Alg. Regl. NHK (1948) II.III

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk III.
Het kerkelijk Bestuur over de Gemeenten te zamen.

 

 

Alg. Regl. NHK (1948) 55

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk III.
Het kerkelijk Bestuur over de Gemeenten te zamen.

Eerste afdeeling.
De Synode.

Artikel
55

De algemeene belangen der gemeenten, behoorende tot de NederIandsche Hervormde Kerk, zijn toevertrouwd aan de Algemeene Synode, die de Kerk vertegenwoordigt en voor haar in rechten optreedt. 1)


1) In 1938 verwierp de Synode een door de predikanten P. de Haan te Antwerpen en A.G.B. ten Kate te Brussel ingediend Ontwerp-Reglement op de geestelijke verzorging der Ned. Hervormden in bet Buitenland en eene in verband hiermede voorgestelde toevoeging aan art. 55 luidende:
Mede zijn aan de Synode toevertrouwd de geestelijke belangen der Nederlandsen Hervormden, die uit Nederland naar het Buitenland zijn vertrokken. (Hand. 1938 bl. 48; Bijl. B. bl. 155, 156).

Alg. Regl. NHK (1948) 56

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk III.
Het kerkelijk Bestuur over de Gemeenten te zamen.

Eerste afdeeling.
De Synode.

Artikel
56

1) De Synode is samengesteld uit dertien predikanten en zes ouderlingen, afgevaardigd door de Provinciale Kerkbesturen en de Commissie voor de zaken der Waalsche Kerken. 2)
De Kerkbesturen, wier ressorten meer dan 150 predikantsplaatsen bevatten (Gelderland, Zuid-Holland, Noord-Holland, Friesland en Groningen), benoemen elk twee leden, en wel òf twee predikanten, òf één predikant en één ouderling, in dier voege, dat zij gezamenlijk zeven predikanten en drie ouderlingen afvaardigen. De overige Kerkbesturen (Zeeland, Utrecht, Overijsel, Noord-Brabant met Limburg, Drenthe en de Commissie voor de zaken der Waalsche Kerken) benoemen elk één predikant en bovendien gezamenlijk bij beurtwisseling drie ouderlingen. De afvaardiging van ouderlingen heeft plaats door een tweevoudigen rooster, door de Algemeene Synodale Commissie naar de in dit artikel gevolgde orde opgemaakt. 3)
De Kerkbesturen bepalen zich in hunne keuzen tot hun eigen ressort.
Zij benoemen de leden der Synode en hunne secundi, in hunne voorjaarsvergadering, voor den tijd van drie jaren.
Jaarlijks treedt een derde, of zoo na mogelijk een derde der leden zoo van de predikanten als van de ouderlingen af, volgens een rooster, die de eerste maal bij het lot wordt opgemaakt. De leden, die in den loop van hun diensttijd het provinciaal ressort metterwoon verlaten, worden door hunne secundi vervangen.
Behalve de gewone leden hebben ter Synode zitting:
met adviseerende stem de Secretaris der Synode en de Quaestor-Generaal, welke laatste alleen die vergaderingen bijwoont, waarin geldelijke aangelegenheden worden behandeld;
met prae-adviseerende stem twee Hoogleeraren, door den Secretaris der Synode naar vasten rooster, mits uit verschillende universiteitssteden, telkens voor één jaar op te roepen en bij ontstentenis door hunnen ambtgenoot in dezelfde stad te doen vervangen. 4)
De Secretaris van de benoeming der afgevaardigden met hunne secundi kennis bekomen hebbende, zal eene naamlijst van de leden der vergadering aan elk van dezen doen toekomen, met aanwijzing van den oudsten in diensttijd onder de afgevaardigde predikanten.


1) Art. 56. Als pogingen om te komen tot „reorganisatie” van de Kerk of van hare bestuursinrichting mogen uit den laatsten tijd worden vermeld: 1º. het Concept Algemeen Reglement, in 1905 bij de Synode ingediend, door de predikanten dr. J.R. Slotemaker de Bruine en L. J. Blanson Henkemans. De bedoeling was om in elk geval te komen tot: wijziging in de samenstelling van de Synode, in de werkzaamheden der Classicale vergaderingen, tot instelling van Provinciale Synoden en wijziging in de regeling van de tucht. Het voorstel om over dit concept de consideratiën der Kerk in te winnen werd afgewezen, Doch er werd een Commissie benoemd van 7 personen, om het vraagstuk der reorganisatie te onderzoeken en aan de Syn. Com. haar rapport in te zenden. (Zie Bijl. G. 1906). Van de conclusies van het rapport werd alleen aangenomen de wijziging van art. 56 Alg. Regl.: „De Alg. Synode is samengesteld uit evenveel stemhebbende leden als er classen zijn, waarvan twee derde dienstdoende predikanten, en een derde ouderlingen zijn. Zij worden gekozen door de class. vergaderingen van het ressort”. (Hand. 1906 bl. 486-504). In 1907 diende de heer O. Schrieke, lid der Synode, in een brochure onder den titel: „De groote Synode”, door Cunctator, een voorstel in om naast de tegenwoordige („Bijzondere”) Synode een „Algemeene” Synode te doen vergaderen, wier leden benoemd zouden zijn door de Class. Vergaderingen, ter bespreking van kerkelijke belangen, het overbrengen van wenschen en voorstellen namens de Class. Vergaderingen, de beoordeeling van den wetgevenden, rechtsprekenden en besturenden arbeid der Bijz. Syn. en de eindstemming over de door de Bijz. Syn. aangenomen wetsvoorstellen. De wijziging van art. 56 Alg. Regl. werd niet vastgesteld (Hand. 1907 bl. 447). Het voorstel van den heer Schrieke tot wijziging van Hoofdstuk III Alg. Regl. werd voorl. aangenomen, doch in 1908, na een ongunstig rapport, weder verworpen. (Hand. 1908, bl. 285-326).
Ten einde tegemoet te komen aan den wensch van velen naar afvaardiging der leden van de Synode door de Class. Vergaderingen, werd door „de Hervormde Broederschap” bij de Synode van 1915 een voorstel ingezonden, ondersteund door Class. vergaderingen en enkele Kerkeraden, tot wijziging van art. 56 al. 1-4, met een uitvoerige toelichting, tot wegneming, zoo mogelijk, van bezwaren. Hoofdbedoeling was door deze wijze van afvaardiging „meer contact tusschen Synode en Kerk te verkrijgen” (Hand. 1915 bl. 342). Het beginsel van het voorstel: verkiezing van de leden der Synode door de Classicale Vergaderingen werd aangenomen, maar de uitwerking ervan tenslotte verworpen (Hand. 1915, bl. 218, 328-366, 479-480). Aan een Com. werd opgedragen het volgend jaar een voorstel in te dienen, waarin het beginsel van verkiezing der leden van de Synode door de Classicale Vergaderingen, zonder dat de Synode tot 45 leden werd uitgebreid, werd uitgewerkt (ib. bl. 513-514). In 1916 kwam het rapport in, doch het voorstel werd verworpen (Hand. 1916, bl. 84-90). Bij de Synode van 1919 kwam opnieuw een voorstel ter tafel bedoelende de leden der Synode te doen benoemen door de Class. Vergaderingen. Het voorstel werd in beginsel aangenomen, maar de uitwerking ervan en de ondervanging van practische bezwaren aan een Com. opgedragen. (Hand. 1919 bl. 201, 211-222. 239, 324-326). In 1920 werd over de consideraties

