41
2,25-36
01-04-1993

|25|

De vrouw in de gemeente: aspecten en vragen

 

Groningers zijn actieve en geïnteresseerde mensen. Dat herinner ik mij uit onze eerste gemeente Helpman. Op de laatste gemeentevergadering, die mijn man en ik daar meemaakten vóór ons vertrek naar Zwolle, mocht ik op verzoek van de kerkeraad een lezing houden over het stemrecht van de vrouw in de kerk. Het was in januari 1946. Ik was nog maar net 28 jaar, al vond ik dat toen een respectabele leeftijd.

 

Nu, 47 jaar later, mag ik weer in Groningen komen. En ik bevind mij onder broeders en zusters, die zich behoorlijk hebben ingewerkt. Dat blijkt wel uit de samenvatting van uw besprekingen op de kluftavonden — wat een heerlijk Gronings woord! — in wijk Noord van Groningen-Oost.

Al tientallen jaren is “de vrouw in de kerk” onderwerp van gesprek in de gereformeerde kerk, meldt u daarin. Toegespitst op het vrouwenkiesrecht is de belangstelling er echter al meer dan een eeuw. De mogelijkheid van de instelling van het ambt van diacones is van jonger datum.

 

Stemmen uit het verleden

Abraham Kuyper (1837-1920) pleitte in 1898 met beroep op de Schrift voor het vrouwenkiesrecht in de kerk. De vrouw het stemrecht onthouden, dat kon niet uit de Geest des Heeren zijn, maar berustte op een sociale beschouwing uit vroeger tijden. “Mannentrots en mannenheerschzucht was hierbij in niet geringe mate in het spel” (Heraut, 23 jan. 1898).
In 1917 kon hij echter aan de Schrift geen enkel steekhoudend argument ontlenen voor invoering van het vrouwenkiesrecht in kerk en staat!

Herman Bavinck (1854-1921) ontwikkelde zich in omgekeerde richting. In 1900 was hij nog overtuigd tegenstander. In 1918 publiceerde hij een boek “De vrouw in de hedendaagsche maatschappij”, waarin hij met grote kennis van zaken de plaats van de vrouw in kerk, staat en maatschappij behandelt.  Hij betoont zich daarin vóórstander van vrouwenkiesrecht in kerk en staat.

Een ander bekend theoloog uit vroeger dagen, ds J.C. Sikkel (1855-1920), hield kort voor zijn dood een indrukwekkende rede, getiteld “De groote toekomst en de vrouw”, die later in druk verscheen. Ook hij had zich ontwikkeld. Hij voerde daarin op profetische wijze het pleit voor de medearbeid

|26|

en de medeverantwoordelijkheid van de vrouw in heel het brede leven. Juist haar anders zijn dan de man vond hij van groot belang. Hij pleitte niet alleen voor kerkelijk stemrecht van de vrouw, hij verlangde ook haar oordeel en medewerking bij de Dienst des Woords, het Ouderlingschap en het Diaconaat. En dat niet als een sociale eis, of als een offer aan de tijdgeest, maar “omdat de Heere het van noode heeft”. Het Woord Gods, betoogt hij, is ook hier breeder te verstaan, dan men pleegt. En even later verzucht hij: “Mochten de mannen dit allereerst verstaan”!

Wie van meetaf aandacht vroeg voor de medearbeid van de vrouw in de kerk, en in dat opzicht niet veranderde, zich hoogstens ontwikkelde, was prof. Lucas Lindeboom (1845-1933). In 1875 publiceerde hij een brochure over de toestand, roeping en toekomst van de Christelijke Gereformeerde Kerk, zoals toen de kerk van de Afscheiding heette. Hij ijvert er al voor vrouwen- en meisjesverenigingen, toen nog plechtig jongedochtersverenigigingen genoemd. Hij vraagt aandacht voor het feit, dat de apostelen, die maar een enkeling uit de dood opwekten, Dorcas opwekten, die zo ontzettend veel werk in de gemeente had verricht. En hij schreef: Is het geen duidelijk bewijs dat de arbeid der vrouw in de Gemeente des Heeren niet gemist mag worden?

In datzelfde geschrift pleit hij ervoor meisjes te doen opleiden tot christelijke onderwijzeres, mede met het oog op de zending. Veel vrouwen arbeiden onder de Heidenen met zegen, zoals ook jongedochters hier te lande op Zondagsscholen voor Gods Rijk. En met klem vraagt hij: En wat leert het N.T.? De zaak is eener grondige behandeling wel waard. Vanaf 1875 ijverde hij voor het stemrecht van de vrouw in de kerk. Later zou hij zeggen: als de vrouw in de kérk niet mag stemmen, dan zéker niet in de staat. Het verlossend werk van Christus moet toch allereerst in de kerk doorwerken. Op de synode van Arnhem in 1930, waar hij als 85-jarig praeadviseur aanwezig was, en de besprekingen over dit onderwerp van minuut tot minuut aandachtig volgde, steunde hij zijn zoon Ds C. Lindeboom in diens minderheidsrapport. Hij stelde de tegenstanders daar de vraag: als God het niet verbidt, dat de vrouwen meestemmen, wie heeft dan het recht dat wèl te verbieden.

