NHK (1948) SynReg Krd

Synodaal Reglement voor de Kerkeraden.

1)

 


1) Het Reglement voor de Kerkeraden is, behoudens later aangebrachte wijzigingen en aanvullingen, door de Synode gearresteerd den 11 Aug. 1856 en in werking getreden den 1 Juli 1857.

NHK (1948) SynReg Krd 1

Synodaal Reglement voor de Kerkeraden.

 

Algemeene bepaling.

Artikel
1

In elke gemeente is een Kerkeraad, die haar vertegenwoordigt en bestuurt.
In gemeenten, waar men wegens gebrek aan bereidwillige en geschikte personen niet tot de samenstelling van een Kerkeraad kan geraken, of waar uit welke andere oorzaak ook het getal der kerkeraadsleden kleiner is dan 2/3 gedeelte van het aantal leden, waaruit de voltallige Kerkeraad bestaan moet, treedt het Classicaal Bestuur op om te doen wat des Kerkeraads is.
Aan de vergaderingen van het Classicaal Bestuur, tot de kerkeraadshandelingen bestemd, nemen de kerkeraadsleden, die er reeds zijn of die er nog zijn, deel met concludeerende stem, terwijl de predikant der gemeente en bij vacature de consulent met de betrekking van praeses en scriba is bekleed zonder echter als zoodanig eenige rechten met opzicht tot den tijd en de plaats der samenkomsten of ook anders tusschentijds uit te oefenen.
Voor de afdoening van zaken, die het beheer der Diaconie betreffen of spoed vorderen, met uitzondering van hetgeen tot het beroepingswerk van een predikant behoort, kan het Classicaal Bestuur, doende wat des Kerkeraads is, zich door eene commissie van twee of drie zijner leden laten vertegenwoordigen 2), welke commissie dan handelt met medewerking van de kerkeraadsleden, die er reeds zijn of die er nog zijn, onder voorzitterschap van den predikant of den consulent. Telkens wordt hiervan kennis gegeven aan de kerkelijke administratie der gemeente.
Wanneer en zoolang het Classicaal Bestuur nalatig is te handelen als in dit artikel is bepaald, zulks ter beoordeeling van het Provinciaal Kerkbestuur, treedt laatstgenoemd bestuur op om te doen wat des Kerkeraads is en vindt met betrekking hiertoe het in de vorige alinea’s ten aanzien van het Classicaal Bestuur bepaalde volledige en overeenkomstige toepassing.
De vergaderingen van den Kerkeraad behooren te worden gehouden binnen de grenzen der gemeente, die van de Besturen, doende wat des Kerkeraads is, bij voorkeur aldaar.
De kosten, veroorzaakt door het optreden van het Classicaal Bestuur en het Provinciaal Kerkbestuur, doende wat des Kerkeraads is, worden berekend naar art. 25 van het Reglement voor kerkelijk opzicht en tucht enz., en komen ten laste van de kerkelijke administratie der betrokken gemeente. 3)


2) Het Cl. Bestuur doende wat des Kerkeraads is, moet, behoudens de gevallen in al. 4 vermeld, bestaan uit al de leden van dat Bestuur met den predikant of den consulent, en de overgebleven kerkeraadsleden. (Bijl. B. 1888. bl. 167, 168). Vgl.

|58|

Hand. 1856 bl. 62, Bijl. B. bl. 40; 1864 bl. 127, 129. 134, Bijl. B. bl. 166; 1865 bl. 162-165. 216, 217, Bijl. A. bl. 101; 1882 bl. 87-90; 1889 bl. 534-542.
3) Artikel 1 werd in 1931 geheel herzien, omdat (zooals ook in eene aanteekening in onze 4e uitgaaf was opgemerkt) het niet volledig was met betrekking tot de gevallen die volgens art. 18 Alg. Regl. tot de toepassing van het artikel kunnen leiden. Het was in verschillende opzichten onduidelijk en gaf aanleiding tot uiteenloopende toepassing. (Hand. 1931 bl. 348, 351 vv. 385; 1932 bl. 279 vv. 294; Bijl. 1933, bl. 169).

NHK (1948) SynReg Krd 2

Synodaal Reglement voor de Kerkeraden.

Eerste afdeeling.

Samenstelling van den Kerkeraad.

Artikel
2

De Kerkeraad bestaat uit de Opzieners der gemeente, zijnde de predikant, of de predikanten en de ouderlingen, behoudens de betrekking der diakenen tot dit college.
In gemeenten met minder dan drie predikanten worden de diakenen altijd gerekend mede tot den Kerkeraad te behooren.
In gemeenten met drie of meer predikanten maken de diakenen een afzonderlijk college uit, maar worden in gevallen, nader te bepalen, mede tot de handelingen van den Kerkeraad geroepen.
De Kerkeraad, uit predikanten en ouderlingen bestaande, draagt den naam van Bijzonderen Kerkeraad.
Die uit predikanten, ouderlingen en diakenen bestaat, wordt Algemeene Kerkeraad genoemd.

NHK (1948) SynReg Krd 3

Synodaal Reglement voor de Kerkeraden.

Eerste afdeeling.

Samenstelling van den Kerkeraad.

Artikel
3

De vereischten der predikanten zijn aangewezen in het Reglement op de Vacaturen.
Met het ambt van predikant is onvereenigbaar het lidmaatschap van eene der Kamers der Staten-Generaal en dat der Provinciale Staten.
Voor predikanten, die bij het in werking treden dezer bepaling eene der bovengenoemde betrekkingen bekleeden, geldt zij eerst met den afloop van hun mandaat als zoodanig. 1)
De ouderlingen en diakenen behooren te zijn manslidmaten der gemeente 2), sedert één jaar in haar midden gevestigd 3), onberispelijk in belijdenis en wandel, bekende voorstanders van den openbaren godsdienst en geen tegenstrevers van kerkelijke verordeningen; de ouderlingen niet beneden de dertig jaren oud, de diakenen niet beneden de drie-en-twintig jaren oud. 4)
Het Classicaal Bestuur is bij machte, wegens bijzondere redenen op den leeftijd der ouderlingen en der diakenen uitzondering toe te laten. 5)


1) De alinea’s 2 en 3 zijn in werking getreden 15 Jan. 1907 (tegelijk met de invoeging in art. 1, 1e. Regl. Vacat.). De wetgever voldeed aan het luid uitgesproken verlangen van hen, die het veelvuldig optreden van predikanten in den politieken verkiezingsstrijd afkeurden. De mogelijkheid, dispensatie van deze bepaling te verleenen, werd door de meerderheid in de Synode van 1906 buitengesloten (Hand. 1905 bl. 342-370; 1906 bl. 322-330 en 332-336).
De Synode van 1921 heeft voorloopig aangenomen de vervanging van de alinea’s 2 en 3 door eene nieuwe alinea 2: „Het ambt van predikant is slechts dan vereenigbaar met het lidmaatschap van eene der kamers der Staten-Generaal en met dat der Gedeputeerde Staten, als de Kerkeraad der gemeente, waarin de betrokken

|59|

predikant zijn ambt vervult, daaraan zijne goedkeuring heeft gehecht en het Classicaal Bestuur, waaronder deze gemeente ressorteert, zijne toestemming heeft gegeven, nadat dit Bestuur zich verzekerd heeft, dat in alle deelen van het ambtswerk naar behooren wordt voorzien volgens art. 2 al. 2 van het Reglement op het Hulppredikerschap of van artt. 80-84 van het Reglement op de Vacaturen”. Het voorstel werd echter door de Synode van 1922 met 9 tegen 8 stemmen ingetrokken. (Hand. 1922, bl. 184-188).
2) „Manslidmaten der gemeente”. Op 1 Jan. 1923 is in werking getreden de wijziging van art. 3* Alg. Regl., waarbij aan vrouwelijke lidmaten het stemrecht is verleend. Om te voorkomen, dat hieruit tot de verkiesbaarheid der vrouw zou worden besloten, is in al. 4 van art. 3 Regl. Kerkeraden, het woord „lidmaten” vervangen door „manslidmaten”. (Vgl. art. 17 Alg. Regl.).
3) In 1868 heeft de Alg. Syn. Commissie verklaard, „dat hier alleen sprake is van een metterwoon gevestigd zijn in het midden der gemeente, d.w.z. binnen
hare kerkelijke grenzen”. (Hand. 1868 bl. 177, 178 en Bijl. B. bl. 57, 58; 1887 bl. 162, 163 en 260). Vgl. D. en F.7 bl. 100, aant. 2.
Iemand, die nog geen jaar geleden geloofsbelijdenis in die gemeente heeft afgelegd en dus nog niet stemgerechtigd is, kan tot ouderling of diaken worden benoemd. Evenzoo iemand, die nog geen jaar geleden uit de Waalsche gemeente ter plaatse met attestatie is overgekomen. (Hand. 1867 bl. 100, 121).
Zie aant. 2 al. 2 bij art. 2 Syn. Regl. Benoeming.
4) De bepaling, dat de diakenen moesten zijn „meerderjarig naar de burgerlijke wet” is vervangen door die welke in werking is getreden 1 Jan. 1930, terwijl in de laatste alinea achter „ouderlingen" zijn ingevoegd de woorden „en der diakenen”. (Hand. 1928 bl. 86; 1929 bl. 185, 186).
5) Een voorstel om art. 3 te wijzigen, ten einde het mogelijk te maken, dat ook vrouwen tot diakenen benoemd zouden kunnen worden, werd in 1936 met 10 tegen 9 stemmen voorloopig aangenomen. (Hand. 1936 bl. 123-129; 229-230), maar in 1937 met 11 tegen 8 stemmen verworpen. (Hand. 1937 bl. 74-79).