|36|

en adviezen rapport uitgebracht, tevens een voorstel betreffende het Regl. van orde voor de Alg. Synode ingediend, terwijl het prae-adviseerend lid, de hoogleeraar dr. Slotemaker de Bruine, op zich nam een geheel stel wetswijzigingen ter tafel te brengen, die voortvloeien uit de wijziging van art. 56. Deze voorstellen werden, met eenige wijziging, voorloopig aangenomen. (Hand. 1920 bl. 173, 176, 194-205, 220-221, 361-382, 475-481). In 1921 bleken de consideraties van dien aard te zijn, dat velen wel het beginsel: de Synode van 45 leden, benoemd door de Class. Verg. en Waalsche Commissie, wilden, maar niet de uitwerking. Daarom werden de wijzigingen niet vastgesteld en werd besloten een Com. te benoemen, bestaande uit 3 leden der Synode, die zich 2 leden buiten de Synode zullen assumeeren, die de Synode van 1922 over een nieuw plan zou adviseeren. (Hand. 1921, bl. 110, 141-165).
In de zitting van 28 Juli 1922 was het gewijzigd concept ter tafel: verschillende amendementen werden aangenomen en het complex der voorstellen tot wijziging van art. 56 en daarmede verband houdende artikelen werd voorloopig aangenomen.(Hand. 1922 bl. 60-79, 90-101, 113-122). In 1923 werd het voorstel definitief aangenomen met eenige wijzigingen, o.a. het behoud der eindstemming; het verkreeg echter bij de Provinciale Kerkbesturen de vereischte twee derden der stemmen niet (43 voor, 24 tegen), waardoor opnieuw de „groote Synode” was gevallen.(Hand. 1923 bl. 199-215, 408 v.v.). In 1927 zijn de wijzigingen, waartoe in 1923 was besloten, opnieuw aangenomen, ten einde de adviezen en consideraties daarop in te winnen. Intusschen besloot de Synode tot benoeming van eene „Commissie voor de reorganisatie”, welker vijf leden door de Syn. Com. zouden worden benoemd. Deze Commissie, bestaande uit de heeren M. van Grieken, pred. te Rotterdam, dr. Th.L. Haitjema, hoogl. te Groningen, dr. J.C.S. Locher, pred. te Leiden, dr. J. Riemens, pred. te Leiden en ds. A.B. te Winkel, pred. te ’s-Gravenhage, leverde haar rapport met een Ontwerp van een nieuw Alg. Reglement in bij de Synode van 1929. Dit gaf aanleiding tot het besluit eene Buitengewone Vergadering te houden, welke van 7 tot 10 Januari 1930 is bijeen geweest en waarin met 10 tegen 9 stemmen het Ontwerp is verworpen. (Hand. 1927 bl. 225-228, 261-273, 276-283; 1929 bl. 101-175; B. V. 1930 bl. 6-78). Een verzoek van het „Ned. Herv. Verbond tot Kerkherstel” aan de Synode in 1930, om alsnog de Kerk te hooren over de reorganisatie-voorstellen, werd met 15 tegen 4 stemmen afgewezen. (Hand. 1930, bl. 345-351).
Bij de Synode van 1933 werd opnieuw een z.g.n. Groote-Synodevoorstel ingediend door het „Hoofdbestuur van het Ned. Herv. Verbond tot Kerkherstel”. Bij aanneming van dit voorstel, zou de Synode, bij het tegenwoordig aantal van 45 Classes, de Waalsche Réunie medegerekend, komen te bestaan uit 23 dienstdoende predikanten en 22 dienstdoende ouderlingen. De benoembaarheid van oud-ouderlingen tot Synode-lid zou worden uitgeschakeld. Het bezwaar van de hoogere kosten zou ondervangen worden door de vergaderkosten voor de helft voor rekening te brengen van de Classicale ressorten, die één lid uit hun midden zouden afvaardigen. Dit voorstel werd verworpen met 14 tegen 4 stemmen. Hand. 1933 bl. 489-498.
Een namens de Vereeniging „Kerkopbouw” opgesteld reorganisatieontwerp werd ingediend bij de Synode van 1934 en behandeld door de buitengewone vergadering der Synode in Januari 1935. Het ontwerp bevatte 1º. een Algemeen Reglement; 2º. een Reglement voor kerkelijk opzicht en tucht; 3º. een Reglement voor de behandeling van geschillen en van bezwaren tegen of vernietiging van besluiten in bestuurszaken; 4º. een Reglement op de kerkvisitatie. De artt. 1 en 2 van het Algemeen Reglement bedoelden het Christusbelijdend karakter der Kerk met nadruk voorop te stellen. In de plaats van de bestaande bestuursinrichting werd teruggegrepen op de presbyteriale kerkorde. Het bestuur der Kerk werd opgedragen aan vertegenwoordigende vergaderingen, te weten aan de Kerkeraden, Classicale Vergaderingen, Provinciale Synoden en de Algemeene Synode. Het nieuwe Reglement voor kerkelijk opzicht en tucht bedoelde de mogelijkheid te openen om in te

|37|

grijpen bij excessen, die het karakter der Kerk als Kerk van Christus in gevaar brengen, maar tegelijk waarborgen te scheppen voor een persoonlijke vrijheid binnen de grenzen van de Christusbelijdenis. Daarom geen procesmatige leertucht, maar persoonlijk vermaan en alleen als alle persoonlijke tusschenkomst niet baatte, een kerkrechtelijk onderzoek, voorbereid door bevoegde commissies, waarbij de uitspraak ten slotte gelegd werd in handen der Kerk. vertegenwoordigd door haar provinciale en algemeene Synoden. Met het oog op onderling opzicht en vermaan werd een nieuw Reglement op de kerkvisitatie ontworpen, waarin er naar gestreefd werd het oude instituut van visitatoren en moderator voor dezen tijd bruikbaar te maken. In het belang van die leden der Kerk, die door de prediking in de plaatselijke gemeente niet worden bevredigd, maar vooral ook in het belang der Kerk, die zonder geestelijke schade deze leden niet verliezen kan, bevatte het ontwerp bepalingen omtrent „huisgemeenten”. Ook werd een groot aantal commissies voor bepaalde doeleinden voorgesteld. De Walen werden teruggebracht tot één classis en gevoegd bij het Prov. ressort van Utrecht. Het ontwerp werd door de buitengewone vergadering der Synode in 1935 verworpen. (Hand. 1935 bl. 8-70).
Nadat bericht was ingekomen, dat tusschen de beide vereenigingen „Kerkopbouw” en „Kerkherstel” als vrucht der gehouden samensprekingen op de voornaamste punten, waarop verschil bestond, overeenstemming was bereikt, benoemde de Synode van 1936 een Reorganisatiecommissie. (Hand. 1936 bl. 454, Bijl. 1936 bl. 195-198). Deze diende bij de Synode van 1937 haar rapport in, dat behandeld werd op de buitengewone vergadering van Januari 1938. Wat de ontwerpen van „Kerkherstel” 1929 en van „Kerkopbouw” gemeenschappelijks hadden, zooals de breede vergaderingen en de binding aan een belijdenis werd in het nieuwe voorstel overgenomen. De artt. 1 en 2 van het Algemeen Reglement werden weer uit het vigeerende overgenomen. In art. 8 werd een principieele omschrijving gegeven van het wezen en doel der Kerk. Dit artikel lag aan het geheele ontwerp ten grondslag. Het instituut der huisgemeenten werd weggelaten. Er werden echter wel groepen en organisaties aangenomen, die naast den van den Kerkeraad uitgaanden arbeid afzonderlijk openbare godsdienstoefeningen zouden houden. De Waalsche gemeenten werden als Provinciaal ressort gehandhaafd, echter met één afgevaardigde naar de Algemeene Synode. De regeling van de tucht was eveneens aan het ontwerp van „Kerkopbouw” ontleend, behalve, dat ook de Classicale Vergaderingen in de tuchtzaken werden betrokken. Kerkvisitator en moderator werden eveneens overgenomen. Ook dienstdoende ouderlingen zouden echter met deze functie kunnen worden belast. Dit ontwerp werd door de Synode in Januari 1938 voorloopig aangenomen en aan het oordeel der Kerk onderworpen. Gehoord de consideratiën der Kerk, besloot de Synode van 1938 het ontwerp niet vast te stellen, maar de zaak der reorganisatie over te brengen bij de Algemeene Synodale Commissie, ten einde deze in overleg met de gezamenlijke kerkelijke hoogleeraren beraadslage, wat te doen zij om de in de consideratiën der Kerk over het ontwerp 1938 tot uiting gebrachte inzichten en wenschen het beste tot haar recht te doen komen.(Hand. 1936 bl. 454, Bijl. B. bl. 195-198; 1937 bl. 17, 29, 37, Bijl. B. bl. 231; Buitengewone Vergadering Januari 1938 bl. 8, 10, 11, 458-534).
2) Meermalen is opgemerkt, dat in deze regeling ressorten met een zeer talrijke bevolking eenzelfde vertegenwoordiging hebben als die met veel minder leden. Hierin verandering te brengen beproefde een voorstel in 1874 bij de Synode ter tafel gekomen, om het cijfer der bevolking in de provinciale ressorten tot grondslag te. nemen, in dier voege, dat elke 100.000 leden één vertegenwoordiger zouden krijgen. De verg. verwierp het voorstel, als in strijd met het federatief beginsel, dat zoowel in de thans bestaande kerkorde als in alle vroegere tot grondslag is aangenomen en reeds in art. 1 Alg. Regl. is vooropgezet, zoodat de vertegenwoordiging geregeld is naar het aantal predikantsplaatsen. (Hand. 1874 bl. 360-363,

