzekering in de conclusie’s: gewoonlijk zoo en zoo, maar in dit speciale geval . . . . .; of: zooveel mogelijk moet het aldus, maar als ’t anders gaat, à la bonheur! of: in ’t algemeen moet het naar den vastgestelden regel, maar bij wijze van exceptie . . . . .

En wie constateert de speciale gevallen, de uitzonderingen, de exceptie’s? Dat doet de Synode. En de Kerken hebben niet anders te doen dan het hoofd te buigen, want niet de Kerkenordening, niet de afspraken, niet de vastgelegde beginselen hebben het laatste woord, maar de Synode heeft en houdt het woord, het eerste en het laatste.

Met droefheid en verontwaardiging constateeren we, dat het Schriftuurlijk beginsel: geen hiërarchie in Christus’ Kerk, o.m. tot uitdrukking gebracht in de artikelen 30, 33, 46, 50, 79 der Kerkenordening, door de voorafgaande Synoden zijn verloochend, terwijl die verloochening door de „appèl-Synode” wordt gerechtvaardigd.

Is dat revisie? Het lijkt er niet naar. Dogmatisch een nieuwe formule, die echter zakelijk geheel gelijk is aan de oude, die conform Schrift en belijdenis geoordeeld werden (waarom dan die oude formuleeringen niet gehandhaafd? ook hier speelt de „veranderde situatie”, dat zijn: omstandigheden de hoofdrol) kerkrechtelijk een groot aantal conclusie’s, maar die zakelijk alle misslagen bestendigen; een taai vasthouden aan het eenmaal ingenomen, fatale standpunt.

Het parool bleek te zijn: in het oude (verkeerde) spoor, vooruit!

Immers:
Conclusie 2 handhaaft, tegen de besluiten der oude Kerkenordeningen in, het „recht” der Synoden, eigenmachtig, zonder opdracht der Kerken, leerquaestie's aan de orde te stellen;
conclusie 6 keurt goed de ontwrichting van het fundament der Reformatie: het heerschen van de Synode over de consciëntiën;
conclusie 12 vindiceert het „recht” der Synode, over de Kerkeraden heen, eigenmachtig ambtsdragers te schorsen en af te zetten;
conclusie 13 beweert, dat de schorsing en/of afzetting der hoogleeraren Schilder en Greijdanus en de wering van het ambt van candidaat Schilder „wettig” tot stand kwamen.

Waar blijkt de begeerte naar revisie, naar herziening, verbetering, naar verloochening van de gevolgde verkeerde praktijken?

Nergens.

Heel geen fouten?

Neen, de eenige fout, als U dat dan een fout wilt noemen, is volgens Dr H.N. Ridderbos, dat de

|198a|

vorige Synoden „niet altijd voldoende tegen een verkeerden schijn gewaakt hebben”. Noem het argeloosheid. Maar een fout? Laat staan een zonde? Nog eens: waar is de winst? De winst, waarop wij hoopten, de winst, zoo vorig begeerd?

Ze is niet te vinden.

Wat wel te vinden is, dat is: het toedekken van bedreven wandaden der vorige Synoden; wel te vinden zijn uitspraken, die het punt in geding niet raken.