Roeleveld, L. [1958]

Gereformeerde kerken in het privaatrecht
Zeist
Drukkerij Steenbergen
1958

overdruk uit: Dienst 9 (1958/1959) no. 6/9 pag. 81-151

Roeleveld, L. [1958] Inl

|1|

 

Gereformeerde kerken in het privaatrecht

 

Deze studie wordt opgedragen aan de Senaat van de Theologische Hogeschool van De Gereformeerde Kerken in Nederland, gevestigd te Kampen (adres: Broederweg 15) en aan de nagedachtenis van Prof. P. Deddens.

 

Belang en doel van deze verhandeling

In de rechtslitteratuur is weinig aandacht geschonken aan bovengenoemd onderwerp, hetgeen in verband met de daaraan verbonden zwarigheden niet zo verwonderlijk is.

De laatste decennia heeft de rechtspraak veel bemoeienis met deze materie gekregen en het lijkt mij de moeite waard om de resultaten, waartoe zij is gekomen, aan een bredere beschouwing te onderworpen. Het belang van deze rechtspraak is immers niet beperkt tot de gereformeerde Nederlanders, doch heeft haar betekenis voor gereformeerde kerken1) van Nederlandse oorsprong in den vreemde, zowel van emigranten uit de vorige eeuw2), als uit onze tijd. Ook kerken van andere belijdenis dan de gereformeerde kunnen mogelijk haar nut hiermede doen, zoals omgekeerd de gereformeerde kerken veel te danken hebben aan de voortreffelijke prae-adviezen van Duynstee en Punt, welke in de vergadering van de Broederschap


1) In het vervolg worden de termen kerk en kerkgenootschap in het algemeen door elkander gebruikt zonder dat aan het verschil enige rechtskundige betekenis valt toe te kennen. In gereformeerde oren heeft de laatste term om historische redenen veelal een onaangename klank.
2) De Canadian Reformed Magazine van 7 Januari 1955 maakt melding van een burgerlijk proces, voortvloeiend uit een scheuring in de First Protestant Reformed Church of Grand Rapids in Juni 1953 om redenen, vergelijkbaar met die betreffende het bekende conflict in De Gereformeerde Kerken in Nederland omstreeks 1944.

|2|

van Candidaat-Notarissen te ’s-Gravenhage op 12 Juli 1935 werden uitgebracht. Het ligt in mijn bedoeling in het vervolg zo weinig mogelijk in herhaling te treden omtrent wat in deze prae-adviezen werd vermeld, zodat zij ter lezing en bestudering blijven aanbevolen. Voorts wordt in het vervolg zeer weinig geciteerd uit kerkrechtelijke litteratuur, welke van theologen afkomstig is, doch worden wel de officiële papieren van de gereformeerde kerken in het geding gebracht en worden deze getoetst aan de resultaten van rechtspraak en rechtslitteratuur. Niettemin hoop ik, dat theologen van deze verhandeling kennis zullen nemen, opdat zij bij verduidelijking en herziening van kerkrechtelijke bepalingen iets meer gaan zien van het verband tussen geloof en moderne burgerlijke wetgeving. Dit laatste houdt niet de pretentie mijnerzijds in, dat deze stof door mij uitputtend en gaaf wordt behandeld. Zij is daarvoor te moeilijk en een dergelijk werk zou zoveel tijd en samenwerking met anderen vergen, dat het te lang zou duren, eer zij in discussie kon komen. Dit laatste is zeer gewenst, nu op 4 Juni 1957 het Voorlopig Verslag van de Tweede Kamer der Staten-Generaal over boek 2 van het ontwerp voor een nieuw Burgerlijk Wetboek is verschenen. Mede met het oog op de nationale arbeid aan dit Wetboek werd deze studie gedaan.

 

Ik deel de stof in als volgt:
§ 1. Het verband tussen burgerlijk en kerkelijk recht.
§ 2. De plaatselijke kerk.
§ 3. De organen van de plaatselijke kerk.
§ 4. Het kerkenverband.
§ 5. Kerkelijke onderdelen.
§ 6. Kerkelijke stichtingen.

 

De volgende afkortingen worden gebruikt:

B.
B.N.B.

B.W.
Hof
H.R.
K.O.
N.J.
N.J.B.
P.W.

Rb
S of Stbl
W
W.P.N.R.

Beslissingen in Belastingzaken.
Beslissingen in Belastingzaken Nederlandse Belastingrechtspraak (sedert 1 Januari 1953).
Burgerlijk Wetboek.
Arrest Gerechtshof.
Arrest Hoge Raad.
Kerkenorde.
Nederlandse Jurisprudentie.
Nederlands Juristenblad.
Periodiek Woordenboek van administratieve en gerechtelijke beslissingen in zaken van registratie enz.
Vonnis Arrondissements-Rechtbank.
Staatsblad voor het Koninkrijk der Nederlanden.
Weekblad voor het Recht.
Weekblad voor Privaatrecht, Notarisambt en Registratie.

 

Roeleveld, L. [1958] 1

|3|

§ 1. Het verband tussen burgerlijk en kerkelijk recht

Het privaatrechtelijk karakter

In een recente uitspraak3) heeft de Hoge Raad het volgende overwogen: „dat toch ten aanzien van het kerkelijk recht evenals ten aanzien van het interne recht van zedelijke lichamen in het algemeen geldt, dat de uit dat recht voortvloeiende verplichtingen van materiëlen aard verbintenissen vormen, waarvan ook naar burgerlijk recht de nakoming verplicht is.”

Hieruit blijkt, dat ons hoogste rechtscollege het kerkrecht rangschikt onder het privaatrecht. Ten bewijze van deze stelling zijn ook andere uitspraken aan te voeren4). Een van de oudste arresten, waarin dit onomwonden werd uitgesproken is dat van 19115) waarin werd overwogen: „dat, onverschillig of de vereenigingen van personen, Kerkgenootschappen genaamd, naar de in art. 1690 B.W. voorkomende onderscheiding zijn erkend dan wel slechts als geoorloofd toegelaten, zij altoos zijn zedelijke lichamen naar den tienden titel van Boek III aldaar, die wel naar art. 1697 kunnen hebben reglementen de rechten en verplichtingen hunner leden


3) Arrest van 19 December 1956, B.N.B. 1957/46.
4) H.R. 31 Oct. 1956, N.J. 1957 no. 334: „dat, al moge het kerkelijk recht een rechtsgebied sui generis zijn, dat niet wegneemt, dat de uit dat recht voortvloeiende verplichtingen van materiëlen aard verbintenissen vormen, waarvan ook naar burgerlijk recht de nakoming verplicht is.”
5) Arrest van 29 December 1911 W. 9272, W.P.N.R. 2215.
De Hoge Raad bleef hiermede in de lijn van het arrest van 25 Januari 1850, W. 1098, waarin was beslist, dat een kerkgenootschap door zijn statuten niet kan derogeren aan een bestaande wettelijke ordening. De casuspositie van dit arrest was aldus: Rb. Leeuwarden 10 Oct. 1848 veroordeelde diakenen van de Hervormde Gemeente van Blija en Hoge Beintum om aan het armbestuur van Blija ƒ 119,01 te betalen, wegens door hetzelve op last van de grietman van Ferwerderadeel, vanaf 13 Febr. 1845 tot 12 Mei 1847 verleende provisionele onderstand aan een armlastige J.A. Drijer, die volgens de diakenen zich van het Hervormde Kerkgenootschap had afgescheiden en aan de kerkeraad verklaard had zich bij voortduring buiten gemeenschap met de gemeente te willen stellen.. Dit berustte op de publicatiën van 28 Nov. 1755 en 15 Maart 1757 van de Staten van Friesland, die nimmer waren afgeschaft, waarin tot algemeen beginsel was aangenomen, en dus als algemene wet, dat alle gezindheden in de provincie Friesland gehouden en verplicht zijn tot het onderhoud harer arme ledematen.
In cassatie stelde de Herv. Gem. o.a., dat in het Reglement van algemeen bestuur van 1816 en dat op de kerkeraden van 1825 slechts een aanbeveling en geen plicht voorkwam om de armen te ondersteunen, op grond waarvan iemand die zich had afgescheiden zeker geen recht had.
H.R. stelde dat deze Reglementen geen wetten, maar slechts statuten van een corpus morale waren, welke aan genoemde publicaties niet konden derogeren. De scheiding van kerk en staat heeft genoemde publicaties niet eo ipso geabrogeerd.

|4|

regelende, maar deze slechts regelend onder de opperheerschappij der algemeene wet, voor welke hunne bijzondere rechtsregeling heeft te wijken, tenzij die algemene wet zelve vrijheid tot afwijken verleent; dat op dit beginsel generlei uitzondering voor „Kerkgenootschappen” in voormelde titel of andere bronnen van ons burgerlijk recht is te vinden en ook niet uit de Grondwet of de wet van 10 Sept. 1853 of eenige andere wet kan worden afgeleid.”

Algemeen wordt aangenomen, dat hieruit het privaatrechtelijk karakter der kerkgenootschappen blijkt. Een gevolg daarvan is, dat volgens de gewone regelen van het burgerlijk recht, waaraan de kerkelijke reglementen dus ondergeschikt zijn, moet worden uitgemaakt, wie er toe behoren6).

Dat de kerk door de staat als een privaatrechtelijk rechtspersoon wordt beschouwd, lijkt mij naar gereformeerde opvatting niet onjuist. Wel hebben vele gereformeerden7) gestreefd naar de erkenning van het publiekrechtelijk karakter der kerk, doch het is niet duidelijk wat zij daaronder precies verstaan. Duynstee stelt terecht8), dat een publiekrechtelijk karakter betekent: het geven van overheidsgezag. Wanneer de staat aan een vereniging of lichaam overheidsgezag verleent, dan wordt dat lichaam ingeschakeld in de streving van de staat naar zijn eigen doel. Wanneer dit gezag toekomt aan een bepaald kerkgenootschap, maakt de staat dit volkomen ondergeschikt aan zijn eigen doel en sluit dat in zich, dat die staat ook dat kerkgenootschap beschouwt als het ware kerkgenootschap. Ook Meijers adviseert:9) laat men niet in het algemeen het publiekrechtelijke karakter van het kerkgenootschap verdedigen, maar beproeven, bij concrete vragen aan te knopen, b.v. het leggen van de huwelijksvoltrekking in de handen van de geestelijke. Dit alles is niet in strijd met de anti-revolutionaire leuze: Een volkomen vrije kerk in een even vrije staat; wederkerig geheel vrij van elkander10).

De vrijheid der kerken in geloofszaken.

Deze vrijheid ligt verankerd in de Grondwet en de Wet van


6) Zie de noot van Meijers onder laatstgenoemd arrest.
7) H. Colijn, Saevis tranquillus in undis, N.V. De Standaard, Amsterdam 1940, blz. 559.
8) Duynstee in het stenographisch verslag van het debat in de vergadering van de broederschap van Candidaat-Notarissen van 1935 blz. 37.
9) Meijers in hetzelfde verslag blz. 27.
10) Colijn, t.a.p. blz. 105.
Volgens C.W. van der Pot, Handboek van het Nederlandse Staatsrecht, 1957 blz. 471, bedoelden schrijvers als Groen van Prinsterer en Kuyper met hun opvatting, dat de kerkgenootschappen „van publieken rechten” zouden zijn kennelijk meer een protest tegen de gelijkstelling, rechtens, van kerkgenootschappen met allerlei gewone privaatrechtelijke verenigingen dan een betoog, dat de kerkgenootschappen hier het karakter hadden, dat bijv. in Duitsland de grote Christelijke kerkgenootschappen bezaten.

|5|

10 September 1853, alsmede in art. 9 van het Verdrag van Rome tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden11). Leek het in het voorgaande er even op, dat het ondergeschikt zijn van het kerkelijk aan het burgerlijk recht aanleiding zou kunnen zijn tot rechtsconflicten, genoemde wetten stellen buiten alle twijfel, dat de kerken vrij zijn haar interne zaken te regelen, zoals haar goeddunkt.

De enige beperking die daarbij gesteld wordt is dat deze interne regelingen niet in strijd komen met de openbare orde12).

Tot deze orde behoort alles wat voortvloeit uit het beginsel van de neutrale staat. Daartoe behoort niet het overheidstoezicht op verenigingen, zoals dit is geregeld in de Wet van 22 April 1855 (S. 32)13).

Aan het eigenlijke karakter der kerk, n.l. dat zij geloofsgemeenschap is, wordt daardoor ten volle recht gedaan. De kerk is vrij haar eigen geloofszaken te regelen. Toch laat deze eenvoudige regel nog


11) Dit artikel luidt:
„1) Een ieder heeft recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst; dit recht omvat tevens de vrijheid om van godsdienst of overtuiging te veranderen, alsmede de vrijheid hetzij alleen, hetzij met anderen, zowel in het openbaar als in zijn particuliere leven zijn godsdienst of overtuiging te belijden door de eredienst, door het onderwijzen ervan, door de practische toepassing ervan en het onderhouden van de geboden en voorschriften.
2) De vrijheid van godsdienst of overtuiging te belijden kan aan geen andere beperkingen zijn onderworpen dan die welke bij de wet zijn voorzien, en die in een democratische samenleving nodig zijn voor de openbare orde, gezondheid of zedelijkheid of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.”
Genoemd verdrag werd geratificeerd bij de Wet van 28 Juli 1954 S. 335, gepubliceerd in het Tractatenblad 1954 no. 151. De tekst van het verdrag is te vinden in het Tractatenblad 1951 no. 154.
Op grond van art. 66 Grondwet 1956 vinden de nationale wetten geen toepassing, wanneer deze toepassing niet verenigbaar zou zijn met de bepalingen van genoemd verdrag. De Nederlandse rechter is dus verplicht om de Grondwet en andere wetten te toetsen aan dit verdrag, hetgeen ook wordt uitgedrukt in art. 13 van dit verdrag, luidende:
„Een ieder wiens rechten en vrijheden, welke in dit Verdrag zijn vermeld, zijn geschonden, heeft recht op daadwerkelijke rechtshulp voor een nationale instantie, zelfs indien deze schending zou zijn begaan door personen in de uitoefening van hun ambtelijke functie.”
Het bestaan van dit toetsingsrecht blijkt ook uit de parlementaire behandeling: Zie Handelingen II Kamer 1953/54 blz. 812/813, 826; I Kamer 1953/54, blz. 612.
Daar de Nederlandse tekst niet bindend is, worden volledigheidshalve hier de gelijkelijk authentieke Franse en Engelse teksten van art. 9 weergegeven:
1. Toute personne a droit a la liberté de pensée, de conscience et de religion; ce droit implique la liberté de changer de religion ou de conviction, ainsi que la liberté de manifester sa religion ou sa conviction individuellement ou collectivement, en public ou en privé, par Ie culte, l’enseignement, les pratiques et l’accomplissement des rites. ➝

|6|

vele vragen onopgelost. Immers uit het vormen van de geloofsgemeenschap vloeit een rechtsgemeenschap voort, welke privaatrechtelijk betekenis heeft ook in die zin, dat de staatsrechter geroepen kan worden de regels van deze rechtsgemeenschap te helpen handhaven.

Zijn geloofsvragen tevens rechtsvragen?

Men kan zelfs stellen, dat alle geloofsregels privaatrechtelijk gezien rechtsregels zijn. Deze stelling werd in de vorige eeuw verdedigd door Farncombe Sanders. Na een beschouwing over de positie van een Staatskerk te hebben gegeven, argumenteerde hij zijn opvatting aldus:14)


➝ 2. La liberté de manifester sa religion ou ses convictions ne peut faire l’objet d’autres restrictions que celles qui, prévues par la loi, constituent des mésures nécessaires, dans une société démocratique, a la sécurité publique, a la protection de l’ordre, de la santé ou de la morale publiques, ou a la protection des droits et libertés d’autrui.
1. Everyone has the right to freedom of thought, conscience and religion; this right includes freedom to change his religion or belief and freedom, either or in community with others and in public or private, to manifest his religion or belief, in worship, teaching, practice and observance.
2. Freedom to manifest one’s religion or beliefs shall be subject only to such limitations as are prescribed by law and are necessary in a democratie society in the interests of public safety, for the protection of public order, health or morals, or for the protection of the rights and freedoms of others.
Volgens de Memorie van Antwoord aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, ingezonden 15 Februari 1954 (nr. 3043) is de Regering van oordeel, dat de inhoud van het Verdrag niet afwijkt van de Grondwet of van enige andere wetgeving.
12) Hoewel uit de in de noten 3 en 4 vermelde arresten blijkt, dat het kerkrecht naar burgerlijk recht betekenis niet mist, blijkt uit H.R. 2 Jan. 1935, N.J. 1935, W.P.N.R. 3412, dat betrokkenen zich daarop niet altijd tegen derden kunnen beroepen. Het berechte geval ging over een kloosterling, die krachtens kerkelijk recht tot afstand van inkomen verplicht was en tegenover de fiscus stelde, dat hij derhalve geen inkomsten genoot. Het afgestane inkomen was opbrengst van persoonlijke arbeid als mede hoofdredacteur van de Nederlandsche Katholieke Stemmen; De Hoge Raad besliste echter, dat de kerkrechtelijke bepalingen alleen den kloosterling en het klooster aangaan en niet buiten den boezem van het R.K. kerkgenootschap werken, noch de verhouding van de kloosterling tot degene, die hem als mede-redacteur had aangesteld en daarvoor bedongen beloning schuldig is, beheersen. In deze opvatting staat het mede-redacteurschap als bron van inkomen, geheel naast de afstandsverplichting en is dus inkomstenbelasting verschuldigd.
13) H.R. 1 Mei 1935, N.J. 1935 blz. 1501, B 5858: dat de Wet van 22 April 1855 (S. 32) „niet toepasselijk is op kerkgenootschappen, zooals ook bij de tot standkoming der wet door de Regeering is te kennen gegeven in de Memorie van Antwoord op tiet Voorloopig Verslag van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.”
Zie voorts prae-advies Duynstee blz. 21 en H.R. 6 Dec. 1939, B. 7040.

|7|

„Zoodra echter eene Kerk, — hoe ze ook door de geloovigen moge beschouwd worden, — in ’t oog van den Staat niet anders is dan een particulier genootschap, verandert de zaak geheel, en zal de regter, casu quo, even goed de bepalingen van een kerkelijk reglement, en de al of niet overeenkomstigheid van verordeningen en daden van bestuurders met dat reglement, te onderzoeken en te waardeeren hebben, als gold het de statuten van een reederij of een spoorwegmaatschappij. Wilde men hierin eenig onderscheid maken op grond dat het eene kerkelijke zaak is, dan zou men daardoor alleen reeds bewijzen, dat de gelijkstelling met andere kerkgenootschappen niet volkomen is, en dus de scheiding van Kerk en Staat óók niet. Hoe meer volkomen die is, des te grooter wordt ten deze ’s regters bevoegdheid en pligt, en des te meer zal men komen tot het resultaat, ’t welk niet alleen kerkelijke personen, maar zelfs zeer besliste tegenstanders van staatskerken uiterst bevreemden zal, dat de wereldlijke regter in ’t geval kan geraken, om zelfs de beteekenis der artikelen van een geloofsbelijdenis te onderzoeken, even goed als, en niet anders dan, den zin en de strekking der conditiën van een brandpolis.
Zeer treffend is hetgeen te dien aanzien, naar aanleiding van de opheffing der Iersche Staatskerk door een bekend en deskundig Engelsch staatsman en parlementslid, the hon. ARTHUR ELLIOT, gezegd wordt op blz. 132 van zijn werk over Staat en Kerk: „De uitdrukking vrije kerk heeft aanleiding gegeven tot een in gewone kringen vrij algemeen misverstand aangaande de geheele ontheffing van vrijwillige kerkelijke vereenigingen van de regtspraak der gewone regtbanken. Waar eigendom en burgerlijke regten in geding zijn, zullen in ’t laatste ressort die regtbanken, aan welke alléén ten slotte alle burgers verpligt zijn zich te onderwerpen, noodwendig tusschen de strijdende partijen te beslissen hebben. De algemeene overeenstemming der leden van eenig Kerkgenootschap kan het toevlugt nemen tot den wereldlijken regter beletten; maar als de strijd van weerszijden warm wordt, dan is juist die overeenstemming een element dat ontbreekt. De leden van eene vrije Kerk zijn, niet anders dan de leden van andere vereenigingen, bij overeenkomst aan elkander gebonden; en als nu eene inbreuk op die overeenkomst eenerzijds beweerd en anderzijds ontkend wordt, of als er geschil bestaat omtrent de uitlegging der overeenkomst, wie moet dan beslissen? Wat zou, oppervlakkig, schijnen méér buiten de bemoeiing van een gewone regtbank te liggen, dan de vraag, of de leer, die een leeraar van een Vrije Kerk verkondigt, de ware leer van die Kerk is? en wat zou meer tot de eigenaardige bevoegdheid van die Kerk zelve schijnen te behooren, dan het beslissen van de vraag, wie als dienstdoend leeraar in haar eigen kerkgebouw optreden zal? En toch zijn dit zaken die, in den loop van de weinige laatste jaren, de burgerlijke regter heeft moeten beslissen. Gelden worden vermaakt, om tot zekere godsdienstige doeleinden, in den stichtingsbrief nader omschreven, te worden besteed. Het kan best gebeuren, dat de artikelen des geloofs in dien stichtingsbrief aangehaald zijn, of dat er naar verwezen wordt. Is dat zoo, dan kan de vraag ontstaan: of de leer die verkondigd wordt, in overeenstemming is met die artikelen? Eenige jaren geleden werd de dienstdoende voorganger


14) Mr. A.J.W. Farncombe Sanders (Rechtsgeleerde Adviezen inzake het kerkelijk conflict te Amsterdam — uitgave J.A. Wormser, Amsterdam, 1886, blz. 52 e.v.).

|8|

van een congregatie van doopsgezinden van zijn bedehuis en zijn bediening ontzet bij meerderheid der stemmen in zijne gemeente; maar hij betwistte de regtmatigheid van het ontslag, en volhardde in zijn pogingen om tot zijn bedehuis den toegang te verkrijgen, die hem met geweld werd belet. Langs dien weg kwam het tot een punt, waarop — wat men ook van de onafhankelijkheid van vrije kerken moge zeggen — het noodig bleek dat een Collegie, dat „niets dan een gewone regtbank” was, besliste wie nu eigentlijk de heusche voorganger was in een doopsgezinde gemeente. Ieder der strijdende partijen was even bereid om „te staan voor den regterstoel des keizers”; en de voorganger klaagde zonder verwijl zijn tegenstanders bij den strafregter aan wegens het maken van oproer en openbaar schandaal, terwijl de gemeente eene voorziening verzocht om hunnen aanklager te beletten het kerkgebouw te betreden of zich als hun voorganger te gedragen.
Het Hof onderzocht den stichtingsbrief; ging na of de handelingen der gemeente door dien stichtingsbrief al of niet werden gewettigd en besliste tenslotte ten voordeele van den leeraar. In een beschaafd land kan er geen vrijdom bestaan van verpligtingen, die uit overeenkomst geboren zijn; en is die tot het uiterst gedreven onafhankelijkheid, waarop sommigen voor godsdienstige genootschappen aanspraak maken, weinig meer dan een droom.”