|38|

372-374). In 1892 werd een eenigszins gewijzigd voorstel van dezelfde strekking verworpen, ook om de practische bezwaren, daaraan verbonden (Hand. 1892 bl. 161-165); evenzoo in 1901 en 1902 (Hand. bl. 364-371; 1902 bl. 473-475, 491, 503), om verschillende redenen. In 1911 werd, naar aanleiding van nieuwe voorstellen tot wijziging van art. 56 (ten einde „een meer juiste vertegenwoordiging der Kerk in hare hoogste bestuursvergadering te verkrijgen”; Hand. 1911 bl. 415-431) een Commissie benoemd, die bij de Synode van 1912 hare voorstellen indiende. Over deze voorstellen werd ongunstig gerapporteerd, en een nieuw voorstel werd verworpen. (Hand. 1912 bl. 332-352). Ook in 1913 werd het herhaald verzoek om het advies, in 1911 ingezonden, in zake de samenstelling der Synode nogmaals in overweging te nemen, afgewezen. (Hand. 1913 bl. 482-490).
3) Deze rooster is in 1875 opgemaakt (D. en F.7 bl. 50). De orde (die om de 15 jaren op dezelfde wijze terugkeert) is als volgt:

Gelderland
Zuid-Holland
Noord-Holland
Friesland
Groningen

Zuid-Holland
Gelderland
Groningen
1933-1936
1934-1937
1935-1938
1936-1939
1937-1940

1938-1941
1939-1942
1940-1943
Noord-Holland
Friesland

Gelderland
Zuid-Holland
Noord-Holland
Groningen
Friesland

 
1941-1944
1942-1945

1943-1946
1944-1947
1945-1948
1946-1949
1947-1950

 

De overige Kerkbesturen vaardigen ouderlingen af op deze wijze:

Utrecht
Overijssel
Noord-Brabant met
Limburg
Drenthe
Waalsche Commissie
1936-1939
1937-1940

1938-1941
1939-1942
1940-1943
Zeeland
Utrecht
Overijssel
Noord-Brabant met
Limburg
Drenthe
1941-1944
1942-1945
1943-1946

1944-1947
1945-1948

4) Vóór de wijziging van de Hooger Onderwijswet in 1876, toen de godgeleerde faculteiten aan de Rijksuniversiteiten nog Hervormde faculteiten waren, hadden 3 hoogleeraren dier faculteiten als prae-adviseerende leden zitting in de Synode. Bij de invoering van het Reglement op het Hooger Onderwijs in de Godgeleerdheid (15 Dec. 1877) is de alinea, zooals zij thans luidt, in werking gekomen. De rooster in 1878 vastgesteld (Bijl. B. 1878 bl. 132-133), onderging wijziging toen ook te Amsterdam aan de gemeentelijke Universiteit kerkelijke hoogleeraren werden benoemd. (Hand. 1883 bl. 74, Bijl. B. bl. 82). Toen dit besluit met 1 Jan. 1894 verviel, werd de rooster herzien, echter niet overeenkomstig de bedoeling van 1878: dat iedere Universiteit op haar beurt als voorzittend prae-adviseerend lid zou fungeeren en telken jare één hoogleeraar belast met het onderwijs in het kerkrecht zou zitting hebben.
Een voorstel van den Secretaris tot herstel der eerste regeling werd in 1921 aan het advies der kerkelijke hoogleeraren onderworpen; overeenkomstig dit advies is de afvaardiging geregeld als volgt:
1938. Dr. G. Sevenster te Leiden; sec. dr. F.W.A. Korff te Leiden; en dr. Th.L. Haitjema te Groningen, sec. dr. J.H. Semmelink te Groningen.
1939. Dr. M.J.A. de Vrijer te Utrecht, sec. dr. S.F.H.J. Berkelbach van der Sprenkel te Utrecht; en dr. F.W.A. Korff te Leiden, sec. dr. G. Sevenster te Leiden.
1940. Dr. S.F.H.J. Berkelbach van der Sprenkel te Utrecht, sec. dr. M.J.A. de Vrijer te Utrecht; en dr. J.H. Semmelink te Groningen, sec. dr. Th.L. Haitjema te Groningen.

|39|

1941. Dr. Th.L. Haitjema te Groningen, sec. dr. J.H. Semmelink te Groningen; en dr. G. Sevenster te Leiden, sec. dr. F.W.A. Korff te Leiden.

Alg. Regl. NHK (1948) 57

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk III.
Het kerkelijk Bestuur over de Gemeenten te zamen.

Eerste afdeeling.
De Synode.

Artikel
57

De Synode kiest zich uit de predikanten 1) der Nederlandsche Hervormde Kerk haren vasten Secretaris, die met der woon gevestigd zal zijn te ’s-Gravenhage 2) of in den omtrek. Zijn secundus 3) wordt benoemd voor drie jaren. Deze zal, bij aftreden van den Secretaris, diens werkzaamheden waarnemen, totdat een nieuwe Secretaris, door de eerstvolgende Synode te benoemen, zijne betrekking zal hebben aanvaard.
Nopens het recht, den plicht, de toelaag en het ontslag van den Secretaris zal door de Synode bij bijzondere overeenkomst en instructie nadere bepaling worden gemaakt, waarvan afschrift aan den secundus zal worden overgelegd.
Ook benoemt zij, bij voorkeur uit de leden der kerkgemeente Amsterdam, eenen Quaestor met zijnen secundus, voor onbepaalden tijd. Over hunne continuatie zal de Synode jaarlijks haar gedachten uitspreken. Hunne rechten en plichten worden in eene bijzondere instructie omschreven.
Verder benoemt zij den kerkelijken archivaris. 4)


1) Hetzij dienstdoende of emeriti (Hand. 1884 bl. 88). Sedert het Secretariaat een volle levenstaak is, verkrijgen de benoemde functionarissen, dienstdoende predikanten, eervol emeritaat.
2) Volgens het Alg. Regl. van 1816 werd hij uit de predikanten te ’s-Gravenhage benoemd. Sedert 1851 geldt de tegenwoordige bepaling (Hand. 1851 bl. 553).
3) Voorloopig aangenomen voorstellen betreffende de plichten van den secundus, waardoor ook hij te ’s-Gravenhage zou moeten wonen, zijn niet vastgesteld. (Hand. 1858 bl. 172-173, 200).
4) Toevoeging in werking getreden 15 Jan. 1919, in verband met het Regl. op de kerkelijke archieven. Hand. 1917 bl. 67; 1918 bl. 213, 227, 245, 248, 249; Bijl. B. 1919 bl. 212.