NHK (1948) SynReg Krd 4

Synodaal Reglement voor de Kerkeraden.

Eerste afdeeling.

Samenstelling van den Kerkeraad.

Artikel
4

De Kerkeraad 1) bepaalt het getal der ouderlingen en diakenen, en regelt dit 2) naar de talrijkheid en uitgestrektheid der gemeente, den aard der combinatiën en het getal der predikanten.
Het getal der ouderlingen is voor het minst aan dat der diakenen gelijk.
Buiten zeer bijzondere gevallen, door het Classicaal Bestuur te beoordeelen, is het getal der ouderlingen en dat der diakenen nergens minder dan twee. 3)


1) Blijkens art. 16, 1°, is hier de Algemeene Kerkeraad bedoeld. (Vgl. Hand. 1858 bl. 20;  Bijl. B   bl. 38).
2) Behoudens de bevoegdheid van het Cl. Bestuur om eene betere regeling te gelasten, als het die noodig oordeelt. (Hand.  1866 bl. 90, 91). Vgl. ook Bijl. 1876 bl.  191-194.
3) Een voorstel van de Commissie voor Diaconale Armenzorg, om de mogelijkheid te openen,  het getal der diakenen te vergrooten, zonder dat dit eene vergrooting van het getal der ouderlingen ten gevolge zou hebben, is in 1931 afgewezen. (Hand. 1931 bl. 364 vv.).

NHK (1948) SynReg Krd 5

Synodaal Reglement voor de Kerkeraden.

Tweede afdeeling.

Verkiezing der Kerkeraadsleden.

Artikel
5

De beroeping van predikanten geschiedt naar de bepalingen in het Reglement op de vacaturen en het Synodaal Reglement op de benoeming van ouderlingen en diakenen en de beroeping van predikanten.

NHK (1948) SynReg Krd 6

Synodaal Reglement voor de Kerkeraden.

Tweede afdeeling.

Verkiezing der Kerkeraadsleden.

Artikel
6

De benoeming van ouderlingen en diakenen geschiedt overeenkomstig het laatstgenoemde hierop mede betrekkelijk Synodaal Reglement.

NHK (1948) SynReg Krd 7

Synodaal Reglement voor de Kerkeraden.

Tweede afdeeling.

Verkiezing der Kerkeraadsleden.

Artikel
7

In nieuwe gemeenten geschiedt de eerste benoeming 1) van ouderlingen en diakenen onder de leiding van twee afgevaardigden uit het Classicaal Bestuur, door de stemgerechtigde leden.
Binnen drie maanden nadat de aldus benoemden in hunne bediening zijn bevestigd, heeft de stemming plaats, bedoeld in art. 4 van het Synodaal Reglement op de benoeming van ouderlingen en diakenen en de beroeping van predikanten.
De daarbij genomen beslissing blijft van kracht tot den dag, waarop de loopende termijn van tien jaren in de overige gemeenten eindigt. Daarna geschiedt de stemming om de tien jaren volgens de bepalingen van genoemd artikel. 2)


1) Zie art. 11 Regl. op de erkenning van nieuwe gemeenten.
2) Art. 7 is gewijzigd in werking getreden 15 Jan. 1919. Het is in overeenstemming gebracht met het op dien zelfden datum in werking getreden herziene Syn. Regl. op de benoeming enz.

NHK (1948) SynReg Krd 8

Synodaal Reglement voor de Kerkeraden.

Tweede afdeeling.

Verkiezing der Kerkeraadsleden.

Artikel
8

De benoemden tot ouderling of diaken, verklaard hebbende, dat zij willens zijn de opgedragen bediening te aanvaarden, worden op twee Zondagen aan de gemeente voorgesteld. 1)


1) Het behoeft dus niet — zooals tot 15 Jan. 1905 was voorgeschreven — op twee achtereenvolgende Zondagen te geschieden.

NHK (1948) SynReg Krd 9

Synodaal Reglement voor de Kerkeraden.

Tweede afdeeling.

Verkiezing der Kerkeraadsleden.

Artikel
9

Bezwaren tegen een benoemde worden bij den Kerkeraad en in nieuwe gemeenten tegen een eerstbenoemde bij het Classicaal Bestuur schriftelijk en onderteekend ingediend, uiterlijk op den tweeden dag na de tweede afkondiging.
De bij den Kerkeraad ingediende bezwaren worden aan het Classicaal Bestuur en de bij dit Bestuur ingekomene aan het Provinciaal Kerkbestuur ter beoordeeling en beslissing opgezonden.

NHK (1948) SynReg Krd 10

Synodaal Reglement voor de Kerkeraden.

Tweede afdeeling.

Verkiezing der Kerkeraadsleden.

Artikel
10

Indien binnen den bepaalden tijd geene bezwaren zijn ingekomen, worden de benoemden in eene gewone godsdienstoefening, binnen ééne maand na de eerste afkondiging bevestigd. 1)
Zijn er bezwaren ingediend, welke door het bevoegde Bestuur ongegrond zijn geoordeeld, dan heeft de bevestiging plaats in de eerste gewone godsdienstoefening, nadat de uitspraak des Bestuurs door den Kerkeraad ontvangen en aan de gemeente medegedeeld is. 2)
In geval de bezwaren geldende zijn verklaard, wordt tot eene nieuwe benoeming niet overgegaan, vóórdat de termijnen om te komen in hooger beroep zijn verstreken of anders de einduitspraak is gedaan. 3)


1) De eerste alinea is tegelijk met art. 8 op 15 Jan. 1905 gewijzigd. Vroeger moest de bevestiging plaats hebben op den Zondag na de laatste afkondiging, en sinds 1 Jan. 1898 „in eene gewone godsdienstoefening binnen acht dagen na de laatste afkondiging”.
2) Een voorstel om in art. 10 al. 2 het woord „uitspraak” te veranderen in het woord „beslissing” werd door de Synode van 1937 verworpen. (Hand. 1937 bl. 94-99; 124-126).

|61|

3) Hier dient wel te worden onderscheiden tusschen bezwaren tegen den benoemde en bezwaren tegen de benoeming, welke laatste kunnen leiden tot een geschil, als bedoeld in art. 70. Regl. K. O. en T.

NHK (1948) SynReg Krd 11

Synodaal Reglement voor de Kerkeraden.

Tweede afdeeling.

Verkiezing der Kerkeraadsleden.

Artikel
11

Bij ouderlingen en diakenen heeft eene geregelde aftreding plaats, welke zich immer gelijktijdig slechts tot een deel van hen bepaalt. Zij blijven hun ambt waarnemen tot de bevestiging der nieuw benoemden. Deze waarneming duurt ten hoogste twee maanden. 1)
In gemeenten van niet meer dan één predikant blijft tijdens de vacature het personeel der kerkeraadsleden onveranderd 2), tenzij de vacature twee jaren geduurd hebbe.
De diensttijd, waarvoor zij worden benoemd, is hoogstens vier jaren. Zij zijn terstond 3) herkiesbaar.
Overigens wordt de tijd van hunne benoeming en aftreding bepaald en geregeld bij plaatselijke reglementen.