 

Ik kan u verzekeren: bij bovengenoemde theologen speelde het feminisme geen enkele rol! En overigens: bepaalde opvattingen, die haaks staan op christelijke tradities kunnen ons terdege tot bezinning dringen. Hoe lang heeft men de slavernij als door God gewild verdedigd?

 

Wat zegt de Schrift?

Vóór ik tracht op uw vragen zo concreet mogelijk antwoorden te geven is het gewenst met u aandacht te geven aan wat de Schrift zegt over de verhouding van man en vrouw en aan de ontwikkelingslijn, die de Schrift ons toont in de trits schepping-zondeval-verlossing.

|27|

De grondnormen voor die verhouding vinden we in Genesis 1 en 2. Genesis 1 beschrijft, hoe God na Zelfberaad de mens schiep naar Zijn beeld en naar Zijn gelijkenis. Hij schept die mens mannelijk en vrouwelijk, in tweeërlei verschijningsvorm, als man en vrouw. Aan hen sámen geeft God Zijn zegen en Zijn opdracht (vs 28). Die opdracht is tweeledig: vruchtbaar zijn en zich vermenigvuldigen, dat kunnen man en vrouw alleen maar in de nauwste samenwerking. Het tweede deel van de opdracht luidt, dat man en vrouw sámen de aarde moeten onderwerpen en beheersen, dat ze sámen moeten heersen over de vissen, de vogels en al het gedierte. In gezamenlijke verantwoordelijkheid en in onderlinge afhankelijkheid moeten man en vrouw deze taak vervullen. Ook hier dus: nauwe samenwerking! Tot op vandaag kunnen we de volle reikwijdte van die opdracht nog niet omvatten, voor zoveel steeds nieuwe problemen stelt ze de mens.

In Zijn wijsheid geeft God niet aan, hoe bij het vervullen van die opdracht de taken moeten worden verdeeld. Voor de man ligt alleen het vaderschap vast, voor de vrouw het moederschap, waardoor ze meer gebonden zal zijn dan de man als vader. Geen enkele opdracht is echter uitsluitend voor de man gereserveerd, of voorde vrouw. De uiterlijke arbeidspatronen wijzigen immers al naar gelang de maatschappelijke en technische ontwikkelingen zich voltrekken.

In Genesis 2 haalt de Schrift bepaalde détails naar voren. Toen Adam nog alleen was, gaf God hem een beperkte taak. Hij moest de hof bewerken en bewaren.

Terwijl de dieren paarsgewijs aan hem voorbijgingen, gaf hij ze namen. Zo liet God Adam zijn eenzaamheid gevoelen. Hij had geen wederhelft, die bij hem paste (N.V.), die als tegenover hem was (St.V.). Toen bouwde God uit Adams rib een vrouw en bracht haar tot Adam, die in blijde herkenning haar “mannin” noemde. Sámen kregen ze nu die allesomvattende opdracht. Alleen was een man daar niet voldoende voor toegerust. Samen moeten ze heersen over de schepping en de dieren. Adam kreeg géén opdracht te heersen over de vrouw. Hij moest zich aan haar héchten, Gen. 2: 24. Ze is zijn hulp, die bij hem past, niet ten bate van hemzelf, maar terwille van de vervulling van de scheppingsopdracht. Ze staat náást hem, er is geen sprake van onderschikking, maar van nevenschikking. Ze staat hem zelfstandig bij en in eigen verantwoordelijkheid.

Het woord hulp is in het Hebreeuws ezer. Dat wordt nooit voor een mindere gebruikt, wel vaak voor God. Eigenlijk betekent het helper. Zalig hij, die in dit leven Jacobs God tot helper heeft (Ps 146).

Het op deze wijze hulp zijn van de vrouw voor de man is een scheppingsgegeven en een scheppingsopdracht. Het vervolg van die geschiedenis is bekend. Wat bij de schepping in volle harmonie was, wordt door de zondeval wreed verstoord. Genesis 3 beschrijft het, mèt de gevolgen. De slang wordt vervloekt. Zijdelings laat God Adam en Eva al weten, dat Hij het uiteindelijk weer in orde zal maken tussen Hem en de gevallen mens. Eva’s

