Velde, M. te e.a. (1993) Art. 37

Artikel 37

 

Kerkenordening 1905/1933

Artikel XXXVIII.

Welverstaande, dat in de plaatsen, waar de kerkeraad voor het eerst of op nieuw is op te richten, 't zelve niet geschiede, dan met advies van de classis. En waar het getal van de ouderlingen klein is, zullen de diakenen door plaatselijke regeling mede tot den kerkeraad  kunnen genomen worden; hetgeen altijd geschieden zal, waar dit getal op minder dan drie is bepaald.

 

Deputatenrapport 1974

Artikel 39.
Diakenen in kleine kerkeraden
Waar het getal van de ouderlingen klein is, zullen de diakenen door plaatselijke regeling mede tot de kerkeraad kunnen genomen worden; hetgeen altijd geschieden zal, waar dit getal op minder dan drie is bepaald.

Toelichting:
Dit is het tweede lid van art. 38 (oud).

 

Commissierapport 1975

Zie voor toelichting bij artikel 36.

Artikel 39
In de zaken van opzicht en tucht zullen alleen de dienaren des Woords en de ouderlingen beslissen en keurstem hebben. Voor deze zaken zullen zij, als het profijtelijk is vanwege de grootte van kerkeraad en gemeente, afzonderlijke bijeenkomsten mogen instellen.

Artikel 41
Waar het getal van de ouderlingen klein is, kan aan de diakenen door plaatselijke regeling worden opgedragen, met de ouderlingen opzicht en tucht te oefenen; hetgeen altijd geschieden zal, waar dit getal op minder dan drie is bepaald.

 

Synodebehandeling 1975

Zie artikel 36.

 

Deputatenrapport 1976

Zie artikel 36.

 

Deputatenrapport 1977

39. Artikel 38b (rapport 1976, art. 39, p. 13)

Het oude artikel 38b werd door depp. in hun eerste rapport onveranderd weer opgenomen.
R. a. Een kerkeraadscommissie signaleert in de voorstellen van depp. een tegenstrijdigheid. Enerzijds kiezen zij principiëel voor de opvatting van de diakenen niet tot de kerkeraad behoren, anderzijds laten zij het van het aantal ouderlingen afhangen of diakenen mee tot de kerkeraad kunnen worden gerekend.
b. Een kerkeraad vraagt of het wel verantwoord is, de oude bepaling te handhaven. Depp. stellen zelf
immers dat tegen vermenging van de ambten steeds gewaakt moet worden, Mag men van dit beginsel afwijken ter wille van practische moeilijkheden?
c. Een andere kerkeraad citeert breed uit wat depp. gezegd hebben over het gescheiden houden van de
ambten en gaat materieel in op de vraag, of diakenen op rechtmatige wijze kunnen deelnemen aan het werk van de ouderlingen. De vanouds bestaande regel hiervoor wordt door prof. J. Kamphuis in de bundel 'Altijd met goed accoord' verdedigd met de stelling, dat de kerken, door deze bepaling op te nemen en die ten uitvoer te leggen, aan de diakenen een bepaalde roeping geven, een opdracht verlenen, om deel te nemen in het werk van de kerkeraad. Inzender stelt daar tegenover dat er geen andere weg openstaat om tot wettige uitoefening van specifiek ambtelijk werk te komen, dan de weg van verkiezing door de gemeente, benoeming door de kerkeraad en bevestiging volgens het formulier. Alleen wanneer dit alles aanwezig is, kan een ambtsdrager werken in de overtuiging dat hij wettig door de gemeente en mitsdien door God zelf tot de dienst geroepen is.
Wil men de diakenen via een besluit van het kerkverband laten meewerken in opzicht en tucht, dan heeft inzender twee vragen:
1. vanwaar komt de bevoegdheid van de meerdere vergaderingen om ambtelijke bevoegdheden te
verlenen?
2. zijn alle argumenten die zijn aangevoerd om diakenen niet tot de kerkeraad te nemen en om vermenging van de ambten tegen te gaan niet op de Schrift gegrond?
d. Voorstel (in het kader van de onder 37.R.2.c. vermelde voorstellen): 'Waar het getal van ouderlingen en diakenen klein is, zullen de diakenen door plaatselijke regeling mede de zaken van opzicht en tucht en de ouderlingen mede de diakonale zaken kunnen behandelen. Dit zal altijd geschieden als het getal van de ouderlingen met de dienaar des Woords, resp. het getal der diakenen, kleiner is dan drie'.
e. Suggestie, in het slot de woorden 'bepaald op' weg te laten. De regeling zou ook van kracht moeten zijn als het aantal ouderlingen tijdelijk beneden de drie komt, bijv. door ziekte of uitstedigheid.
M. a/b. Depp. menen dat niet al te licht moet worden gedacht over de zaak die de opstellers van dit artikel voor ogen heeft gestaan. Men rekende de diakenen inderdaad niet tot de kerkeraad.
Maar men bepaalde voor kleine en zeer kleine kerken wel de mogelijkheid, resp. de verplichting, dat de diakenen aan het werk van de ouderlingen zouden deelnemen. Dit ongetwijfeld niet alleen om een formele reden, nl. dat er altijd een college van tenminste drie personen zou zijn. Men wilde hiermee eventuele willekeur en al te persoonlijk optreden in zaken van opzicht en tucht zoveel mogelijk tegengaan. Depp. achten dit ook in onze tijd een behartigenswaardig motief.
c. Depp. zijn niet overtuigd dat de kerken, levend bij de schriftuurlijke bepalingen voor de ambtsdienst
ook wat de wettige roeping van Godswege betreft, geen vrijmoedigheid zouden mogen hebben een regeling als deze te treffen. Men vergete niet, dat in kerken waar deze bepaling effectief wordt gemaakt, dit door plaatselijke regeling een vaststaande zaak is. De verkiezing en bevestiging van de diakenen geschiedt dan met inachtneming van de wetenschap, dat de broeders ook in de zaken van opzicht en tucht betrokken zullen worden.
Depp. menen echter wel, dat voor de toekomst aan het bezwaar van R.c.. tegemoet kan worden gekomen. Het blijft h.i. gewenst en soms vereist dat bij een klein aantal ouderlingen de waarborg voor onpartijdig handelen gezocht wordt in een verbreding van het college. Naar hun gedachte behoeven de diakenen dan niet langer als 'hulp-ouderlingen' benoemd te worden. Het gestelde doel kan bereikt worden door te bepalen, dat de ouderlingen in de bedoelde situatie zullen handelen 'met advies van de diakenen'.
d. Tegen het voorstel in R.d. zijn enkele bezwaren. Het laat de ouderlingen en diakenen volledig deelnemen aan elkaars ambtswerk. Dit gaat in tegen de richting, waarin depp. met het bovenstaande gegaan zijn.
De slotbepaling schiet tekort in nauwkeurigheid. Waar drie ouderlingen zijn en twee diakenen wordt de medewerking van de diakenen verplicht gesteld, hoewel dat volgens de regel van het minimum niet strikt nodig is.
Wel zien depp. in dit voorstel terecht het element van de wederkerigheid opgenomen. In de situatie van de zeer kleine gemeente zullen één of twee diakenen evenzeer het advies van de ouderlingen nodig hebben als omgekeerd.
d. De suggestie van R.e. moet volgens depp. worden afgewezen. De onderlinge hulp in de ambten moet aan een vaste plaatselijke regel gebonden zijn en niet willekeurig van tijd tot tijd aan de orde komen.
T. 1.  Het voorstel van depp. sluit in de terminologie aan bij het voorgaande.
2. Het slot is zo geformuleerd dat de volgende getalsverhoudingen tussen ouderlingen en diakenen eronder
begrepen zijn: 1-1, 2-1, 1-2 en 2-2.