1) Herkozen kerkeraadsleden moeten ook worden bevestigd. Hand. 1868 bl. 177, 178; Bijl. B. bl. 58 en Hand. 1890 bl. 128. In 1919 werd voorgesteld, die hernieuwde bevestiging te doen vervallen. De rapp. commissie kon zich daarmede wel vereenigen. Doch tot wijziging is het niet gekomen. (Hand. 1919 bl. 253-266). Evenmin in 1926 en 1927, toen weder dergelijke voorstellen zijn ingediend. (Hand. 1926 bl. 183; 1927 bl. 150).
De laatste zinsnede van al. 1 is, na langdurig beraad, in de plaats gekomen van de vroegere, welke aldus luidde: „Zij gaat gepaard met de bevestiging der nieuw benoemden”. Deze woorden lieten plaats voor de opvatting, dat de wettelijke zittingstermijn der aftredenden automatisch kon worden verlengd ten gevolge van het feit, dat nog geen voorziening voor een opvolger was getroffen. Daarentegen zouden, volgens de beslissing der Alg. Syn. Comm. de opvolgers zoo tijdig moeten worden benoemd, dat hunne bevestiging kon gepaard gaan met de aftreding der voorgangers. De nieuwe zinsnede wil dit verschil in uitlegging doen ophouden. (Bijl. 1926 bl. 217 en 231 vv.; Hand. 1927, bl. 112-115; 1928 bl. 302-305; 1929 bl. 299 vv.; 1930 bl. 318-321, 353; 1931 bl. 187 vv. en 212; Bijl. 1932 bl. 163).
2) Periodieke aftreding en eventueele vervanging van periodiek aftredenden door anderen heeft derhalve niet plaats. Evenmin vermeerdering of vermindering van het aantal kerkeraadsleden. Ontstaan er vacaturen, dan kan gehandeld worden volgens art. 12. Vgl. Hand. 1858 bl. 48, 49; 1859 bl. 21; Bijl. B. bl. 37 en 1862 Bijl. B. bl. 239-241.
3) Vóór 1 Januari 1876 was de herkiesbaarheid beperkt. Ten gevolge van de invoering van het algemeen stemrecht is deze beperking opgeheven. Hand. 1874 bl. 199-201; 1875 bl. 95-97.

NHK (1948) SynReg Krd 12

Synodaal Reglement voor de Kerkeraden.

Tweede afdeeling.

Verkiezing der Kerkeraadsleden.

Artikel
12

Tusschentijds openvallende plaatsen worden, indien de Kerkeraad zulks noodig acht, op de gewone wijze vervuld.
De benoeming geschiedt alsdan voor niet langer dan voor den overigen diensttijd der uitgevallen leden.

NHK (1948) SynReg Krd 13

Synodaal Reglement voor de Kerkeraden.

Derde afdeeling.

Werkzaamheden des Kerkeraads.

Artikel
13

De Kerkeraad zorgt voor de belangen der gemeente, gedraagt zich in alles naar de kerkelijke reglementen en verordeningen, en ziet toe dat zij worden opgevolgd.
Teneinde kennis te nemen van de officieele berichten der kerkelijke Colleges, abonneeren zich de Kerkeraden op een door de Algemeene Synode tot dat doel aan te wijzen Orgaan. 1)
Jaarlijks worden in de eerste Kerkeraadsvergadering de derde en vierde afdeeling van dit reglement voorgelezen.


1) Invoeging, in werking getreden 1 Jan. 1943.

NHK (1948) SynReg Krd 14

Synodaal Reglement voor de Kerkeraden.

Derde afdeeling.

Werkzaamheden des Kerkeraads.

Artikel
14

Aan den Bijzonderen Kerkeraad is bepaaldelijk opgedragen:
1º. de zorg voor de betamelijke viering van de openbare 1) godsdienstoefeningen in het algemeen, waarvan getal, tijd en plaats door hem geregeld 2) worden; — en in het bijzonder voor de bediening van Doop en Avondmaal, opdat zij aan hun doel beantwoorden en tot de meeste stichting der gemeente verstrekken.

Hiertoe behoort:
a. dat het Avondmaal 3), telkens na voorafgegane voorbereidingspredikatie 4), geregeld 5) gehouden worde;
b. dat de Doopsbediening 6)  niet elke week, indien de talrijkheid der gemeente het althans niet gebiedend vordert, maar, behalve in de gevallen sub c. vermeld 7), ook niet anders dan bij  de openlijke bijeenkomsten, bij voorkeur 8) op den Zondag, in tegenwoordigheid, zoo maar immer mogelijk, van beide ouders 9), op de meest indrukwekkende wijze plaats hebbe 10);
c. dat afzonderlijke bediening van den Doop, alleen in geval de ouders of een hunner vóór den Zondag de gemeente moet verlaten, of een hunner tot de Roomsch-Katholieke Kerk behoort, op een der gewone dagen van de week, in de kerk of kerkekamer, of ook in een ander geschikt lokaal, ter beoordeeling van predikant of Kerkeraad, statig en plechtig, onder aanbeveling mede van den nood der armen, geschiede, in tegenwoordigheid van één of meer ouderlingen, of, bij gebreke van dien, van eenige leden der gemeente;
d. dat ook kinderen van ouders, die tot de kerkgemeente van eene andere plaats behooren, niet gedoopt worden 11), dan na ontvangen schriftelijk bericht 12), omtrent het zedelijk gedrag der ouders, vooraf ingewonnen bij den Kerkeraad van de gemeente, waarin zij wonen en af te geven binnen veertien dagen, nadat de aanvrage daartoe zal zijn gedaan. Dit bericht wordt, indien het niet reeds bij de aanmelding tot den Doop wordt overgelegd, namens belanghebbenden gevraagd door den Kerkeraad van de gemeente, waar de toediening van den Doop verlangd wordt. Ontvangt die Kerkeraad binnen den gestelden termijn geen bericht, dan kan de aangevraagde Doop voortgang hebben, onder verplichting om binnen acht dagen aan den Kerkeraad van de gemeente der woonplaats kennis te geven van de volbrachte handeling, opdat daarvan nauwkeurige aanteekening geschiede in de doopboeken der beide gemeenten 13);
e. dat, zoo noodig en mogelijk, geregeld jeugddiensten worden gehouden. 14)
2º. de zorg voor het godsdienstonderwijs, naar de voorschriften van het Reglement op dit onderwerp;
3º. het toezicht op de belijdenis en den wandel van de leden der gemeente en de handhaving der kerkelijke orde, volgens het Reglement voor kerkelijk opzicht en tucht;
4º. de bevordering van alles, wat het godsdienstig leven in de gemeente kan verhoogen, met name ook van de kerkelijke inzegening des huwelijks 15);
5º. de afneming van de belijdenis des geloofs en de bevestiging van de nieuwe lidmaten in de gemeente, zien bij deze handelingen gedragende naar de bepalingen in artt. 38-41 van het Reglement op het godsdienstonderwijs en, zooveel dezulken betreft, die eene kerkelijke bediening bij een ander kerkgenootschap bekleed hebben, naar de Synodale verordening van 21 Juli 1830 16);
6º. het waken voor het geregeld indienen van de attestatiën der lidmaten, die van elders zijn ingekomen, door hen vóór elke avondmaalsbediening hiertoe openlijk uit te noodigen, en de toekenning van het lidmaatschap in de gemeente aan allen, die eene behoorlijke attestatie overleggen 17), afgegeven door den Kerkeraad van eene andere Hervormde, of ook van eene Protestantsche gemeente 18), indien zij oorspronkelijk tot de Hervormde Kerk behoord hebben, dan wel van een gemeente eener andere Christelijke Kerk bedoeld in artikel 75 van het Algemeen Reglement, tenzij wat dit laatste betreft, te haren aanzien door de Synode anders is bepaald, 19) met dien verstande, dat de Kerkeraden der Waalsche, Presbyteriaansch-Engelsche en Schotsche gemeenten bevoegd zijn de inschrijving als lidmaat hunner gemeente te weigeren aan hen, van wie het, naar het oordeel dier Kerkeraden, overtuigend gebleken is, dat zij, ofschoon in het bezit eener attestatie, door den Kerkeraad eener Nederduitsche Hervormde gemeente afgegeven, de taal, waarin de godsdienstoefeningen in hunne gemeenten worden gehouden niet behoorlijk verstaan, indien zij althans niet oorspronkelijk tot haar behoord hebben en aldaar den Doop ontvangen hebben 20);
7º. het uitreiken van attestatiën op aanvrage van naar elders vertrekkende lidmaten 21), met inachtneming van de synodale verordeningen van den 10 Juli 1829 en den 12 Juli 1841, 1 en 2 22); het binnen acht dagen geven van bericht hiervan aan den Kerkeraad der gemeente, waarheen de lidmaat is vertrokken 23), en het afgeven van doopsbewijzen op aanvrage van of namens belanghebbenden 24);
8º. het houden van dubbele, aan verschillende plaatsen bewaarde, registers: a. van gedoopten; b. van lidmaten, zoowel die op belijdenis zijn aangenomen en met getuigenis overgekomen, als ook, zooveel mogelijk, die naar elders vertrokken, die tot eene andere gezindte overgegaan en die overleden zijn; c. van kerkelijk in het huwelijk ingezegenden. Deze dubbele registers worden jaarlijks in de eerste of tweede kerkeraadsvergadering nauwkeurig met elkander over het verloopen jaar vergeleken, zoo noodig in orde gebracht en voor gezien geteekend; desgewenscht kan dit ook geschieden door een uit en door den Kerkeraad te benoemen Commissie, die in de volgende kerkeraadsvergadering verslag uitbrengt van hare bevinding 25);
9º. de zorg voor het aanleggen en bijhouden van een kerkelijk bevolkingsregister in de gemeente in overleg met de kerkelijke administratie en het toezenden van de in het Kerkelijke bevolkingsregister voorkomende gegevens aan de Gemeente, waarheen iemand is verhuisd 26).
10º. de aanstelling met instructie, de schorsing en het ontslag van godsdienst-onderwijzers, en van voorlezers en voorzangers 27), behoudens de rechten van derden;
11º. de jaarlijksche afvaardiging tot de Classicale Vergadering en de afvaardiging tot buitengewone Classicale Vergaderingen 28) met inachtneming van het bepaalde in art. 38 van het Algemeen Reglement, en het ontvangen van het verslag van hetgeen aldaar belangrijks is geschied, volgens art. 38 van het Algemeen Reglement;
12º. het toezicht op het diaconiebeheer, volgens het Synodaal Reglement voor de diaconieën;
13º. het behandelen van zaken van beheer van kerkelijke goederen en fondsen, voor zoover dat aan den Kerkeraad volgens de reglementen of bijzondere bepalingen is opgedragen, en dit onder toezicht der Kerkelijke Besturen 29);
14º. de zorg voor het archief, naar de bepalingen van het Reglement op de kerkelijke archieven 30);
15º. in Gemeenten met vijf of meer predikantsplaatsen de indeeling in wijken en de aanwijzing van ouderlingen voor elke wijk, die met den wijkpredikant en de diakenen, welke voor elke wijk door den Algemeenen Kerkeraad naar art. 16, 8º. van het Synodaal Reglement voor de Kerkeraden worden aangewezen, het Wijk-College vormen. De wijkpredikant en wijk-ouderlingen stellen een verslag van den wijkarbeid samen, dat vóór den 1sten Maart ter kennis van den Bijzonderen Kerkeraad wordt gebracht. 31).
De aanwijzing van de wijkpredikanten geschiedt door de predikanten gezamenlijk en wordt door hen ter kennis van den Algemeenen Kerkeraad gebracht. 32)