|28|

zaad zal het winnen van het slangenzaad. De mens wordt niet vervloekt. God zegt hun een oordeel aan, een straf. Het kinderen baren zal de vrouw smart kosten, tóch zal ze naar de man toegedreven worden, terwijl hij over haar zal heersen. Dat is geen nieuwe norm. Het is het lot, dat haar nu wacht. Het heersen van de man over de vrouw is onderdeel van de straf, géén Goddelijke ordinantie. God geeft hem daartoe ook geen opdracht. Als straf voor Adam wordt de aarde vervloekt. Hij moet nu in het zweet zijns aanschijns ploeteren voor het dagelijks brood, en zelf zal hij, net als de vrouw, weerkeren tot de aarde. De dood zal zijn intrede doen. De straf voor de één treft indirect ook de ander. God geeft de gevolgen van de zonde aan. Hier staat géén scheppingsordinantie. Die is gegeven vóór de val. Niets van de grote opdracht neemt God terug, de uitvoering ervan wordt wèl verzwaard. Over heel de linie in heel het leven blijft de vrouw verantwoordelijke hulp. Nu pas noemt Adam haar Eva, moeder der levenden. Beiden hebben uit Gods mond gehoord van de beloofde verlossing. Samen moeten zij trachten die vorm te geven in hun omgang met elkaar. Norm blijft immers het “in den beginne” uit Genesis 1 en 2. De onderschikking is niet bij de schepping gegeven, maar hoort bij de straf. In Christus als beloofde Verlosser is het herstel al in beginsel gegeven.

 

In het Oude Testament zien we duidelijk de doorwerking van de straf, we zien er ook al iets oplichten van het herstel in Christus. Mirjam treedt als profetes op bij de doortocht door de Rode Zee. Israël is verlost uit de hand van Egypte en wordt nu een zelfstandige natie. Mozes zingt daarop met de kinderen Israëls een lied, zó indrukwekkend, dat Johannes er in Openbaring 15 nog op teruggrijpt. En haast even indrukwekkend moet het optreden van Mirjam zijn geweest. Met de tamboerijn in de hand zong ze haar lied als antwoord op Mozes, en alle vrouwen trokken zingend achter haar aan, allen eveneens met tamboerijn.

De ongehoorzaamheid van het volk Israël voert het van dieptepunt naar dieptepunt. Zo was het ook ten tijde van Debora. Op wrede wijze werd het volk al twinitg jaar onderdrukt door Jabin, de koning van Kanaän, en diens krijgsoverste Sisera. Leiders ontbraken, maar toen was daar Debora, een moeder in Israël, die als richter optrad. Bij háár kon het volk terecht en zij wist in politieke en militaire zaken het volk onder zware omstandigheden te leiden. Haar man gaf haar kennelijk de ruimte te doen wat God van haar vroeg. Haar optreden werd gezegend met veertig jaar rust. Trad ze alleen op om de mannen te beschamen, zoals de exegeten meestal zeggen? Ds C. den Boer spreekt in het boek “Man en vrouw in Bijbels perspectief”, dat in de jaren tachtig van de zijde van de Gereformeerde Bond over deze materie verscheen, bij Debora over een “voorschot op het grote feest, waarvan de profeet Joël spreekt”. Dat is een belangrijke keerzijde in deze geschiedenis. God doorbreekt soms al de patriarchale structuur van het Oude Testament en laat zien, dat Hij ook andere mogelijkheden

|29|

achter de hand heeft. Hoeveel namen zouden we hier niet aan toe kunnen voegen? Denkt u maar aan de profetes Hulda onder koning Josia, aan de huisvrouw van Manoah, Simsons moeder, aan Abigaïl, Esther, Hanna, een schare vrouwen.

 

Nieuwtestamentische ontwikkelingen

Op de drempel van het Nieuwe Testament is daar de profetes Anna, de laatste uit de oude, de eerste profetes in de nieuwe bedeling. Dag en nacht was ze in de tempel. En toen ze daar tegelijk met Simeon het kind Jezus had gezien, sprak ze van Hem tot allen, die de verlossing in Jeruzalem verwachtten.

Tijdens Jezus’ omwandeling op aarde laat Hij telkens zien, hoe Hij vrouwen in har volle waarde aanvaardt, ook als medewerksters. Als het moet, gaat Hij dwars tegen de rabbijnen in, maar Hij prikkelt niet onnodig. In de eeuwen, die aan Christus’ komst vooraf gingen, was de achting voor vrouwen gedaald tot een heel laag peil. Met Zijn komst zet het herstel in. Denkt u maar aan Matth. 19. Daar leert Jezus Zijn discipelen dat voor mannen en vrouwen dezelfde zedewet heerst.
De discipelen begrepen er niets van. Moest een man even ingetogen leven als een vrouw? Als zó de zaken stonden, dan was het voor een man niet raadzaam te trouwen!

