I. Algemeene Bepalingen.

Artikel
4

Het bestuur der Nederlandsche Hervormde Kerk wordt uitgeoefend:
1o. over de gemeenten, door Kerkeraden;
2o. over meer gemeenten, vereenigd, door Classicale Besturen en Provinciale Kerkbesturen;
3o. over de gemeenten tezamen, door de Synode. 1)
De belangen der Oost- en West-Indische Kerken zijn een voorwerp van de aanhoudende zorg der Synode van de Nederlandsche Hervormde Kerk. De betrekking dezer Kerken tot de Synode wordt nader geregeld. Intusschen wordt zij onderhouden door tusschenkomst van den Secretaris der Synode, als lid der Commissie voor de zaken der Protestantsche Kerken in Nederlandsch Indië. 2)


1) Daar de gemeenten het recht hebben hare Kerkeraden zelve te verkiezen, klimt dus het bestuur der Kerk (geheel in tegenstelling met het Regl. van 1816) uit de gemeenten op tot de Synode, die de Kerk vertegenwoordigt en voor haar in rechten optreedt (Alg. Regl. art. 55).
2) Deze tusschenperiode duurt nog steeds voort, daar de betrekking der O.- en W.-Indische Kerken tot de Synode nog niet is geregeld. (Vgl. D. en F7, bl. 9). In 1875 (Hand. bl. 192) is aan de Synodale Commissie aanbevolen om, wanneer er sprake mocht komen van eene reorganisatie der Indische Kerken, „de Synode te dienen van advies omtrent hetgeen het belang der Kerk zal vorderen.” In 1910 is door eene daartoe benoemde Staatscommissie een uitvoerig rapport over Reorganisatie der O.- en W.-Indische Kerken uitgebracht, hetwelk aan de Synode is toegezonden, door haar in handen is gesteld van de Syn. Comm., welke hare opmerkingen daarover aan den Min. van Koloniën heeft ingezonden 15 Juni 1915.(Bijl. B. 1915 bl. 314 v.v.). Door het Kerkbestuur te Batavia is in 1920 een rapport over de Reorganisatie der Prot. Kerken in Ned. Indië met concept-Reglementen en Memories tot toelichting aan de Synodale Commissie toegezonden, dat door haar is in handen gesteld van eene commissie van drie leden. Bijl. B. 1921 bl. 209; Hand. bl. 97.
Voor het leggen van contact met de gereorganiseerde Indische Kerk heeft de Synode van 1933 een Commissie van drie leden benoemd. Hand. 1933 bl. 56, 86-89.
Den 11 Juni 1935 is een K.B. afgekomen, om met 1 Augustus 1935 in werking te treden, waarbij de bepalingen uit het K.B. van 7 December 1820 No. 113, welke betrekking hebben op Oost-Indië „buiten werking zijn gesteld”.
Op dien datum heeft het Bestuur van de Protestantsche Kerk in Ned.-Indië een eigen commissie ingesteld, thans genaamd Commissie tot behartiging in Nederland van de belangen der Protestantsche Kerk in Indonesië. Aan de Commissie tot de zaken der Protestantsche Kerken in Nederlandsch West-Indië is thans opgedragen de verzorging van de belangen van de Protestantsche Kerken aldaar.
De Scriba van de Generale Synode der Nederlandsche Hervormde Kerk is momenteel Voorzitter van de bovengenoemde Commissie tot behartiging enz.