1) Elke godsdienstoefening, ter plaatse door den Kerkeraad bepaald, is openbaar, tenzij niet voor ieder toegankelijk gesteld. Bijl. 1887 bl. 183.
2) Geene openbare godsdienstoefeningen mogen worden gehouden buiten den Kerkeraad om. Bijl. B. 1872 bl. 291-296.
Voor het houden van openbare godsdienstoefeningen, welke niet tot de geregelde beurten behooren, zal in sommige gevallen overleg met, of toestemming van kerkvoogden noodig zijn. Hand. 1858 bl. 39, 40.
De Synode heeft herhaaldelijk aangedrongen (Hand. 1853 bl. 186; 1899 bl. 304) op het „tweemaal houden van de openbare godsdienstoefeningen op den wekelijkschen dag des Heeren”.
3) Volgens Synodale Resolutie van 16 Juli 1817 kunnen leden van andere kerkgenootschappen „indien er naar het oordeel van den Kerkeraad geen redenen ter contrarie bestaan, mits onergerlijk zijnde van leven en bewijs gevende van hun lidmaatschap, in de Hervormde gemeenten ten Avondmaal worden toegelaten”.
4) Vgl. de tweede aanteekening bij art. 22.
5) „Geregeld”. De Syn. verordening van 11 Juli 1817 schreef voor: „viermalen des jaars”.
6) Aan hetgeen onder b. en c. wordt voorgeschreven, liggen ten grondslag de Synodale verordeningen van 11 Juli 1817, 17 Juli 1819, 21 Juli 1821, 15 Juli 1842, 20 Juli 1843.
De Synode van 1942 heeft in hare zitting van 23 Juli, naar aanleiding van een voorstel der Classicale Vergadering van IJzendijke, strekkende tot eene aanvulling van art. 14 van het Reglement voor de Kerkeraden, waarbij de doop van volwassenen zonder belijdenis des geloofs zou verboden worden, afgewezen, omdat zij deze aanvulling overbodig achtte. Immers, overeenkomstig de beginselen en de praktijk der Kerk, de apostolische en de latere, en bepaaldelijk ook de Gereformeerde Kerk, zijn doop en belijdenis onafscheidelijk, evenals de belofte Gods en het geloof, in

|65|

zooverre „in alle verbonden twee deelen begrepen zijn” (Doopsformulier). Vandaar dat bij den kinderdoop de ouders hun geloof uitspreken, terwijl bij den doop van de volwassene deze zelf zijn geloof belijdt. In het laatste geval moet de Kerkeraad er voor waken, dat de geloofsbelijdenis niet een schoolsch karakter drage, opdat het geestelijke karakter der plechtigheid niet worde geschaad. Hierbij worde dus groote eenvoud en teerheid betracht. Maar de doop kan niet worden losgemaakt van de belijdenis, waardoor de volwassen doopeling mondig lidmaat der gemeente wordt en toegang verkrijgt tot het H. Avondmaal. Het kan, b.v. wanneer geheele gezinnen gedoopt worden, bezwaarlijk zijn de grens tusschen kind en volwassene scherp te trekken. Er bestaat ook geen wettelijke leeftijdsgrens en het kan in bepaalde gevallen geraden zijn den kinderdoop alsnog aan opgroeiende kinderen toe te dienen, wien de belijdenis des geloofs nog te zwaar zou vallen. Men kan in zulk een geval de belijdenis uitstellen tot tijd en wijle, dat de gedoopte in staat moet worden geacht welbewust belijdenis des geloofs af te leggen. (Vgl. bij de geheele vraag de Dordtsche Kerkordening art. 59 en het Formulier voor den Bejaardendoop; ook de noot bij art. 2 van het Alg. Reglement, al. 3).
7) De z.g. huisdoop is, behalve in de onder c. vermelde gevallen, niet geoorloofd(zie D. en F.7, bl. 108 sub 9). Hand. 1887 bl. 161, 260.
8) „Bij voorkeur”. Derhalve kunnen ook weekdoopbeurten, zooals deze door de Kerkeraden van Amsterdam (Hand.  1876 bl. 88, 89, 393) en Rotterdam (1888 bl. 170-173) werden verlangd, worden gehouden.
9) De Synode van 1913 (Hand. bl.  165-173)  heeft het in strijd geacht met de doopspraktijk, dat Kerkeraden het getrouw kerkbezoek der ouders als voorwaarde doen gelden voor het doopen van het kind.
10) Over het gebruik van de „doopsformule” (Matth. 28: 19) vgl. D. en F.7 bl. 108 sub 10 en Synodale circulaire van 1896. (Hand. bl. 251-276, 442-444, 772 en 773) aldus luidende:
„Aan de Algemeene Synode der Nederlandsche Hervormde Kerk is het onbetwistbaar gebleken, dat bij de bediening van den Doop in de Ned. Herv. Kerk niet altijd de woorden worden uitgesproken, welke zijn ontleend aan Matth. 28: 19.
„De Synode acht het, op grond van onderscheiden overwegingen, niet noodig eene bepaling in onze Kerkelijke Reglementen op te nemen, waarbij het gebruik der bedoelde woorden verplicht wordt gesteld.
„Zij gevoelt zich echter gedrongen, er haar leedwezen over uit te spreken, dat van de oude wijze van Doopsbediening, de eenige welke onze Kerk kent, door sommigen wordt afgeweken, en daardoor ergernis wordt gegeven aan velen.
„Daarom draagt zij het u op, toe te zien, dat bij de bediening van den Doop in uwe gemeente steeds worden uitgesproken de woorden aan Mattheus 28: 19 ontleend”.
11) De bepaling sub d. is in werking getreden 1 Maart 1866. Later (15 Jan. 1886) is ingelascht het voorschrift betreffende den termijn en de wijze van handelen, indien binnen den termijn het „bericht” niet is ontvangen. Hand. 1863 bl. 318, 319; 1864 bl. 18, 19; Bijl. B. bl. 34, 35; 1865 bl. 119-121, 145, 152; 1884 bl. 68-70; 1885 bl. 402-406.
12) Gevraagd wordt een „bericht omtrent het zedelijk gedrag”, derhalve geen „bewijs van goed gedrag”.
13) Het Reglement bevat geen voorschrift betreffende de erkenning van den doop, bediend door voorgangers bij de christelijke secten. In 1843 (Hand. bl. 170 en 172) heeft de Synode verklaard, dat de doop door „leeraren van christelijke afgescheiden gemeenten” bediend, als wettig moet worden erkend, en in 1891 (Hand. bl. 362 en 364) werd met 10 tegen 9 stemmen, de wettigheid erkend van den doop der Doleerenden, Irvingianen, Ledeboerianen of  andere christelijke secten. Vgl. ook Hand. 1888 bl. 357-368; Hand. 1909 bl. 182-187 en D. en F.7 bl. 110 aant. 12.
14) De invoeging onder e. is in werking getreden 1 Jan. 1934. Zie ook de invoeging in tabel A. Regl. Kerkvisitatie (Hand. 1932 bl. 73 vv.; 1933 bl. 144).
15) Zie de Synod. circulaire van 22 Juli 1816 en Hand. 1819 bl. 50, 60, 61 en 64. De Kerkeraad dient te zorgen voor openlijke afkondiging van dag en uur. De trouwacte, welke vóór de inzegening aan den dienstdoenden predikant moet worden