En dan die geschiedenis uit Johannes 4. De rabbijnen leerden, dat je op straat nooit met een vrouw mocht spreken, zelfs niet met je eigen vrouw. Jezus doet het wel. En met wat voor een vrouw! Een Samaritaanse, met bepaald geen fraai verleden. En Hij onderwijst haar notabene ook nog. Je móest geen vrouwen onderwijzen, leerden de rabbijnen. Je kon de woorden der wet beter verbranden, dan een vrouw iets te leren. Jezus vertelt deze vrouw in antwoord op haar vragen, dat de ure komt, en die ure is er nu al, dat de aanbidding van God niet meer aan de tempel gebonden zal zijn. En daarna lezen we in vs 27, dat de discipelen, die intussen hadden toegekeken, zich verwonderden, dat Hij met een vrouw sprak. En ze wisten nog niet eens, dat ze hoorde tot de “licht brigade”! Toch durfde geen van hen er iets van te zeggen tegen Jezus.

Even indrukwekkend is de geschiedenis uit Joh. 8, Jezus en de overspelige vrouw. De Farizeeën en de Schriftgeleerden wilden Hem op de proef stellen. Er was een vrouw op heterdaad betrapt bij overspel. Ze was gegrepen. Natuurlijk was er tegelijk een mán betrapt, dat kon niet anders. Die werd niet gegrepen, die lieten ze vrijuit gaan. Wéér die dubbele moraal. Ze zetten de vrouw in het midden en zeggen: Meester, deze vrouw is op heterdaad betrapt. Mozes heeft gezegd, dat zulke vrouwen gestenigd moeten worden. En Gij, wat zegt Gij? U kent het vervolg. Zouden ze Hem nu eindelijk kunnen beschuldigen? Jezus bukt Zich en schrijft in de aarde. Ze blijven vragen. En dan tenslotte zegt Hij: Wie van u zonder zonde is, werpe de eerste steen op haar. Niemand durft dat. Ze druipen af, het eerst de oudsten. Alleen met

|30|

Jezus blijft de vrouw achter. En Jezus bestraft haar niet. Met mild vermaan laat Hij haar gaan.

Ongedwongen ging Jezus met vrouwen om, in die tijd bepaald niet vanzelfsprekend. Vrouwen hoorden het eerst het bericht van Zijn komt op aarde. Aan de Samaritaanse vrouw vertelt Hij als eerste, dat de nieuwe bedeling al begonnen is. In Joh. 11 lezen we, hoe Jezus het eerst aan Martha, een vrouw, zegt: Ik ben de opstanding en het leven; die in Mij gelooft zal leven, al ware hij ook gestorven. Dat was bij de dood van Lazarus.
Vrouwen horen ook het eerst van Zijn opstanding. Christus gebruikt haar als boodschapsters daarvan aan Zijn discipelen.

 

Op Pinksteren wijst Petrus met nadruk op de vervulling van Joëls profetie: Dit is het! Op álle vlees wordt de Geest uitgestort, ongeacht sexe of positie. En geen enkele gave van de Geest is sexegebonden.

Paulus treedt volop in de voetsporen van Christus. Rechten en plichten, zelfs verantwoordelijkheden zijn in het huwelijk wederkerig, leert hij in 1 Cor. 7.

Het evangelie ploegde diepgewortelde tradities om. De komst van Christus had een keerpunt in de geschiedenis gebracht. Paulus laat dat voluit in zijn brieven zien. Maar hij was een wijs man. Er is in zijn vermaan altijd iets evenwichtigs.

In de nieuwe bedeling is het leven veranderd. Het evangelie zet de mens in de ruimte. Dat schept het risico de grenzen uit het oog te verliezen. Paulus zet het huwelijk op hoog niveau, maar in 1 Cor. 11: 3 laat hij zien, dat de man het hoofd is van de vrouw. Hij klemt dat in tussen twee andere verhoudingen: Christus is het hoofd van de man en God is het hoofd van Christus. Er zit dus niets vernederends in een hoofd te hebben.

Het bijbels begrip “hoofd” is een nieuwtestamentisch begrip. Dat inzicht bewaart ons voor een verkeerd hanteren van hoofd tegenover hulp. Hulp was een scheppingsgegeven en een scheppingsopdracht. Het hoofdzijn van de mán moet worden gezien vanuit Christus. Het is Christologisch bepaald. Het Griekse woord voor hoofd is kefalè, en duidt op eenheid met een lichaam, levenseenheid van man en vrouw, die afspiegeling mag zijn van Christus en Zijn gemeente. Beide zijn dus een organische verhouding. Er staat niet: héér, Kurios. De man heeft niet, naar Romeins recht, de “maritale” macht, absolute zeggenschap. Vóórdat Paulus in Efeze 5 de vrouwen vermaant haar mannen onderdanig te zijn, legt hij uit hoe binnen de gemeende de leden elkáár onderdanig moeten zijn, zich moeten invoegen in elkaars welzijn. Hij laat voelen, hoe onderdanig zijn heel iets anders is dan onderworpen. Christus was begonnen Zichzelf voor ons over te geven. Hij is de “Behouder des lichaams”. Uit wederliefde is de gemeente Hem onderdanig. Naar dát voorbeeld moet de man in het huwelijk beginnen liefde te geven, dan voegt de vrouw zich uit

|31|

vrije wil in het welzijn van de man. Van een „positie van onderdanigheid in de gemeente”, waarvan de Synode van Groningen-Zuid in 1978 spreekt, leert de Schrift ons hier niets. Het is activiteit, hoge geestelijke activiteit.

