I. Algemeene Bepalingen.

Artikel
3

Deze allen blijven tot de bijzondere gemeente, binnen welker ressort zij naar de burgerlijke wet woonplaats hebben, en mitsdien 1) tot de Nederlandsche Hervormde Kerk behooren, zoolang zij niet door woord of daad ten duidelijkste toonen, zich van haar af te scheiden, of door haar van hunne betrekking tot de Kerk vervallen zijn verklaard. 2)


1) De aanhef van art. 3 is, aldus gewijzigd, in werking getreden 1 Jan. 1931 in Verband met de wijziging van art. 2. Tegen de uitdrukking „mitsdien” werd het bezwaar geuit, dat het lidmaatschap van de Kerk primair is. Men zie verder de aanteekening bij art. 2.
2) De uitdrukking ten duidelijkste (in het Alg. Regl. van 1816 „vrijwillig en duidelijk”) voorkomt, dat al te spoedig zou aangenomen worden, dat iemand zijn betrekking met de Kerk heeft verbroken. In de dagen der „Afscheiding” werd door de Synode eene circulaire uitgevaardigd d.d. 14 Juli 1836 betreffende de handelwijze der Kerkeraden ten aanzien van Leden, die zich willen afscheiden. Als tegenhanger dient de missive aan de Kerkelijke Besturen, van 10 Aug. 1891, gewijzigd in de circulaire van 16 Aug. 1902 no. 213, betreffende de handelwijze aangaande hen, die, na zich te hebben afgescheiden, tot de Kerk willen terugkeeren.
Vervallen-verklaring heeft de Synode niet in het Regl. voor K. O. en T. gereglementeerd. Op een verzoek om de gevallen te bepalen, welke aan den Kerkeraad recht geven iemand van zijn lidmaatschap vervallen te verklaren, is de Synode niet ingegaan. Men zie hierover Hand. 1869, bl. 232-233; Bijl. B. bl. 66; 1870, bl. 71-74, 79; 1887, bl. 186-195, 304-305; 1896 Bijl. B. bl. 280-284; Hand. 1896, bl. 122, 607-723, 810-817.