NHK (1948) SynReg Krd 11

Synodaal Reglement voor de Kerkeraden.

Tweede afdeeling.

Verkiezing der Kerkeraadsleden.

Artikel
11

Bij ouderlingen en diakenen heeft eene geregelde aftreding plaats, welke zich immer gelijktijdig slechts tot een deel van hen bepaalt. Zij blijven hun ambt waarnemen tot de bevestiging der nieuw benoemden. Deze waarneming duurt ten hoogste twee maanden. 1)
In gemeenten van niet meer dan één predikant blijft tijdens de vacature het personeel der kerkeraadsleden onveranderd 2), tenzij de vacature twee jaren geduurd hebbe.
De diensttijd, waarvoor zij worden benoemd, is hoogstens vier jaren. Zij zijn terstond 3) herkiesbaar.
Overigens wordt de tijd van hunne benoeming en aftreding bepaald en geregeld bij plaatselijke reglementen.


1) Herkozen kerkeraadsleden moeten ook worden bevestigd. Hand. 1868 bl. 177, 178; Bijl. B. bl. 58 en Hand. 1890 bl. 128. In 1919 werd voorgesteld, die hernieuwde bevestiging te doen vervallen. De rapp. commissie kon zich daarmede wel vereenigen. Doch tot wijziging is het niet gekomen. (Hand. 1919 bl. 253-266). Evenmin in 1926 en 1927, toen weder dergelijke voorstellen zijn ingediend. (Hand. 1926 bl. 183; 1927 bl. 150).
De laatste zinsnede van al. 1 is, na langdurig beraad, in de plaats gekomen van de vroegere, welke aldus luidde: „Zij gaat gepaard met de bevestiging der nieuw benoemden”. Deze woorden lieten plaats voor de opvatting, dat de wettelijke zittingstermijn der aftredenden automatisch kon worden verlengd ten gevolge van het feit, dat nog geen voorziening voor een opvolger was getroffen. Daarentegen zouden, volgens de beslissing der Alg. Syn. Comm. de opvolgers zoo tijdig moeten worden benoemd, dat hunne bevestiging kon gepaard gaan met de aftreding der voorgangers. De nieuwe zinsnede wil dit verschil in uitlegging doen ophouden. (Bijl. 1926 bl. 217 en 231 vv.; Hand. 1927, bl. 112-115; 1928 bl. 302-305; 1929 bl. 299 vv.; 1930 bl. 318-321, 353; 1931 bl. 187 vv. en 212; Bijl. 1932 bl. 163).
2) Periodieke aftreding en eventueele vervanging van periodiek aftredenden door anderen heeft derhalve niet plaats. Evenmin vermeerdering of vermindering van het aantal kerkeraadsleden. Ontstaan er vacaturen, dan kan gehandeld worden volgens art. 12. Vgl. Hand. 1858 bl. 48, 49; 1859 bl. 21; Bijl. B. bl. 37 en 1862 Bijl. B. bl. 239-241.
3) Vóór 1 Januari 1876 was de herkiesbaarheid beperkt. Ten gevolge van de invoering van het algemeen stemrecht is deze beperking opgeheven. Hand. 1874 bl. 199-201; 1875 bl. 95-97.