|66|

getoond (art. 449 Wetb. v. Strafrecht), behoeft niet — zooals vroeger — gezegeld te zijn en wordt kosteloos uitgereikt.
16) Volgens deze verordening vergewist zich het Provinciaal Kerkbestuur van het zedelijk gedrag van den betrokken persoon, om daarna aan de betrokken gemeente te kunnen verklaren, dat er tegen zijne toelating tot het lidmaatschap geen bezwaar is.
17) In 1927 is afgewezen een voorstel, om den Kerkeraad ook te doen waken voor het geregeld indienen van de doopattesten der nog niet belijdende leden. (Hand. bl. 149/50).
Over de vraag — door den Burgerlijken Rechter verschillend beantwoord — of iemand ook zonder attestatie te hebben ingediend, moet geacht worden te behooren tot de gemeente waar hij woont, zie de artt. 2 en 3 Alg. Regl. met de daarbij gevoegde aanteekeningen. Uitvoerig heeft de Synode in haar 12e zitting van 30 Juli 1929 over het niet-indienen van attestatiën gehandeld; naar aanleiding van voorstellen van de Class. Verg. van Zierikzee en van den Kerkeraad te Utrecht. (Hand. bl. 194 v.v.).
18) Ten einde te voorzien in de geestelijke behoeften van Protestanten uit andere godsdienstige genootschappen, die ter plaatse waar zij zich vestigen geene bijzondere gemeente hebben, heeft de Synode in eene aanschrijving van 20 Juli 1819 bepaald, dat de Kerkeraden de kerkelijke  attestatiën  dier personen,  indien zulks begeerd wordt, moeten aannemen, en in het lidmatenregister inschrijven met bijvoeging van het kerkgenootschap waartoe zij behooren, en dat hun, bij vertrek, de attestatie met getuigenis betreffende hun wandel weder moet worden uitgereikt. Toekenning van lidmaatschap is daaraan echter niet verbonden (Bijl. B. 1879 bl. 126-141; Hand. bl. 112, 113).
De Synode van 1928 besloot, dat attestaties, ingeleverd door personen die van de „Union des églises évangéliques protestantes de Belgique” of van de Belgische zendingskerk lidmaten zijn, in onze lidmatenboeken behooren te worden ingeschreven, (Hand. 1928 bl. 46).
19) Zie noot 3 bij art. 1 van het Alg. Regl.
20) De bedoeling van deze bepaling is, dat de genoemde gemeenten bevoegd zullen zijn, personen te weren, die zonder ooit tot die gemeente in eenige betrekking te hebben gestaan, om bijzondere reden, bijv. terwille van ondersteuning uit liefdefondsen, zich tot haar wenden.
21) Volgens de Synode van 1860 is het onvoegzaam, voor het uitreiken van eene attestatie, van de betrokken personen geld te eischen. (Hand. 1860 bl. 60, 61; 1861 bl. 87-89; 1867 bl. 133).
De woorden „van elders” en „naar elders” in 6º. en 7º. gaven aan den Kerkeraad te Utrecht in de jaren 1920-1923 geen vrijmoedigheid, attestatiën uit te reiken aan lidmaten, die tot de Waalsche gemeente aldaar wenschten over te gaan. In de procedures welke daarop gevolgd zijn, is niet vastgesteld, dat deze opvatting van den Kerkeraad te Utrecht de juiste zou zijn (zie ook Hand. 1925 bl. 188).
22) De Synodale verordening van 10 Juli 1829 schrijft voor: „1º. dat de leeraren verplicht zullen zijn, om de lidmaten bij het doen van belijdenis te verwittigen, dat zij bij de verhuizing naar eene andere gemeente verplicht zijn, binnen het jaar eene attestatie in te leveren”; 2º. „dat in alle gemeenten, na de eerste bekendmaking der aanstaande viering van het H. Avondmaal, openlijk herinnerd worde, dat degenen, die van elders zijn ingekomen, hunne attestatiën behooren in te leveren”; 3º. „dat op de afgegeven attestatiën zelve worde gezet, dat men verplicht is, in de gemeente, naar welke men zich begeeft, dezelve ten spoedigste in te dienen”. (Hand. 1829 bl. 104, verg. 33, 36, 102,  103).
De Synodale verordening van den 12en Juli 1841 behelst, dat de Synode heeft besloten „om, zonder een vast formulier van lidmaats-attestatiën te verordenen en aan elken Kerkeraad de vrijheid latende, zich daarbij op zoodanige wijze uit te drukken, als hij meest geraden zal oordeelen, te bepalen: 1º. dat eene volledige attestatie ten minste zal behooren te bevatten de verklaring van den Kerkeraad, dat N. N. lidmaat is der Christelijke Hervormde Kerk, en dat tegen zijne of hare belijdenis en wandel geene gegronde bezwaren zijn ingekomen; 2o. dat de Kerkeraden

|67|

verplicht zijn te zorgen, dat geene attestatie worde afgegeven, dan nadat derzelver hem, ten aanzien van belijdenis en wandel, genoegzaam te kunnen getuigen, bij het eenvoudige getuigschrift van iemands lidmaatschap, tot inlichting, de reden, om welke geene volledige attestatie afgegeven is, vermeld worde”. Hand. 1841 bl. 92, 93, vgl. 54-56, en 1840 bl. 114, 115. In de verordening van 17 Juli 1868 heeft de Synode voorgeschreven, dat op de attestatiën ook de ouderdom moet aangeduid worden door achter N. N. te laten volgen: „geboren in het jaar” .... en in die van 21 Nov. 1912, dat op de attestatie of het bewijs van lidmaatschap moet worden vermeld, hoe groot de bijdrage aan de Generale Kas is, tot welke de lidmaat zich heeft verbonden, en of die bijdrage over het loopende jaar is voldaan.
23) Deze invoeging  („het binnen acht dagen enz.”)  is in werking getreden  15 Januari   1920.   De  Alg.  Syn.   Com.  heeft  in   eene  circulaire  aan  de  Kerkeraden(no. 885, 17 Oct. 1928) op nauwkeurige toepassing van deze bepaling aangedrongen.(Bijl.  1929 bl. 172).
24) Deze invoeging („het afgeven van doopsbewijzen enz.”) is in werking getreden 31 Januari 1899.
25) Toepassing van het z.g. „kaartenstelsel” wordt wenschelijk geacht, mits de dubbele in het Reglement geëischte registers niet alleen bewaard, maar ook behoorlijk bijgehouden worden (Syn. eire. 16 Aug. 1912, no. 468).
Op 1 Jan. 1932 is dan ook in werking getreden de toevoeging aan 8º: „Deze dubbele registers worden jaarlijks enz.”. (Hand. 1930 bl. 65; 1931 bl. 185 vv.).
26) Een voorstel van  de Vereeniging van  Kerkvoogdijen gaf aanleiding tot de instelling van het Kerkelijk Bevolkingsregister. De conclusie van het rapport over de consideratiën der Kerk luidde niet gunstig, maar deze conclusie werd met 10 tegen 9 stemmen verworpen en aan de Synodale Commissie werd opgedragen voor uniforme kaarten te zorgen. (Hand.  1931 bl. 173 vv.;  1932 bl. 273 vv.. Bijl.  1932 bl.  173).
Deze toevoeging „en het toezenden enz.” is in werking getreden 1 Jan. 1935.(Hand.  1933 bl.  121 vv;  1934 bl. 88-93, 94, 218;  1935 Bijl. B. bl.  138).
27) In art. 18 van het „Algem. Regl. op het beheer enz.” is dit recht erkend.
28) Deze invoeging is in werking getreden 15 Jan. 1913 tegelijk met de invoeging van art. 40* in het Alg. Regl.
29) Dit dertiende punt is in werking getreden 15 Januari 1890. (Hand. 1888 bl. 393, 394; 1889 bl. 480-485, 489). Vgl. art. 16, 3o. en art. 44 al. 1 Regl. K. O. en T.
30) Dit veertiende punt is in werking getreden 15 Jan. 1919. Vgl. art. 19 Regl. Kerkeraden en de daarbij gevoegde aant. 1. (Hand. 1918 bl. 249).
De „Commissie voor het groote stadsprobleem” ingesteld door de Synode van 1930, welker leden benoemd zijn door de Alg. Syn. Comm. (Hand. 1930 bl. 78, 79; Bijl. 1931 bl. 166) heeft behalve voorstellen tot wijziging van art. 17* Alg. Regl. en van het Reglement op de vorming van buurtgemeenten, ook voorstellen ingediend tot toevoeging van een nieuw 15º, 16º en 17º aan art. 14. Syn. Regl. Kerkeraden. Deze voorstellen hebben betrekking 1º. op de indeeling van gemeenten met meer dan ééne predikantsplaats in wijken; 2º. op eene jaarlijksche wijkvisitatie en 3º. op de regeling voor het herderlijk werk, het godsdienstonderwijs, de vacantie der predikanten en het waarnemen van bijbetrekkingen door predikanten. Ook ontwierp de Commissie een „Reglement op de samenwerking der gemeenten”. De Synode begeerde geene regeling betreffende de bijbetrekkingen, maar heeft overigens alle voorstellen ongewijzigd voorloopig aangenomen. (Hand. 1933 bl. 516 v.v.; 547 v.v.). Deze voorstellen werden in 1934 verworpen. (Hand. 1934 bl. 85-88).
Door de Synode van 1930 was eene Commissie noodig gekeurd inzake „het vreedzaam samenwonen der verschillende richtingen”. Het rapport dezer Commissie is opgenomen in Hand. 1931 bl. 220 en heeft geleid tot twee voorstellen. Het eerste formuleerde een nieuw art. 14*, hetwelk voorschriften bevatte betreffende de voorziening in de geestelijke behoeften van bepaalde groepen van gemeenteleden. Het tweede voorstel betrof de invoeging van een art. 86* in het Regl. op de vacaturen, derhalve de toepassing van de benoeming van predikanten voor bijzondere