Alg. Regl. NHK (1948) 58

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk III.
Het kerkelijk Bestuur over de Gemeenten te zamen.

Eerste afdeeling.
De Synode.

Artikel
58

Art. 58, luidende: „Voor het hoofd van het Departement voor de zaken van den Hervormden Eeredienst, enz. en zijnen Secretaris-Generaal, mits beiden van Protestantsche belijdenis, of, bij ontstentenis van dezen, een Commissaris des Konings, den Hervormden Godsdienst belijdende, staat de toegang open tot bijwoning der Synodale Vergaderingen” — is, tengevolge van de veranderde verhouding tusschen de Kerk en den Staat, d.d. 1 April 1864 weggevallen. Hand. 1862 bl, 126; Bijl. B. bl. 177; 1863 bl. 320, 328.

Alg. Regl. NHK (1948) 59

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk III.
Het kerkelijk Bestuur over de Gemeenten te zamen.

Eerste afdeeling.
De Synode.

Artikel
59

De gewone Synodale Vergadering wordt, éénmaal ’s jaars, te ’s-Gravenhage 1) gehouden, aanvangende op den derden Woensdag in de maand Juli. 2) Deze tijdsbepaling kan niet worden veranderd, noch eene buitengewone vergadering der Synode beschreven, dan door de Synodale Commissie. 3)


1) De Wet op de Kerkgenootschappen (10 Sept. 1853) eischt in art. 5 de goedkeuring des konings voor de plaats der vestiging.
2) Vroeger (Alg. Regl. van 1816) de eerste Woensdag in de maand Juli; de Prov. Kerkbesturen vergaderden de eerste Woensdagen van Mei, Augustus en October; de Class. Verg. den laatsten Woensdag in de maand Juni. In de „voortgezette vergadering” der Synode, 11 Febr. 1874, „ter behandeling van de zaak der reorganisatie van Kerk en Kerkbestuur” werd de datum der Synodale

|40|

vergadering bepaald op den derden Woensdag van de maand Juli, en die van de verg. der Prov. Kerkbesturen op de eerste Woensdagen van Mei, September en November. (Vervolg van de Hand. der Alg. Syn. 1873/74 bl. 165-166). Dit had het voordeel, dat de termijn tusschen de Class. Verg. en de verg. der Synode ruimer werd genomen. (Hand. 1874 bl. 337, 364). Voorstellen om den eersten Woensdag in Juli te herstellen werden afgewezen in 1896, met het oog op den vacantietijd, die voor verschillende afgevaardigden omstreeks half Juli begint; evenzoo werden niet vastgesteld voorstellen om den dag der Syn. verg. te bepalen op den laatsten Woensdag van Juni en dien der Class. Verg. op den eersten Woensdag in Juni. (Hand. 1896 bl. 201-205; 1897 bl. 134-138; 1899 bl. 123; 1927, bl. 299-300; 1900 bl. 170-173; 1931 bl. 165; 1932 bl. 103-104).
3) Een voorstel om hierop te laten volgen een 2e al., luidende: „Behoudens het recht op besloten zittingen ter behandeling van daartoe geëigende zaken, zijn de vergaderingen der Synode voor de Pers toegankelijk”, ingediend bij de Synode van 1921, werd afgewezen, als geen rekening houdende met het groot verschil van karakter tusschen de Synode en andere vergaderingen van algemeen belang. Hand. 1921 bl. 79-81.

Alg. Regl. NHK (1948) 60

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk III.
Het kerkelijk Bestuur over de Gemeenten te zamen.

Eerste afdeeling.
De Synode.

Artikel
60

De Synode begint telken jare hare werkzaamheden met, onder leiding van den oudsten in diensttijd der afgevaardigde predikanten, uit dezen voor zich een President en Vice-President, met plaatsvervanger, te verkiezen.

Alg. Regl. NHK (1948) 61

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk III.
Het kerkelijk Bestuur over de Gemeenten te zamen.

Eerste afdeeling.
De Synode.

Artikel
61

Bij de Synode berust de hoogste wetgevende 1), rechtsprekende en besturende macht, onder de verschillende waarborgen, in dit Algemeen Reglement en in bijzondere reglementen vastgesteld.


1) Wetgevende macht. Voorstellen om slechts eenmaal in de 3 jaren Reglementsveranderingen in behandeling te nemen, zijn in 1891 (Hand. bl. 168-175) en in 1904 (Hand. bl. 205-210, Bijl. B. bl. 258-363) verworpen.

Alg. Regl. NHK (1948) 62

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk III.
Het kerkelijk Bestuur over de Gemeenten te zamen.

Eerste afdeeling.
De Synode.

Artikel
62

De Synode stelt de reglementen vast 1), welke voor de geheele Kerk verbindend zijn.
Zij zendt 2) elk door haar voorloopig aangenomen reglement aan de Provinciale Kerkbesturen en Classicale Vergaderingen 3), om er hunne consideratiën op in te winnen. De Synode neemt in hare vergadering van het volgende jaar kennis van deze consideratiën en maakt daarvan naar eigen oordeel gebruik. 4) Indien zij besluit, dat het reglement behoort te worden vastgesteld, met of zonder verandering 5), onderwerpt zij het 6) aan de hoofdelijke stemming 7) van de leden der Provinciale Kerkbesturen, met dien verstande, dat in de Commissie tot de zaken der Waalsche Kerken vier leden hunne stem uitbrengen, en wel de drie predikanten en de ouderling, die de oudste in zitting zijn. 8) Tenzij de meerderheid der gezamenlijke leden, die hunne stem uitbrengen, zich tegen verklaart 9), wordt zoodanig reglement, als finaal aangenomen, door de Algemeene Synodale Commissie uitgevaardigd. Met veranderingen in de bestaande reglementen wordt evenzoo gehandeld.