Hier eindigt het citaat van Mr Farncombe Sanders, die in het slot van zijn advies er nog op wijst, dat „deze toestanden niet fraai mogen wezen, en aan menigeen misschien zelfs bizarre voordoen” zij logisch de onvermijdelijke consequentie zijn van de scheiding tussen Kerk en Staat en dat — ware dit anders — Hervormde Genootschappen pseudo- en krypto-Katholiek zouden worden.

Gesteld al, dat deze opvatting als Nederlands recht zou moeten worden aanvaard, dan zou in vele gevallen de rechter zich niettemin van geschillen omtrent geloofszaken moeten onthouden, omdat bevoegde kerkelijke instanties daarover reeds hebben geoordeeld.

Naar het thans geldend recht zal de Nederlandse rechterlijke macht uitspraken van meerdere vergaderingen van Gereformeerde kerken in geschillen, doch evenzeer uitspraken van kerkeraden al dan niet krachtens hun toetsingsrecht van eerstgenoemde uitspraken immers als onaantastbaar beschouwen, tenzij deze uitspraken — hetzij uit hoofde van de wijze, waarop zij zijn tot stand gekomen, hetzij uit hoofde van haar inhoud — klaarblijkelijk in strijd zijn met de eisen van redelijkheid en billijkheid. Of een beslissing onredelijk of onbillijk is, is dikwijls een kwestie van waardering. Met het beoordelen daarvan moet enige speelruimte in acht worden genomen. Niet aan elke onvolmaaktheid in de uitspraak mag dan ook de consequentie worden verbonden, dat de uitspraak strijdt met de redelijkheid en billijkheid. De in het ongelijk gestelde partij mag niet, aldus de Hoge Raad, in elke onjuistheid, die zij meent aan te treffen in de gronden, waarop de uitspraak berust, aanleiding vinden om de bindende kracht bij de wereldlijke rechter te bestrijden. De uitspraak moet apert onjuist zijn, wil men met vrucht een beroep doen op de onverbindendheid15).

|9|

Hoge Raad: Rechter oordeelt niet over geloofsvragen.

De Hoge Raad heeft de hier aangehaalde opvatting van Farncombe Sanders omtrent de beoordeling van geloofsvragen door de rechter echter ondubbelzinnig afgewezen16), overwegende:

„dat toch de beginselen van volkomen vrijheid van geloof en gelijkheid voor den Staat van alle godsdienstige gezindten, welke te onzent gelden — beginselen, welke tot uitdrukking komen in de artt. 181 tot en met 183 van de Grondwet en in art. 1 van de Wet van 10 Sept. 1853 (Stb. no. 102) tot regeling van het toezicht op de onderscheiden kerkgenootschappen — meebrengen, dat de burgerlijke rechter geen partij mag kiezen in op het terrein dier gezindten rijzende geschillen omtrent geloof en belijdenis en met name ook niet, al behoort de beslissing over prejudiciële geschilpunten in het algemeen tot zijn taak, zijn uitspraak omtrent enig rechtspunt afhankelijk mag stellen van zijn oordeel met betrekking tot theologische leerstellingen, omtrent welker juistheid, onjuistheid of gewicht aldaar verdeeldheid bestaat”.

Volgens deze beslissing doet het gewicht van theologische leerstellingen, waaromtrent geschil gerezen is, niet ter zake. Moet hieronder ook het geval worden begrepen, dat een college zou beweren zich nog als kerkeraad van een Gereformeerde Kerk te beschouwen en tegelijkertijd ondubbelzinnig Mohammedaanse leerstellingen zou belijden?17) Het komt mij voor, dat een zodanig practisch vrijwel ondenkbaar geval te beschouwen is als een handeling naar willekeur of te kwader trouw, in welk geval de rechter zich wel bevoegd acht in te grijpen18). Op het eerste gezicht lijkt in dit verband zeer aannemelijk, wat Dorren opmerkt19):

„Wanneer kerkelijke voorschriften nauw samenhangen met bepaalde theologische leerstukken of zelfs verweven zijn met de religieuze grondslag van het betrokken kerkgenootschap, zal de rechter er nauwgezet voor dienen te waken, dat hij zich niet op voor hem verboden terrein begeeft. Als orgaan van een staat, voor wie alle godsdienstige gezindten gelijk zijn, mag hij uiteraard geen partij kiezen in zuiver dogmatische geschillen en mist hij het recht een der naar voren gebrachte meningen door zijn vonnis het merkteken der waarheid op te drukken. Hij zou dan immers doen wat niet des rechters is en zich schuldig maken aan overschrijding van rechtsmacht.”


15) Vgl. Asser-Rutten, Verbintenissenrecht 1952, blz. 317.
16) H.R. 15 Febr. 1957, N.J. 1957 no. 201. Zie ook H.R. 23 Jan. 1948, N.J. 1948, no. 432, Hof Amsterdam 15 Nov. 1945, N.J. 1946 no. 157.
17) Vgl. de conclusie van de advocaat-generaal Langemeijer N.J. 1957 blz. 372 eerste kolom.
18) Hof Arnhem 30 April 1956, N.J. 1956 no. 554, tevens vermeld in N.J.1957 no. 201.
19) N.J.B. 1954, blz. 710.

|10|

Wat zijn geloofsvragen?

Niet uit het oog mag echter worden verloren, dat de Hoge Raad blijkens bovenaangehaalde overweging kennelijk slechts bedoeld heeft uit te spreken, dat de rechter over zuivere geloofskwesties niet te oordelen heeft. Onder zuivere geloofskwesties versta ik in dit verband kwesties die — privaatrechtelijk gezien — niet tevens in de sfeer van het recht liggen, doch die alleen in de sfeer van het geloof liggen. Een absolute scheiding tussen recht en geloof bestaat m.i. niet, doch deze „sferen” „overlappen” elkaar. Een rechtskwestie kan wel degelijk tevens een geloofskwestie zijn. De geloofsbelijdenis maakt immers deel uit van het recht van de kerk, want niet voor niets wordt in art. 53 K.O. daarnaar bindend verwezen20). Niet alle geschillen over geloofskwesties zijn voor de rechter ongrijpbaar. Om dit duidelijk te maken neem ik een voorbeeld, dat gelukkig theorie is. Stel, dat op formeel wettige wijze door een gereformeerde synode de leeruitspraak wordt gedaan, dat Jezus Christus geen Goddelijke natuur heeft. Ook al gaat het hier om een geloofskwestie, toch zal de burgerlijke rechter deze uitspraak voor nietig moeten houden, daar zij in lijnrechte strijd komt met de voor ieder duidelijke woorden van art. 10 Ned. Geloofsbelijdenis. Anders wordt het, wanneer deze uitspraak wordt gedaan op wettige wijze bij voege van wijziging van genoemd geloofsartikel en niet bij wege van uitlegging. In het geval van uitlegging zal de rechter toch constateren, dat geen uitlegging kan zijn, wat nog meer dan afschaffing, n.l. feitelijke invoering van een tegenstrijdig dogma tengevolge heeft. De geloofskwestie is dan wel degelijk een rechtskwestie. Is er echter formeel sprake van wijziging, dan zal de vraag aan de orde komen of de kerkeraad, die deze wijziging verwerpt, kon en mocht oordelen, dat deze wijziging strijdt met de grondslag der kerk. Zo ja, dan is zijn oordeel naar gereformeerd kerkrecht bindend21). De rechter kan in zijn werk dus wel degelijk verplicht zijn „door zijn vonnis op een der naar voren gebrachte meningen het merkteken der waarheid te


20) Art. 53 K.O. luidt: „De Dienaren des Woords Gods, en desgelijks de Professoren in de Theologie — ’t welk ook den anderen Professoren en insgelijks den Rectoren en Schoolmeesters wel betaamt — zullen de drie Formulieren van enigheid der Nederlandse kerken ondertekenen, en de dienaren des Woords, die zulks refuseren, zullen de facto in hun dienst door de Kerkeraad of de Classe geschorst worden, tot ter tijd toe, dat zij zich daarin geheellijk verklaard zullen hebben, en indien zij obstinatelijk in weigering blijven, zullen zij van hun dienst geheellijk afgesteld worden.”
Vergelijk in dit verband art. X van de Kerkorde der Nederlands Hervormde Kerk, dat spreekt van „in gemeenschap”, niet van „in overeenstemming” met de belijdenis der Vaderen; zie N.J. 1951 blz. 1219 tweede kolom. De eerste term is aanzienlijk ruimer dan de tweede.
21) Het kerkrecht van de gereformeerde kerken der synodalen ontkent naar uit vele rechterlijke uitspraken blijkt dit toetsingsrecht van de plaatselijke kerk. Zie hieromtrent § 4.

|11|

drukken”. Deze waarheid is: echter rechtens relatief, want wordt bepaald door de opvattingen neergelegd in de aangenomen geloofsbelijdenis. De neutrale positie van de burgerlijke rechter brengt dus mede, dat hij in geloofszaken de waarheid relativeert, zoals dit ook in andere burgerlijke zaken geschiedt. De grote leugen in echtscheidingsgedingen is daarvan een duidelijk en helaas dagelijks bewijs.

Wat is geloof volgens de gereformeerde belijdenis?

Wat is nu eigenlijk een geloofskwestie naar gereformeerde opvatting? Het antwoord is te vinden in Zondag 7 van de Heidelbergse Catechismus, waarin „een waar geloof” wordt omschreven als „niet alleen een stellig weten of kennis, waardoor ik alles voor waarachtig houde, dat ons God in zijn Woord geopenbaard heeft, maar ook een vast vertrouwen, hetwelk de Heilige Geest door het Evangelie in mijn hart werkt, dat niet alleen anderen, maar ook mij vergeving der zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid van God geschonken is, uit louter genade, alleen om der verdienste van Christus’ wille”, derhalve een persoonlijke wetenschap omtrent de Gods-openbaring en omtrent Gods heilsgeschenken voor de gelovige. Een vereniging en evenzeer de kerk, die immers een verenigingskarakter heeft22), is echter slechts bestaanbaar als de leden voor één bepaald doel samenwerken en dus gelijkgezind zijn. De terminologie van de Ned. Geloofsbelijdenis benadrukt dit, door permanent in de eerste persoon meervoud te spreken; zo begint art. 1 b.v. aldus: Wij geloven allen met het hart en belijden met de mond etc. En in het Nieuwe Testament spreekt de evangelist Lucas over „de dingen, die onder ons volkomen zekerheid hebben”23). Hieruit volgt, dat slechts als leeruitspraken, d.w.z. als geloofsuitspraken van een kerk kunnen worden beschouwd die besluiten, welke als waarheid en niet als veronderstelling zijn geformuleerd; daarbij dient te worden benadrukt, dat naar gereformeerde opvatting de gewetensvrijheid binnen de kerk zoveel mogelijk gehandhaafd moet blijven. Het geloof is immers enerzijds evenmin als de waarheid onlogisch24), doch anderzijds zou het geloof zijn karakter verliezen, wanneer het alle „arcana”, alle ondoorgrondelijkheid zou kunnen ontsluieren. Elke gelovige en ook de kerk als vergadering van gelovigen staat steeds voor een mysterie, een geheimenis, tegenover „de dingen, die men niet ziet”25). Als een kerk deze „arcana” dwingend voor alle gelovigen gaat regelen, levert dit naar gereformeerde opvatting strijd op met de goede trouw en


22) Zie § 2 hierna.
23) Lucas 1: 1.
24) Een beroep op de woorden „logikè latreia”, redelijke godsdienst in Romeinen 12: 1 kan hiervoor waarschijnlijk niet worden gedaan, daar het adjectief kennelijk verwant is aan „logos”, het „Woord”, en niet aan de „logica”.
25) 2 Corinthe 4: 18, Deuteronomium 29: 29.

|12|

begaat zij tegenover hen, die Gods geheimenis onaangetast willen laten, een onrechtmatigheid26). De kerk kan dus verplicht zijn in geloofskwesties het „non liquet” uit te spreken.

Verschil tussen geloof en recht

Het recht is anders. Het mag nooit een uitspraak weigeren: het gevolg van het „non liquet” is in art. 13 Wet Algemene Bepalingen geregeld27). Terecht merkt Veegens dan ook omtrent het verband van geloof en recht op:28) „Zowel geloofsleer als gewetensbezwaar zijn bij uitstek individuele aangelegenheden van de personen, die in de kerkelijke organisatie een functie bekleden. Zij worden niettemin aan de door hen vertegenwoordigde rechtspersonen toegerekend op dezelfde gronden als de wetenschap van bepaalde feiten (b.v. dwaling, benadeling van schuldeisers) of de waardering van een bepaald complex van omstandigheden (b.v. goede trouw, schuld). Over de vraag, of dit beginsel ook in kerkelijke conflicten tot zijn uiterste consequenties moet worden doorgevoerd kan men twijfelen, maar de juistheid daarvan kan niet worden aangevochten,...”

Toepassing van het gestelde

Het vorenstaande moge worden verduidelijkt met enige voorbeelden:

a. De synode der Chr. Gereformeerde Kerk(en) van 1872 sprak uit „dat de Drie Formulieren van Enigheid zich duidelijk uitdrukken inzake de persoonlijke wederkomst van Christus en dat het niet Gereformeerd is te leren, dat Christus duizend jaar zichtbaar en lichamelijk op aarde zal regeren, aangezien dit strijdt tegen Gods Woord, zodat het niemand geoorloofd is, dit gevoelen te leren of te verbreiden”29).

Hier geeft deze synode dus blijkens haar formulering een interpretatieve uitspraak van de grondslag der kerken, n.l. van Gods Woord en de Belijdenis. Een dergelijke uitspraak lijkt mij nimmer voor toetsing door de burgerlijke rechter vatbaar.


26) Bij een strijd om leervragen in de Gereformeerde Kerken oordeelde de generale synode van 1905 terecht „dat het noch nodig noch wenselijk is voor een Generale Synode om over deze geschillen een definitieve uitspraak te doen, ja zelfs dat een Synode dat niet doen kan of mag” en tevens dat men de vrijheid van profetie moest handhaven (acta 1905 blz. 206/7).
27) Deze wetsbepaling luidt: „De regter die weigert regt te spreken, onder voorwendsel van het stilzwijgen, de duisterheid of de onvolledigheid der wet, kan, uit hoofde van regtsweigering, vervolgd worden.”
28) In een noot onder N.J. 1948 no. 433.
29) Ontleend aan Dordtse Kerkorde ten dienste van de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland, Uitgeverij D. J. van Brammen, Dordrecht, 1948, blz. 31.

|13|

b. De synode der Chr. Gereformeerde Kerken van 1893 verklaarde, „dat de veronderstelling van wedergeboorte bij de Doop als in strijd met Gods Woord in de Christelijke Gereformeerde Kerken niet kan worden geduld en dat het derhalve niemand geoorloofd is, dit te leren”30).

Hier wijst de synode een bepaalde theologische mening niet alleen af als dogma van de kerken, doch verklaart deze ook in strijd met de grondslag der kerk.

c. De generale synode van De Gereformeerde Kerken in Nederland deed op 8 Juni 1942 een drietal leeruitspraken, waarvan met name de volgende zinsnede aanleiding werd tot het bekende conflict: „dat het zaad des verbonds krachtens de belofte Gods te houden is voor wedergeboren en in Christus geheiligd, totdat bij het opwassen uit hun wandel of leer het tegendeel blijkt”31).

Rechtens lijkt mij deze uitspraak wegens haar formulering als wederlegbaar rechtsvermoeden, geen geloofsuitspraak. Zoals werd opgemerkt, is naar gereformeerde opvatting het geloof immers een zeker wéten omtrent Goddelijke openbaring; het strijdt met dit zeker weten om een uitspraak omtrent geloof als een vermoeden — en dan nog wel als een wederlegbaar vermoeden — te redigeren. Dat een dergelijke uitspraak destijds met strenge tucht en uitbanning werd „gehandhaafd”, lijkt mij reeds hierom onrechtmatig.

Naar mijn oordeel gaat het conflict daardoor niet meer om zuivere geloofsvragen, doch is hier sprake van een geschil, waarover de burgerlijke rechter bevoegd is te oordelen.

Gevolgen standpunt Hoge Raad

Zijn de gevolgen van de rechtspraak van de Hoge Raad, die volgens Veegens32) opoffering van haar aandeel in de bezittingen der kerk door de minderheid ziet als het noodzakelijk gevolg van ieder diepgaand meningsverschil over een geoorloofd ingrijpend besluit, bevredigend voor het rechtsgevoel? Met Dorren33) acht ik de schaduwzijde van deze opvatting, dat deze minderheid daardoor verstoken wordt van iedere aanspraak op de kerkelijke goederen, die toch mede door hun, offerzin zijn bijeengebracht en/of instandgehouden. Zijn naspreken van Diepenhorst: „In het algemeen is het te enenmale ongewenst en zelfs afkeurenswaardig geschillen over kerkelijke goederen voor den rechter uit te vechten en behoorde


30) Zie vorige noot.
31) Acta 1939-1943 art. 682.
32) Noot onder N.J. 1947 no. 1.
33) N.J.B. 1954, blz. 714.

|14|

telkens een schikking te worden getroffen” acht ik echter onjuist, wanneer het om andere dan zuivere geloofskwesties gaat. De kerkgeschiedenis leert, dat dit dikwijls het geval is en dat de strijd om het dogma veelal wordt beslecht met kerkrechtelijk ongeoorloofde wapenen. Is dit het geval, dan staat aan betrokkenen een beroep op de rechter open om, daarop wijzende, diens hulp te verkrijgen. Mekkes wijst er op34), dat bij bevoegdheidsaanmatiging binnen gezin, kerk, bedrijf, vereniging er nog de staat is, die in de bedeling van strafrecht en burgerlijk recht voor een gedeelte hiertegen kan optreden. Juist uit dit oogpunt acht hij de ondermijning van de individuele vrijheid en van het burgerlijk recht zo uitermate gevaarlijk, daar zij de personen en persoonlijke verhoudingen onbeschermd dreigt uit te leveren aan het interne recht van gemeenschappen, waarin de mens evenmin restloos kan worden opgenomen als in de staat. Ik ben het hier volkomen mee eens en acht bovendien het — uiteraard uitsluitend op verzoek van benadeelden — inroepen van de hulp van de burgerlijke rechter in overeenstemming met art. 36 Ned. Geloofsbelijdenis, waar gehandeld wordt over het ambt der overheid (zie ook art. 28 K.O.).

