84
45,760-761
05-09-2009

|760|

Gods Woord en de vrouw in het (regeer)ambt (1)

 

Inmiddels heel wat maanden geleden publiceerde collega W. Wierenga een serie artikelen in dit tijdschrift over de relatie man-vrouw in de kerk en de samenleving en voerde daarbij een pleidooi voor de vrouw in het ambt.1 Eind maart werd ik door de redactie gevraagd om hierop te reageren. Eindelijk zie ik kans om dit te doen.

 

De Schriftgegevens

Terecht bakent Wierenga zijn bespreking af tot een aantal belangrijke Schriftgegevens rond dit onderwerp. Allereerst hebben wij te maken met enkele duidelijk klinkende regels die de apostel Paulus ons namens Christus aanreikt (verg. 1 Kor. 14: 37, ‘wat ik u schrijf is een bevel van de Heer’). In 1 Korintiërs 14: 34 horen wij dat vrouwen gedurende de samenkomsten moeten zwijgen en niet mogen spreken. Zij moeten ondergeschikt blijven zoals ook in de wet staat. In 1 Timoteüs 2: 11-15 lezen we eveneens dat een vrouw zich gehoorzaam en bescheiden dient te laten onderwijzen. Het wordt niet toegestaan dat zij zelf onderwijst of gezag over mannen heeft. Alweer een regel die Paulus niet zomaar uit zijn duim zuigt, maar die op de geschiedenis van Genesis 2 en 3 stoelt. Samen met andere regelingen, betreft het de vraag ‘hoe men zich moet gedragen in het huis van God’ (1 Tim.3: 15).

Zo genomen lijkt de zaak redelijk vast te staan en het antwoord klip en klaar. Hoe je ook denkt over detailkwesties van toepassing, een vrouw zou nooit een regeerambt in Christus’ gemeente mogen bekleden. En inderdaad moet je met goede argumenten komen als je toch een pleidooi voor de vrouw in het regeerambt wilt doen en tevens het hoogste respect, de eerbied en de gehoorzaamheid wilt blijven betrachten ten opzichte van deze woorden van Christus’ afgezant, Paulus.

Naast deze gemotiveerde regelgeving over het optreden van de vrouw in de kerk heeft het Nieuwe Testament ook aandacht voor de volledige deelname van vrouwen en mannen in de rijkdom van Christus’ verlossing. De doop wordt door Paulus ook aan vrouwen bediend (Hand. 16: 14-15). En is het niet dezelfde Paulus die in Galaten 3: 28 meent te moeten zeggen dat in Christus geen Joden of Grieken meer zijn, slaven of vrijen, mannen of vrouwen? Wij zijn allen één in Christus Jezus. Nationaliteit, maatschappelijke rang of geslacht heeft niets te zeggen over de vraag of je bij Christus mag horen. Deelnemen aan de verlossing in Christus is een zaak van geloof.

 

De aanpak van Wierenga (1)

Globaal komt het betoog van Wierenga op het volgende neer. Gal. 3: 28 wordt als uitgangspunt genomen voor een theologisch-maatschappelijk program van Paulus. Met deze tekst legt hij ‘dynamiet’ onder de patriarchale samenleving, maar brengt het nog niet tot ontploffing. Wierenga tilt deze tekst uit zijn retorische context en bouwt haar uit tot een theologische leus van Paulus die hij met opzet zou hebben neergeschreven, zodat latere generaties de implicaties ervan konden uitwerken. Met deze tekst zou Paulus uitzien naar de afschaffing van slavernij en ook de afschaffing van gezagsverhoudingen tussen mannen en vrouwen.

Tja, hoe moet je dan omgaan met de zogenaamde ‘zwijgteksten’ van Paulus? Daarvoor hanteert Wierenga een dubbele strategie. Allereerst wordt Paulus’ eigen redenering voor het zwijgen van vrouwen geproblematiseerd. Wierenga begint zijn betoog met een beschouwing over Genesis 2 en 3. Hij kiest daarbij voor een uitleg die afkoerst op een frontale botsing met de uitleg van Paulus zelf in 1 Tim. 2. Genesis 2 en 3 leren ons, volgens Wierenga, dat man en vrouw geschapen zijn om elkaar te helpen in alles, zonder dat de een de leiding hoeft te nemen over de ander. Bij de zondeval komt er echter strijd over de leiding. Beiden proberen deze in handen te nemen, maar het lukt de mannen de vrouwen te overheersen. Paulus’ idee dat God bij de schepping van man en vrouw een gezagsverhouding op het oog heeft gehad kan nu niet meer kloppen. En hier komt het tweede deel van Wierenga's strategie om de hoek kijken: het onhoudbaar maken van de argumenten van Paulus. Alsof Paulus werkelijk zou willen beweren dat de vrouw Gods gebod overtrad en de man niet. En wat te denken van Paulus’ idee dat de man eerder geschapen is en dus gezag heeft over de vrouw? Dan zou dus de (al eerder geschapen) leeuw gezag over de mensen moeten hebben. En zou Johannes de Doper het gezag te voeren hebben over de (pas later geboren) Here Jezus!