1) Deze formuleering is in werking getreden 31 Maart 1875.
2) Tegen deze omslachtige wijze van aannemen en vaststellen van reglementswijzigingen is meermalen bezwaar gemaakt. Doch de Synode heeft telkens geoordeeld, dat de hier voorgeschreven weg „alleen de vereischte waarborgen geeft

|41|

tegen het onberaden invoeren van schadelijke of der Kerk ongevallige bepalingen”. Hand. 1887 bl. 377; vgl. 1860 bl. 94-96, 127; 1874 bl. 342, 374-375.
3) Hieronder is ook begrepen de Commissie tot de zaken der Waalsche Kerken. (Vgl. Hand. 1862 bl. 177-184, 250).
4) Naar eigen oordeel gebruik. Pogingen om deze zinsnede te doen wegnemen, of den zin te beperken tot een redactioneele wijziging, ten einde de beslissing eigenlijk te doen afhangen van de consideraties der Class. Vergaderingen, heeft de Synode afgewezen. (Hand. 1882 bl. 90-93, 106-116; 1883 bl. 127-131; 1887 bl. 374-387; 1888 bl. 338-353; 1890 bl. 320-328; 1895 bl. 73-75; 1900 bl. 281-287).
5) Wijziging van 31 Maart 1875, waarin uitgesproken wordt de bevoegdheid der Synode, om een ten vorigen jare voorloopig aangenomen wijziging, terug te nemen.(Vgl. Hand. 1870 bl. 10-12, 27).
6) Reeds in 1872 kwam een voorstel om dit recht van veto af te schaffen, bij de Synode ter tafel. De bedoeling van het voorschrift, om misbruik van macht der Synode te verhoeden, zou dan worden vernietigd; waarom het voorstel werd afgewezen (Hand. 1872 bl. 160, 161. Zie Hand. 1866, bl. 120, 122, 173-174; Bijl. 1877 bl. 174). In 1911 werd, naar aanleiding van een afgewezen verzoek om de hoofdelijke stemming van de leden der Prov. Kerkbesturen af te schaffen, besloten aan art. 62, na „uitgevaardigd” toe te voegen: „De Prov. Kerkbesturen deelen, door tusschenkomst van de Alg. Syn. Com. aan de Synode mede, welke de redenen waren, waardoor zij, die tegen stemden, werden geleid”. Bij de eindstemming in de Prov. Kerkbesturen verkreeg deze aangenomen wetswijziging de vereischte meerderheid niet. (Hand. 1911 bl. 434-443, 450-452; 1912 bl. 364-370; Bijl. B. 1913 bl. 299). Nadat in 1918 door de eindstemming in de Prov. Kerkbesturen de aangenomen wijziging van art. 3* Alg. Regl. (kiesrecht voor vrouwelijke lidmaten) niet kon worden vastgesteld, deed zich opnieuw de wensch naar afschaffing van dit vetorecht gelden. Tot definitieve aanneming bracht een voorstel daartoe het niet, omdat het saamgekoppeld werd aan de voorstellen tot wijziging van art. 56, die in 1921 niet werden vastgesteld. (Hand. 1919 bl. 108, 186-191, 325-326; 1920 bl. 177, 380-383). In 1924 werd opnieuw een voorstel van gelijke strekking door de Synode afgewezen (Hand. 1924 bl. 131-133); eveneens in 1927 (Hand. 1927 bl. 238-239). Zie verder aant. 1 bij art. 56.
7) Aldus sedert 1 Maart 1875 in plaats van „de stemming der Prov. Kerkbesturen”.
8) Aldus sedert 15 Jan. 1883, omdat anders de invloed van het kleine Waalsche ressort, dat 7 leden in zijn Commissie heeft, te groot zou zijn.
9) Aldus sedert 31 Maart 1875. Wanneer evenveel stemmen tegen als vóór worden uitgebracht, is de wijziging aangenomen, omdat in zoodanig geval geen meerderheid zich tegen verklaart. Bijl. B. 1883 bl. 75.
Een voorstel om te bepalen, dat buiten stemming blijven niet geoorloofd is, werd in 1900 niet vastgesteld. (Hand. 1899 bl. 56-57, 128-131, 150, 298, 299; Bijl. B. bl. 166-168; Hand. 1900 bl. 167-170).

Alg. Regl. NHK (1948) 63

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk III.
Het kerkelijk Bestuur over de Gemeenten te zamen.

Eerste afdeeling.
De Synode.

Artikel
63

De rechtsprekende macht der Synode wordt uitgeoefend naar art. 15 van dit Algemeen Reglement en naar het Reglement van 1) kerkelijk opzicht en tucht.
Zij beslist geschillen, welke in of tusschen Provinciale Kerkbesturen mochten ontstaan.


1) Thans Reglement voor kerkelijk opzicht en tucht.

Alg. Regl. NHK (1948) 64

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk III.
Het kerkelijk Bestuur over de Gemeenten te zamen.

Eerste afdeeling.
De Synode.

Artikel
64

De besturende macht der Synode gaat over de algemeene belangen der Nederlandsche Hervormde Kerk, en in het bijzonder over alles, wat den Openbaren godsdienst en de kerkelijke instellingen betreft.

Alg. Regl. NHK (1948) 65

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk III.
Het kerkelijk Bestuur over de Gemeenten te zamen.

Eerste afdeeling.
De Synode.

Artikel
65

Bij de Synode berust het beheer der algemeene kerkelijke fondsen. 1) Zij is echter bevoegd, het beheer over die fondsen, met uitzondering van het Fonds der Algemeene Kas en van het Fonds voor noodlijdende kerken en personen, op te dragen aan de Algemeene Synodale Commissie, en wijst daarom telken jare de Fondsen aan, waarvan zij het beheer opdraagt aan genoemde Commissie, welke zich daarbij gedraagt naar de Reglementen op de verschillende fondsen. De administratie is opgedragen aan den Quaestor-Generaal, onder toezicht van de Synodale Commissie. 2) De Quaestor-Generaal heeft de machtiging der Synode, of der Synodale Commissie, zoo aan deze het beheer is opgedragen, noodig tot het doen afschrijven van de kapitalen der Fondsen, ingeschreven op een der Grootboeken der Nationale Schuld, of tot het realiseeren van waarden, waarin de kapitalen der Fondsen zijn belegd. 3)
Omtrent de administratie der bijzondere kerk-, pastorie-, kosterij- en andere gemeentefondsen 4) en de betrekking tusschen hunne bestuurders en de Kerkeraden, zullen nadere bepalingen worden ontworpen. 5)


1) Bij D. en F.7 bl. 58 wordt gezegd: „In dit art. ligt het beginsel ten grondslag, dat de Synode wel bevoegd is, de algemeene kerkelijke fondsen, t.w. de algemeene kas der Ned. Herv. Kerk, het Weduwenfonds, het Fonds voor noodlijdende kerken en personen, het Fonds voor geestelijke behoeften, dat voor de schraalste predikantstraktementen, het Hulppensioenfonds, het Fonds voor Hooger Onderwijs, het Studiefonds, en welke van dien aard er meer mogen zijn of komen, maar niet de in al. 2 opgenoemde bijzondere Gemeentefondsen, te beheeren. Het beheer dezer goederen berust bij de gemeenten zelve, wier eigendom zij zijn. Maar al deze gemeenten te zamen maken de Ned. Herv. Kerk uit (art. 1), en de Synode, bij wie de hoogste wetgevende, rechtsprekende en besturende macht in de Kerk berust(art. 61), moet zich geroepen achten, door het maken van reglementaire bepalingen te zorgen, dat de fondsen der gemeenten voortdurend overeenkomstig hunne bestemming worden gebruikt”.
2) Aldus sedert 15 Jan. 1895. Hand. 1893 bl. 380-388, 510-511, 513, 544-549; 1894 bl. 362-371, 439, 550-553.
3) In dezen gewijzigden vorm is deze volzin in werking getreden 15 Jan. 1915. Hand. 1913 bl. 442-450; 1914 bl. 373, 384, 400-401, 445, 553-560; 1915 Bijl. B, bl. 257.
4) Over oorsprong van benificiale of geestelijke goederen, patroons-, pastorie-, kosterij-, klooster-, leengoederen, vicariegoederen zie Hand. 1850 bl. 42-46, 260-290.
5) Ontworpen. Verder kon tusschen 1851 en 1870 de bepaling nog niet gaan, daar de 2e der reserves bij de Koninkl. goedkeuring van het Alg. Regl. gemaakt, de bevoegdheid der Synode om het beheer te regelen niet erkende. Intusschen werd bij Kon. Besl. van 9 Febr. 1866, Stbld. no. 10, het toezicht op het beheer los gelaten, waardoor alle beheer ongeregeld bleef en voor allerlei misbruik ongehinderd plaats werd gemaakt. In 1870 trad het Algemeen College van Toezicht op, waarmede de Synode trachtte in 1874 tot een wettige regeling van het beheer te komen door een Concept-reglement op het beheer der kerkelijke goederen en fondsen van de Hervormde gemeenten in Nederland en het toezicht daarop. In 1874 voorl. aangenomen, werd het, om den tegenstand der colleges van beheer, het volgende jaar echter niet vastgesteld. In 1876 verzocht de Synode aan de Regeering om een wet, waarbij de rechtsgrond werd aangewezen voor de regeling van het beheer der goederen en fondsen in de gemeenten. Deze poging was vergeefsch, evenals latere om althans een wet te verkrijgen, die de onttrekking der goederen aan hunne bestemming verhinderde. (Hand. 1874 bl. 104-120, 217-227, 233-242, 276-280, 291-301; 1875 bl. 153-186, 257-261, 267-270, 280-286, 289-290, 295; 1876 bl. 103-118, 362-366; 1877 bl. 53-64, 153, 453, 523; Bijl. B. bl. 133-136; 1878 bl. 56-58, 102-103, 146, 324, 395-398; Bijl. B. bl. 147; 1879 bl. 110-111, Bijl. B. bl. 113). In 1881 verwierp de Syn. het voorstel om uitvoering te geven aan al. 2 van art. 65 Alg. Regl. (Hand.