Suggestie voor een oplossing naar billijkheid

Als de rechter wegens onbevoegdheid in zuivere geloofsvragen zich in wezen van een oordeel onthoudt, lijkt het mij een eis van billijkheid, dat bij een kerkscheuring aanwezig vermogen wordt verdeeld naar verhouding van het ledental35). De vergelijking met de herstelrechtspraak lijkt mij niet te gewaagd: Konden de rechtsverhoudingen tussen bepaalde oorlogsslachtoffers niet worden vastgesteld, b.v. door het tenietgaan van bewijsstukken, dan hoefde de rechter toch ook niet uit te gaan van het „beati possidentes”, doch kon naar billijkheid de verhoudingen regelen. Bij de huidige stand van zaken zou voor een dergelijke regeling een uitdrukkelijk wettelijk voorschrift vereist zijn, dat in verband met de nog onbesliste zaken uiteraard alleen voor geschillen, na de invoering daarvan ontstaan, zou moeten gelden. Het bezwaar, dat Fischer tegen een dergelijke regeling inbrengt, n.l. „dat dit systeem niet doenlijk is bij uittreding van enkele individuen”36) doet zich niet voor, indien men


34) Inleiding 15 December 1951, gehouden voor de Vereniging van Wijsbegeerte des Rechts.
35) R.J.C. Cornegoor Ned. Juristenblad 1951 blz. 541 acht het vrij eenvoudig te constateren dat er een theologisch geschil bestaat, maar vrij moeilijk of er inderdaad nu twee kerkgenootschappen zijn. M.i. ligt de moeilijkheid juist andersom. Dat er twee kerkgenootschappen zijn blijkt meestal duidelijk èn uit het feit van de scheuring èn uit de pretentie van elk der partijen de wettige voortzetting van de kerk vóór de scheuring te zijn.
36) N.J.B. 1951, blz. 410.

|15|

onderscheid maakt tussen het enkele uittreden van lidmaten — hetgeen uiteraard dagelijks voorkomt, evenals het toetreden van lidmaten — en het feit van een kerkscheuring om zuivere geloofskwesties, in welk laatste geval de leden zich in twee groepen splitsen, met hetzelfde kerkrecht, doch een verschillende belijdenis, althans een verschillende bindende interpretatie daarvan, welke beide groepen de pretentie voeren voortzetting van de tot de scheuring bestaande kerk te zijn. Bij een kerkscheuring staat immers niet vast welke groep leden uittreedt. Zeker niet bij voorbaat de minderheid, zoals uit de rechtspraak blijkt37).

Grondslagen gereformeerde kerken

Aangenomen de juistheid van de stelling, dat andere dan zuivere geloofsvragen privaatrechtelijk niet irrelevant zijn, moet worden vastgesteld naar welke rechtsnormen de gereformeerde kerken worden geregeerd. Naar de norma normans van de Heilige Schrift, welke de bron en het uitgangspunt voor elke door de kerk aanvaarde geloofsregel is. In de kerkgeschiedenis is het nodig gebleken de Heilige Schrift uit te leggen tegen dwalingen en ketterijen. De oude belijdenissen en de Formulieren van Enigheid getuigen daarvan en hun rechtskracht in de gereformeerde kerken staat buiten enige twijfel. Daarenboven was het gewenst om enige orderegels voor het kerkelijk samenleven te formuleren, hetwelk is geschied in de Kerken-orde (K.O.). De benaming Dordtse Kerkenorde is niet geheel juist, omdat ook vóór de synode van Dordt van 1618-1619 reeds een K.O. bestond en omdat deze K.O. later niet alleen is gewijzigd, doch ook is uitgelegd, welke uitlegging algemeen door de kerken is aanvaard. Een voorbeeld van dit laatste zijn de stipulaties, gemaakt bij de vereniging van twee kerkengroepen, die der Chr. Gereformeerden en die der Dolerenden in 1892. De kerkgeschiedenis, ook die van de jongste tijd, is niet zonder belang voor de uitlegging van kerkrechtelijke regels. Het adagium „ecclesia reformata semper reformanda” moge een zinvolle gereformeerde gedachte inhouden, in rechte moet zij betekenis missen en moet geoordeeld worden naar het positieve recht, niet naar wenselijkheidsrecht.

Nu mag nimmer uit het oog worden verloren, dat de K.O. gegrond is op de Belijdenisgeschriften, welke evenals zij bepaalde rechtsregels bevatten. Men mene niet, dat de term „Belijdenisgeschrift” te kennen geeft, dat daarin slechts zuivere geloofskwesties worden gevonden. De kerkelijke organisatie is uiteraard een rechts-kwestie; niettemin spreekt de belijdenis zich daarover uit in positieve


37) Hersteld Apostolische Zendingsgemeente in Nederland (eindbeslissing N.J. 1951 no. 665);
Oud Gereformeerde Gemeente te Scheveningen (eindbeslissing N.J. 1939, no. 201).

|16|

zin38). De jurist late zich nimmer, ook hier niet, misleiden door de benaming van een begrip of een geschrift, doch toetse dit steeds op zijn innerlijke waarde39). Ook de kerkelijke formulieren tot bevestiging van ambtsdragers zijn privaatrechtelijk van betekenis40).

Zoekt men de wezenskenmerken van de kerk, dan vindt men die niet allereerst in de K.O., doch in de Belijdenisgeschriften. Terecht merkt de niet-gereformeerde R. Sohm op, dat „die Bibel und die protestantischen Bekenntnisschriften die Grundlage für die Definition der Kirche bilden”41) en wijst Jansen42) er op: „Een Kerkorde is zelve ook noodzakelijk. Niet voor het wezen der kerk, want er kan een kerk zijn zonder een Kerkorde. Maar wel voor het wel-wezen der kerk, want een pasgestichte kerk heeft aanstonds enkele regelingen nodig. Door herhaald gebruik worden deze regelingen tot een gewoontewet. En zulk een gewoontewet wordt spoedig in een welomschreven ordening vastgelegd. Voorts is zij noodzakelijk voor het kerkverband van een groep van kerken, die dezelfde belijdenis hebben, als accoord van samenleving, en om willekeur en heerszucht te voorkomen.”

Dit bijzondere karakter van de Kerkenorde als rechtsregeling


38) Anderzijds verlieze men niet uit het oog, dat ook de K.O. soms rechtstreeks naar de Heilige Schrift verwijst; zo in art. 72 K.O. bij zonde tegen de zuiverheid der leer of vromigheid des wandels naar de regel van Matth. 18.
39) Hof Den Haag, 23 Juni 1947, N.J. 1947 no. 622 inzake de kerk van Giessendam (kort geding) veronachtzaamt dit door zelfstandig alleen aan de hand van de K.O. haar strekking na te gaan zonder te treden in beschouwingen, ontleend aan kerkgeschiedenis en wetenschappelijke studies. (Op 30 Juni 1954 (zie het slot van § 4) besliste zij in het bodemgeschil in tegenovergestelde zin.) Daardoor maakte het Hof zich schuldig aan hetgeen Paul Scholten in zijn noot onder N.J. 1930 blz. 654 als volgt typeerde:
„Een schrijnende onbillijkheid van een uitspraak kan gelegen zijn in overschatting van de taal, van de gebezigde woorden. De taal is hulpmiddel van interpretatie. Als een rechter een stuk zó uitlegt, dat een handeling is overeenkomstig zin en doel van een statutaire bepaling, dan geeft hij een uitlegging aan die overeenkomst en stelt geenszins zijn regeling in plaats van die van partijen.”
De Hoge Raad heeft meer zin voor historische uitlegging o.a. blijkens zijn arrest van 23 December 1936, B. 6283:
„Bij de uitlegging van een in de 18e eeuw gemaakt testament is het dienstig de opvattingen te kennen, die tijdens en na het maken van het testament ter plaatse geldend en gangbaar waren en is het redelijk daarnaar een onderzoek in te stellen, alsmede naar de wijze van uitdrukking, die toentertijd in zwang was, en naar de vorm waarvan men zich placht te bedienen.”
40) Bevestigingsformulier diakenen Hof Leeuwarden 30 Oct. 1946, N.J. 1947 no. 242. Huishoudelijk reglement classis Hof Leeuwarden 11 Febr. 1948, N.J. 1949 no. 23. De tekst der credentiebrieven tot afvaardiging naar meerdere vergaderingen Hof Amsterdam 15 Nov. 1945, N.J. 1946 no. 157 en 17 April 1947 (te kennen uit H.R. 23 Jan. 1948, N.J. 1948 no. 432).
41) Das Verhältnis von Staat und Kirche 1873, blz. 18.
42) Ds. Joh. Jansen, Korte Verklaring van de Kerkorde, J.H. Kok N.V., Kampen, 1952, blz. 10.

|17|

moet bij haar uitlegging en toepassing niet worden veronachtzaamd. Men hoede zich hier voor letterknechterij en „Begriffsjurisprudenz”. De woorden van Veegens43), in ander verband geschreven, mogen hier wel worden onderstreept: „Zelfs ervaren rechters kunnen het juiste spoor bijster raken, indien zij zich alleen door begrippen laten leiden, zonder naar de herkomst te vragen. Wij kunnen het niet stellen zonder de begrippen, die verstandelijke beheersing van de rechtsstof mogelijk maken, maar zij zijn onze dienaren en niet onze meesters.”

De rechtspraak is zich dit gelukkig bewust blijkens de overweging „dat bovendien de Kerkenordening niet een starre regeling bevat, waarvan op straffe van nietigheid niet mag worden afgeweken, doch veeleer alle ruimte laat voor plaatselijke gebruiken en inzichten, zodat zij veel meer een richtsnoer is dan een wet en een mildere beoordeling bij de toepassing harer regelen eist dan bij wettelijke bepalingen”44). (De niet-ondubbelzinnige term „richtsnoer”, welke nieuwe vragen oproept, laat ik hier onbesproken).

Kerkelijke regelingen ondergeschikt aan burgerlijke wet

Het is wel te verstaan, dat theologen — onbekend met de juiste werking van het privaatrecht — terugdeinzen voor de stelling, dat de kerkelijke regelingen ondergeschikt zijn aan het burgerlijk recht. Zij gaan er terecht van uit, dat Christus het Hoofd van Zijn kerk is en en dat alle menselijke ordinantiën aan Zijn wetten ondergeschikt moeten zijn. Hoe kunnen deze twee stellingen naast elkander bestaan? Welnu, het behoeft zeker niet te worden verbloemd, dat naar gereformeerde opvatting de Nederlandse rechtsorde niet tot in al haar onderdelen in overeenstemming is met de eisen van de Zede-wet, zoals deze in de gehele Heilige Schrift haar uitdrukking vinden. Ware dit het geval, dan zou een gereformeerde politiek overbodig zijn. De heersende leer van de neutrale staat is in strijd met art. 36 Ned. Geloofsbelijdenis. Niettemin is hierin voor gereformeerden, die dit onderschrijven, geen reden gelegen om tot eigenrichting over te gaan. Dit ware in strijd met de voor hen bindende geloofsregel, dat men de overheden onderdanig moet zijn45). Bovendien mag niet uit het oog worden verloren, welke zeer grote mate van vrijheid de neutrale staat juist aan kerken verleent en op welke krachtige wijze hij het bestaan der kerken beschermt. Daarbij komt, dat de grenzen tussen moraal en recht niet mogen worden uitgewist. Ook het kerkrecht wacht zich daarvoor. Niet alles wat miserabel is, wordt immers


43) Noot onder N.J. 1953 no. 467.
44) Rechtbank Utrecht 18 April 1928, N.J. 1928 blz. 1265.
45) Romeinen 13. De gehoorzaamheidsplicht aan de overheid is uiteraard niet van absolute aard: zie Matth. 22: 19 (Geeft dan den keizer wat des keizers is, en Gode wat Gods is); voorts Hand. 4: 19, Hand. 5: 29 en 1 Petrus 2: 13-14.

|18|

censurabel geacht. Een predikant kan immers eerst worden geschorst bij het bedrijven van een openbare grove zonde, die der Kerk schandelijk, of ook bij de Overheid strafwaardig is46) en die de bedrijver voor de wereld eerloos maken, en in een ander gemeen lidmaat der Kerk de afsnijding waardig zouden gerekend worden47). Het kerkrecht heeft dus aansluiting aan de Strafwetgeving. Laat ik enige voorbeelden mogen geven van voorschriften der Nederlandse openbare orde, waarvan aangenomen moet worden, dat zij domineren over het kerkrecht.

1. Onverbindendheïd van besluiten wegens de foutieve wijze van tot standkoming.
a. schending van voorgeschreven vormen, waardoor bepaalde kerkelijke schorsingsbesluiten ongeldig zijn48).
b. schending van de regel van hoor en wederhoor, waardoor bepaalde kerkelijke schorsingsbesluiten ongeldig zijn48).
c. schending van de regel, dat alleen daartoe bevoegde instanties mogen oordelen als nietigheidsgrond voor kerkelijke schorsingsbesluiten48).
d. schending van de redelijkheid en billijkheid door ongeoorloofde invloed, afpersing, bedrog, dwaling e.d.49).

2. Onverbindendheid van besluiten wegens foutieve inhoud.
a. Het aan een ouderling tegen zijn uitdrukkelijke wil opleggen van vrijstelling van huis- en ander bezoek levert een gedeeltelijke schorsing op, welke de K.O. niet kent; integendeel art. 23 K.O. noemt het huisbezoek als een integrerend onderdeel van het ouderlingenambt50).
b. Schorsing van een predikant op grond van art. 81 K.O.


46) Art. 79 K.O.
47) Art. 80 K.O.
48) Pres. Rb. Groningen 12 Oct. 1944, N.J. no. 744.
49) Vgl. H.R. 26 Juni 1925, N.J. 1925 blz. 964 (in een niet-kerkelijke zaak) waarin een „bindend advies” ongeldig werd verklaard, daar dit gebaseerd was op door één der partijen buiten de andere partij om verstrekte gegevens.
Vgl. H.R. 1947 no. 1: Een besluit van de meerderheid van de kerkeraad bindt de rechtspersoon niet, wanneer het indruist tegen het doel van het zedelijk lichaam, de openbare orde en goede zeden, of oplevert misbruik van bevoegdheid.
In gelijke zin Hof Den Haag 25 Oct. 1951, N.J. 1951 no. 624 inz. conflict in de Ned. Herv. Kerk.
Duidelijk ook de uitspraak van het Hof Leeuwarden, 19 April 1939. N.J. 1940, no. 88 (cassatie H.R. 17 Mei 1940, N.J. 1940 no. 968) in een niet-kerkelijke zaak: „Het vereiste van de goede trouw, bedoeld in art. 1374 B.W., verspert immers de mazen, die altijd wel te vinden zijn, wanneer een meerderheid in een vereniging, met behulp van formele middelen, wil kruipen door een net van reglementaire voorschriften.”
50) Generale Synode Berkel 1952, ontleend aan persverslag in De Reformatie van 1 November 1952.

|19|

betreffende de Christelijke censuur en onderlinge vriendelijke vermaning is niet mogelijk51).
c. Schorsing van een predikant van een Oud-Gereformeerde Gemeente zonder dat deze zich aan een zonde in de zin van artt. 79 en 80 K.O. had schuldig gemaakt52).
d. Gemis aan motivering, onvoldoende motivering of apert onjuiste motivering van uitspraken53).

Als op grond van deze voorbeelden beweerd zou worden, dat het burgerlijk recht inbreuk zou maken op het gereformeerde kerkrecht, zou ik dit ten stelligste willen tegenspreken. In de Heilige Schrift vinden wij deze normen in andere bewoordingen immers terug. Wordt daarin niet geleerd, dat wij trouw moeten zijn aan het gegeven woord, ook al blijkt dat achteraf in ons nadeel54)? Dat in de gemeente alles betamelijk en in goede orde behoort te geschieden55)? Dat er geen oordeel mag worden uitgesproken zonder de beschuldigde gehoord te hebben56)? Dat niemand moet oordelen dan die daartoe geroepen en bevoegd is57) en dat wij te allen tijde verantwoording schuldig zijn58), waaruit volgt, dat als iemand geroepen is als rechter te oordelen hij de beweegredenen tot de uitspraak moet vermelden?

In dit opzicht hebben klagende gereformeerden zich veeleer het Schriftwoord te bedenken, dat de „kinderen dezer wereld” met veel meer overleg te werk gaan dan „de kinderen des lichts”59).

Ook in de omstandigheid, dat de wereldlijke rechter zich slechts met kerkelijke geschillen inlaat, indien hij door een der strijdende partijen daartoe geroepen wordt, ligt een bescherming voor de kerk èn een aansporing voor de twistende partijen om gerezen kwesties in onderling overleg uit de weg te ruimen en een getrokken scheuring in een kerkelijke gemeente niet te vergroten, doch de eenheid te herstellen. Overigens onthoudt de burgerlijke rechter zich ook van inmenging, zolang processuele fouten in een kerkelijke procedure in hoger beroep bij een kerkelijke instantie nog kunnen worden hersteld60).


51) Hof Leeuwarden 11 Febr. 1948, N.J. 1949 no. 23.
52) Hof ’s-Hertogenbosch 31 Maart 1955, N.J. 1955 no. 600.
53) Vgl. Star Busmann, Hoofdstukken van Burgerlijke Rechtsvordering, 1948, blz. 565. Rechtbank Utrecht 18 April 1951, N.J. 1952 no. 395:
Een bindend advies is onverbindend, indien de redelijkheid niet gemotiveerd blijkt.
54) Psalm 15: 4.
55) Vgl. 1 Cor. 14: 40.
56) Joh. 7: 51; Deut. 1: 17.
57) Vgl. Matth. 7: 1 en 23: 2.
58) Vgl. 1 Petr. 3: 15.
59) Lucas 16: 8 (Vertaling Ned. Bijbelgenootschap).
60) Hof Arnhem 27 Nov. 1956, N.J. 1957 no. 256 inzake een schorsing van een predikant van een Ned. Hervormde Gemeente.

|20|

Tenslotte zij er op gewezen, dat de redactie van art. 2.1.2 ontwerp-Meijers, dat kerkgenootschappen „worden door hun eigen reglementen geregeerd, voor zover deze niet in strijd zijn met de wet” duidelijk benadrukt dat het eigen recht van de kerken voorop staat in gelding en dat slechts een dwingende wet dit eigen recht in haar werking kan belemmeren61).

De rebus-ipsis-et-factis-kwestie nog actueel

Zoals bekend voerde Koning Willem I in 1816 voor de Gereformeerde Kerken enige reglementen in. Over de rechtskracht daarvan is een rechtsstrijd ontstaan, welke in een aantal arresten van de Hoge Raad werd beslecht. Hoewel dit rechtscollege aannam, dat de Koning niet bevoegd was om de reglementen in te voeren, besliste hij niettemin dat zij gelding hadden rebus ipsis et factis. Ter wille van de belangrijkheid dezer onder de vigueur van het geldende Burgerlijk Wetboek gegeven uitspraken vermeld ik de volgende overwegingen, waarbij ik cursiveer:

„O., dat... geschiedkundig in facto vaststaat, dat, welke ook de oorsprong van evengemeld reglement van 1816 moge zijn, en aangenomen dat het min bevoegdelijk van den Koning afkomstig is, ofschoon het dan ook met kerkelijk overleg is ontworpen en ingesteld, in alle geval het Hervormd kerkgenootschap als zedelijk lichaam bevoegd en bij magte was, om dat reglement, van wien ook afkomstig aan te nemen, en zulks werkelijk heeft gedaan, en zich naar de daarbij gemaakte instellingen heeft gedragen, dezelve daadwerkelijk sedert de aanneming tot op heden heeft erkend als den grondslag van deszelfs bestaan, en daaraan zoowel algemeen als provinciaal en gemeentelijk uitvoering heeft gegeven, zoodat die instellingen niet stilzwijgend, maar uitdrukkelijk rebus ipsis et factis, zijn aangenomen en onderhouden door het zedelijk ligchaam zelf, als uitmakende de statuten van deszelfs bestaan;
O., dat het onder zoodanige erkende omstandigheden, zoo ten aanzien van dit zedelijk ligchaam, als van alle dergelijke maatschappijen, onverschillig is, of dergelijke instellingen en regelingen van bestaan en werking derzelver oorsprong ontleenen uit vrijwillige overeenkomsten, uit eigene beweging geboren en oorspronkelijk bij uitdrukkelijk verdrag aangegaan door de leden van een dergelijk ligchaam, dan of zij dien oorsprong ontleenen uit vreemde aansporing, voordragt, bemoeijenis of zelfs van beschikkingen van derden, ook al waren deze daartoe ten eenemale onbevoegd, daar zij alsdan derzelver kracht niet ontleenen uit den oorsprong, waaruit zij zijn voortgekomen, maar veeleer uit derzelver aanneming, opvolging, naleving en bevestiging door het zedelijk ligchaam zelf en dat zij daardoor verbindend zijn geworden voor allen die als leden van dit ligchaam en deszelfs deelgenootschap zijn verbleven, en zich als deelgenoten hebben blijven gedragen, en boven alles ook voor hen, die (even zoo als ten aanzien des eischers in cassatie in facto is aangenomen) het lidmaatschap van zoodanig ligchaam later onder deszelfs daadwerkelijk bestaan hebben aangenomen;


61) Zie voor een typisch geval waarin het statuut van de Hervormde Kerk (misschien) werd doorbroken noot 5.

|21|

O., dat, zonder de aanneming en vasthouding van dit regtsbegrip, altijd door individuelen oorsprong (lees: opsporing L.R.) en bestrijding van den minder of meerder regelmatigen oorsprong, ook zelfs van constitutionele staats-instellingen, of ook van de oorsprong van alle maatschappelijke banden» alle wettigheid van gezag zoude kunnen worden bestreden, ook van gevolgtrekking tot gevolgtrekking, zelfs van dat gezag, waarbij men de toevlugt tot handhaving van zijn vermeend regt oordeelt te moeten nemen62).

