21
24,189-190
23-03-1946

|189c|

De Utrechtsche Synode en het Gereformeerd Kerkrecht (I)

 

Met bijzondere belangstelling is van de zijde der vrijgemaakte Kerken uitgezien naar ’t geen in Utrecht gebeuren ging. Al luider klonken in de niet-vrijgemaakte Kerken de stemmen die om eenheid riepen, om samenbinding in de worsteling van dezen tijd. De verwachting werd gewekt, dat hereeniging zou gevonden worden, en in de eerste zittingen der pasgehouden Utrechtsche Synode werden over de eenheid woorden gesproken naar ons hart, ook door hen, wier daden in ’t verleden met dit éénheids-begeeren in flagranten strijd waren, maar over wier veranderd inzicht wij ons slechts konden verheugen. Onze hoop groeide, dat aan de verscheurdheid, door ons nooit gezocht, noch in de wereld gebracht, een eind zou kunnen komen.

Hoe blijkt de uitkomst met deze verwachting te spotten!

Hoe diep zijn wij door de handelingen van deze eenheids-Synode teleurgesteld!

Naar beide zijden: èn dogmatisch, èn kerkrechtelijk.

Dogmatisch zegt deze Synode: wij hebben gelijk.

En kerkrechtelijk: wij hebben gelijk.

Best.

Maar nu nog over eenheid praten?

Eerst eigen standpunt fixeeren, vastleggen, het zegel der goedkeuring hechten aan gemaakte fouten en bedreven misslagen (om het niet scherper te zeggen) en daarna, en tòch zich houden, alsof men met de uitgebannenen tot overeenstemming wil geraken?

Wat is dit voor pose?

Het standpunt en de bezwaren der vrijgemaakte Kerken waren bekend.

Nu één van drieën.

Of men begint, het bedreven onrecht te herstellen en waarborgen te geven, die herhaling uitsluiten. Dan was de eenheid zóó maar tot stand gekomen.

Of men begint aanstonds contact te zoeken met hen, van wie men verschilt om te pogen een basis te vinden, waarop beide partijen zich met een goede conscientie zouden kunnen hereenigen. Zou dit pogen mislukken, dan zou het later herhaald kunnen worden, maar in elk geval had dan het roepen om eenheid eenigen zin gehad.

Of men begint te zeggen: wij hebben de in geding zijnde quaestie’s opnieuw overwogen, en het resultaat is: wij hadden gelijk.

De Utrechtsche Synode koos welbewust voor het laatste.

Zij moet weten, wat ze doet.

Zij is hierin voor God verantwoordelijk.

Maar dan moet men niet weer over eenheid praten. Dan moet men geen eenheids-commissies benoemen, en geen plannen beramen, de buitenlandsche kerken er bij te halen als de „eenheidspogingen” eens dreigden te stranden. Want eenheid is op de manier van deze Utrechtsche Synode dan alleen mogelijk, als de vrijgemaakte kerken het hoofd in den schoot leggen, al hun op Gods Woord, de belijdenis en de kerkenordening gegronde bezwaren eenvoudigweg verloochenen, en zich, van ketterij en scheurmakerij bewust, de uitspraken der Utrechtsche Synode aanvaarden.

Van ketterij: want de nieuwe dogmatische formule, zegt de Synode, is zakelijk de oude. Zij stemt overeen met Schrift en Belijdenis. Wanneer ik dus vasthoud aan de belijdenis, dat de Doop beteekent en verzegelt de belofte Gods, en niet wat in den doopeling geacht wordt aanwezig te zijn of aanwezig te zullen zijn, ga ik tegen Schrift en Belijdenis in en ben ketter.

Van scheurmakerij: want wat de vorige Synoden gedaan hebben, was goed. Veel van wat ze deden moet wel niet weer voorkomen, neen, neen, maar zoo bij exceptie en gezien de omstandigheden kon ’t wel niet anders. Dus: ’t moest zoo. Wat moet in de kerk is de volbrenging van Gods wil. Anders is van moeten geen sprake. M.a.w.: Van terugneming der schorsingen en afzettingen, eenvoudig en royaalweg, is niets gekomen. En wie terecht is geschorst of afgezet en toch zijn ambt blijft waarnemen, hoe kan die mensch anders betiteld worden dan als scheurmaker?

Maar is, wat we hierboven schreven, juist?

Kan het nog niet zóó, dat de Synode wel eigen standpunt handhaaft, maar na samenspreking met de vrijgemaakte kerken toch nog kan zeggen: inderdaad, op die en die punten moeten we retireeren?

Hier komt juist het fatale van de pasgenomen besluiten voor den dag.

Neen, dat kan de Synode niet.

|190a|

Want deze Synode kwam samen tot nader beraad. Ze zou zich bezinnen, eer het eenheidswerk ging beginnen. Maar dat beraad en die bezinning kwamen hierop neer: wat uitgesproken is, en zooals gehandeld is, was naar het Woord.

En wie dat eenmaal op deze wijze heeft vastgelegd, moet in dezelfde richting doorgaan en in denzelfden stijl verder handelen.

Gesteld eens, dat een samenspreking plaats zou hebben, dan zou deze Synode tot haar Deputaten moeten zeggen: ge houdt vast aan hetgeen wij uitgesproken en besloten hebben, en ge doet daar niets van af, want dat was alles naar Gods Woord. 

Bovendien: onze bezwaren waren bekend. Ook in een samenspreking zouden ze zeker herhaald worden. Niettemin zegt de Utrechtsche Synode: ondanks al de bekende bezwaren en de documenteering daarvan, wij hadden gelijk.

Ziedaar het Utrechtsch éénheids-begeeren.

Wij laten dat nu verder voor wat het is.

We wilden ons in enkele artikelen nader uitspreken over de genomen kerkrechtelijke besluiten. Velen achten de dogmatische quaestie belangrijker dan de kerkrechtelijke.

Men meent: het dogma raakt de kerkleer; het kerkrecht slechts de kerkelijke orde.

Doch met dit laatste is heel wat meer gemoeid.

Het kerkrecht heeft rechtstreeks te doen met de handhaving of verloochening van Christus’ koningschap.

De troon en de kroon van den eenigen Koning, den eenigen Heere in de Kerk is hier in geding.

Telkens weer staan in de Kerk menschen op, die zich stellen tusschen Christus en Zijn Gemeente, eigenmachtig spreken en handelen, en lasten opleggen, die Christus niet oplegt, te kort doende aan de eere en de rechten van onzen eenigen Koning.

Wie het gevaar van menschenheerschappij in de Kerk onderschat, en op menschenwoord afgaat zonder het nauwlettend te toetsen aan Christus’ Woord, is onbewust bezig aan het eenige Koningschap van Christus te kort te doen, het te ver- donkeren en het te verloochenen.

Inderdaad is in het onderhavige conflict de kerkrechtelijke quaestie gewichtiger en ingrijpender dan de dogmatische.

Men sprak en spreekt over de binding?

Maar achter de binding lag reeds de hiërarchie, een kerkrechtelijke quaestie van de eerste orde.

Die hiërarchie is ook door de jongste Utrechtsche besluiten niet losgelaten, maar bestendigd.

We hopen dit nader aan te toonen.