Voorstel:

Waar het aantal ouderlingen en diakenen klein is, kan de kerkeraad krachtens plaatselijke regeling altijd samen met de diakenen vergaderen. In dat geval wordt in zaken van opzicht en tucht gehandeld met advies van de diakenen en in zaken van het diakenambt met advies van de ouderlingen.
Deze regeling zal in elk geval getroffen worden wanneer zowel het aantal ouderlingen als het aantal diakenen op minder dan drie is bepaald.

 

Commissierapport 1978

Artikel 37.

Een kerkeraadscommissie, die zich in een schrijven tot uw vergadering heeft gewend, komt met een alternatief: "Indien het getal der ouderlingen klein is, zullen slechts ouderlingen worden gekozen, met dien verstande, dat één ouderling uitsluitend de diaconale aangelegenheden behartigt".
Ter adstructie wordt gewezen op Hand. 6. Voordien deden de apostelen immers het werk der barmhartigheid! Anderzijds, aldus deze kerkeraadscommissie, worden diakenen in de Schrift nooit tot oefening van opzicht en tucht geroepen. Naar deze regel behoort dan ook in een kleine gemeente te worden gewerkt.
Uw commissie stelt tegenover deze redenering: wij leven niet meer vóór, maar ná de dagen van Handelingen 6. Ook wil zij waken voor het gevaar van vermenging van ambten.
Verder: als hier gesproken wordt van "advies" naar de ene of naar de andere kant, dan hebben wij te bedenken de kracht van het "advies" in de samenleving der gereformeerde kerken.
Zo'n vanuit Schrift, belijdenis en K.O. gemotiveerd advies kan niet in vrijblijvendheid worden aangehoord. In de situatie van de in dit artikel genoemde kleine gemeenten wordt gewezen op verantwoorde mogelijkheden die de Here Zijn gemeente geeft.
Een kerkeraad schrijft: als in zo'n kleine gemeente slechts één diaken is, neemt deze ene broeder dan besluiten, terwijl de ouderlingen slechts adviseren? Als de ouderlingen negatief adviseren, en die éne diaken positief oordeelt, hoe moet het dan?
Uw commissie stelt: denk aan het karakter van het "advies". De diaken blijft in diaconale zaken de eerste verantwoordelijkheid dragen; het advies der ouderlingen moet aan DE NORM worden gemeten; de weg naar de meerdere vergadering ligt open.
Een broeder stelt voor te spreken van een "uitgebreide kerkeraad". Naar de mening van uw commissie zou dit een oneigenlijk gebruik van het woord "kerkeraad" zijn.

 

Synodebehandeling 1978

De artt. 37-43 worden aanvaard conform het concept van deputaten. Op voorstel van commissie II en met gunstig advies van deputaten wordt 'advies' in art. 38 vervangen door 'instemming'.

 

Kerkorde 1978

Samenwerking waar het aantal ambtsdragers klein is
Waar het aantal ouderlingen en diakenen klein is, kan de raad krachtens plaatselijke
regeling altijd samen met de diakenen vergaderen. In dat geval wordt in zaken van
opzicht en tucht gehandeld met advies van de ouderlingen. Deze regeling zal in elk
geval getroffen worden wanneer zowel het aantal ouderlingen als het aantal diakenen
op minder dan drie is bepaald.