Geruime tijd later handhaafde de Hoge Raad deze beslissing, daarbij o.a. nog overwegende, dat daaraan niet af doet, dat de Grondwet van 1815 den Koning geen bevoegdheid gaf tot regeling; de verbindende kracht der verordeningen heeft haar oorsprong in de geschiedkundige feiten en in de steeds plaats gehad hebbende erkenning van dat gezag door aanneming en opvolging van allen, die daarbij betrokken waren63).

Dit in de 19e eeuw ook door de lagere rechtspraak aanvaarde standpunt, zowel ten aanzien van kerken64) als ten aanzien van andere rechtspersonen65) is nog steeds te beschouwen als de heersende leer66).

Het ontwerp-Meijers spreekt zich over deze kwestie niet uit. Wel treft het voor verenigingen, waartoe kerkgenootschappen kennelijk niet worden gerekend, en voor naamloze vennootschappen een regeling op grond waarvan de vernietiging van een besluit wegens strijd met de goede trouw of met de wettelijke of statutaire bepalingen kan worden gevorderd bij de rechter, binnen een jaar nadat aan het besluit voldoende openbaarheid is gegeven67). Deze regeling gaat nog verder, immers verklaart elk aanvechtbaar besluit geldig


62) H.R. 2 Januari 1846, W. 674. Vgl. ook H.R. 29 Mei 1846, W. 737, ten aanzien van de Nederlandsch-Israëlitische Ring-synagoge te Assen; voorts het arrest van 25 Januari 1850, W. 1098 in noot 5, waarin de Hoge Raad eveneens van het statutair karakter der Reglementen van 1816 uitging.
63) H.R. 20 Mei 1881, W. 4633.
64) H.R. 4 Maart 1921, W. 10804, Rb. Utrecht 2 April 1890, W. 5883.
65) Rb. Nijmegen 4 Mei 1852, W. 1350.
66) Hof Leeuwarden 12 Dec. 1951, N.H. Gemeente Holwerd, N.J. 1952/no. 386: „Al zou moeten worden aangenomen, dat kerkvoogden en notabelen door genoemde opzegging hun reglementaire bevoegdheden hebben overschreden, zou moeten worden aangenomen, dat de stemgerechtigde lidmaten der gemeente die overschrijding hebben gedekt, nu niet is gesteld, dat in de drie jaren, welke sindsdien zijn verstreken, ook maar één dier lidmaten tegen die opzeggingen heeft geprotesteerd, etc.” Echter: Hof Leeuwarden 24 Jan. 1951, N.J. 1951 no. 601 inz. de Kerk van Assen achtte de vraag of bepaalde besluiten nietig waren niet ter zake dienende op grond van de feitelijke vaststelling, dat de minderheid met de kerk gebroken had. De vraag werd dus niet onder ogen gezien of de meerderheid van de „onderling twistende kerkeraad” mogelijk nietige besluiten rebus ipsis et factis als nieuwe grondslag voor de kerk had aanvaard, waartegen van de zijde van de minderheid verzet geboden was ter bewaring van de oude grondslag.
67) Artt. 2.1.8 en 2.1.9.

|22|

wanneer binnen een jaar geen rechtsactie is ingesteld. Als uit deze bepalingen moet worden afgeleid, dat hierin het stelsel van het nieuwe Burgerlijk Wetboek is neergelegd, zullen kerkgenootschappen daaraan onderworpen zijn, tenzij in hun reglementen het tegendeel is bepaald.

 

Verdraagt deze rechtspraak zich met voor gereformeerde kerken geldende opvattingen? Art. 7 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis stelt: „Men mag ook gener mensen schriften, hoe heilig zij geweest zijn, gelijkstellen met de Goddelijke schrifturen, noch de gewoonte met de waarheid Gods (want de waarheid is boven alles), noch de grote menigte, noch de oudheid, noch de successie van tijden of personen, noch de conciliën, decreten of besluiten.”

Op grond hiervan blijft de Kerkenorde dus ook appèllabel aan de Heilige Schrift. Art. 87 K.O. geeft dan ook aan, dat de K.O. gewijzigd kan worden, doch wegens het grote belang van een goede functionering van het kerkrecht binnen de kerken en tussen de kerken onderling is bepaald, dat slechts een generale synode daartoe bevoegd is.

De rebus-ipsis-et-factis-leer is derhalve in strijd met art. 87 K.O. en zo op het eerste gezicht lijkt er dus van gereformeerd standpunt niets goeds van te zeggen. Elke medaille heeft echter haar keerzijde. De kerkgeschiedenis is vol van schismata, hoewel gelukkig ook herenigingen plaats vinden. Art. 28 Ned. Geloofsbelijdenis spreekt enerzijds van ieders plicht om zich bij de ware kerk te voegen „onderhoudende de enigheid der Kerk”, doch acht anderzijds daartoe nodig „zich af te scheiden van degenen, die niet van de Kerk zijn”. De gang van zaken bij een schisma is dikwijls deze, dat er onenigheid in een kerk ontstaat over een vraagstuk van geloof of van kerkrecht. Wanneer tussen de beide groepen van kerkleden eenmaal sprake is van een „onheelbare tweespalt” verklaart eik dier groepen zich tot de wettige voortzetting van de bestaande kerk. Veelal wordt de rechter dan te hulp geroepen om uit te maken, welke partij in het gelijk is. De concrete kerkgeschiedenis van dat ogenblik kan bij diens beslissing dan een belangrijke rol spelen. Het kan daaruit immers blijken, dat een der partijen haar onjuiste standpunt zo ver heeft doorgedreven, dat zij rebus-ipsis-et-factis uit de bestaande kerk is getreden en een nieuwe kerk heeft gesticht. In de verdere verhouding tussen beide groepen als afzonderlijke rechtspersonen kan in het al of niet aanvaarden van dat standpunt het verschil tussen de beide groepen liggen opgesloten. Een dergelijke „mijlpaal” in de geschiedenis van een kerk kan zelfs door beide partijen ernstig als een leiding Gods worden beschouwd en dus voortaan als grondslag voor de verdere eigen kerkelijke samenleving ook privaatrechtelijk niet zonder belang worden geacht. Immers privaatrechtelijk wordt

|23|

aanvaard68), dat er binnen de kerk sprake moet zijn van een gemeenschappelijke godsdienstige overtuiging. Het komt niet alleen op de woorden van het kerkelijk statuut aan, doch ook op haar beleving, te meer omdat zoals wij zagen de K.O. niet een starre regeling bevat, waarvan op straffe van nietigheid nimmer mag worden afgeweken. Wij zien hier dus iets wonderlijks gebeuren, n.l. dat de plicht tot afscheiding (art. 28 N.G.B.) in zekere zin samenvalt met de burgerlijke rechtspraak, die leert dat men zich tijdig tegen het onwettig invoeren van een nieuwe organisatie moet verzetten, wil deze niet rebus-ipsis-et-factis rechtskracht verkrijgen. Een of meer protesten daartegen op zichzelf helpen niet. Zij moeten gepaard gaan met een houding waaruit metterdaad blijkt, dat de onjuiste besluiten voor nietig worden gehouden en volkomen worden genegeerd. Is het de andere partij ernst, dan zal in het algemeen door gebruik of misbruik van kerkelijke tucht de scheuring zich voltrekken. Het is dan onmogelijk geworden om binnen één kerk gemeenschappelijk godsverering te verrichten, omdat de gecensureerden in wezen tot rechtelozen zijn verklaard. Hebben zij echter het recht aan hun zijde, dan moet worden aangenomen, dat de bestaande kerk in hen voortleeft, en de anderen rebus-ipsis-et-factis zijn uitgetreden. Hier doet zich dus het geval voor van het „onderhoudende de enigheid des geloofs ... door afscheiding” (!) waarover art. 28 Ned. Geloofsbelijdenis spreekt.

Misschien vindt iemand, dat dit zo maar niet uit de rechtspraak valt af te leiden. Ik moge daarom het volgende in herinnering brengen. De rechtspraak naar aanleiding van de z.g. Doleantie van omstreeks 1886, toen Dr. A. Kuyper en de zijnen trachtten de Ned. Herv. Kerk tot reformatie te brengen, ging er unaniem van uit, dat het door Koning Willem I ingevoerde reglement rechtskracht had verkregen. Dit reglement liet de door Kuyper beoogde reformatie, welke neerkwam op het invoeren van een andere kerkelijke organisatie, niet toe69). Toen zij toch naar deze nieuwe kerkelijke


68) H.R. 23 Juli 1946, N.J. 1947 no. 1.
69) Rb. Leeuwarden 18 Oct. 1888, W. 5688 inz. N.H. Gemeente Wons: „dat toch de Ned. Hervormde Gemeente te Wons, eenmaal behoord hebbende tot het Nederlandsen Hervormde kerkgenootschap, gelijk gedaagden erkennen, daarvan niet kon worden losgemaakt en niet is losgemaakt door eenige daad van den kerkeraad als hare vertegenwoordigster ...”
Hof Leeuwarden 12 Juni 1889, W. 5754 N.H. Gemeente Zuidwolde: „Overwegende, dat op grond van het voorgaande bij gevolg ontkennend wordt beantwoord de vraag of een kerkeraad, als orgaan in die organisatie, zich aan die organisatie onttrekken kan, vermits de rechtsgeschiedenis aantoont, dat een kerkeraad, als ondergeschikt college, nimmer een dergelijke macht heeft bezeten, zoodat hetgeen de appellanten durven noemen „het onvervreemdbaar recht der gemeente om zich aan de onwettig opgedrongen organisatie te onttrekken”, in de uitvoering inderdaad is revolutie.”
Vgl. Advocaat-Generaal Langemeijer, N.J. 1956 no. 303, die het mogelijk acht, dat een kerk haar identiteit verliest, indien haar wettige organen ➝

|24|

organisatie gingen leven en genoemd reglement in feite terzijde schoven, verhinderden de kerkelijke besturen, dat de nieuwe organisatie rebus-ipsis-et-factis rechtskracht zou verkrijgen door Kuyper en de zijnen uit hun ambt te ontzetten. De rechter nam aan, dat deze ambtsontzetting weliswaar geldig was, doch eigenlijk overbodig, doordat betrokkenen rebus-ipsis-et-factis reeds uit de kerk waren getreden70), en daardoor hun ambten reeds hadden verloren71). Dat in het uittreden naar het oordeel van de staatsrechter het oprichten van een nieuwe kerk ligt opgesloten72), berust m.i. op de enkele wil van de uitgetredenen om kerk te zijn. Ook al wordt beoogd voortzetting van de bestaande kerk te zijn, dit neemt niet weg, dat indien dit oogmerk privaatrechtelijk niet kan worden erkend, dit moet worden geacht te zijn geconverteerd in het oogmerk om tot alle prijs kerk te zijn73); men beoogt althans de rechtspersoonlijkheid van een kerkgemeenschap. Vergelijk in dit verband het conflict in een coöperatieve vereniging berecht in de tijd, toen voor het oprichten van een dergelijke vereniging nog niet het formele vereiste van de notariële acte gold. Nemen een aantal leden op ongeldige wijze een statutenwijziging aan, dan hebben deze leden een nieuwe vereniging opgericht74).
Bij latere kerkelijke conflicten oordeelde de rechter in gelijke zin75).


➝ een handeling verrichten, die als ontbinding van de oude rechtspersoon en het in het leven roepen van een nieuwe kan worden opgevat.
70) Rechtbank Leeuwarden 28 Juni 1888 inz. kerk te Garijp: „Een ontzetting van ambtsdragers werkt, ook dan wanneer de ontzetting is uitgesproken, nadat de kerkelijke gemeente waarbij zij hun bediening of ambt bekleedden, uit het synodaal verband was getreden”.
Inzake de zich noemende Commissie tot het bestuur over de Kerkgebouwen, goederen, fondsen en inkomsten der Nederduitsche Hervormde gemeente te Amsterdam tegen die Gemeente nam H.R. 15 Juni 1888, W. 5571 op het voetspoor van de procureur-generaal aan „dat de 4 bedoelde Heeren reeds vóór de dagvaarding in revisie waren leden van de Nederduitsche Gereformeerde Kerk te Amsterdam (doleerende) ... welke kerk, gelijk uit het overgelegde Kerkeraadsboekje blijkt en ook door de eischers in revisie niet is tegengesproken, heeft eene eigene organisatie en geheel staat buiten het Synodaal verband der Nederlandsch Hervormde Kerk... dat die Heeren dus, door — met de kennelijke bedoeling zich geheel te onttrekken aan het voormelde bestuur van de Nederlandsch Hervormde Kerk — leden te worden van een ander Kerkgenootschap dan dat waarvoor zij thans optreden, getoond hebben niet meer leden te zijn van dit laatste, en dus ook niet meer leden kunnen zijn der Commissie waarvoor zij thans optreden.”
71) Hof Leeuwarden 12 Juni 1889, W. 5754 en 29 Mei 1889, W. 5748 (zie ook P.G. 3 April 1889, W. 5713).
72) Hof Den Haag 31 Oct. 1951, N.J. 1952 no. 329 inz. Kerk Vrouwen polder oordeelt anders hierover blijkens veroordeling kerkeraadsleden in privé tot betaling van de kosten.
73) Vgl. o.a. Asser-Rutten, Verbintenissenrecht 1954 blz. 435-441.
74) Rechtbank Den Bosch 9 Febr. 1923, N.J. 1924 blz. 417.
75) Hof Den Haag 24 Dec. 1936, N.J. 1937 no. 395 en 31 Oct. 1938, N.J. ➝

|25|

Hoezeer de rebus-ipsis-et-factis-leer de gereformeerde nazaten van de Doleantie tegen de borst mag stuiten — wanneer men n.l. de bedoeling van de Dolerenden ernstig neemt om de kerk tot reformatie te brengen, welke privaatrechtelijk gedoemd was te mislukken voor wat de erkenning door de rechter als wettige voortzetting der kerk betreft, doordat deze leer ten onrechte75a) werd toegepast — de rechter, geroepen te oordelen over kerkscheuringen, kan deze leer niet missen. Anderzijds is het te betreuren, dat zij de kerkelijke ambtsdragers en kerkleden nog te weinig prikkelt om scheuringen te voorkomen door zich daarvan de geestelijke en stoffelijke gevolgen tijdig te realiseren. Het is te hopen, dat het ontwerp voor een nieuw Burgerlijk Wetboek op het punt van deze leer wordt verduidelijkt. Of moet worden aangenomen, dat deze leer reeds voldoende wordt uitgedrukt in art. 3.2.4, lid 1 luidende: „Tenzij de wet anders bepaalt, kan een verklaring in iedere vorm geschieden, en kan zij in een of meer gedragingen besloten liggen”?

Kerk en sociale wetgeving

Een enigszins vreemde toestand is ontstaan door de voortschrijdende sociale wetgeving. Omstreeks April 1952 werden op vele kerkeraadstafels stukken gedeponeerd van de Bedrijfsvereniging voor de Wachtgeld- en Werkloosheidsverzekering op het gebied van de Gezondheid, Geestelijke en Maatschappelijke belangen, waarin werd medegedeeld, dat de kerken behoren tot de werkgevers, die bij haar van rechtswege aangesloten zullen zijn.

Deze mededeling ging gepaard o.a. met een verzoek om toezending van een exemplaar van de statuten of het reglement van de werkgever. Genoemde bedrijfsvereniging was door de Minister van Sociale Zaken op 7 November 1951 erkend als representatief voor de kerken op verzoek van een aantal organisaties van ziekenhuizen, voor t.b.c.-bestrijding, van gestichten en inrichtingen voor krankzinnigen en zwakzinnigen etc.

De bedoeling van de Bedrijfsvereniging was, dat de kerken voortaan voor haar kosters werkloosheidspremie zouden gaan betalen en eventueel ook andere sociale verzekeringspremie. Wanneer men nu zuiver formeel redeneert, kan men tot de conclusie komen, dat de kerk ais rechtspersoon naar burgerlijk recht op gelijke voet als


➝ 1939 no. 201.
Hof Arnhem 30 Juni 1954, N.J. 1954, no. 614 (in laatstgenoemd geval de uittreding als mogelijk verondersteld).
75a) Dat deze leer in casu niet had mogen worden toegepast, was vooral hierin gelegen, dat door de overheidsmaatregelen (o.a. blijkend uit de vervolging van de Afgescheidenen) sedert 1816 de bevoegdheid tot niet aanvaarden van de onwettig ingevoerde kerkelijke reglementen feitelijk niet heeft bestaan. Men zie hiervoor o.a. de uitvoerige studie van D.P.D. Fabius „Het Reglement van ’52”, Historisch-Juridische Studie over het Hervormde Kerkbestuur, Amsterdam J.A. Wormser, 1888, Hoofdstuk IV.

|26|

andere rechtspersonen onderworpen is aan de verplichte sociale wetgeving. Ik zie deze zaak echter anders en ga er van uit, dat de vrijheid van de kerk, haar interne zaken te regelen zoals haar goeddunkt, ook geldt voor alle sociale verhoudingen binnen de kerk, dus niet alleen voor de uitoefening van de diaconale taak, doch evenzeer voor die van de honorering van de predikant76) en van de koster. Afgezien hiervan is het niet bepaald fraai de kerken een verplicht lidmaatschap op te dringen van een bedrijfsvereniging (de wetsfictie dat de kerk een bedrijf uitoefent is op zichzelf reeds aanstotelijk), waarin ook alle andere kerken — met welke alle men helaas niet op voet van vriendschap leven kan — doch ook kampeercentra, jeugd-herbergen en bad- en zweminrichtingen tot lid zijn verklaard al dan niet tegen hun wil.

Over de bezwaren, die hiertegen in de kring van enkele kerkgemeenschappen zijn gerezen, werd op 30 Juli 1952 door een Tweede Kamerlid aan de Minister van Sociale Zaken vragen gesteld, welke op 27 Augustus 1952 werden beantwoord.

In het antwoord werd gesteld, dat kerken in wier dienst personeel op grond van een arbeidsovereenkomst arbeid verricht — voorzover hierbij geen sprake is van het verrichten van enkele diensten of van bijkomstige werkzaamheden, valt hierbij o.a. te denken aan kosters, organisten en werkvrouwen — verplicht lid van de bedrijfsvereniging waren. De kerken nemen in het algemeen als rechtspersoon aan het maatschappelijk en rechtsverkeer deel en het daaruit voortvloeiende verplichte lidmaatschap van vakbedrijfsverenigingen acht de Minister niet in strijd met de eigen positie der kerken.

Voor Gereformeerde Kerken gaat dit standpunt van de Minister in het algemeen ten aanzien van kosters niet op. De administratieve rechter besliste reeds lang geleden, dat kosters dier kerken geen werknemers waren77) en de Hoge Raad nam een gelijk standpunt in78).

Deze rechtspraak geldt uiteraard slechts voor zover niet blijkt, dat de kerken zelve een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht met de kosters willen sluiten.