Nu wil Wierenga het hier uiteraard niet bij laten. Natuurlijk wil ook hij niet Christus’ apostel zelf belachelijk maken. Daarom brengt dit alles hem op het idee dat Paulus deze argumentatie niet serieus bedoeld kan hebben en het dus met een knipoog zegt. Hoe komt Wierenga daar

|761|

bij? Omdat hij al gesteld heeft dat we in Gal. 3: 28 pas de echte theologie van Paulus lezen: geen man of vrouw in Christus. Wat hier in feite gebeurt, is dat Paulus in de hand genomen wordt om hem vervolgens de normen en waarden van onze eigen cultuur toe te schrijven. Vervolgens komt er een pleidooi dat wil betogen dat het voor onze vriend Paulus in die tijd toch niet mogelijk was om zijn principes maatschappelijk toe te passen. Zo beelden wij ons dan in dat hij om de goede orde te behouden en om ongewenste revolutie te voorkomen voor de ondergeschiktheid van de vrouw pleit (wel te verstaan, tegen zijn principes in). Zeer speels en met ‘ondeugend’ glimmende ogen zou hij zijn pleidooi voor vrouwelijke ondergeschiktheid onderbouwen met onhoudbare argumenten, die hij ontleend zou hebben aan zijn joodse volksgenoten. Aldus Wierenga.

 

Enkele algemene opmerkingen

Voordat ik kort in ga op een aantal schriftgegevens wil ik toch een enkele opmerking maken over deze aanpak van collega Wierenga. Ik moet eerlijk zeggen dat zijn redenering lijkt te berusten op de a-historische (en daarom zeer onwaarschijnlijke) stelling dat de normen en waarden van Paulus behoorlijk moeten overeenkomen met die van onze eigen tijd en cultuur. Zomaar wordt aangenomen dat Paulus niet serieus kan zijn als hij argumentatie gebruikt die wel normaal was in zijn eigen tijd en (joodse) cultuur. Zomaar wordt aangenomen dat hij nooit het maatschappelijk bestaan van het fenomeen slavernij goedgekeurd kan hebben. Wierenga zoekt de oplossing in een vermeende spanning tussen Galaten 3: 28 enerzijds en wat Paulus elders schrijft over slavernij (Filemon en de huisregels van Efez. en Kol.) en de zogenaamde ondergeschiktheid van vrouwen anderzijds. Hij wil deze spanning ontknopen door te stellen dat wat Paulus over slavernij en de ondergeschiktheid van vrouwen geschreven heeft, niet serieus bedoeld is (d.w.z. geschreven is met een ‘knipoog’). Het lijkt mij echter toe dat zelfs als wij, omwille van het gesprek, uitgaan van deze vermeende spanning, je nog gemakkelijker zou kunnen betogen dat juist Gal. 3: 28 met een knipoog geschreven werd en met ondeugend glimmende ogen! Een knipoog bij Gal. 3: 28 zou in ieder geval gemakkelijker te begrijpen zijn voor de lezers in zijn eigen tijd. Maar nee, het is schijnbaar gemakkelijker (en geruststellender) voor de moderne mens te denken dat Paulus zijn knipoog juist op ons gericht heeft en niet op de mensen uit zijn eigen tijd, die hem toch nooit zouden begrijpen.

Ook afgezien van het onderwerp rond de plaats van de vrouw vind ik deze omgang met Gods Woord beneden de maat. Zij is niet alleen erg geforceerd, maar doet ook geen recht aan de voorzichtigheid en eerbied ten opzichte van Gods Woord, die van een predikant verwacht mogen worden. Zo gaan wij niet met Gods heilig Woord om.