Vóór Christus’ dood en opstanding was het leven van de joodse vrouw, van vrouwen in het algemeen, erg ingeperkt. Nú ligt voor de christenvrouw het volle leven open.

Nu was het moeilijk haar juiste houding te vinden. De structuren bleven gehandhaafd, leert Paulus. Ze moet ook de zeden, die toen héél anders waren dan vandaag, blijven eerbiedigen. Dat viel niet altijd mee. Haar man blijft haar hoofd. Alleen haar éigen man. Er is immers maar met één man levensgemeenschap mogelijk. Het is niet zo, dat dé man het hoofd is van dé vrouw. Dé vrouwen hoeven niet onderdanig te zijn aan dé mannen, zoals we vandaag zien bij de S.G.P. Ook onder ons zijn er theologen, die dat leren. Maar niet elke man staat boven elke vrouw.

De man moet zijn vrouw liefhebben, niet over haar heersen. Christus wilde dienen, niet gediend worden. Het ging Hem om de ontplooiing van de gemeente. Volgt de man hierin Christus na, dan rijpt het huwelijk tot een wederzijds elkaar dienen. Het hoofd-zijn is geen rang, maar een functie. Heel de verhouding is bepaald door de liefde, niet door het recht.

 

De vrouwen ontplooien zich. Christus had haar al bij Zijn opstanding de eer verleend het eerst daarvan getuige te zijn. En dat niet alleen: Hij gaf haar de opdracht deze blijde boodschap aan de discipelen over te brengen en Jezus’ instructies door te geven. Na Pinksteren zien we de vrouwen overal aan het werk.

Het boek Handelingen geeft een prachtige indruk van de opbouw en uitbreiding van de gemeente te Jeruzalem en van heel de kerk. Er komen menigten, beide van mannen en vrouwen tot geloof (Hand. 5: 14). In Thessalonica van de voornaamste der vrouwen niet weinige (Hand. 17: 4). In Berea van de Griese eerbare vrouwen alweer “niet weinige” (Hand. 17: 12). In Filippi als eerste Lydia (Hand. 16: 13 e.v.). Zij wordt mèt haar huis gedoopt. Daarna neemt Paulus op haar aandrang zijn intrek in haar huis. En na zijn korte bewogen gevangenschap in die plaats gaat hij eerst naar Lydia, waar ook de broeders zijn, om hen te vertroosten (vs. 40). Onder de vrouwen in de gemeente is er een verrassende activiteit. Daar is Dorcas, die haar leven en talenten inzet voor de behoeftigen (Hand. 9: 36), daar is Maria, de moeder van Johanne, ook Marcus genoemd, die haar huis openstelde voor de gemeente. Van grote betekenis is het echtpaar Aquila en Priscilla, joodse christenen. Zes maal worden ze genoemd, 3 keer in Handelingen, 3 keer in de brieven van Paulus. Herhaaldelijk zijn zij opgetreden als kwartiermakers voor Paulus. Beide echtelieden waren onderlegd genoeg, om de geleerde Apollos nader te onderwijzen,

|32|

toen deze nog onvoldoende thuis was in het evangelie (Hand. 18: 26). En dan de vier ongehuwde dochters van Filippus, allen profetessen! (Hand. 21: 9) In Romeinen 16 groet Paulus een aantal broeders en zusters, vóór hij zijn reis naar Spanje wil ondernemen. Zeker een derde van de genoemde personen zijn vrouwen en dat in de mannenmaatschappij van toen! Daar is Febe, een dienares van de gemeente te Kenchreën, een havenstad dicht bij Corinthe. Zij wordt in de grondtekst diakonos genoemd, dat vertaald is door dienares. Toen Paulus zijn brief aan de Romeinen beëindigde, stond zij op het punt naar Rome te vertrekken. Misschien nam ze deze brief wel mee. Wat haar taak in Rome is, wordt niet verteld.