Onbevredigend blijft m.i. dat het antwoord van de Minister er niet over rept, dat de bedrijfsvereniging een publiekrechtelijke taak uitoefent79) en dat door genoemde wetsconstructie de kerk dus lid wordt van een rechtspersoon, die belast is met de uitvoering van


76) Zie hierna § 3.
77) Centrale Raad van Beroep 25 Febr. 1942; Ger. Kerk Watergraafsmeer, ook andere rechtspraak.
78) H.R. 30 Maart 1955, B.N.B. 1955/182, N.J. 1955 no. 341. Oud-Ger. Gemeente Dordrecht.
Als de koster zelf de arbeid niet behoeft te verrichten, doch dit b.v. door zijn vrouw kan laten doen, is er ook geen sprake van een arbeidsovereenkomst in de zin van art. 1637a Burgerlijk Wetboek: vergelijk H.R. 13 December 1957, N.J. 1958 No. 35.

|27|

een overheidstaak. Dit geldt ook wanneer zij als verlengstuk van de ontvanger der directe belastingen belast zou worden met het inhouden van loonbelasting. Het komt mij voor, dat een en ander in strijd is met de scheiding van kerk en staat, zodat de genoemde kerken terecht protesteerden, ook al omdat de verplichte representatie rammelt.

Dat overigens dwingend recht wel meer voor moeilijk te verteren kwesties op dit gebied leidt, blijkt uit hetgeen van Nispen tot Sevenaer vertelt80) over het geval van een pachter, die zich verbonden had gedurende de duur van de pachtovereenkomst lid van de Prot. Kerkelijke Gemeente ter plaatse te blijven en de belangen dier gemeente te bevorderen. Toen hij lid van de getuigen van Jehova werd, vroeg de verpachter ontbinding, wegens niet nakoming van zijn verplichtingen, welke ontbinding het Gerechtshof te Arnhem weigerde. Jhr. Mr. C.M.O. van Nispen tot Sevenaer geeft hierop o.a. de volgende critiek: „Iedere restrictie, iedere clausule, die ontbinding mogelijk maakt ten aanzien van een feit, dat niet direct met het pachten als zodanig verband houdt, zal geoorloofd zijn, mits zij haar grond vindt in het doel van de verpachter of diens bijzondere omstandigheden. Met andere woorden: er moet een redelijk eigenaarsbelang zijn, dat het beding rechtvaardigt ... Stel dat een dominee of pastoor aan een persoon, die werkzaam is als koster, een hoeve verpacht gelegen vlak aan de kerk en deze man valt openlijk af van de bij het pachtcontract gestipuleerde of althans veronderstelde geloofsovertuiging. Hier zijn naar onze mening redenen aanwezig om tussentijdse ontbinding uit te spreken. Dit betekent niet, dat de pachtovereenkomst ondergeschikt wordt gemaakt aan doelstellingen daarbuiten gelegen. Het betekent alleen, dat rekening wordt gehouden met eisen van verpachter, die een redelijke grond vinden in de bijzondere aard van de betrekkelijke pachtverhouding, immers in de persoon van verpachter of van ’t pachtobject.” Wij gaven deze aanhaling om te doen blijken, dat ook bij vèrgaand dwingend recht als van de pachtregeling (en eveneens van de materie, die ons hier bezig houdt) het een eis van rechtspraak en dies ook van wetgeving is om de bijzondere aard van de kerk volledig in rekening te brengen.


79) Aldus verklaarde Minister Joekes in de Tweede Kamer bij de behandeling op 29 Januari 1952 van de Organisatiewet Sociale Verzekering.
80) W.P.N.R. 4084.

Roeleveld, L. [1958] 2

§ 2. De plaatselijke kerk

De definitie van kerk in de neutrale staat

Omtrent de definitie van het kerkgenootschap naar burgerlijk recht bestaat verschil van mening, hetgeen begrijpelijk is als men bedenkt hoezeer de geloofsopvattingen in Nederland omtrent het

|28|

karakter van kerk uiteenlopen. Bij het Voorlopig Verslag van de Tweede Kamer op art. 2.1.2 ontwerp-Meijers kwam deze vraag opnieuw aan de orde en werd gewezen op hetgeen door Scholten hieromtrent is betoogd.

Scholten81) meende niet anders te kunnen doen dan in aansluiting aan het historisch gegeven de Kerk te aanvaarden, en in de afzonderlijke kerkgenootschappen als splitsingen en afscheidingen, verschijningsvormen van de éne Christelijke Kerk te zien. Daarnaast wil hij op grond van de traditie de Joodse genootschappen als kerkgenootschappen blijven aanvaarden. Hij wijst er op, dat de hierna te noemen definitie van Duynstee de verenigingen van Vrijzinnig Hervormden tot kerk zou verklaren en eveneens een vereniging, die la déesse Raison of Odin naar Germaanse overlevering wil vereren.

Mij komt deze opvatting niet juist voor. Een kerk, die zichzelf respecteert, zal zichzelf als ware kerk beschouwen en al hoeft dit niet uit te sluiten, dat er een zondige verdeeldheid bestaat; het gaat te ver alle zich noemende Christelijke kerken als verschijningsvormen van de éne Christelijke kerk te zien. Vele Christelijke kerken verwerpen voor zichzelf deze opvatting en het lijkt mij dus onjuist, dat de overheid voor haar toch hiervan zou uitgaan. De kerken zouden daardoor niet worden beoordeeld naar haar „eigen wet”. Aanvaardt men eenmaal het beginsel van de neutrale staat — en naar positief Nederlands recht lijkt mij niet anders mogelijk — dan moet men ook consequent zijn en niet gaan discrimineren door sommige godsdienstige bewegingen wel en andere niet de gelegenheid te geven zich als kerkgenootschap te organiseren. Men kan het op het eerste gezicht aanstotelijk vinden, dat de overheid aan mohammedanen, shintoïsten en boeddhisten gelijke bescherming geeft als aan calvinisten, roomsen en vrijzinnigen; in Nederland staan de zaken er nu eenmaal niet anders voor. Voor een calvinist is de leer van het vrijzinnig christendom en het pausdom even verwerpelijk als die van Mohammed — denk aan de reactiespreuk: liever turks dan paaps — al brengt dit zeker niet mede, dat de aanhangers van deze diametraal tegen elkaar staande geloofsopvattingen in het maatschappelijk verkeer niet in vrede kunnen leven, mede omdat de overheid op grond van de scheiding van kerk en staat zo nodig de openbare orde tussen de groepen onderling handhaaft. Dit houdt natuurlijk niet in, dat de Regering in haar wetgeving en practische politiek geen rekening zou moeten houden met de godsdienstige geaardheid van het volk. Groen van Prinsterer wees daar o.a. in deze bewoordingen op82): „Thans vloeit uit de daadwerkelijke scheiding van Kerk en Staat voor den Staat de verplichting voort, de openbare


81) De Rechtspersoon 1954, blz. 146, 147.
82) Mr. G. Groen van Prinsterer, De Anti-Revolutionaire en Confessionele Partij in de Nederlands Hervormde Kerk, Uitg. 1954 Oosterbaan en Ie Cointre N.V., Goes, blz. 62. Ik (L.R.) cursiveer.

|29|

instellingen, in alles wat de godsdienstige belangen en behoeften betreft, in overeenstemming te brengen met het geloof, niet van den vorst of van den staat, maar van het volk. Men heeft niet meer een onderzoek in te stellen naar den godsdienst van de regering, maar naar dien der onderdanen.
Dat is de, volgens mij, zeer eenvoudige theorie waarnaar, meende ik, men zich behoorde te richten. De veel omstreden kwestie van den Christelijken Staat liet ik rusten en zeide: Bedenk in elk geval dat ge de regering van een Christelijk volk zijt. Houd dus daar, waar de godsdienst, hetzij rechtstreeks, hetzij zijdelings in geding is, rekening met de geloofsovertuiging van het volk. Schaf, voorzover gij er het recht toe hebt, volgens uw plicht de misbruiken af, die het Christendom veroordeelt. Begunstig de vrijlating der slaven, belemmer den Zendingsarbeid in uw koloniën niet door het Mohammedanisme en het heidendom sanctie te verlenen, door ze tot de waardigheid van een bevoorrechten godsdienst te verheffen. Vóór alle dingen: waan niet, dat ge het recht hebt, uw instellingen te organiseren in een geest van indifferentisme, die indruist tegen de geloofsovertuiging van het volk. Ga desnoods nog een stap verder met de toepassing der theorie; en, vindt ge het geoorloofd en onvermijdelijk, vergeet dan dat het Christendom de kenmerkende karaktertrek der natie is. Ik ga op dit ogenblik niet na welke de verantwoordelijkheid en de gevolgen zijn zouden van dit vergeten. Maar steeds sta onomstotelijk vast, dat gij regeert in het belang van een godsdienstig volk ...”

Ook op het standpunt van de neutrale staat kan men dus zeer goed stellen, dat de regering rekening moet houden met de godsdienstige overtuiging van het volk. Als de wetgever in de definitie van kerkgenootschap een geleide politiek zou toepassen door kerken van een bepaalde oorsprong wel en andere niet te beschermen, kan dit onherroepelijk grote gevaren meebrengen. De huidige gereformeerden zijn nog niet het lijden van hun voorzaten uit de vorige eeuw vergeten, toen de Code Pénal tegen hen werd gehanteerd, daar zij een ,,in 1815 nog niet bestaande godsdienst” aanhingen. De godsdienstvrijheid kan beter te ruim zijn dan te eng. Dit is ook de strekking van het in Nederland verbindende Verdrag „tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden”83), waarvan art. 9 vrijheid van godsdienst waarborgt, ook in de practische toepassing daarvan. Daarom ben ik voorstander van de definitie van Duynstee. De bewering van Bregstein, dat een Vereniging van Vrijzinnig Hervormden dan tegen haar wil ook kerkgenootschap zou zijn, lijkt mij niet juist. Wil men als kerkgenootschap naar burgerlijk recht worden beschouwd, dan dient men het oogmerk daartoe te bezitten. Genoemde vereniging drukt in haar naam en statuten uit,


83) Verdrag van Rome van 4 November 1950, Tractatenblad 1951 no. 154; zie noot 11.

|30|

dat zij het doel heeft de geestelijke belangen van bepaalde gelovigen binnen de Hervormde Kerk te behartigen; daarin ligt zonder meer reeds opgesloten, dat zij het oogmerk mist kerkgenootschap te zijn.

De definitie van kerk volgens de gereformeerde belijdenis

De artt. XXVII t/m XXIX van de Nederlandse Geloofsbelijdenis handelen over de kerk. Ik resumeer hun typering der kerk als:

een heilige vergadering der ware Christgelovigen (a),
die geweest is van het begin der wereld af en zal zijn tot het einde toe (b),
die niet gelegen, gebonden of bepaald is in een zekere plaats of aan zekere personen (c),
te zamen gevoegd en verenigd zijnde met hart en wil in één zelfde Geest, door de kracht des geloofs (d),
dat deze heilige vergadering (coetus) is een verzameling (congregatio) dergenen, die zalig worden (e),
die de reine predikatie des Evangelies oefent; de reine bediening der Sacramenten gebruikt; de kerkelijke tucht gebruikt om de zonden te straffen (f).

Deze „elementen" van de kerkelijke begripsomschrijving van kerk interesseren voor ons doel. In andere bewoordingen vinden wij ze terug in het antwoord op vraag 54 van de Heidelbergse Catechismus (een ander formulier van Enigheid): „Dat de Zone Gods uit het ganse menselijke geslacht zich een gemeente tot het eeuwige leven uitverkoren, door zijn Geest en Woord, in enigheid des waren geloofs, van den beginne der wereld tot aan het einde (h), vergadert, beschermt en onderhoudt (i); en dat ik daarvan een levend lidmaat ben en eeuwig zal blijven” (j).

Wanneer wij het vorenstaande vergelijken met de door de Hoge Raad van Duynstee84) overgenomen privaatrechtelijke definitie: „een kerkgenootschap is een blijvende vereniging van personen, welke zich de gemeenschappelijke godsverering harer leden, op de grondslag van gemeenschappelijke godsdienstige opvattingen, ten doel stelt,” kunnen we het volgende opmerken:

1. Dat de kerk privaatrechtelijk een verenigingskarakter heeft, d.w.z. een instituut is van zich verenigende personen, is in overeenstemming met hetgeen de Belijdenis leert. Het zich verenigen, d.i. het vergaderen blijkt uit de wil om vergadering te zijn (a en d) en om een levend lidmaat te zijn (j): De kerk als coetus, als samenkomst.
Als hiermede erkend wordt, dat de kerk een vereniging is,


84) Prae-advies Duynstee blz. 15; H.R. 23 Juli 1946, N.J. 1947 no. 1.

|31|

betekent dit nog niet, dat zij dit is in de zin, zoals deze benaming in alle landswetten voorkomt. In § 1 werd er reeds op gewezen, dat de kerk geen vereniging is in de zin van de Wet van 1855 tot regeling van het toezicht op verenigingen. Voor de toepassing van de Ziektewet nam de administratieve rechtspraak aan, dat de kerk een rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging is85). Voor de toepassing van het Wetboek van Strafrecht (o.a. artt. 194, 226, 335, 336, 342 en 343) en van de artt. 1416a e.v. Burgerlijk Wetboek behoefde dit gelukkig niet te worden uitgemaakt. Ik ben geneigd aan te nemen, dat dit wel het geval is, omdat de wetgever hier kennelijk van een ruim verenigingsbegrip uitgaat86). De kerk kan uiteraard geen door de wet verboden vereniging in de zin van art. 140 Wetboek van Strafrecht zijn, daar de Grondwet en de wet van 10 Sept. 1853 haar juist uitdrukkelijk toelaten.
Voor elk bijzonder wetsvoorschrift zal dienen te worden uitgemaakt, of de kerk als vereniging gelijk staat met andere verenigingen.

2. Dat de kerk beoogt een blijvende vereniging te zijn, ligt in haar pretentie opgesloten, dat zij geweest is van het begin der wereld af tot het einde toe (b en h). Rechtens brengt dit mede, dat een kerk niet bij kerkeraadsbesluit kan worden ontbonden87), tenzij deze ontbinding slechts dient tot splitsing van een kerk in twee of meer kerken, die samen de voortzetting vormen88). Hiermede


85) Zie J. J. M. van de Ven in Ned. Juristenblad 1938, blz. 256 e.v.; vgl. ook J. R. Stellinga in Ned. Juristenblad 1937, blz. 686 e.v.
86) Vgl. mijn opmerking in Ned. Juristenblad 1955 blz. 823/824 ten aanzien van de onderlinge waarborgmaatschappij, die als vereniging ook buiten de wet van 1855 valt.
87) Hof Den Haag inz. Berkel 2 Mei 1946, N.J. 1947 no. 2.
Terecht gaven enige leden van de Tweede Kamer in het Voorlopig Verslag op art. 2.1.11 ontwerp-Meijers, handelende over de ontbinding van rechtspersonen te kennen, een toepasselijkheid van deze bepaling(en) op kerkgenootschappen niet aanvaardbaar te achten. Een ontbinding van een Nederlandsen Israëlitische Gemeente schijnt volgens de reglementen van het Nederlands Israëlitisch Kerkgenootschap wel mogelijk te zijn (zie H.R. 18 December 1936, N.J. 1937 no. 450).
88) Dit geval is wel te onderscheiden van een splitsing als gevolg van een schisma.
De Rechtbank ’s-Gravenhage 25 November 1931, N.J. 1932, blz. 1120, berechtte een dergelijk geval inzake de Gereformeerde Kerk van ’s-Gravenhage en overwoog, dat „die „splitsing” niet is op te vatten in dien zin, dat het oorspronkelijk kerkgenootschap vermogensrechtelijk voortbestaat in de beide nieuwe, doch slechts beteekent, dat het oude genootschap wordt ontbonden en in de plaats daarvan twee nieuwe worden opgericht, daar toch beëindiging van een rechtspersoon op de wijze, zooals eischeres zich die voorstelt, in rechte onbestaanbaar is;
O., dat door een besluit tot ontbinding eener rechtspersoon deze niet spoorloos verdwijnt, doch blijft bestaan ter afwikkeling harer loopende ➝

|32|

hangt ook samen, dat de kerk kan bestaan zonder bestuur89). Als een kerk dus kerkeraadloos wordt, houdt zij niet op te bestaan90). Dit is ook de opvatting der. Gereformeerde synode van Leeuwarden van 1890, die tot grote voorzichtigheid maant, eer men een kerk als kerkeraadloos aanmerkt wegens het blijven leven van kerkeraden onder aan de kerk vreemde reglementen91).


➝ zaken, welke afwikkeling, zooals uit dit geding blijkt, nog niet is voltooid en daarin geen verandering wordt gebracht door de door eischeres gestelde financieele regeling tusschen de kerken Oost en West, daar eischeres daaraan niet eenig recht zou kunnen ontleenen, terwijl het evenmin betoog behoeft, dat de omstandigheid, dat het kerkgebouw door gedaagde is in gebruik genomen, ten deze van geen invloed kan zijn.”
Ik gevoel meer voor de opvatting van Voors, die in W.P.N.R. 3620 de vraag opwerpt of in geval van samensmelting van kerkelijke gemeenten er sprake is van overgang of overdracht van zaken. Voors stelt vast, dat door het besluit tot combinatie automatisch de nieuwe rechtspersoon ontstaat en acht het geen bezwaar ondanks het ontstaan van de nieuwe rechtspersoon, in de gecombineerde gemeenten de voortzetting te zien van de oude gemeenten, zulks o.a. met het oog op legaten. Hij wijst er op, dat de Minister voor de Registratiewet (art. 27) de moeilijkheden heeft omzeild door het registratierecht kwijt te schelden.
De door Voors genoemde beslissingen zijn de navolgende:
P.W. 10377, Res 27 Mei 1910.
Bij vereniging (ineensmelting) van twee Gereformeerde Kerken A en B tot één kerkgenootschap is er sprake van eigendomsovergang van onroerend goed, welke volgens de Wet van 23 Juli 1908 (S. 239) met evenredig recht belast is. Daar de ineensmelting geen finantiële gevolgen beoogde, maar enkel zijn oorzaak vond in een samengaan der beide verenigingen op geestelijk gebied is aan H.M. de Koningin in overweging gegeven kwijtschelding te verlenen.
Ingetrokken bij P.W. 10759, Res. 30 Dec. 1913: Wet van 23 Juli 1908 niet van toepassing geacht.
P.W. 10427, Res. 3 Dec. 1910.
Afstand bij splitsing van een kerkelijke gemeente aan de nieuwe gemeente van de aan deze toegewezen goederen zonder verrekening. Geen evenredig registratierecht verschuldigd nu geen prijs is bedongen, terwijl van schenking geen sprake is.
P.W. 12879, Res. 8 Jan. 1930.
In gelijke zin ten aanzien van overdracht van onroerend goed door een Bisdom aan een nieuw opgerichte parochie, welke laatste een vergoeding voor onkosten en renteverlies voldeed.
P.W. 13091, Res. 15 Jan. 1931.
Wel registratierecht verschuldigd in geval de in P.W. 12879 genoemde rechtspersonen reeds langen tijd naast elkaar bestaan.
Zoals uit deze beslissingen blijkt acht men de samensmelting en de splitsing van kerken in dezelfde lijn te liggen voor de toepassing van de Registratiewet. Voor het burgerlijk recht lijkt mij dit ook het geval. Nu art. 2.1.12 van het ontwerp voor een nieuw Burgerlijk Wetboek de fusie van rechtspersonen uitdrukkelijk erkent, lijkt mij er geen bezwaar tegen ➝

|33|

Onjuist moet daarom worden geacht de uitspraak, „dat een kerk niet eerder en ook niet langer als een plaatselijke zelfstandige kerk kan worden aangemerkt, dan wanneer en zolang zij vertegenwoordigd en geregeerd wordt door een afzonderlijk zelfstandig, van iedere andere kerk onafhankelijke presbyteriaal bestuur, zodat dit bestuur dus niet alleen een regerende, doch ook een instituerende, instandhoudende en bepalende functie heeft”92). Voor het R.K. kerkgenootschap is dit mogelijk anders, indien het ,,ubi papa, ibi ecclesia” ook privaatrechtelijke betekenis heeft. Doch ook daar wordt van de pretentie uitgegaan, dat de kerk een blijvend karakter heeft. Dit neemt niet weg, dat een kerk feitelijk kan ophouden te bestaan. De K.O. geeft voor dat geval geen regeling, zodat art. 1700 B.W. van toepassing is. Het doel of voorwerp der kerk kan ophouden te bestaan, doordat b.v. in tijden van vervolging of ontkerstening bij het ontbreken van alle leden ook het oogmerk tot het blijven bestaan als kerk komt te vervallen. Men neme dit geval niet te spoedig aan, hetgeen geweld zou doen aan het oogmerk van de kerk om blijvende vereniging te zijn; doch anderzijds erkenne men, dat ook hier de feiten kunnen doen concluderen tot het geëindigd zijn van de kerk als zedelijk lichaam. Niemand zal immers aannemen, dat de zeven Klein-Aziatische gemeenten uit de eerste hoofdstukken van de Openbaring van de apostel Johannes thans nog als zelfstandig bestaande rechtspersonen in privaatrechtelijke zin moeten worden aangemerkt. Zelfs kerkrechtelijk lijkt mij dit niet houdbaar o.a. bij de exegese van Openbaring 2: 5, dat zo de gemeente van Efese zich niet bekeert, Christus haar kandelaar van zijn plaats zal wegnemen.