|68|

werkzaamheden ten behoeve van bepaalde groepen van gemeenteleden. Beide voorstellen werden voorloopig aangenomen, doch in de Kerk niet gunstig ontvangen en op 9 Aug. 1932 met 16 tegen 3 stemmen verworpen. (Hand. 1932 bl. 300 v.v.).
31) Dit 15e punt is in werking getreden 1 Jan. 1938. (Hand. 1937 bl. 68-73, 83; 1938 Bijl. B. 150).
32) Toevoeging, in werking getreden 1 Jan. 1943.

NHK (1948) SynReg Krd 15

Synodaal Reglement voor de Kerkeraden.

Derde afdeeling.

Werkzaamheden des Kerkeraads.

Artikel
15

In de gemeenten, waar geen Bijzondere Kerkeraad bestaat, zijn de werkzaamheden, in het vorig artikel vermeld, opgedragen aan den Algemeenen Kerkeraad.

NHK (1948) SynReg Krd 16

Synodaal Reglement voor de Kerkeraden.

Derde afdeeling.

Werkzaamheden des Kerkeraads.

Artikel
16

Tot het werk van den Algemeenen Kerkeraad behoort in alle gemeenten:
1º. de zorg voor hetgeen betrekking heeft op de beroeping en het ontslag van predikanten, alsmede voor de verkiezing van ouderlingen en diakenen, beide naar de bepalingen van bijzondere reglementen, en met eerbiediging van de rechten van derden;
2º. de behartiging van de geestelijke behoeften der armen; het duurzaam verzorgen en opvoeden van weezen en van hulpbehoevende of verwaarloosde kinderen, tot de gemeente behoorende 1); het bepalen van collecten 2); de zorg voor de diaconiegoederen; het jaarlijks opnemen van de diaconierekening en het geven van de vereischte inlichtingen betreffende het diaconiebeheer; — alles volgens de bepalingen van het Synodaal Reglement voor de diaconieën;
3º. het houden van eene volledige beschrijving of een ligger: a. van de diaconiegoederen en -fondsen; b. van al de overige fondsen en eigendommen, die aan de gemeente behooren, voorzoover die onder het beheer of toezicht van den Kerkeraad zijn; c. van het traktement des predikants of der predikanten, met de gewone emolumenten.
De Kerkeraad zendt afschrift van deze liggers en van elke wijziging, die daarin wordt aangebracht, aan het Classicaal Bestuur; van den ligger van het predikantstraktement en de wijzigingen daarin tevens aan het Provinciaal Kerkbestuur.
De Kerkeraad zende bovendien telkens in het jaar, waarin de tienjaarlijksche stemming, bedoeld in art. 4 van het Synodaal Reglement op de benoeming van ouderlingen en diakenen en de beroeping van predikanten, zal worden gehouden, vóór den eersten Maart een afschrift van den ligger van de diaconiegoederen en -fondsen, naar den stand van den 31sten December van het afgeloopen jaar, aan het Classicaal Bestuur. 3)
De ligger van het predikantstraktement en elke verandering daarin behoeft de goedkeuring van het Provinciaal Kerkbestuur op voordracht van het Classicaal Bestuur 4);
4º. het kennis geven aan het Classicaal Bestuur van ontdekte verkeerdheden in de administratie der kerkelijke goederen, alsmede in die der pastoriegoederen, naar art. 21 van het Algemeen Reglement;
5º. het ontvangen van de persoonlijke en de beantwoording van de vragen der schriftelijke kerkvisitatie, volgens het reglement op dit onderwerp;
6º. de zorg voor het aanvragen en het overmaken van het quotum der gemeente voor het bestuur, overeenkomstig de bepalingen van het Reglement op de kosten voor het bestuur der Nederlandsche Hervormde Kerk;
7º. de zorg voor het vragen en voor het innen, en het vóór 1 Mei overmaken van de bijdragen, bedoeld in art. 2 van het Reglement op de Generale Kas ten behoeve van de Nederlandsche Hervormde Kerk, met inachtneming van het mede aldaar bepaalde;
8º. in Gemeenten met vijf of meer predikantsplaatsen de aanwijzing van diakenen voor elke wijk, ingesteld volgens art. 14, 15º. van het Synodaal Reglement voor de Kerkeraden, die met den wijkpredikant en de wijkouderlingen het Wijk-College vormen. De wijkdiakenen doen vóór den 1sten Maart aan den Algemeenen Kerkeraad verslag van hun gewichtigste werkzaamheden; 5)
9º. het kennisgeven aan het Classicaal Bestuur van den uitslag van de tienjaarlijksche stemming, bedoeld in art. 4 van het Synodaal Reglement op de benoeming van ouderlingen en diakenen en de beroeping van predikanten, binnen acht dagen na de stemming; 6)
10º. de instelling van een plaatselijke zendingscommissie, waartoe ten minste twee leden van den Kerkeraad moeten behooren, die tot taak heeft de belangen der Uitwendige en der Inwendige Zending en den arbeid onder Israël in de gemeente te behartigen, zoowel stoffelijk als geestelijk. 7)