Het ondernemen van die reis was in die dagen geen kleinigheid. Ze moet wel een bekwame en zelfstandige tante zijn geweest, met hart op de juiste plaats. Paulus noemt haar dan ook met grote eerbied. Ze had in de gemeente van Kenchreën een officiële functie. Ze heeft veel voor zieken en armen gedaan, voor reizigers, die hulp nodig hadden. Nu moet op haar beurt de gemeente van Rome haar, indien nodig, hulp bieden. Want, zegt Paulus, zij heeft velen, ook mij persoonlijk, bijstand verleend. De Statenvertaling heeft: want zij is een voorstandster geweest van velen, ook van mijzelven. In de grondtekst staat: prostatis. Dat zelfstandig naamwoord is afgeleid van het werkwoord prohistèmi, dat in 1 Tim. 5: 17 gebruikt wordt voor ouderlingen, en dat in de Statenvertaling wordt vertaald door regeren! De Nieuwe Vertaling is veel juister: goede leiding geven. Dat is het wat Febe deed: zorgend leiden, bijstaan. Het woord “dienares” geeft een veel te zwakke weergave. Ze zal zeker diaconale arbeid hebben verricht. Ze is diaken, zonder dat we weten, of de inhoud van haar taak een andere was dan die van de mannelijke diakenen. Maar een officiële erkende functie hád ze, óók volgens Calvijn.

Paulus noemt in Romeinen 16 nog veel meer vrouwennamen. Priscilla noemt hij samen met Aquila zijn sunergoi, zijn medewerkers. Ze hadden zelfs hun leven voor hem in de waagschaal gezet. Van Maria in vers 6 en van Tryphena en Tryphosa zegt hij, dat deze zusters zich veel moeite hebben gegeven in de Here. Met dat “zich moeite geven” typeert hij altijd speciaal het hele zendings- en gemeentewerk van hemzelf en van anderen, een echt Paulinische uitdrukking. In de brief aan de Filippenzen vermaant hij Euodia en Syntyche tot eensgezindheid (4: 2). Het zijn zusters, die onderling onenigheid hadden, maar die tezamen met Paulus in de prediking van het evangelie gestreden hebben naast Clemens en zijn overige medearbeiders. Vrouwen dus, die een vooraanstaande plaats in de gemeente van Filippi innamen, en dat terwijl er daar vlg. Fil. 1: 1 ook al ouderlingen en diakenen waren. Die gemeente van Filippi noemt hij zijn “blijdschap en kroon”.

Het blijkt duidelijk in het Nieuwe Testament, hoe in de jonge gemeenten volop is gebruik gemaakt van de gaven en diensten van de vrouw. Zonder

|33|

haar medewerking zouden in de toenmalige maatschappij de Griekse vrouwen in hun vrouwenvertrekken, waar zij practisch geïsoleerd moesten leven, waar geen man mocht komen, onbereikbaar zijn geweest.

Maar waarom lijkt het telkens, of Paulus de vrouw terugduwt?

 

In 1 Cor. 11 zegt Paulus, dat de vrouwen, naar Griekse zede, onder het bidden en profeteren het hoofd bedekt moeten hebben. Daarmee erkennen zij de orde in het huwelijk, die ook in de nieuwe bedeling binnen de gemeente blijft gelden. De vrouw is immers uit de man genomen, en niet de man uit de vrouw. Tegelijk laat Paulus de man voelen, dat hij zich daarop niet moet laten voorstaan. Na Adam is er immers geen man ter wereld geweest, die niet uit een vrouw is voortgekomen, vs 12.

In 1 Cor. 14 lijkt het, alsof hij van standpunt is gewijzigd. De gemeentesamenkomsten waren geen kerkdiensten zoals bij ons, maar heel levendige bijeenkomsten, die in particuliere huizen plaats vonden. Ieder kon er het woord voeren naar de hun door God gegeven gaven, o.a. genoemd in 1 Cor. 12: profeteren, spreken in tongen, een openbaring ontvangen, uitlegging geven. Ook de vrouw mocht aan het woord komen. Maar naar het oordeel van de meeste exegeten, zelfs sinds kort óók dat van prof. van Bruggen, geldt het zwijggebod voor de vrouw alleen de discussie, waarop de beoordeling van een profetie vaak uitliep. Die discussies verliepen lang niet altijd ordelijk. Paulus wil orde op zaken stellen, men moest niet door elkaar praten. De vrouwen, die vaak minder onderlegd waren dan hun mannen, moesten thuis hun mannen vragen. In die gezamenlijke discussie hielden de vrouwen vaak geen rekening met wat in die tijd voor een vrouw geoorloofd was. Ongelovigen, die zo konden binnenlopen, moesten zich niet kunnen ergeren aan het optreden van de vrouwen. Dan doen ze net als de beruchte publieke vrouwen in Corinthe. Ze moesten zich ingetogen gedragen en het decorum, waarvoor toen andere regels golden dan vandaag bij ons, niet schaden.

 

Er rest nog een moeilijk gedeelte uit de brief van Timotheüs. Wat Paulus in 1 Timotheüs 2 schrijft, heeft al tientallen jaren geleden bij een aantal vrouwen verzet opgeroepen. Ronduit werd geschreven, dat Paulus de vrouw haatte, dat hij haar op haar verleden wilde vastspijkeren.