3. De leden der kerk moeten staan op de grondslag van gemeenschappelijke godsdienstige opvattingen. Ook dit element ontbreekt in de gereformeerde belijdenis niet, immers wij zagen, dat zij verenigd moeten zijn met hart en wil in één zelfde Geest, door de kracht des geloofs (d). Elke kerkstrijd die wordt gevoerd en elk schisma als gevolg van die strijd moet deze grondslag raken, wil


➝ te bestaan, dat de in het kerkelijk gebruik verankerde samensmelting en splitsing van kerken zonder ontbinding en liquidatie ook privaatrechtelijk erkenning gaan vinden. Een beginsel van openbare orde, waarmede dit zou strijden, lijkt mij niet (meer) in het spel te zijn.
89) H.R. 13 Mei 1938, N.J. 1939 no. 247 ten aanzien van de classis ’s-Hertogenbosch in de zin van art. 84 K.O. als zedelijk lichaam.
90) Dit werd reeds aangenomen door Voorduin V blz. 315, die oordeelt, dat een kerk blijft bestaan al ontbreken alle leden, „omdat het oogmerk niet heeft opgehouden, doordien andere personen van hetzelfde geloof naderhand van de .kerk kunnen gebruik maken”.
91) Dr. F. L. Bos, De Orde der Kerk, blz. 154.
92) Pres. Rb. Leeuwarden 18 Oct. 1945, N.J. 1946 no. 53 inz. de kerk van Murmerwoude.

|34|

zij respectabel zijn. Heeft zij daarmede niets uitstaande en bestaat zij slechts in het volgen van kerkelijke leiders of verleiders zonder meer, dan druist zij tegen de gereformeerde belijdenis in, juist omdat deze uitspreekt, dat de kerk niet aan zekere personen is gebonden (c).

4. Dat de kerk de gemeenschappelijke godsverering harer leden beoogt, blijkt uit de Woord- en Sacramentsbediening en uit de handhaving van de kerkelijke tucht (f). De kerk is dus niet een praatgezelschap of een studiegenootschap, doch pretendeert het Woord Gods door haar dienaren ambtelijk te verkondigen. Dit hoeft intussen niet te betekenen, dat deze ambtsdragers een absolute zeggenschap moeten bezitten, welke de leden in alle omstandigheden behoren te respecteren.

Het karakter der kerk als instelling Gods

Tot zover zijn alle elementen van de definitie van Duynstee aanwezig bij een kerk volgens gereformeerde belijdenis.

Er is echter een belangrijk element, dat niet voorkomt in deze definitie, n.l. het karakter van de kerk als Goddelijke instelling (e en i). Behalve vergadering is de kerk ook verzameling: Behalve coetus is de kerk ook congregatio. Naar de gereformeerde Geloofsbelijdenis worden de kerkleden door God samengevoegd op de grondslag van de onveranderlijke Godsopenbaring.

De vraag kan worden gesteld, of Duynstee terecht dit element uit zijn definitie heeft weggelaten. Zoals gesteld beschouwt de gereformeerde belijdenis dit element als van essentiële betekenis. Indien men aanneemt, dat het hier om zuivere geloofsvragen gaat, is het duidelijk, dat deze weglating terecht geschiedt. De privaatrechtelijke definitie behoeft immers slechts te bestaan uit die elementen, welke privaatrechtelijk relevant zijn, d.w.z. waarover discussie voor de burgerlijke rechter mogelijk is. De rechtspraak neemt aan — zoals in § 1 werd vermeld — dat dit ten aanzien van zuivere geloofsvragen niet het geval is en dat binnen de kerk zelve deze discussie behoort te kunnen worden beslecht indien dit nodig mocht blijken.

Dit leidt tot een wonderlijke consequentie, welke de rechter voorzichtig maakt om in kerkelijke geschillen uitspraken te doen. De kerk is immers allereerst geloofsgemeenschap. In het Apostolicum (de Twaalf Artikelen) wordt dit uitgedrukt in het woord: Credo ecclesiam catholicam sanctam. De kerk en de hoofdzaak van haar organisatie is dus allereerst en allermeest een geloofsstuk, hetgeen niet uitsluit, dat zoals wij zagen bepaalde geloofsformules, n.l. die omtrent de definitie van de kerk, rechtens relevant zijn. De Hoge Raad nam deze op het voetspoor van Duynstee over. Daarmede is tevens gegeven, dat naar privaatrecht de gereformeerde belijdenis

|35|

niet irrelevant is. Deze bevat immers ook niet zuivere geloofsuitspraken; niet zuiver doordat zij privaatrechtelijk grijpbaar zijn. Aan de Kerkenorde kan deze definitie en evenmin een andere definitie worden ontleend. De kerkelijke formulieren vormen derhalve — zeker op het punt der definitie van kerk — meer dan de zuiver geestelijke grondslagen der kerk. Intussen meen ik, dat het door mij vermelde „congregatio”-element der gereformeerde begripsomschrijving van kerk terecht uit haar privaatrechtelijke definitie is geweerd. Het werken en het willen Gods in de gereformeerde kerk-organisatie is naar positief Nederlands recht voor de neutrale staatsrechter niet grijpbaar. Hij kan zich als orgaan van de neutrale staat slechts aan regels houden, zoals deze voor elke vereniging onder mensen kunnen worden vastgelegd.

Rechtspersoonlijkheid

Volgens de toelichting van Meijers op boek 2 van zijn ontwerp (1e deel, blz. 121) zijn twee van de meest typerende eigenschappen van een rechtspersoon: een afgescheiden vermogen met eigen aansprakelijkheid en een eigen bestaan, en een doel, dat niet aan het bestaan en de belangen van individueel bepaalde personen gebonden is. Vertoont een gereformeerde kerk deze eigenschappen? Zeker de tweede, immers art. 27 Ned. Geloofsbelijdenis zegt: „Deze kerk is geweest van den beginne der wereld af en zal zijn tot den einde toe.” De individuele leden wisselen in het gaan en komen der geslachten, de Kerk blijft. „Ook mede is deze Heilige Kerk niet gelegen, gebonden of bepaald in een zekere plaats of aan zekere personen, maar zij is verspreid en verstrooid door de gehele wereld, nochtans te zamen en verenigd zijnde met hart en wil in éénzelfde Geest, door de kracht des geloofs”. Haar doel ligt in de verering van God, die de gelovigen congregeert tot een gemeente (Heid. Cat. Zondag 21). Met deze op tweeërlei wijze omschreven doelstelling is de wil tot rechtspersoonlijkheid gegeven. De plaatselijke Kerk pretendeert immers een lichaam van Christus te zijn (1 Cor. 12: 27, art. 32 Ned. Geloofsbelijdenis), dus een corpus, een rechtspersoon92a).

Naar buiten treedt de kerk dan ook als eenheid op, niet als een verzameling van individuele leden. De rechtspersoonlijkheid wordt door de K.O. uitsluitend plaatselijk gedacht. De ambtsdragers, al zijn zij met medewerking van de leden gekozen, zijn niet aan de wil van de gemeenteleden, doch aan het doel van de kerk gebonden. Zij representeren als kerkeraad de gemeente als eenheid (art. 11


92a) De term „lichaam” komt voor in artt. 29 en 32 Ned. Geloofsbelijdenis. Eveneens in 1 Cor. 12: 27. Voor een theologisch-juridische verantwoording van de stelling: zie K. Schilder, De Reformatie van 12, 19 en 26 Maart 1949.

|36|

K.O.)92b). Hun Lastgever is immers Christus, het enige Hoofd der Kerk.

Is voor het bestaan van rechtspersoonlijkheid van een kerk nodig dat zij afgescheiden vermogen heeft? Neen, een kerk is geen stichting. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad nam dan ook terecht aan, dat voor zedelijke lichamen geen vermogenseis geldt93). Het afgescheiden vermogen is voor de kerk dus een sequeel van haar rechtspersoonlijkheid.

De rechtspraak erkent deze rechtspersoonlijkheid, wanneer de daarvoor vereiste kenmerken aanwezig zijn. Deze vereisten bestaan hierin, dat er een organisatie moet zijn van een groep personen, ingericht om als eenheid aan het rechtsverkeer deel te nemen94).

Een gereformeerde kerk voldoet blijkens het voorgaande aan deze eisen en is dus als rechtspersoon te beschouwen. Het niet aanmelden van de kerk op grond van art. 1, tweede lid, van de wet van 10 Sept. 1853, heeft voor de vraag van de rechtspersoonlijkheid geen betekenis95). Een ontvangstbericht van een kennisgeving krachtens deze wet levert dan ook slechts een feitelijk vermoeden op van het zijn van kerkgenootschap96). Zelfs een schriftelijke acte van instituering is geen vereiste, al is zij ter wille van de rechtszekerheid dringend gewenst97).

Niet altijd wordt het vorenstaande in de rechtslitteratuur zuiver uitgedrukt. Het eindrapport Staatscommissie vervanging Armenwet98) drukt zich als volgt uit: „De kerkelijke instellingen vinden, voor zover zij een onderdeel van een kerkgenootschap zijn, haar statuut uitsluitend in de Grondwet en in de wet van 1853”99) en voorts wordt gesteld, dat kerkelijke instellingen haar rechtspersoonlijkheid


92b) Vgl. Hof Den Haag 30 Juni 1954 inz. Kerk Giessendam (gepubliceerd in De Reformatie van 17 Juli 1954): „de Kerkeraad is het enige met gezag bekleed orgaan, dat namens de kerk kan optreden, zijnde dat ook af te leiden uit artikel 11 der Kerkenordening”.
Vgl. Hof Amsterdam 6 Juni 1929, W. 12013 inz. kerk Tienhoven: „uit artt. 29 en volgende van de ten dezen geldende Kerkenordening volgt, dat de Kerkeraad het hoogste uitvoerende orgaan der Kerk vormt en een dergelijk orgaan uiteraard ook met het beheer van de goederen dier Kerk is belast, waaronder gerekend moet ¦worden het treffen der maatregelen tot het behoud dier goederen en dus ook tot het voeren van desbetreffende rechtsgedingen, tenzij het recht tot het nemen van die maatregelen op eenigerlei wijze zou zijn beperkt.”
93) Conclusie voorafgaande aan arrest 13 Mei 1938, N.J. 1939, no. 247.
94) H.R. 6 Dec. 1939, B. 7040.
95) Zelfde arrest.
96) Ned. Bestuursrecht, uitg. Samsom 1953, deel II, blz. 147.
97) Vgl. voor de rechtspersoonlijkheid van een vereniging tot onderlinge verzekering zonder oprichtingsacte H.R. 20 Mei 1927 N.J. 1927, blz. 1372, W. 11698.
98) Deze commissie werd ingesteld bij Koninklijk Besluit van 12 April 1947, no. 16 en bracht haar eindrapport uit op 31 Augustus 1954.
99) t.a.p. blz. 51, 142.

|37|

ontlenen aan de jurisprudentie100). Het Voorlopig Verslag van de Tweede Kamer op art. 2.1.1 ontwerp-Meijers stelt: „Terecht... wordt in artikel 2 van deze Titel rechtspersoonlijkheid toegekend aan zelfstandige onderdelen van kerkgenootschappen”. Kerken vinden, zoals wij zagen, haar statuut, beter: grondslag, niet in de Grondwet of andere wereldlijke wetten, doch in het Woord van God, wil men — van het standpunt van de neutrale staat bezien — in haar opvatting omtrent het Woord van God. Voorts ontlenen zij haar rechtspersoonlijkheid niet aan de jurisprudentie, doch aan haar eigen pretentie als rechtspersoon en haar zodanige organisatie.

Een geheel andere zaak is, dat naar Nederlands recht deze pretentie door wetgever en rechter erkend wordt, voor zover dit op het standpunt van de neutrale staat mogelijk is101).

Aan de rechtspersoonlijkheid wordt in feite geweld aangedaan in een aantal uitspraken van de Groningse Rechtbank, die wanneer een scheuring in een gereformeerde kerk heeft plaatsgevonden, deze ziet voortleven in beide groepen102). De goederen behoren volgens haar dan te worden verdeeld op basis van lidmaten-aantal of bij helfte103).


100) ta.p. blz. 151, 152.
101) Vgl. Gerbrandy in het kamerdebat met Meijers op 9 September 1953: „Rechtspersoonlijkheid kan niet door de overheid worden gegeven; de rechtspersoon is een organisatievorm, die zich in het verkeer voordoet en die de wetgever hoogstens kan erkennen, maar meer niet”, Handeling enTweede Kamer, deel II, blz. 2887/8.
102) Vonnis 24 Juni 1949, N.J. 1950 no. 365 (Bedum)
„ 8 Febr. 1952, N.J. 1952 no. 770 (Leens)
„ 10 Oct. 1952 (Kantens), te kennen uit H.R. 20 April 1956, N.J. 1956 no. 303.
„ 15 April 1955, N.J. 1955 no. 514 (schoolkwestie Enumatil)
„ 21 Oct. 1955, N.J. 1956 no. 408 (Opende)
„ 27 April 1956 niet gepubliceerd (Pieterburen)
„ 21 Juni 1957 id. (Winsum-Obergum).
Uit deze vonnissen blijkt, dat deze Rechtbank het conflict ziet als een „zuiver kerkelijk geschil” zodat de kerken na de scheuring tezamen de aloude ongedeelde plaatselijke kerk vormen, „te meer daar beide kerken aanvaarden Gods Woord, ook al kan worden toegegeven, dat de Vrijgemaakten zich strenger aan de letter van Gods Woord houden dan de Synodalen, de drie formulieren van Enigheid, gelijk die door de Gereformeerde Kerken dezer Landen zijn vastgesteld op de Nationale Synode van Dordrecht in de jaren 1618/1619 en de daar vastgestelde Dordtsche Kerkenordening met alle daarna in die Formulieren en Kerkenordening door de Geref. Kerken in Nederland aangebrachte wijzigingen.”
R.J.C. Cornegoor stelt in Ned. Jur. Blad 1951 blz. 409, dat de neutrale buitenstaander er van uit moet gaan, dat beide partijen in de zelfde mate het gelijk aan hun zijde hebben en dat hiervan uitgaande zij door een notaris hun goederen moeten doen verdelen. Fischer bestrijdt dit t.a.p. blz. 410 terecht o.a. door te stellen dat vooralsnog het tegenwoordige systeem het meest rationele en rechtvaardige is: de rechter beschouwt de kerkgenootschappen zoals een neutrale rechter dit moet doen, n.l. als voor het recht te zijn gewone zedelijke lichamen.
103) Vonnis 8 Febr. 1952, N.J. 1952 no. 770.

|38|

Anneveldt104) acht hierin het juiste, immers neutrale standpunt van de rechter gelegen. Mijns inziens komt deze rechtspraak er zakelijk op neer, dat het vermogen van de kerk een latente onverdeelde boedel is, welke opvatting niet bevorderlijk is voor de eenheid der kerk. Immers de noodzaak om groepsvorming in de kerk te bestrijden door volgens haar doel gemeenschappelijk naar waarheid, eenheid en recht te zoeken, komt daardoor voor een belangrijk deel te vervallen. Op ruzie maken in de kerk staat geen straf meer. Ieder lid, dat enige aanhang kan verkrijgen kan ongestraft — en dat nog wel onder de pretentie de oude kerk te vormen — boedelscheiding eisen. De Groningse Rechtbank verleent hem rechtsingang. In dit verband herinner ik tot goed begrip er aan, dat een dergelijke „boedelscheiding” mij niet onbillijk voorkomt, in geval de rechter incompetent is over zuivere geloofsvragen, die voor het geschil relevant zijn, te beslissen105).

Nationaliteit van het kerkgenootschap

Ook deze kwestie is niet irrelevant naar Nederlands recht. Dit bleek bij de toepassing van het Besluit Vijandelijk Vermogen. Het is in 1945 voorgekomen, dat het Nederlandse Beheersinstituut een aan een Deutsch Evangelische Gemeinde in Nederland in eigendom toebehorend kerkgebouw als van rechtswege overgegaan op de Staat der Nederlanden beschouwde. Dit instituut achtte zich derhalve bevoegd om het gebouw te verhuren en later te verkopen aan een gereformeerde kerk ter plaatse. Noch de notaris, noch laatstgenoemde kerk was zich daarbij bewust, dat er werd gehandeld in strijd met art. 1507 B.W., dat koop en verkoop van eens anders goed nietig verklaart. Later kwam de Duitse kerk, welker leden allen de Duitse nationaliteit bezaten, tegen deze handelingen op. Zij stelde Nederlands rechtspersoon te zijn, hetgeen m.i. inderdaad het geval is, omdat voor de nationaliteit van de rechtspersoon in het algemeen niet beslissend is de nationaliteit van de leden, doch of zij naar Nederlands recht is opgericht en in Nederland haar zetel heeft. Dit laatste was hier het geval, hetgeen mede was af te leiden uit haar plaatsing op de lijst volgens de Wet van 10 September 1853.

Op een door de gereformeerde kerk aan de Ministers van Justitie en Financiën ingediend verzoekschrift om schadevergoeding ex art. 1507 B.W. werd gunstig beschikt, waaruit af te leiden valt, dat ook deze autoriteiten het standpunt innamen, dat de Duitse kerk een Nederlandse rechtspersoon was.

De vermelding van het vorenstaande is hier van belang, omdat er ook Nederlandse gereformeerde kerken in het buitenland zijn, zo


104) Stelling, behorende bij zijn proefschrift Groningen 1953 „Strafrechtelijke aansprakelijkheid van deelnemers en andere derden.”
105) Zie hiervoor § 1.

|39|

b.v. in Duitsland en Indonesië, terwijl er eveneens kerken van gereformeerde Nederlanders in het buitenland zijn gevestigd, zo b.v. in Canada, Zuid-Afrika en Australië. Sommige kerken van Nederlanders drukken deze nationaliteit zelfs in haar naam uit, zo de groepen van „The Canadian Reformed Churches”, „The Free Reformed Churches of Australia” en „Die Vrije Gereformeerde Kerke van Suid-Afrika”. Uiteraard moet in laatstgenoemde gevallen de nationaliteit beoordeeld worden naar het vreemde recht.

Roeleveld, L. [1958] 3

§ 3. De organen der kerk

Algemeen

Art. 30 van de Ned. Geloofsbelijdenis spreekt van de regering der ware kerk naar de geestelijke politie, die ons onze Heere heeft geleerd in Zijn Woord; namelijk dat er dienaars of herders moeten zijn, om Gods Woord te prediken en de Sacramenten te bedienen; dat er ook opzieners en diakenen zijn, om met de herders te zijn als de raad der kerk; en door dit middel de ware religie te onderhouden, en te maken, dat de ware leer hare loop hebbe, dat ook de overtreders op geestelijke wijze gestraft worden en in de toom gehouden, opdat ook de armen en bedrukten geholpen en getroost worden, naar dat zij van node hebben.

Art. 2 K.O. werkt dit uit in vierderlei diensten: der Dienaren des Woords, der Doctoren, der Ouderlingen en der Diakenen. De artt. 16, 23 en 25 K.O. geven in enigszins andere bewoordingen de genoemde taakomschrijving van predikanten, ouderlingen en diakenen aan, als hierboven vermeld volgens art. 30 van de Belijdenis.

De dienaars zijn de predikanten; de opzieners de ouderlingen. Het ambt der Doctoren of Professoren in de Theologie is, de Heilige Schrifture uit te leggen, en de zuivere leer tegen de ketterijen en dolingen voor te staan. Over de vraag, of het Doctorenambt terecht door de K.O. als een kerkelijk ambt wordt aangemerkt, bestaat nogal wat verschil van mening, omdat in de praktijk van het leven zij de wetenschap der theologie beoefenen. Ik meen, dat de K.O. dit terecht doet, omdat tussen wetenschap en religie zeker in kerkelijke zaken een zeer nauwe band bestaat, doch laat deze kwestie verder rusten, omdat zij voor de werking van het privaatrecht van ondergeschikt belang is.