 

Terug naar de Schrift

Laten wij eerst terugkeren naar Genesis 2. Wat dit betreft, is Wierenga kort: ‘In Gen. 1 en 2 lees ik niets over heerschappij van de man over de vrouw. Daar lees ik over eenheid en elkaar helpen’ (p. 114). Dat is eerlijk. Hij leest Genesis 2 dus anders dan Paulus. Overigens vraag ik me af waar hij leest over ‘elkaar helpen’. Slechts Eva wordt hier een ‘hulp’ genoemd en niet Adam. In Genesis 2 lezen wij hoe God Adam (‘de mens’) vormde uit het stof van de aarde (v. 7). Uit zowel de grammatica als ook het verloop van het hoofdstuk is duidelijk dat deze ‘mens’ een mannelijk wezen is en niet als Wierenga suggereert een ‘hij/zij’ (p. 114). Deze man wordt in de tuin van Eden gezet om die te bewerken en erover te waken. Pas daarna wordt opgemerkt dat het niet goed is dat hij alleen blijft. God wil een ‘helper’ voor hem maken die bij hem past (v. 18). Opmerkelijk is dat zodra God dit geconstateerd heeft Hij eerst allerlei dieren bij Adam langs brengt. Adam laat zijn heerschappij over deze dieren zien door hen te voorzien van namen. In het raam van de Bijbel houdt naamgeving in dat men met namen kenmerken aangeeft. In dit ontdekkende proces vindt Adam heus wel dieren die kunnen dienen als helpers (honden, paarden of runderen), echter geen helper die ‘been van zijn been en vlees van zijn vlees’ is, dus geen helper ‘die bij hem past’. Dit is het moment dat God uit een van Adams ribben het vrouwelijk wezen bouwt. In haar heeft hij eindelijk een ‘helper die bij hem past’. Deze geschiedenis laat zien dat God van meet af aan mensen als man en vrouw heeft willen scheppen, overeenkomstig wat samenvattend in Genesis 1 vermeld wordt. Samen zullen man en vrouw Gods beeld op de aarde vertegenwoordigen. Genesis 2 laat echter een onderscheid zien. De vrouw is er om Adam te dienen als onmisbare helper. Onder meer benadrukt het slot van Genesis 2 dat de vrouw hem een hulp zal zijn bij de voortplanting. Hoewel Adam in staat was om de tuin te bewerken in zijn eentje, zou hij helemaal alleen niet aan voortplanting kunnen werken. De context van Genesis 2 geeft aan dat het vooral met het oog op deze voortplanting is wanneer er gesproken wordt over de vrouw als een ‘passende hulp’ (verg. 1 Tim. 2: 15). Dit accent (wat uiteraard andere vormen van hulp niet uitsluit) wordt bevestigd door de manier waarop God straks in Genesis 3 de vloek op man en vrouw toespitst. Voor de man heeft de vloek vooral te maken met het bewerken van de grond (3: 17-19) en voor zijn ‘helper’, de vrouw, heeft de vloek vooral te maken met de voortplanting (3: 16).

Wanneer Paulus redeneert vanuit de volgorde van de schepping van man en vrouw en daaruit concludeert dat er sprake is van een gezagsrelatie, denkt hij duidelijk aan dit verhaal van Genesis 2 en niet aan de zes dagen van scheppingswerk in Genesis 1. Het is dan al te gemakkelijk en niet ter zake doende om Paulus af te schieten met de opmerking dat de eerder geschapen leeuw over de mens gezag zou moeten hebben. Paulus spreekt niet over een algemeen principe (wie ouder is, heeft altijd meer gezag), maar over de scheppingsorde van de eerste man en de eerste vrouw. De man werd geschapen en moest de tuin bewerken. Later kreeg hij een vrouw als helper erbij. Nergens wordt gezegd dat de man een ‘helper’ is voor de vrouw. Sterker nog, Adam laat zijn leiding over de vrouw zien door ook haar van een naam te voorzien, een naam die haar kenmerkt als moeder van alle levenden (verg. 2: 19 en 3: 20).

In het volgend artikel zal ik nog een aantal andere schriftgegevens, die Wierenga aanvoert, behandelen om daarna enkele conclusies rond zijn betoog te formuleren.

 

Noot:
1. jg. 84, pp.113-15, 128-31, 144-46, 160-62, 176-79.