Timotheüs is in Efeze, als hij deze brief krijgt. Efeze was al sinds een aantal eeuwen het internationale centrum van de verering van de godin Diana. De grootste tempel in Efeze, aan Diana gewijd, was in oppervlakte anderhalf maal zo groot als de Dom van Keulen. Paulus ondervond er grote tegenstand. Toen hij er werkte, was heel de stad in verwarring door zijn prediking Hand. 19 vanaf vs. 24. Hij moest het meemaken, dat een grote schare mensen in het indrukwekkende amphitheater twee uur lang riep: Groot is de Diana der Efeziërs! vs 34. Hoe nauw luisterde hier het aanzien van de christengemeente!

|34|

Het bidden van de mannen moet niet ontheiligd worden door toorn en twist, vs 48. De vrouwen moeten, als ze bidden — want daar gaat het hierover — zich waardig kleden, niet opgesmukt door allerlei kostbare versierselen. Zo deden het de priesteressen van de godin Diana, die na afloop van hun eredienst zich zedelijk misdroegen.

Het versiersel van de christenvrouwen moet bestaan in goede werken. Een vrouw moet zich in alle rust laten onderwijzen, in onderdanigheid. Dat was een heel pluspunt vergeleken bij de rabbijnen. Die leerden immers, dat men de woorden der wet liever moest verbranden, dan aan vrouwen onderwijzen. Een vrouw mocht niet zelf onderwijzen, zoals de heidense priesteressen. Ze mocht ook niet over de man heersen, maar ze moet rustig zijn. Rustig, dat is wat anders dan zwijgend. Niemand in de gemeente mag heersen over een ander, zeker de vrouw niet over haar man. Paulus spreekt hier immers de gehuwde vrouwen toe. Er staat in de grondtekst een krachtig, ordinair woord, dat maar éénmaal in het N.T. voorkomt. Dat is authentein, een woord, dat een hele ontwikkeling heeft doorgemaakt. In eigen hand zijn, willekeurig optreden, zelfmoord plegen, de baas spelen. Die laatste betekenis heeft het hier. Hommes vertaalt kernachtig: ze mag de broek niet aan hebben. D. Holwerda zegt fijner: ze mag niet over haar man heen lopen. Dat motiveert Paulus op twee manieren: Adam is eerst geschapen en de zondeval begon bij Eva. Maar is dit laatste een argument om de positie van de vrouw in te perken? We hebben afgelopen Zondag net Avondmaal gevierd. De predikant reikte brood en wijn aan de avondmaalsgangers ter gedachtenis aan het feit, dat het lichaam van onze Here Jezus verbroken is, dat het kostbaar bloed van onze Here Jezus vergoten is tot een volkomen verzoening van al onze zonden. Daar hoort ook de zondeval bij. Een volkomen verzoende zonde kan geen reden zijn alsnog de positie van de vrouw in te perken. Hier spreekt ook geen apostel, die de vrouw dat nog eens wil nageven, maar een apostel, die zèlf een verleden heeft. Tal van christenmannen en -vrouwen heeft hij uitgeleverd om gedood te worden. Hij vindt zichzelf de geringste der apostelen, die naam zelfs niet waard, 1 Cor. 15: 9; de allerminste van de heiligen, Efeze 3: 18; de eerste, de voornaamste onder de zondaren, 1 Tim. 1: 15 en 16. Juist dáárom koon hij zo vurig de bediening der verzoening preken (2 Cor. 5: 18) en de overvloed van genade (Rom. 5: 15, 17). Hij wist terdege, dat zijn zonden en die van de vrouw, ook in het paradijs, voor de volle honderd procent waren verzoend. Daarom kon juist Paulus, die zich, gedachtig aan zijn eigen verleden, altijd bescheiden opstelde, de vrouw vermanen tot een gelijke houding. Het gaat hier niet om haar positie, maar om haar houding, haar wijze van opstellen. Hij spijkert de vrouw niet aan haar verleden vast, dat doen zijn exegeten. En hij voegt er nog aan toe, dat zij gered zal worden, nee, niet op grond van het kinderen ter wereld brengen, maar, letterlijk vertaald, door het kinderen baren heen. Het tegenwoordig deelwoord “kinderen ter 

|35|

wereld brengend”, dat de N.V. hier gebruikt, staat niet in de grondtekst en geeft een ongewenste kleur aan Paulus’ spreken hier. Ze moet blijven in geloof, in liefde en heiligmaking, met ingetogenheid, dáár komt het op aan. De theologen, die hier een totaal zwijggebod voor de vrouw uit afleiden, ook zelfs in de samenleving, brengen de gezamenlijke opdracht en verantwoordelijkheid, aan man en vrouw bij de schepping gegeven, niet in rekening.

 

Slot

Nog een enkel woord naar aanleiding van bepaalde aspecten en vragen, die in uw samenvatting van de voorbesprekingen naar voren kwamen. Vragen over de positie van de vrouw in de gemeente worden nogal eens in één adem genoemd met de inhoud van het feminisme. Daardoor zou een juist zicht op de gezagsoefening worden belemmerd. U stelt daartegenover, dat meespreken over wie het gezag gaat oefenen niet hetzelfde is als zelf gezag oefenen. Is deze probleemstelling wel zuiver?