|43|

1881 bl. 226-241; 1882 bl. 41-42; Bijl. B. bl. 82). Van 1886 tot 1888 hield de Syn. zich opnieuw bezig met de zaak en werd besloten het rapport daarover van de Syn. Com. met het verslag van de beraadslagingen der Synode in handen te stellen der rechtsgeleerde adviseurs, om de Syn. Com. te dienen van nader advies (Hand. 1886 bl. 508, 521; 1887 bl. 44, 45, 197; Bijl. B. bl. 132; 1888 bl. 15, 165, 399-447; Bijl. B. bl. 152). De meerderheid dezer adviseurs was van oordeel, dat de Synode niet bevoegd is eene voor de Kerk bindende regeling van het beheer der kerkelijke goederen tot stand te brengen, en dat een Regl. op het beheer alleen in werking kon worden gebracht door vrije toetreding der gemeenten. Twee middelen tot verbetering werden aangewezen: òf een staatswet tot handhaving van de bestemming der kerkel. goederen, òf een poging der Synode om de gemeenten, die vrij beheer hebben, te bewegen zich bij het Alg. Coll. van Toezicht aan te sluiten (Hand. 1889 bl. 623-636). De minderheid achtte het echter de roeping en den plicht der Synode het initiatief te nemen om tot een betere regeling van het beheer en het toezicht daarop te komen en daartoe een wijziging van art. 65 Alg. Regl. voor te stellen.(Hand. 1890 bl. 410-425). Het Alg. College was tot medewerking niet bereid (Bijl. B. bl. 97-212; Hand. 1891 bl. 296-326). Maar wel werd in 1892 besloten, dat de Synode zou medewerken om de toetreding van gemeenten met vrij beheer tot het Alg. Coll. te bevorderen. In 1894 werd een verzoek om een Commissie van eenige desbevoegden in den lande te benoemen, ten einde een Regl. op het beheer te ontwerpen, afgewezen. Doch een voorstel werd aangenomen om aan de Syn. Com. op te dragen een ontwerp-reglement aan te bieden, rustend op deze grondslagen: voorkoming, dat de goederen ad pios usus aan hunne bestemming worden onttrokken; verhindering, dat ten opzichte van het beheer in de Kerk een imperium in imperio besta; aansluiting, zooveel mogelijk, aan de bestaande organisatie; regeling van den aard van het toezicht in dezen zin, dat de kerkvoogden rekenplichtig worden aan de door haar zelve gekozen colleges. (Hand. 1891 bl. 281-336, 386; 1892 bl. 291-326. 343-344; 1893 bl. 390-481, 484-503, 505; 1894 bl. 493-550, 553-564). Wegens de talrijke moeilijkheden werd de Syn. Com. op haar verzoek ontslagen van de opdracht en werd een Commissie benoemd van 5 personen, om bij de Synode van het volgend jaar een concept-Reglement op het beheer in te dienen. (Hand. 1895 bl. 117-125, 127-137, 251-252, 372-373; Bijl. B. bl. 210-228). In dit jaar werd geen lid met secundus afgevaardigd naar het Alg. Coll. (D. en F7 bl. 61). Het in 1896 ingediend ontwerp, met eenige wijziging voorl. aangenomen, werd in 1898 vervangen door een nieuw voorl. aangenomen ontwerp. Het volgend jaar werd het, met eenige wijziging, vastgesteld, maar door de Prov. Kerkbesturen verworpen. (Hand. 1896 bl. 489-573, 578-605, 783-809; 1897 bl. 474-565, 571-583, 620-644; 1898 bl. 437-487, 489-491, 522-547). Een poging in 1899 om de zaak te regelen leed opnieuw schipbreuk, doch er werd wederom een Com. benoemd met een opdracht zooals in 1895 door het adres van dr. T. Cannegieter aan de Synode was voorgesteld. Het concept dier Com. werd in 1901 in de Kerk om consideratie gezonden. De consideratiën waren ongunstig. Daarop volgde een nieuw ontwerp volgens de voorstellen van dr. J.A. Bruins in 1902 (hetwelk verworpen werd); een concept van 1903 werd in het volgend jaar zoozeer gewijzigd, dat het in 1905 opnieuw aan de consideraties in de Kerk werd onderworpen; het gewijzigd ontwerp verkreeg in 1906 echter het voldoend aantal stemmen niet bij de Prov. Kerkbesturen. (Hand. 1899 bl. 131-148, 150-152, 154-156, 294, 379, 478; 1900 Bijl. B. bl. 281-318, Hand. 1900 bl. 307-319, 329, 331-339, 344-352, 375, 460-485; 1901 bl. 204-216, 285-288, 297-298, 300-304, 510-512, 514-515; 1902 bl. 433-453, 634; 1903 bl. 448-512, 521-538, 540; 1904 bl. 316-338, 339-358, 360, 371-389; 1905 bl. 407-437, 441-447, 450-459, 466-477, 490-192, 668-688; Bijl. B. 1906 bl. 318).
In 1913 werd bij de Synode een concept-Regl. ingezonden „op het beheer der kerkegoederen in de gemeenten der Ned. Herv. Kerk, die zoogenaamd vrij beheer hebben”, hetwelk niet werd aangenomen. Maar er werd een Comm. van 3 leden der Syn. benoemd, in wier handen werd gesteld het door de Syn. van 1905 voorl. vastgesteld en aan de hoofdel. stemming van de leden der Prov. Kerkbesturen onderworpen Regl. op de organisatie van het beheer, met opdracht het met haar advies gewijzigd of ongewijzigd bij de Syn. van 1914 in te dienen (Hand. 1913, bl. 243-275,