1) Zie artt. 2 en 11 van het Regl. voor de Diaconieën.
2) Hier moet allereerst worden gedacht — blijkens de slotwoorden van het sub 2º. bepaalde — aan collecten voor de armen (vgl. art. 20 al. 7 Alg. Regl.). Naar het gevoelen der Syn. Commissie moeten echter alle collecten, in openbare godsdienstoefeningen te houden, worden bepaald door den Algemeenen Kerkeraad. Hand. 1860 bl. 83. Bijl. B. bl. 33, 34.
3) Deze toevoeging is in werking getreden 1 Jan. 1935. (Hand. 1934 bl. 97-100, 219; 1935 Bijl. B. bl. 138).
4) Het sub 3º. voorgeschrevene is herhaaldelijk gewijzigd, eerst 4 Febr. 1874 (Hand. 1872 bl. 274, 275. Bijl. B. bl. 229, 230; 1873 bl. 188, 189); vervolgens 15 Jan. 1918. (Hand. 1917 bl. 77, 79, 243) en eindelijk 1 Januari 1922. Laatstgenoemde wijziging dient, om aan het Prov. Kerkbestuur de bevoegdheid te geven niet alleen op veranderingen in den ligger van het pred.-trakt. zijne goedkeuring te verleenen, maar ook op den ligger zelven, zoodat geen ligger zonder goedkeuring van het Prov. Kerkbestuur aanwezig mag zijn. Thans moet ook aan dat Bestuur een afschrift worden gezonden. (Hand. 1920 bl. 162, 163; 1921 bl. 48, 49, 95). Het willekeurig aanbrengen van veranderingen in den ligger, is door de bepaling sub c. buitengesloten. Vgl. Hand. 1900 bl. 287-292 en art. 60 Regl. Vacaturen.
In opdracht van de Synode heeft de Alg. Syn. Com. in 1928 voorstellen ingediend tot wijziging van de bepalingen betreffende den ligger. Zij werden voorloopig aangenomen, maar in de Kerk niet gunstig ontvangen en in 1929 teruggenomen. (Hand. 1928 bl. 254 v.v.; 1929 bl. 267 v.v.).
5) In werking getreden 1 Jan. 1938.
6) Deze wijziging, in werking getreden op 1 Mei 1944, is bedoeld als controlemaatregel, dat de tienjaarlijksche stemming inderdaad gehouden wordt (Hand. 1943 bl. 24-25, 111; Bijl. B. 1944 bl. 59).
7) Aanvulling in werking getreden 20 Sept. 1945, zie ook noot 4 bij art. 20 van het Alg. Regl.

NHK (1948) SynReg Krd 17

Synodaal Reglement voor de Kerkeraden.

Derde afdeeling.

Werkzaamheden des Kerkeraads.

Artikel
17

De Bijzondere Kerkeraad, of, waar deze niet bestaat, de Algemeene, komt jaarlijks ten minste vier malen bijeen, en voorts zoo dikwijls, als het plaatselijk reglement of de omstandigheden zulks vereischen. 1)


1) In artt. 19 en 20 Regl. Vacaturen worden de gewone voor jaarlijks wederkeerende werkzaamheden bestemde kerkeraadsvergaderingen onderscheiden van

|70|

die waarvoor, tijdens vacature, „buitengewoon de tegenwoordigheid van den consulent” wordt vereischt.

NHK (1948) SynReg Krd 18

Synodaal Reglement voor de Kerkeraden.

Derde afdeeling.

Werkzaamheden des Kerkeraads.

Artikel
18

De Kerkeraden hebben steeds den predikant of een der predikanten van de gemeente, of den consulent, wanneer hij is opgetreden volgens de wet, laatstgenoemde alleen met adviseerende stem, tot voorzitter. Waar geen predikant aanwezig is, neemt de oudste ouderling in dienst de plaats des voorzitters in, doch worden de besluiten van eene vergadering, onder zijne leiding gehouden, niet uitgevoerd, vóór dat ze door den predikant, of, bij ontstentenis van dezen, door den consulent zijn goedgekeurd. 1)


1) Volgens D. en F.7 bl. 116 heeft het kantongerecht te Doetinchem (5 Dec. 1871) de onwettigheid uitgesproken van een besluit van kerkvoogden en notabelen eener gemeente, genomen in overeenstemming met den Kerkeraad, maar zonder de tegenwoordigheid van den predikant of den consulent, bij hetwelk het traktement van den koster en voorganger verminderd en hij tevens uit zijne betrekking ontslagen werd.

NHK (1948) SynReg Krd 19

Synodaal Reglement voor de Kerkeraden.

Derde afdeeling.

Werkzaamheden des Kerkeraads.

Artikel
19

De Kerkeraden houden aanteekening van hunne handelingen en van de belangrijke door hen uitgevaardigde brieven, in behoorlijk daartoe aangelegde boeken. Zij zorgen voor de bewaring van de archieven en al de inkomende stukken 1), waarvan zij getrouw register houden.
De aanteekeningen van de handelingen van den Kerkeraad worden, na lezing en goedkeuring, onderteekend door den voorzitter en den scriba of door den voorzitter en een der andere kerkeraadsleden. 2)


1) Eene portefeuille met register moet aanwezig zijn, benevens een index van al de stukken van het archief. Volgens Syn. aanschrijving van 14 Juli 1858 behoort in het belang der Kerk een duplicaat van den index van het oud-archief (het van vóór 1816 dagteekenende) te worden gezonden aan het Cl. Bestuur.
In 1899 (18 Augustus) droeg de Synode aan de Prov. Kerkbesturen op, te zorgen, dat de kerkelijke archieven behoorlijk worden geïnventariseerd, en afschrift van den inventaris worde gezonden aan de Synode.
Zie verder over de kerkelijke archieven het desbetreffend Reglement en de aanteekening in D. en F.7, bl. 117 en 118.
2) Deze alinea is in werking getreden 15 Jan. 1914. De gewaarmerkte notulen kunnen eventueel als bewijsstuk dienst doen.

NHK (1948) SynReg Krd 20

Synodaal Reglement voor de Kerkeraden.

Derde afdeeling.

Werkzaamheden des Kerkeraads.

Artikel
20

De nadere regeling van de vergaderingen en werkzaamheden des Kerkeraads wordt door provinciale en huishoudelijke reglementen bepaald. 1)


1) Vgl. artt. 16 en 25 Alg. Regl. In 1858 en ’59 werden provinciale reglementen voor de Kerkeraden en na de invoering van het Syn. Reglement op de benoeming, in 1867, herziene provinciale reglementen door de Synode en de Syn. Commissie goedgekeurd. Voor de intrekking van zulk een reglement was (is) de goedkeuring niet vereischt. Zeeland, Friesland en Groningen hebben van die intrekking aan de Synode kennis gegeven.

NHK (1948) SynReg Krd 21

Synodaal Reglement voor de Kerkeraden.

Vierde afdeeling.

Ambtsplichten der predikanten, ouderlingen en diakenen.

1. Der predikanten.

Artikel
21

Aan den predikant of de predikanten is opgedragen 1): 1º. de openbare verkondiging van het Evangelie; 2º. het bedienen van Doop en Avondmaal; 3º. de leiding van de openbare godsdienstoefeningen 2); 4º. de huwelijksinzegening; 5º. het catechetisch onderwijs; 6º. het afnemen van belijdenis des geloofs, in tegenwoordigheid van één of meer ouderlingen; 7º. de bevestiging van predikanten, hulppredikers, ouderlingen, diakenen en lidmaten; 8º. de herderlijke zorg; 9º. het besturen van de vergaderingen zoo van den Kerkeraad als van het kiescollege of van de stemgerechtigden. 3)
Predikanten kunnen voor de vervulling van eene of meer bijzondere werkzaamheden worden beroepen en in verband daarmede geheel of gedeeltelijk van de werkzaamheden, in het vorige lid genoemd, worden vrijgesteld. 4)
Tot de in dit artikel 5), met uitzondering van het onder 6º., 8º en 9º. genoemde, bedoelde werkzaamheden zijn mede bevoegd emeriti-predikanten en zij, die de bevoegdheid van emeriti hebben.
Aan dienstdoende zendelingen en eervol ontslagen oud-zendelingen, aan wie op hun daartoe strekkend verzoek aan de Algemeene Synodale Commissie door deze Commissie de bevoegdheid daartoe is verleend, kan worden toevertrouwd de openbare verkondiging van het Evangelie, het bedienen van Doop en Avondmaal, de leiding van de openbare godsdienstoefeningen, de huwelijksinzegening en het catechetisch onderwijs. 6)


1) D. en F.7 bl. 119 herinnert aan het antwoord door de Synode van 1899 (bl. 118, 119) gegeven op de vraag, of de ambtsplichten der predikanten zijn af te leiden, behalve uit de kerkelijke Reglementen, ook uit de instructies door den Kerkeraad vastgesteld. Naar het gevoelen van de Synode zijn de predikanten evenals al de kerkeraadsleden verplicht mede te werken aan de uitvoering van wettige kerkeraadsbesluiten, genomen hetzij vóór of na hun optreden in den Kerkeraad.
2) Zie Regl. op het G. O. art. 11, en de aanteekeningen aldaar en in D. en F.7 bl. 137. Zie ook de aant. in D. en F.7 bl.  119. Zie voorts art. 2 al. 5 en art. 6 Regl. Hulppredikerschap.
3) De punten 7º.-9º. zijn aldus geredigeerd, tegelijk met het opnemen van de 3e alinea (in werking getreden 15 Jan. 1917). Tevens is toen art. 20 al. 1 van het Alg. Regl. gewijzigd en tot twee alinea’s uitgebreid. De bedoeling daarbij was, nauwkeurig de werkzaamheden te onderscheiden, welke emeriti-predikanten en zij, die de bevoegdheid van emeriti hebben, al of niet mogen verrichten.
4) De tweede alinea is in werking getreden 15 Jan. 1918 en houdt verband met de op dat zelfde tijdstip in werking getreden invoeging van eene nieuwe tweede alinea in art. 20 Alg. Regl. en van de vierde afdeeling van het Regl. op de Vacaturen, welke gewijd is aan de „Beroeping van predikanten voor de vervulling van een of meer bijzondere werkzaamheden”.
5) „Tot de in dit artikel — bedoelde werkzaamheden”, d.w.z. tot de in alinea 1 van dit artikel — bedoelde werkzaamheden.
6) Zie noot 4 bij art. 20 van het Alg. Regl.