Van belang is ook art. 32 Ned. Geloofsbelijdenis, waar wordt gesteld: „Intussen geloven wij, hoewel het nuttig en goed is, dat die regeerders der kerk zijn onder zich zekere ordinantie instellen en bevestigen tot onderhouding van het lichaam der kerk, dat zij nochtans zich wel moeten wachten af te wijken van hetgeen ons Christus, onze enige Meester, geordineerd heeft.”

|40|

De toetsing van de K.O. aan de Belijdenis zal in vele gevallen voor buitenstaanders wel mogelijk zijn. De eenvoudige en duidelijke tekst van het hiervoren aangehaalde art. 30 van de Belijdenis bewijst dit.

Privaatrechtelijk interesseert ons het meeste door welke organen106) de kerk geregeerd wordt. De aandacht zij er op gevestigd, dat de kerkelijke papieren nergens over „organen” of „bestuurscolleges” spreken en deze termen in verband met het zuiver dienende karakter van het kerkelijk gezag kennelijk vermijden. De Kerken-orde spreekt dan ook over „diensten”. Gemakshalve wordt in het vervolg in aansluiting aan hetgeen in het privaatrecht gebruikelijk is, de term „orgaan” gebezigd. Twee organen komen hier in bespreking, de kerkeraad en de vergadering van diakenen; over de vergaderingen, van meerdere kerken in samenwerkingsverband wordt in § 4 gehandeld.

Kerkeraad

Volgens art. 37 K.O. zal in alle Kerken een Kerkeraad zijn, bestaande uit de Dienaren des Woords en de Ouderlingen, en volgens art. 38 K.O. zullen, waar het getal van de Ouderlingen klein is, de Diakenen door plaatselijke regeling mede tot de Kerkeraad kunnen genomen worden; hetgeen altijd geschieden zal, waar dit getal op minder dan drie is bepaald. Volgens art. 11 K.O. representeert de Kerkeraad de gemeente.

De kerkeraad vertegenwoordigt de kerk in alle zaken, welke niet de armenverzorging raken. Dit laatste is in gereformeerde kringen niet vanzelfsprekend, waarom daarover in het vervolg uitvoeriger zal worden gehandeld.

Dat de kerkeraad bevoegd is binnen de grenzen van het kerkelijk statuut de kerk te binden, is in de rechtspraak naar aanleiding van het conflict in de Gereformeerde Kerken in de veertiger jaren wel komen vast te staan. Ik moge volstaan te dezer zake naar de verhandeling van Dorren te verwijzen107).

Toch is hier geen regel zonder uitzondering. Het is n.l. aannemelijk, dat in de gereformeerde kerken der synodalen in geestelijke zaken niet de kerkeraad, doch de meerdere vergadering het laatste woord heeft. Men heeft immers consequent de K.O. in deze zin geïnterpreteerd en gehanteerd, waardoor kan worden gesteld dat dit rebus ipsis et factis geldend recht in deze kerken is


106) Omtrent het begrip orgaan vgl. H.R. 6 April 1951, N.J. 1951 no. 665 inz. Herst. Ap. Zendings Gem.: Degeen die statutair de bevoegdheid heeft tot benoeming van de bestuurder, behoeft nog geen orgaan van de vereniging te zijn. Dus: een instantie die in de statuten genoemd wordt is door dit enkele feit van genoemd-worden-in-de-statuten nog geen orgaan. Zie ook W.P.N.R. 4493 blz. 245.
107) Ned. Juristenblad 1954 blz. 711.

|41|

geworden108). Leest men voorts de rechterlijke uitspraken omtrent de Oud-Gereformeerde Gemeente te Scheveningen, dan blijkt, dat in belangrijke zaken daar de ledenvergadering de hoogste macht heeft109). Overigens is het zeer onwaarschijnlijk, dat in vermogensrechtelijke kwesties, als aankoop van een kerkgebouw, de kerkeraad niet bevoegd zou zijn buiten de gemeente om de kerk te binden in de genoemde uitzonderingsgevallen.

Een practische moeilijkheid bij het verrichten van rechtshandelingen namens de kerk heeft de rechtspraak opgelost door te beslissen, dat, nu de kerkeraad de gedaagde kerk in rechte vertegenwoordigt, de vordering tot rechtsverklaring en goederenafgifte ook kan worden ingesteld tegen de voorzitter en de secretaris van die raad. (De K.O. spreekt in art. 34 van praeses en scriba)109a). Er zijn immers kerkeraden, die in ledental voor ons parlement niet onderdoen. Of deze oplossing voor alle gevallen opgaat, kan worden betwijfeld. Verrichten alle kerkeraadsleden eenstemmig de rechtshandeling, dan is haar geldigheid buiten kijf109b).

Voor een hypotheekverlening door een Gereformeerde kerk stelt Bregstein de eis, dat op de kerkeraadsvergadering, welke daartoe besluit, alle leden aanwezig zijn of behoorlijk zijn vertegenwoordigd door hun gevolmachtigde mede-leden, en zij eenstemmig hun vorige besluit handhaven110).

Deze eis van eenstemmigheid gaat m.i. te ver. Art. 31 K.O. zegt, evenals art. 1696 B.W., dat de absolute meerderheid van de leden geldig namens de kerk kunnen besluiten110a).

Rechtspositie predikant

Gezien de bijzondere aard van het ambt van Dienaar des Woords moet worden aangenomen, dat tussen de kerk en de predikant geen arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht bestaat111).

Dit brengt voor de toepassing van de wetgeving verschillende gevolgen mede: De sociale verzekeringswetgeving is op de predikant in het algemeen niet van toepassing112). Het emeritaatsgeld is niet als pensioen, toegekend door of vanwege een particuliere


108) Meer hieromtrent zie § 4 hierna.
109) Einduitspraak N.J. 1939 no. 202.
109a) Rb. Groningen 8 Febr. 1952, N.J. 1952 no. 770.
109b) Vgl. G.H.A. Grosheide sr. in W.P.N.R. 4517.
110) W.P.N.R. 4492. Over deze materie zie ook Smid W.P.N.R. 4504.
110a) Volgens P. Deddens „De ratificeering der besluiten van meerdere vergaderingen” inaugurele rede Kampen 28 Januari 1946, blz. 10 wil dit artikel niet in de exclusieve zin verstaan worden, dat het van niets anders spreekt dan van beslissingen in appèlzaken, doch blijkt uit de geschiedenis, dat in de tweede helft van art. 31 sprake is van alle beslissingen, genomen in alle kerkelijke vergaderingen.
111) Kamphuizen, De collectieve en de individuele arbeidsovereenkomst, Leiden 1956 blz. 75.

|42|

werkgever, te beschouwen113). Voorts is de predikant geen ondernemer in de zin van de Wet op de Omzetbelasting114).

De Minister van Sociale Zaken neemt aan, dat op de oudendags-en nabestaandenvoorziening krachtens art. 13 K.O., zolang de rechter niet anders beslist, de Pensioen- en spaarfondsenwet niet van toepassing is115). Ten aanzien van de Algemene Ouderdomswet is de situatie niet duidelijk. De Minister van Sociale Zaken heeft bij de behandeling in de Tweede Kamer uitdrukkelijk gesteld, dat het zijn bedoeling was, dat de predikanten ook onder deze wet zouden vallen. Hij wilde echter geenszins de vrijheid van de kerken aantasten116). In de petities van kerken aan de Tweede Kamer was uitdrukkelijk gesteld, dat zij deze wet als een inbreuk op de vrijheid van de kerken beschouwen, daar de emeritaatsregeling een geloofskwestie is blijkens het Schriftwoord van 1 Cor. 9: 13 en 14. Van de bedoeling van de wetgever om de vrijheid, geregeld in art. 1 van de Wet van 10 Sept. 1853, op dit punt te doorbreken is niet gebleken. Deze wetsbepaling garandeert toch volkomen geloofsvrijheid van blijvende aard. Het Tweede Kamerlid, de Leidse hoogleraar Lemaire, constateerde in de opvatting van de Minister m.i. terecht een doorkruising van uitvloeisels van scheiding van Kerk en Staat117). Daar de wetgever deze niet heeft gewild, o.a. blijkens de


112) Vgl. o.a. Centrale Raad van Beroep 6 April 1933, A.B. 1933 blz. 321: Geestelijke arbeid als van een evangelist bij een vereniging tot Evangelisatie kan niet geacht worden te zijn arbeid verricht in loondienst; idem 2 November 1948, A.B. 1948, blz. 1006: De arbeid van een godsdienstonderwijzer op openbare lagere scholen droeg een overwegend godsdienstig-geestelijk karakter, omdat hij werd verricht in dienst van een kerkeraad en tevens de voortdurende aandacht moest worden gegeven aan het contact met de gezinnen. Daarom geen arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht.
113) Raad van Beroep Dir. Bel. Leeuwarden 28 Nov. 1955 Vakstudie Ink. Bel. blz. 545 op grond dat de verhouding tussen predikant en kerk niet als arbeidsovereenkomst kan worden beschouwd.
114) Tariefcommissie 27 Augustus 1956, B.N.B. 1956/315.
Het berechte geval had betrekking op een predikant van de Ned. Hervormde Kerk, die een automobiel had aangeschaft en meende omzetbelasting te kunnen besparen door te stellen, dat hij ondernemer was in de zin van het Besluit op de Omzetbelasting 1940. De tariefcommissie overwoog, dat al moge de toevertrouwing en verzorging van de godsdienstige belangen van de gemeente hem in de uitoefening van de aan dit kerkelijk ambt verbonden werkzaamheden een zekere mate van vrijheid van handelen tegenover kerkeraad en gemeente geven, deze vrijheid toch niet zodanig is, dat hem de zelfstandigheid toekomt welke de ondernemer kenmerkt.
115) Verzekeringsbode 22 Januari 1954. Van belang omtrent het karakter van emeritaatsgeld zijn de beschouwingen in het Rapport Oct./Nov. 1944 door de heren Kleynjan, Schilder, Snijder en Wijn, op verzoek van de classis van 13 Oct. 1944 te Schiedam van de (Vrijgem.) Ger. Kerken. Zie ook mijn opmerkingen in de Verzekeringsbode van 10 en 17 April 1953.
116) Handelingen blz. 3886.
117) Handelingen blz. 3880.

|43|

omstandigheid dat art. 1 van de Wet van 10 Sept. 1853 niet impliciet, doch slechts door een uitdrukkelijke rechtsregel kan worden doorbroken, waarbij dan nog de vraag rijst of een dergelijke doorbreking geldig zou zijn op grond van art. 9 van het Tractaat van Rome juncto art. 181 e.v. Grondwet 1956, komt het mij voor dat de Algemene Ouderdomswet niet geldt voor predikanten van kerken, die de emeritering als een directe geloofszaak zien118), er daarbij van uitgaande, dat de Algemene Ouderdomswet in wezen neerkomt op een zij het indirecte aantasting van deze vrijheid, hierin bestaande dat, om de woorden van Prof. Lemaire te gebruiken, haar „roeping door wettelijke voorzieningen wordt gedetermineerd.” De neutrale staatsrechter, die om begrijpelijke reden zo gaarne zich distancieert van geloofskwesties bij kerkelijke geschillen, zal wil hij consequent zijn hier de predikanten in het gelijk moeten stellen tegen het staats-apparatuur, waardoor deze geheel buiten de Algemene Ouderdomswet vallen en niet als gemoedsbezwaarden in plaats van premie te betalen met belastingheffing worden verrast. Gezien de vrijwel noodlijdende positie van vele kleine kerken, die uit overweging van beginsel geen financiële steun van de overheid wensen, lijkt mij een dergelijk „buitenkansje” ook geenszins ongegrond.

De vergadering der diakenen

Het is een hardnekkig misverstand onder gereformeerden, dat diakenen binnen de plaatselijke kerk een eigen rechtspersoon vormen. De oorsprong van deze dwaling119) is zeer waarschijnlijk te zoeken in art. 5 der Armenwet. Dit artikel bepaalt, dat het voorkomen van instellingen van weldadigheid op de door Burgemeester en Wethouders ingevolge de Armenwet aangelegde lijst de hoedanigheid van rechtspersoon voor zodanige instellingen medebrengt. Aangezien dikwijls niet de kerk, doch de „diaconie” op deze lijst werd ingeschreven, meende men, dat daarmede haar rechtspersoonlijkheid was gegeven.

In deze opvatting zou de „diaconie” een zelfstandig kerkelijk onderdeel zijn. Bezien wij deze kwestie nader.

Naar gereformeerde opvatting behoort het werk van de diakenen


118) Vgl. in dit verband de noot onder de uitspraak van de Tarief-commissie 8 Dec. 1953, B.N.B. 1954/99:
Niet de omstandigheid of iets in het algemeen als een handeling van godsdienstige aard kan worden aangemerkt is beslissend, doch de opvatting van het toepasselijk kerkrecht. Het onderhoud van graven, het plaatsen van zerken en het verrichten van opgravingen op Joodse begraafplaatsen dienen in verband met de Joodse leer te worden beschouwd als diensten, welke door bedienaren van de godsdienst worden verricht. Ten aanzien hiervan geen, ten aanzien van de leveringen van doodkisten en het beschikbaar stellen van lijkauto's wel omzetbelasting verschuldigd.” (Ik cursiveer L.R.).
119) Zie Bijlage XXVIII ad art. 93 Acta Gen. Synode Arnhem 1930.

|44|

tot de eigen doelstelling der kerk. Het religieuze karakter van dit werk is onmiskenbaar: De instelling van het diakenambt is op Gods woord gegrond; de taak van de diakenen berust op de geloofsinhoud, beleden in art. 30 Ned. Geloofsbelijdenis, en wordt verricht namens de kerk als zodanig, terwijl hun positie in de kerk o.a. geregeld wordt in de artt. 23 t/m 27 en 40 K.O. De diakenen maken deel uit van de kerk, maar uit niets blijkt, dat zij een zelfstandig onderdeel van de kerk, een lichaam, een eigen rechtspersoon vormen. De Heilige Schrift wijst eer op het tegendeel, waar de apostel Paulus in 1 Cor. 12: 27/28 en Rom. 12: 5 spreekt van het éne lichaam der kerk, waarin God sommigen aangesteld heeft als apostelen, anderen als profeten, derden als leraars, verder krachten, gaven van genezing, (bekwaamheid) om te helpen, om te besturen en verscheidenheid van tongen. Deze schriftplaatsen worden ook in het Bevestigingsformulier van de diakenen genoemd. Blijkens dit formulier wordt een diaken bij zijn bevestiging dus niet gesteld in het ambt van een „diaconie”, die dan bovendien nog rechtspersoon zou moeten zijn, doch van de éne kerk120).

Vergadering der diakenen zelfstandig kerkelijk orgaan

Nagegaan wordt nu, of de diakenen een orgaan van de kerk vormen. In de Handelingen der Apostelen 6: 3 wordt aan de diakenen de taak der armenverzorging opgedragen. Blijkens het daarop volgende vers 4 is dit hun eigen taak, want de apostelen zullen zich voortaan houden aan het gebed en de bediening van het Woord. Het Bevestigingsformulier van de diakenen gaat ook van deze opvatting uit en werkt deze taak met haar geestelijk karakter nader uit. Verder vermeldt art. 30 Nederlandse Geloofsbelijdenis de diaconale taak en wordt zij nog omschreven in de K.O., waar in art. 25 sprake is van hun eigen ambt. Voor de diakenen, doch ook voor de andere ambtsdragers, geldt het Schriftwoord van 1 Cor. 7: 20: „Ieder blijve bij die roeping waarin hij geroepen was, toen hij geroepen werd.”


120) Dr. J. Hoek, Diaconaal Handboek 1929, blz. 94, wijst er op, dat de diakenen geen afzonderlijke en zelfstandige bestuursorganisatie vormen. En Prof. C. Veenhof heeft in Dienst 1947 blz. 141 van hetzelfde gevoelen doen blijken „door op fundamentele waarheid te wijzen, dat de kerkeraad het enige bestuur is over de kerk van onze Here Jezus Christus; dat de diakenen niets anders, niets minders te doen hebben dan de verzorging der behoeftigen; dat de diakonale vergadering geen tweede kerkeraad, geen mindere kerkeraad, geen stuk van de kerkeraad, maar een vergadering van diakenen, die onder het permanente bestuur en opzicht van de kerkeraad, de gehele ondersteuning der armen verzorgen, is; dat de „diakonie” daarom geen bezittingen kan hebben, geen huizen kan bezitten en geen zelfstandig lichaam is”.
De organisatie van de Ned. Hervormde Kerk gaat van een ander standpunt uit, zie o.a. Rechtbank Middelburg 5 Februari 1936, N.J. no. 704.

|45|

Hierbij sluit zich aan, dat „indringing in eens anderen dienst” een grove zonde kan opleveren, die kan leiden tot opschorting of afstelling van de dienst volgens artt. 79 en 80 K.O.

Diakenen handelen bij de uitvoering van hun taak namens de kerk en vormen daartoe een aparte vergadering, die zelfstandig over de zaken van hun ambt kan handelen volgens art. 40 K.O., terwijl de uitdeling slechts met gemeen advies mag plaats vinden volgens art. 25 K.O. De diakenen worden daardoor niet tot een zelfstandig onderdeel van de kerk, doch wel een zelfstandig orgaan der kerk en kunnen dus de kerk in de uitoefening van hun ambt zelfstandig binden en wel buiten de kerkeraad om: Een aan een behoeftige geschonken goed zal door de kerk niet kunnen worden teruggevorderd op grond, dat de kerkeraad deze verstrekking niet goedkeurt. Volgens het eigen ambt der diakenen waren zij met gemeen advies daartoe bevoegd. En zo zal dit ook van andere rechtshandelingen gelden, die redelijkerwijze tot verwezenlijking van het doel der kerk in de verzorging van armen strekken, b.v. een aanvraag tot inschrijving van de kerk op de lijst van instellingen van weldadigheid volgens de Armenwet of zelfs de aankoop van een tehuis voor behoeftige ouden van dagen. Dit is in overeenstemming met art. 1692 B.W.: „De bestuurders van een zedelijk lichaam zijn, voor zover daaromtrent niet anders bij de instellingen, de overeenkomsten en de reglementen is bepaald, gerechtigd om in naam van het lichaam te handelen, hetzelve aan derden en derden aan hetzelve te verbinden, mitsgaders, zo eisende als verwerende, in rechten op te treden.” Het college van diakenen is privaatrechtelijk gezien dus „kerkelijk armbestuurder”. In art. 2.1.5 ontwerp-Meijers is dezelfde gedachte vertolkt: „Tenzij anders is bepaald, is een bestuurder van een rechtspersoon bevoegd ter vervulling van de hem opgedragen taak alle rechtshandelingen te verrichten, die redelijkerwijze tot verwezenlijking van het doel van de rechtspersoon dienstig kunnen zijn. In naam van de rechtspersoon verricht, gelden zij als handelingen van de rechtspersoon”.

Deze opvatting sluit uit, dat de diakenen in de vervulling van hun ambtswerk ondergeschikt zijn aan de predikant en de ouderlingen, die in de kerk het „regeerambt” uitoefenen. Dit neemt niet weg, dat blijkens art. 23 K.O. de ouderlingen opzicht hebben, dat de diakenen hun ambt getrouwelijk bedienen en dat art. 25 K.O. voorschrijft, dat zij van hun ambtsverrichtingen rekening zullen doen in de kerkeraad, en ook — zo iemand daar bij wil zijn — voor de gemeente, op zulke tijd als de kerkeraad goedvinden zal. Privaatrechtelijk zijn deze bepalingen te beschouwen als een uitwerking van art. 1695 B.W.: „Voor zover daaromtrent niet bij de instellingen, de overeenkomsten en de reglementen op een andere wijze is voorzien, zijn de bestuurders verplicht om aan de gezamenlijke leden van het zedelijk lichaam rekening en verantwoording af te leggen,

|46|

waartoe elk lid bevoegd.is hen in rechte op te roepen.” In dit verband is vermeldenswaard, dat dit onderscheid in kerkelijke kringen niet altijd evengoed wordt beseft. De vraag wordt wel gesteld, of de kerkeraad aan de diakenen inlichtingen mag vragen omtrent steunbedragen ter wille van de geestelijke verzorging der betrokken armen121) waarbij over het hoofd wordt gezien, dat de kerkeraad slechts bevoegdheid heeft zich te laten inlichten tot uitoefening van zijn plicht tot toezicht op de diakenen en hun vergadering. Naar mijn oordeel is het gevolg van de zelfstandigheid van het diakenambt, dat in het genoemde geval sprake kan zijn van een indringen in het diakenambt, hetgeen art. 79 K.O. verbiedt, en dat dit kan opleveren misbruik van bevoegdheid, n.l. voor een ander doel dan waarvoor zij blijkens de artt. 23 en 25 K.O. is gegeven.