Bij het uitoefenen van het stemrecht gaat het niet over gezag oefenen, of meespreken daarin, maar over het aanwijzen van candidaat ambtsdragers, die voor dat ambt de nodige gaven zouden hebben.

Het feminisme zou een onzuivere visie hebben op de gelijkwaardigheid van man en vrouw. Het feminisme heeft inderdaad zijn wortels niet in de Schrift, het stelt de mens, en niet God centraal in het leven.

De Bijbel leert ook óns, dat man en vrouw gelijkwaardig zijn voor God. De Heilige Geest schonk mannen en vrouwen zonder onderscheid van sexe genadegaven. Ze worden genoemd in Romeinen 12, 1 Cor. 12 en in Efeze 4. Het is een grote verscheidenheid. Naast bekwaamheid om te helpen is er b.v. ook de gave om te besturen, alles bedoeld ten dienste van de gemeente, en ieder krijgt gaven toebedeeld.

En let u eens op, hoe Paulus in 1 Cor. 7 de wederkerigheid en de gelijkwaardigheid leert in het zuiverst lichamelijke — onbekende klanken in de wereld van die dagen. In Gal. 3: 28 kent hij die gelijkwaardigheid tegenover God, in het hoogste geestelijke dus. In Christus is geen Jood of Griek, geen slaaf of vrije, geen mannelijk en vrouwelijk. Zou dit ook niet iets te zeggen hebben over de tussenliggende gebieden? Voor ons is gelijkwaardigheid een door God gegeven mogelijkheid om Hem als man en vrouw, als mannen en vrouwen, zo vruchtbaar mogelijk te kunnen dienen.

 

Feit is, dat de vrouwen veel meer ingeschakeld kunnen worden in het gemeentewerk. In actieve gemeenten gebeurt het ook al. Inderdaad kunnen vrouwen bepaalde dingen beter aanvoelen dan mannen. Naast problemen rond de gezinsfinanciën zoals u b.v. noemt, zou ik ook die van gezinsvorming willen noemen. We moeten echter de wederzijdse aanvulling in al het werk niet onderschatten. Natuurlijk kan aan het werk van de

|36|

zusters een officiële status gegeven worden. Zou dat een meerwaarde geven? Ik denk, een makkelijker introductie. Zou elke gemeente daar rijp voorzijn? Is er in onze kerk niet veel te veel over de zusters gesproken zónder de zusters? Moet samen met de zusters niet overwogen worden wat haar diaconale taak zou inhouden? Ik dank niet, dat de kerkorde hier moeilijkheden geeft. In ieder geval: er liggen hier positieve mogelijkheden, en er is alle reden zich daarop te bezinnen.

Wat u als ideaal stelt: per kluft 2 ouderlingen, een mannelijke en een vrouwelijke diaken, dat moet realiseerbaar zijn. Er moet natuurlijk wel nagedacht over de functieomschrijving van de vrouwelijke diaken. Die hoeft in principe niet te verschillen van die van de mannelijke diaken.

 

Terecht noemt u ook andere mogelijkheden voor het inschakelen van vrouwen, zoals pastorale werksters en vrouwelijke catecheten. Dit laatste gebeurt al, zoals soms in heel kleine gemeenten, en in grote gemeenten bij verstandelijk gehandicapten.
Dit laatste kost veel tijd en geduld, en wordt wellicht daarom aan vrouwen gedelegeerd. Het ligt niet strikt op ambtelijk niveau.

De kerk mag overigens wel alert zijn in het inspelen op de huidige samenleving. Ook getrouwde vrouwen worden veel meer in het maatschappelijk leven betrokken, hetzij als vrijwilligster, hetzij in betaald werk.

Wat uw laatste vraag betreft: hoe te handelen, wanneer de huidige situatie door de komende synode gehandhaafd blijft — daarover kunnen we pas oordelen, als we weten, hoe de besluiten luiden en vooral: hoe ze gemotiveerd zijn. Actie als b.v. in de politiek lijkt mij geen gewenste methode.

Van belang blijft, dat vrouwen in de gemeente actief zijn. Dat is voelbaar in het gemeenteklimaat. Ook van belang is, dat er over de plaats van de vrouw in de kerk open kan worden gesproken, zonder dat het verwijt van aantasting van het Schriftgezag direct op tafel komt. Een exegese is iets anders dan de Schrift zelf. En wie van ons hier op aarde is bij machte het Woord van God in zijn volle draagkracht te verstaan?

L.G.A. Bremmer-Lindeboom

 

Deze bijdrage is als lezing gehouden voor de wijk Noord van de gemeente Groningen-Oost op 18 maart 1993.