NHK (1948) SynReg Krd 22

Synodaal Reglement voor de Kerkeraden.

Vierde afdeeling.

Ambtsplichten der predikanten, ouderlingen en diakenen.

1. Der predikanten.

Artikel
22

In de regeling van het getal, den tijd en de plaats der openbare godsdienstoefeningen maken zij geen verandering zonder toestemming van den Kerkeraad. 1)
Bij de leiding der openbare godsdienstoefeningen gaan zij, zoowel in het algemeen, als in het bijzonder met betrekking tot het gebruik van den Heidelbergschen catechismus, de liturgische schriften, de vragen bij de voorbereiding tot het Avondmaal 2), de psalmen en de gezangen 3) naar eigen oordeel te rade met de godsdienstige behoeften hunner gemeenten.


1) Zie art. 14 sub 1º.
2) AI. 2 is in werking getreden 1 April 1864. (Hand. 1863 bl. 225, 241, 270; 1864 Bijl. B. bl. 37, 38). Zij geeft aan den liturg eene groote mate van vrijheid, maar bindt hem tevens de geestelijke behoeften zijner gemeente op het geweten. Ook wordt hij sinds 1 Febr. 1873 vrijgelaten met betrekking tot de vragen bij de voorbereiding van het H. Avondmaal. Op dat tijdstip toch zijn de bedoelde vragen, welke in art. 14, 1º. a. ten gebruike waren voorgeschreven, uit dat artikel weggenomen, naar deze alinea overgebracht en derhalve facultatief gesteld.
3) Vóór I April 1864 moest bij elke godsdienstoefening althans één gezang worden opgegeven. De thans bestaande vrijheid veroorlooft evenwel niet, bij de openbare godsdienstoefeningen andere bundels te gebruiken dan het Gezangboek, dat door de Alg. Synode voor de openbare godsdienstoefeningen is aangewezen. (Hand. 1886 bl. 433; 1887 bl. 76, 83, 85; Bijl. B. bl. 179; 1888 bl. 72-75; Bijl. B. bl. 188-192; 1895 bl. 373, 425-428; 1896 bl. 99, 100; Bijl. B. bl. 268-274; 1897 bl. 54, 55; Bijl. B. bl. 182-184; 1898 bl. 70, 71).

NHK (1948) SynReg Krd 23

Synodaal Reglement voor de Kerkeraden.

Vierde afdeeling.

Ambtsplichten der predikanten, ouderlingen en diakenen.

1. Der predikanten.

Artikel
23

In hunne geheele ambtsbediening zich gedragende naar de kerkelijke reglementen en verordeningen 1), richten zij zich voorts naar de bijzondere plaatselijke en tijdelijke behoeften der gemeente, zooveel noodig in overleg met den Kerkeraad.


1) „Verordeningen”. Zie art. 27 Regl. Examen, alsook het Formulier van den beroepsbrief.

NHK (1948) SynReg Krd 24

Synodaal Reglement voor de Kerkeraden.

Vierde afdeeling.

Ambtsplichten der predikanten, ouderlingen en diakenen.

1. Der predikanten.

Artikel
24

In de herderlijke zorg voorzien zij, zoo noodig, met raadpleging en hulp van den Kerkeraad, vooral ook door geregeld huisbezoek en getrouw krankenbezoek.

NHK (1948) SynReg Krd 25

Synodaal Reglement voor de Kerkeraden.

Vierde afdeeling.

Ambtsplichten der predikanten, ouderlingen en diakenen.

2. Der ouderlingen.

Artikel
25

Aan de ouderlingen is opgedragen: 1º. de behartiging van de belangen der openbare Godsvereering; 2º. de bevordering van en het toezicht op het godsdienstonderwijs, naar het reglement op dit onderwerp; 3º. het medetoezicht op de leden der gemeente, inzonderheid door huisbezoek, zoowel, indien zij daartoe worden verzocht, in vereeniging met de predikanten, als ook afzonderlijk, naar plaatselijke regeling; 4º. ijverige medewerking met de predikanten in alles wat aan de Christelijke opbouwing der gemeente kan dienstig zijn.

NHK (1948) SynReg Krd 26

Synodaal Reglement voor de Kerkeraden.

Vierde afdeeling.

Ambtsplichten der predikanten, ouderlingen en diakenen.

3. Der diakenen.

Artikel
26

Aan de diakenen is opgedragen de meer bijzondere zorg voor de armen der gemeente; het duurzaam verzorgen en opvoeden van weezen en van hulpbehoevende of verwaarloosde kinderen, tot de gemeente behoorende. Daartoe zijn zij belast: 1º. met het dagelijksch beheer der diaconiegoederen; 2º. met het innen van alle, aan de diaconie aankomende gelden; 3º. met de inzameling der liefdegaven; 4º. met het besteden van dit een en ander tot het doel, hetwelk de Christelijke gemeente voor hare armen beoogt, en 5º. te dien einde ook met het geregeld bezoeken der armen.
In gemeenten met minder dan drie predikanten geschiedt dit alles in overleg met den predikant, of de predikanten, en de ouderlingen. 1)
De diakenen gaan der gemeente in het getrouw bijwonen der openbare Godsvereering voor.
De verplichtingen der diakenen worden in het Synodaal Reglement voor de diaconieën nader geregeld.


1) Volgens art. 20 al. 6 Alg. Regl. heeft „in overleg” de beteekenis van „onder medewerking”. In gemeenten met drie of meer predikanten geschiedt het „onder toezicht van predikanten en ouderlingen”. Dit toezicht sluit ook „toestemming” in(zie art. 21 al. 1 van het Regl. voor de Diaconieën).

NHK (1948) SynReg Krd 27

Synodaal Reglement voor de Kerkeraden.

 

Additioneele artikelen.

Artikel
27

Alle kerkelijke reglementen en verordeningen, welke in strijd zijn met dit reglement, zijn vervallen. 1)


1) Hieruit volgt, dat kerkelijke reglementen en verordeningen welke niet uitdrukkelijk zijn opgeheven en welke met latere reglementen en verordeningen niet in strijd zijn, nog altijd rechtskracht bezitten. Hand. 1861 bl. 187, 188. Bijl. B. bl. 223 v.v.

NHK (1948) SynReg Krd 28

Synodaal Reglement voor de Kerkeraden.

 

Additioneele artikelen.

Artikel
28

De Provinciale Kerkbesturen herzien het provinciaal reglement voor de Kerkeraden 1) in hun ressort, ten fine van overeenstemming met dit reglement en met de algemeene kerkelijke verordeningen.
De alzoo herziene reglementen worden in de eerste helft van het jaar, op dat der invoering van dit Synodaal Reglement volgende, aan de goedkeuring der Synode onderworpen.


1) Vgl. art. 20 en de daarbij gevoegde aanteekening.

NHK (1948) SynReg Krd 29

Synodaal Reglement voor de Kerkeraden.

 

Additioneele artikelen.

Artikel
29

De plaatselijke reglementen 1) worden door de Kerkeraden, ten fine als in het voorgaand artikel vermeld, herzien binnen één jaar nadat de provinciale reglementen zijn in werking gebracht, en door het Provinciaal Kerkbestuur, na door het Classicaal Bestuur van het ressort beoordeeld te zijn, als overeenstemmend met dit reglement goedgekeurd.


1) D.w.z. de huishoudelijke reglementen (zie art. 20). Deze huishoudelijke reglementen behoeven volgens art. 25 Alg. Regl. niet de goedkeuring van het Classicaal Bestuur, dat alleen mededeeling daarvan ontvangt. Hieruit volgt, dat de artt. 28 en 29 alleen als overgangsmaatregel gelden, ten einde te bewerken, dat in alle gemeenten binnen een jaar volgens alle bepalingen van het nieuwe Reglement zoude worden gehandeld. (Hand. 1871 bl. 231; Bijl. B. bl. 217-219; 1896 bl. 115; Bijl. B. bl. 252-255).