|44|

613). De Com., bestaande uit de heeren dr. T. Cannegieter, D. Eilerts de Haan en F. Tammens, bracht het concept ter tafel, dat, met eenige wijziging, werd aangenomen en, voorzien van een uitvoerige toelichting, waarin de beginselen werden uiteengezet, naar welke het Regl. is samengesteld, om consideratie de Kerk werd ingezonden. Het verschilde van al de vorige concepten belangrijk, omdat alle kerkel. Besturen, van het laagste tot het hoogste, van elke rechtstreeksche medewerking, zoowel in het beheer als in de uitoefening van het toezicht, waren uitgesloten. Het volgend jaar werd het echter niet vastgesteld. (Hand. 1914 bl. 363, 561-585, 704; 1915 bl. 527, 676, 709-717). In 1919 echter werd besloten, naar aanleiding van ingekomen verzoeken, dat de Synode opnieuw de regeling van het beheer ter hand zou nemen en daarbij uitgaan van de eindredactie van het in 1914 voorl. aangenomen Regl. (Hand. 1919 bl. 205, 223-229, 253, 266-300). Intusschen kwam, terwijl de consideraties der Kerk werden ingewonnen, de zaak van een Reglement op de predikantstraktementen op den voorgrond, waarom in 1920 besloten werd: „Niet terstond voort te gaan met de behandeling van dit Reglement, doch eene Commissie te benoemen, die tracht, door overleg met het Algemeen College van toezicht, en zoo dit overleg er aanleiding toe geeft, ook met de colleges van Beheer, met de Vereeniging van kerkvoogdijen en andere corporaties, te komen tot overeenstemming in zake het beheer en vervolgens met bepaalde voorstellen te komen bij de Synode van het volgend jaar”. Het overleg met het Alg. College mislukte. Besloten werd ten slotte het Regl. dit jaar niet te behandelen. (Hand. 1920 bl. 233-252; 1921 bl. 10, 52, 326-328). Het Reglement, zooals het in 1919 om consideraties in de Kerk is gezonden, is bijgevolg nog aan de orde.
Bij de Synode van 1938 werd door de heeren M. van Empel, H.C.J. van Deelen en D. Boer een ontwerpregeling voor de financieele aangelegenheden der Gemeenten ingediend. De voorstellen gingen daarbij uit van de gedachte, dat er, indien de Synode van dit jaar het Reorganisatie-ontwerp niet ongewijzigd vaststellen, noch verwerpen, maar amendeeren mocht, moeilijk een gelegener tijd te denken zou zijn, voor het ter hand nemen van de beoogde regeling. Dan toch zouden de voorgestelde wijzigingen en toevoegingen op het Algemeen Reglement en die op het Reglement voor kerkelijk opzicht en tucht mede begrepen kunnen worden onder die amendementen, terwijl het Ontwerp-reglement op de finantieele aangelegenheden der Gemeenten dan direct uit die amendementen voortvloeien zou.
Het ontwerp werd verworpen.
De Synode oordeelde, dat er nu, nog veel meer dan in 1920, aanleiding was — althans ingeval een Ontwerp-Beheersreglement, gelijk het onderhavige, uit den boezem der Kerk voortkwam, — om te persisteeren bij de toen uitgestippelde gedragslijn, dat bepaalde voorstellen inzake het Beheer uit overeenstemming met de verschillende beheersinstanties dienen geboren te worden. (Hand. 1938 bl. 258-307).

Alg. Regl. NHK (1948) 65*

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk III.
Het kerkelijk Bestuur over de Gemeenten te zamen.

Eerste afdeeling.
De Synode.

Artikel
65*

De Synode is bevoegd in omstandigheden, waarin de normale functioneering van het kerkelijk leven onmogelijk is, van de bij de Reglementen voorgeschreven bepalingen af te wijken en zoodanige noodmaatregelen te nemen als zij in het belang der Kerk noodzakelijk oordeelt.
Deze maatregelen worden door haar opgeheven, zoodra de in de vorige alinea bedoelde uitzonderingstoestand is geëindigd. 1)


1) Dit art. is ingevoegd op 15 Jan. 1943.

Alg. Regl. NHK (1948) 66

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk III.
Het kerkelijk Bestuur over de Gemeenten te zamen.

Tweede afdeeling.
De Algemeene Synodale Commissie.

Artikel
66

Tusschen de gewone jaarlijksche vergaderingen der Synode worden, in haren naam, de belangen der Nederlandsche Hervormde Kerk behartigd en waargenomen door een college, onmiddellijk uitgaande van, en in betrekking staande tot de Synode, onder den naam van Algemeene Synodale Commissie. 1)


1) Dit beteekent echter niet, dat de Syn. Com., wanneer de Synode niet vergaderd is, de Kerk zou vertegenwoordigen en voor haar in en buiten rechten handelend optreden, daar de Syn. Com. geen kerkelijk bestuur is. (Hand. 1866 bl. 174-175).
In de zitting van 29 Juli 1852 verklaarde de Synode, dat hetgeen uit de instructie voor de Alg. Syn. Com. van 20 Juli 1844 in het Alg. Regl. van 1852 niet is opgenomen, voor zoover het niet in strijd is met het Alg. Regl. nog van blijvende kracht is. Een nieuwe instructie werd ontworpen in 1853 (Bijl. B. bl. 31-34), waarvan de voornaamste bepalingen thans in dit en de volgende artt. zijn opgenomen.

Alg. Regl. NHK (1948) 67

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk III.
Het kerkelijk Bestuur over de Gemeenten te zamen.

Tweede afdeeling.
De Algemeene Synodale Commissie.

Artikel
67

Deze Commissie bestaat uit den President, den Vice-president en den Secretaris der Synode; voorts uit drie predikanten en drie ouderlingen 1), zooveel mogelijk te benoemen uit de verschillende kerkressorten. 2) Aan elk der leden van deze Commissie wordt een secundus toegevoegd. Zij hebben allen concludeerende stem, behalve de Secretaris, die eene adviseerende heeft. Met uitzondering van den Secretaris hebben alleen dienstdoende predikanten in deze Commissie zitting.


1) Ook oud-ouderlingen zijn benoembaar. (Hand. 1851 bl. 317-318).
2) Hoewel het niet wenscheliik werd geacht uit een kerkressort, dat reeds in de Syn. Com. vertegenwoordigd is, nog een lid te benoemen (Hand. 1867 bl. 25) heeft de Synode voorstellen om te eischen, dat de leden uit verschillende kerkressorten zouden worden benoemd, niet aangenomen. (Hand. 1881 bl. 242-245).

Alg. Regl. NHK (1948) 68

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk III.
Het kerkelijk Bestuur over de Gemeenten te zamen.

Tweede afdeeling.
De Algemeene Synodale Commissie.

Artikel
68

De predikanten en ouderlingen, leden dezer Commissie, benevens hunne secundi 1), worden benoemd door de Synode voor den tijd van drie jaren. 2) Telken jare treedt, met den dag op welken de gewone jaarlijksche vergadering der Synode; gesloten wordt, een derde gedeelte af, zijnde de aftredenden niet herkiesbaar dan na twee jaren. 3)
De President, Vice-president en Secretaris ter laatste Synodale Vergadering fungeeren ook bij deze Commissie als zoodanig.


1) De Syn. verklaarde in 1863 (Hand. bl. 59-60), dat een tot sec. reeds benoemde, als intusschen de tot primus benoemde bedankt, ook voor primus benoembaar is.
2) Een voorstel in 1893 om alle leden en de secundi jaarlijks door de Syn. uit hare leden te doen benoemen, is voorl. aangenomen, doch in 1895 teruggenomen.(Hand. 1893 bl. 381-388, 510-513, 544-549; 1894 bl. 371-374, 439, 565; 1895 bl. 79-84).
3) Een sec, die, naar art. 6 al. 3, primus-lid geworden is gedurende den diensttijd van den primus, is evenmin herkiesbaar. (Hand. 1870 bl. 27-28). Een sec, die nooit als primus is opgetreden, is, als hij door het aftreden van den primus opgehouden heeft sec te zijn, wel tot primus verkiesbaar. (Hand, 1886 bl. 80-81, 93).

Alg. Regl. NHK (1948) 69

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk III.
Het kerkelijk Bestuur over de Gemeenten te zamen.

Tweede afdeeling.
De Algemeene Synodale Commissie.

Artikel
69

Art. 69. „De vergaderingen dezer Commissie kunnen, gelijk die der Synode, door het Hoofd van het Ministerieel Departement en den Secretaris-Generaal, beiden van Protestantsche belijdenis, worden bijgewoond” — is tegelijk met art. 58 in 1863 vervallen.

Alg. Regl. NHK (1948) 70

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk III.
Het kerkelijk Bestuur over de Gemeenten te zamen.

Tweede afdeeling.
De Algemeene Synodale Commissie.

Artikel
70

Aan deze Commissie is opgedragen:
1º. het uitvoeren van alles, wat de Synode haar heeft in last gegeven 1);
2º. het toezicht op de nakoming van alle kerkelijke reglementen en Synodale besluiten;
3º. het behandelen en beslissen in vorderingen tot vernietiging van in hooger beroep genomen besluiten 2), gedane uitspraken en genomen beslissingen, overeenkomstig artt. 14 en 15 van het Algemeen Reglement;
4º. het toezicht op de administratie der algemeene kerkelijke fondsen, met macht, om, waar de zaak bij uitstel lijden zou, daaromtrent te doen hetgeen der Synode is;
5º. het houden van zoodanig algemeen toezicht op de administratie van kerkelijke goederen, als haar bij een reglement zal worden opgedragen 3);
6º. de behandeling der diaconale 4), alsmede van spoed vorderende zaken, welke tot de bevoegdheid der Synode behooren;
7º. de correspondentie, omtrent alle voorkomende zaken, met colleges van kerkelijk bestuur en beheer, met de vanwege de Kerk benoemde HoogIeeraren in de Godgeleerdheid en met de Hooge Regeering;
8º. het beslissen van geschillen over de uitlegging en toepassing van het Reglement op de Algemeene Weduwen- en Weezenbeurs der Nederlandsche Hervormde Kerk 5), van het Reglement op het Pensioenfonds ten behoeve van de predikanten der Nederlandsche Hervormde Kerk, behalve in de gevallen, waarin de artikelen 23, 24 en 25 van laatstgenoemd Reglement voorzien, van het Reglement op de Kas tot aanvulling van het Rijksemeritaatspensioen 6) en van het Reglement op de Suppletiebeurs voor predikants-weduwen en -weezen; 7)
9º. het beslissen van geschillen over de uitlegging van het Reglement op de predikantstraktementen; 8)
10º. het toezicht op de archieven volgens het Reglement op de kerkelijke archieven.9)


1) In 1869 heeft de Synode de wenscheliikheid uitgesproken, dat deze zelf jaarlijks zooveel mogelijk de bij haar ter tafel gebrachte zaken zou afdoen en niet dan bij gebiedende noodzakelijkheid aan de Syn. Com. zou opdragen. Hand. 1869 bl. 238.
2) Genomen besluiten en art. 14. Invoeging van 15 Jan. 1900.
3) In afwachting van het gevolg, dat zou gegeven worden aan art. 65 al. 2.
4) In verband met art. 15 al. 2 van het Regl. voor de diaconieën.
Voorstellen om de behandeling van alle quaestorale en diaconale zaken en van alle zaken van dageliiksch bestuur bij de Syn. Com. over te brengen, en om de toekenning van kleine toelagen aan kerkelijke administratiën en noodlijdende personen aan de Syn. Com. over te laten, zijn niet vastgesteld. (Hand. 1865 bl. 255; 1888 bl. 125-126, 130).
5) In werking getreden 1 Jan. 1896.
6) Toevoegingen in werking getreden 1 Jan. 1928 en 1932. Hand. 1926 bl. 296, 297, 336, 337; 1927 bl. 99-100, 123-124; 1930 bl. 92-115, 139-150; 1931 bl. 373-378, 378-385. Bijl. 1932 bl. 173.
7) In werking getreden 1 Januari 1938.
8) In werking getreden 1 Jan. 1927 in verband met art. 28 van het Reglement op de predikantstraktementen. Hand. 1924 bl. 281, 323, 324; 1925 bl. 139, 214, 215, 252, 253; 1926 bl. 74, 169-174, 329; Bijl. B. 1927 bl. 124.
9) In werking getreden 1 Jan. 1919 in verband met het Regl. op de kerkelijke archieven.

Alg. Regl. NHK (1948) 71

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk III.
Het kerkelijk Bestuur over de Gemeenten te zamen.

Tweede afdeeling.
De Algemeene Synodale Commissie.

Artikel
71

De Synodale Commissie biedt jaarlijks der Synode een overzicht aan van den staat der Nederlandsche Hervormde Kerk. 1)


1) Dit doet zij in Bijl. C. bij de Handelingen der Alg. Synode.

Alg. Regl. NHK (1948) 72

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk III.
Het kerkelijk Bestuur over de Gemeenten te zamen.

Tweede afdeeling.
De Algemeene Synodale Commissie.

Artikel
72

De Commissie vergadert te ’s-Gravenhage, gewoonlijk tweemalen ’s jaars, ééns in het voorjaar en ééns in het najaar, en voorts zoo dikwerf zulks door haar moderamen noodig zal worden geacht.

Alg. Regl. NHK (1948) 73

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk III.
Het kerkelijk Bestuur over de Gemeenten te zamen.

Tweede afdeeling.
De Algemeene Synodale Commissie.

Artikel
73

Alle kerkelijke colleges zijn verplicht, aan deze Commissie alle door haar gevraagde inlichtingen te geven, en aan hare aanschrijvingen te voldoen, behoudens het bepaalde bij art. 14.

Alg. Regl. NHK (1948) 74

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk III.
Het kerkelijk Bestuur over de Gemeenten te zamen.

Tweede afdeeling.
De Algemeene Synodale Commissie.

Artikel
74

De Commissie is, wegens alles, wat door haar wordt verricht, verantwoording schuldig ter eerste gewone Synodale Vergadering. 1)
Bij de raadpleging over deze verantwoording heeft geen der Synodale leden, die tevens lid is van de Algemeene Synodale Commissie, eene concludeerende stem. Van eene uitspraak door haar gedaan, en eene beslissing door haar genomen, ten gevolge van beroep in cassatie, geeft zij aan de Synode alleen verslag. 2)


1) Zij geeft het verslag van hare handelingen in de Bijlagen tot de Handel, der Synode, welke de leden der Syn. vóór de jaarlijksche vergadering ontvangen.
2) Het eerste deel van deze al. beteekent niet, dat de leden der Synode, die leden der Syn. Com. zijn, niet mede besluiten omtrent de onderscheidene beschouwingen en adviezen der Syn. Comm. (Hand. 1863 bl. 16-17; 1903 bl. 38).
Het tweede deel dezer al. laat eene beoordeeling door de Synode van de uitspraken en beslissingen in cassatie niet toe; overigens is niets van de handelingen der Syn. Com. van de beoordeeling door de Synode uitgesloten. (Hand. 1865 bl. 21-23). Dit 2e gedeelte der al. is in dezen vorm in werking getreden 15 Febr. 1891.