Diakonie geen rechtspersoon

Uit niets blijkt, dat de strekking van art. 5 der Armenwet is om instellingen tegen haar wil rechtspersoonlijkheid op te dringen. Als het kerkgenootschap zelve aan zijn onderdelen geen rechtspersoonlijkheid toekent, bewerkt het inschrijven op de lijst van art. 3 der Armenwet evenmin dat er rechtspersoonlijkheid ontstaat, zeker niet voor overigens onzelfstandige onderdelen van een rechtspersoon. Zou de instelling, waarvan de „diakonie” een onderdeel vormt, geen rechtspersoonlijkheid bezitten, dan zou inschrijving rechtspersoonlijkheid van de instelling in haar geheel bewerken.

Dit geval doet zich zoals uit het voorgaande blijkt practisch niet voor. Terecht merkt de Staatscommissie vervanging Armenwet in haar Eindrapport122) dan ook op, dat er vermoedelijk geen enkele instelling is, die haar rechtspersoonlijkheid aan de Armenwet ontleent.

Blijkt uit het afzonderlijk houden van diaconale gelden, tenaamstellingen van inschrijvingen in het Grootboek van de Nationale Schuld en in de kadastrale leggers, daden van koop en verkoop, aanvaarden van schenkingen en legaten, doen van beleggingen, innen van huren e.d., dan toch niet van eigen vermogen en eigen rechtspersoonlijkheid? Neen, want afzonderlijk beheer is onvoldoende grond voor het bestaan van afzonderlijke rechtspersonen123), terwijl voorts wanneer bepaalde vermogensbestanddelen van een kerk een verschillende bestemming hebben, dit zonder meer nog geen


121) Dienst 1954, blz. 7/8.
122) Dit rapport werd aan Hare Majesteit de Koningin uitgebracht op 31 Augustus 1954; blz. 152.
Zie ook de beslissingen van Gedeputeerde Staten van Noord-Holland, van 20 Maart 1940 en 19 Mei 1948, B. 7373 en 8611, waaruit de betrekkelijke waarde van de lijst van art. 3 der Armenwet blijkt.
123) Arrest Hoge Raad 14 October 1936, B. 6217 in casu van een kosterij van een Ned. Hervormde Gemeente.

|47|

verdeling van het vermogen in afzonderlijke instellingen-rechtspersoon tengevolge heeft124).

In de praktijk wordt het „diaconaal vermogen” zoveel mogelijk afgescheiden van de overige geldmiddelen van de kerk, in ieder geval afzonderlijk geadministreerd. Rechtens behoren het kerkgebouw, de pastorie, de kosterswoning, het diaconale tehuis voor ouden van dagen en verscheidene andere diaconale kassen aan de ene rechtspersoon, de kerk, hoewel zij een verschillende bestemming hebben. De kerkeraad, eventueel met diakenen, kan in sommige gevallen in deze bestemming verandering brengen, doch niet wanneer de schenkers deze bestemming aan hun gelden hebben gegeven. De gelden voor armenzorg gecollecteerd mogen niet als predikantstraktement worden aangewend en evenmin andersom: Deze giften zijn geschonken voor een bepaalde bestemming en de gevers hebben er recht op, dat hun bedoeling wordt bereikt, doordat de gelden worden besteed voor het aangegeven doel125). Dit is ook de opvatting van de rechtspraak126).

Voor deze opvatting vind ik steun bij Rutgers: „Volgens art. 25 moeten Diakenen rekening doen in de Kerkeraad; welke uitdrukking (evenals het ,,rationes reddere” van de Latijnse tekst) nooit kan betekenen, dat zij enkel opgaven doen, maar noodzakelijk in zich sluit, dat de Kerkeraad ook over de Aministratie zelve te oordelen heeft. Daarom kon b.v. VOETIUS zich op die bepaling ook beroepen, tot geruststelling van diegenen, die vreesden, dat ter wille van ruime onderstand fondsen en bezittingen der Diaconie wel eens te spoedig zouden kunnen aangesproken worden: aan Diakenen, zegt hij, is dat wel toevertrouwd, en voorts, voegt hij er bij, de Opzieners zijn er ook nog, om op de inzameling en de uitdeling toezicht te houden, voor welke Opzieners de Diakenen, gelijk in de Gereformeerde Kerken hier te lande de gewoonte is, altijd verantwoording doen moeten van ontvangst en uitgaaf (Polit. Eccl., Dl. I, blz. 950)127).

Ook een oude synodale uitspraak gaat kennelijk van dit standpunt


124) Arrest Hoge Raad van 21 December 1938, B. 6831 in casu bestemming deels voor de kerk, deels voor de huisvesting en onderhoud der geestelijken en deels ter bezoldiging van de koster.
125) In deze zin Prof. Dr. H. Bouwman, Het Ambt der Diakenen, Kampen, J. H. Kok, 1907 blz. 113/114, die deze regel uitgedrukt acht in art. 25 K.O.: Der Diakenen eigen ambt is ... wel toe te zien, dat de aalmoezen niet misbruikt worden ...
126) Arrest Hoge Raad 15 Maart 1939, B. 6882 acht de bestemming van de opbrengst van een kosterie als predikantensalaris onjuist; vonnis Raad van Beroep Directe Belastingen Roermond 12 Juni 1936, B. 6574 acht overdracht van bepaalde goederen aan een R.K. kerkelijke instelling tot het verrichten van kerkelijke diensten (het houden van eeuwigdurend jaargetijde voor de zielerust van de op de dodenlijst geplaatste personen) een overdracht niet aan een afzonderlijke rechtspersoon, doch aan die instelling onder de last van het verrichten van die diensten.
127) Diaconaal Handboek 1929, blz. 35.

|48|

uit: „Aangaande de uitdeling der aalmoezen, aan wie en hoeveel, dat zal staan aan de discretie der diakenen, die daartoe hun vergaderingen houden, dat ze niet handelen zonder elkanders advies in ordinaarlijke zaken. En in gewichtige zaken zal het gepast zijn, dat ze het advies van de kerkeraad inwinnen”128). Deze verplichting tot het inwinnen van advies is nog geen inbreuk op de zelfstandigheid van het diakenambt, doch benadrukt wel, dat in de kerk de ambten niet langs elkaar heen moeten werken. In eigen roeping moeten de ambten met elkaar samenwerken. Dit is reeds hierom geboden, dat de kerk als geestelijke eenheid ook een vermogensrechtelijke eenheid vormt. Dit volgt uit haar aard en een bijzondere bepaling als art. 84 K.O. (waarover hierna in § 5) is daarvoor overbodig. De kerk is één rechtspersoon en dus zouden diakenen door wanbeheer de goederen en fondsen tot uitoefening van de eredienst in gevaar kunnen brengen, hetgeen ook omgekeerd door de kerkeraad zou kunnen gebeuren ten aanzien van voor armenverzorging bestemde goederen. In dit licht zijn verstaanbaar de synodale uitspraken, dat de regeling der diaconale werkzaamheden aan de kerkeraad staat, maar met recht van appèl beiderzijds op de classis en dat de diakenen voor de aanvaarding en vervreemding van goederen, voor het aangaan van verplichtingen en bet aanvaarden van giften en legaten de goedkeuring van de kerkeraad behoeven129).

Hoewel als conclusie uit de hiervoren ontwikkelde stelling, dat de vergadering van diakenen een zelfstandig orgaan der Kerk is, volgt dat zij zonder medewerking van de kerkeraad de kerk kan verbinden, zal het niettemin in het algemeen verstandig zijn, bij belangrijke rechtshandelingen zich ervan te vergewissen, dat er bij de kerkeraad daartegen geen bezwaren bestaan. Juist omdat het gereformeerde kerkrecht te kort schiet in regelen betreffende het verkeer met derden, waarvoor op het gemene recht moet worden teruggegrepen, is het in de notariële praktijk gewenst het zekere voor het onzekere te nemen.

Tenslotte zij hier nog vermeld, dat in uitzonderingsgevallen de diakenen tot de kerkeraad behoren, n.l. in geval van art. 38 K.O.: ,,... waar het getal van de Ouderlingen klein is, zullen de Diakenen door plaatselijke regeling mede tot den Kerkeraad kunnen genomen worden; hetgeen altijd geschieden zal, waar dit getal op minder dan drie is bepaald”130).

Deze verhandeling over de positie der diakenen zij besloten met de opmerking, dat in het ontwerp Wet ter vervanging van de


128) Synode van Dordt 1574 art. 34 (ontleend aan het Handboek 1949 en 1951 van De Gereformeerde Kerken).
129) Ontleend aan Dr. F. L. Bos, De Orde der Kerk, uitg. Guido de Bres 1950, blz. 97. De uitspraken dateren resp. van 1891 en 1930.
130) Hof Leeuwarden 30 October 1946, N.J. 1947, no. 242, acht een kerkeraad bevoegd een bindend meerderheidsbesluit te nemen zonder medewerking der diakenen.

|49|

bestaande Armenwet ten onrechte de kerkelijke vrijheid van de diaconale taak wordt aangetast door de verplichting tot inschrijving bij B. en W. te handhaven en voor te schrijven aan welke eisen diaconale regelingen moeten voldoen131).


131) Zie artt. 134, junctis 19, 20, 57, 58 en 139 van het ontwerp.

Roeleveld, L. [1958] 4

§ 4. Het kerkenverband

Opvattingen omtrent de aard van het kerkenverband

Met de aard van het kerkenverband heeft de rechtspraak na het bekende conflict in De Gereformeerde Kerken veel bemoeienis gehad.

Verwezen zij naar de vele uitspraken, welke door Dorren werden verwerkt in een hoofdartikel in het Nederlandse Juristenblad132). Dorren stelt twee opvattingen, n.l.:
1. De plaatselijke kerk is gerechtigd zich om gewichtige redenen „van geloof en conscientie” uit het kerkverband los te maken. Deze leer wordt door de burgerlijke rechtspraak unaniem aangehangen.
2. Het kerkverband is voor de plaatselijke kerk van zodanige essentiële betekenis, dat zij alleen binnen dat kader naar haar wezen kan functionneren. Een besluit van de kerkeraad, het kerkverband te verlaten, is derhalve t.a.v. de plaatselijke kerk nietig en zonder rechtsgevolg, de voorstemmers moeten daardoor geacht worden uit deze kerk te zijn getreden.

De eerste opvatting is die van de „gereformeerde kerken der bezwaarden”, de tweede die van de „gereformeerde kerken der synodalen” (zoals de beide tegenover elkaar staande groepen de laatste jaren in de registers van de Ned. Jurisprudentie worden aangeduid). In de pers en bij radio-uitzendingen pleegt men de eerstgenoemde groep ongevraagd naar haar — niet tot de officiële naam behorende — postale aanduiding te benamen met „Gereformeerde Kerken (onderhoudende art. 31 K.O.)”.

Het is te verstaan, dat er in de processen over deze zaak een enorme hoeveelheid litteratuur is verschenen, waarin het vooral voor de buitenstaander moeilijk is de weg te vinden. In het kader van deze verhandeling dient dus een ernstige beperking te geschieden, waartegen te minder bezwaar bestaat nu de rechtskwesties om de aard van het kerkenverband en de uitlegging van art. 31 K.O. vrijwel zijn uitgeprocedeerd. Ik volsta dus met enige opmerkingen.

Zoals uit § 2 bleek rept de gereformeerde belijdenis in haar definitie van kerk niet over kerkenverband. Gaat men er met Ds.


132) 1954 blz. 709 t/m 714. Dit hoofdartikel werd in extenso overgenomen in „De Reformatie” van 30 October 1954, een weekblad verschijnende in de kring der (vrijgemaakte) gereformeerde kerken.

|50|

Jansen133) van uit, dat de K.O. slechts tot het welwezen der kerk dient, dan is in deze stelling reeds een argument gelegen voor het standpunt van de rechtspraak. Ook Punt gaat er van uit, dat het leven in verband met andere kerken niet ten koste van haar souvereiniteit gaat134), terwijl Schermer-Kuijk135) stelt, dat de kerken centrale landelijke organisatie verwerpen en een federatief verband vormen, waarin de kerkeraden beslissende macht hebben. Privaatrechtelijk hebben z.i. de „meerdere” vergaderingen geen betekenis.

Historische gegevens over het kerkenverband

Ook historisch moet men tot deze conclusie komen, indien men uitgaat van de in de gereformeerde kringen in de vorige eeuw levende gedachten, in het bijzonder van Dr. A. Kuyper en de zijnen, welke in door de plaatselijke kerken als juist aangenomen synodale besluiten zijn neergelegd136). Privaatrechtelijk gezien (vgl. § 1 de rebus-ipsis-et-factis kwestie) zijn naar het oordeel van de rechtspraak de huidige gereformeerde kerken in de 19e eeuw ontstaan, al pretenderen zij te staan op het statuut van de oorspronkelijke K.O. uit de Reformatietijd. De rechter maakte immers uit, dat de oorspronkelijke gereformeerde kerken in 1816 waren opgegaan in een landelijk kerkgenootschap, De Ned. Hervormde Kerk137).

Hoewel hieruit blijkt, dat voor een pretentie als genoemd veel te zeggen valt, dient anderzijds er op gewezen, dat juist de omstandigheid, dat de rechter in de vorige eeuw de gereformeerde kerken als nieuwe rechtspersonen beschouwde, meebrengt, dat de tijdens de Doleantie levende opvattingen van doorslaggevend belang zijn voor de uitlegging van de K.O., zoals deze sindsdien opnieuw als statuut in ere werd hersteld, althans opnieuw werd aanvaard. Een belangrijk moment is het jaar 1892 geweest, toen twee verbanden van gereformeerde kerken samensmolten. Bij die gelegenheid werd


133) Zie noot 42. Deze (overleden) auteur behoorde tot een gereformeerde kerk der synodalen.
134) Prae-advies blz. 17.
135) Ontwerpen van Notariële Acten deel II, 4e druk blz. 71 en 72.
136) Zie hierna noot 138.
137) Zeer duidelijk op dit punt Rb. Utrecht 2 April 1890, W. 5883, inzake de kerk van Voorthuizen, waarin wordt overwogen:
„Vóór 1816 waren er in Nederland slechts plaatselijke kerken of kerkelijke gemeenten. De Koning was in 1816 niet bevoegd aan die kerkelijke gemeenten een nieuwe organisatie op te leggen. Derhalve zou in dat jaar ieder dier plaatselijke kerken bevoegd zijn geweest om te weigeren de in dat jaar door de Koning vastgestelde organisatie te aanvaarden. Noch van een uitdrukkelijke aanvaarding, noch van een weigering is tijdens de invoering der organisatie gebleken. Daarentegen is in al de plaatselijke kerken in Nederland die organisatie de facto ingevoerd. Daardoor zijn zij alle verenigd tot één onafscheidelijk geheel: de Nederlandse Hervormde Kerk. Daarom zijn de besluiten zowel van de kerkeraad van Voorthuizen in 1886 als die van Ulrum in 1834 om zich aan de bestaande kerkorde te onttrekken krachteloos.”

|51|

uitdrukkelijk gestipuleerd, dat de kerken een landelijk verband in confederatieve zin zouden vormen en niet in institutaire zin, ook blijkens art. 36 K.O.138). De Dolerenden maakten bezwaar van onoverkomelijke aard tegen een kerk als landseenheid, omdat dit voor hen of tot de theorie zou leiden, dat zij rebus ipsis et factis het genootschappelijk instituut zouden hebben aanvaard, òf tot de conclusie dat de vergaderingen onwettige besluiten hadden genomen139). Reeds vroeger140) hadden zij uitgesproken, dat de synoden „slechts dan hare bevoegdheden overschrijden, als zij òf iets besloten tegen Gods Woord, òf in zaken, die de particuliere Kerken in haar wezen en bestaan als zodanig raakten, een eindbeslissing namen, alsof zij over deze particuliere Kerken heerschappij bezaten.” Op deze gedachte berust ook de afzonderlijke aanmelding bij het Departement van Justitie van elke plaatselijke kerk volgens de Wet van 10 Sept. 1853141).

Van dit standpunt uitgaande heeft de rechterlijke macht aan partijen te veel eer bewezen door zich te gaan verdiepen in de geschriften van Voetius142), en de acta van de Synode van Emden van 1571142). Geconstateerd mag dus wel worden, dat — zeker in 1892 — de gedachte van de landskerk radicaal is verworpen. De huidige rechtspraak is hier ten volle mee in overeenstemming143). Een meerdere vergadering is in deze opvatting niet een orgaan van een landelijke rechtspersoon, noch een orgaan van alle kerken afzonderlijk, doch een college ad hoc, enigszins te vergelijken met de Ministersconferentie van de voormalige Nederlands-Indonesische Unie.

De K.O. drukt dit o.a. in art. 35 uit door te bepalen: „Het ambt van de praeses gaat uit als de vergadering scheidt.”

De rebus-ipsis-et-factis-leer hier niet zonder belang

Nu krijgt men uit de rechtspraak m.i. ten onrechte de indruk, dat voor de kerken der synodalen nog steeds het kerkrecht geldt zoals de burgerlijke rechter dit uitlegde inzake het conflict van 1944 en daarna. Dit lijkt mij echter een miskenning van de feiten, daar deze kerken impliciet en intussen voor een deel expliciet een ander kerkrecht hebben aanvaard rebus-ipsis-et-factis, waardoor het kerkverband


138) Blz. 47 en 51 acta Chr. Ger. Kerk 1892.
139) Bijlage B blz. 16 van in de vorige noot genoemde acta.
140) Art. 34 voorlopige synode Ned. Ger. Kerken 1888.
141) Vgl. J.J. Boasson, Ned. Bestuursrecht deel II blz. 148, die stelt dat in verband met de bijzondere organisatie van dit kerkgenootschap ook alle afzonderlijke gemeenten zijn aangemeld. Mij komt het voor, dat „kerkgenootschap” hier in oneigenlijke zin gebruikt wordt.
142) Hof Leeuwarden 30 Oct. 1946, N.J. 1947, no. 242; Hof Arnhem 10 Jan. 1950 N.J. 1950 no. 539.
143) Anders slechts Hof Den Haag 13 Maart 1899, W. 7296, 2 Mei 1946, N.J. 1947 no. 2, en 23 Juni 1947, N.J. 1947, no. 622.

|52|

domineert over de plaatselijke kerken. Deze vraag is belangrijk, omdat enige rechterlijke uitspraken suggereren, dat de bezwaarden het oude verband hebben verlaten en in een nieuw verband zijn gaan samenleven144). Laat ik daarom de volgende feiten , mogen memoreren, welke alle er op wijzen, dat in strijd met de aard van het oorspronkelijk kerkenverband werd gehandeld.

a. Op 29 Mei 1942 continueert de synode haar levensduur met een jaar „daar art. 50 K.O. dit niet verbiedt”145). Art. 50 bepaalt echter: „De Nationale Synode zal ordinaarlijk alle drie jaren eens gehouden worden, ten ware dat er eenige dringende nood ware, om den tijd korter te nemen.” Met een beroep op de oorlogstoestand kan men dus de tijd alleen maar korter nemen, doch hier geschiedde juist het tegendeel. Dit laatste is uiteraard niet bezwaarlijk in de kennelijk door de synode gehuldigde opvatting dat zij een permanent orgaan van een groep kerken als landelijke rechtseenheid is.

b. De synode van 1939 en vooral haar opvolgster spreken steeds in ultimatieve vorm, waarin zij onderwerping aan haar besluiten eist146). Een advies om vertegenwoordigingsvolmachten van afgevaardigden ter synode in te trekken, acht zij muiterij147) en agitatie in strijd met de eisen van het kerkverband148), terwijl zij dit tot een schorsingsgrond van een ambtsdrager maakte149).

c. De synode eist onvoorwaardelijke gehoorzaamheid van alle kerkeraden en kerkleden op straffe van z.g. „tucht”, welke in vele gevallen rechtstreeks door haar wordt „geoefend”, immers:


144) Hof Arnhem 27 Juni 1950, N.J. 1950 no. 793 inz. Studentencorps F.Q. I te Kampen; Hof Leeuwarden 29 April 1953, N.J. 1954 no. 101 inz. kerk te Leens.
145) Acta 1939-1943, art. 622.
146) Acta 1939-1943, art. 785 (bevattende een eis aan hoogleraren tot het geven van een categorische verklaring, dat zij zich de facto conformeren aan de besluiten der synode en aan de uitvoering daarvan op loyale wijze hun medewerking zullen verlenen; vgl. ook art. 889).
Acta 1943-1945
art. 104 (de synode mocht de feitelijke erkenning van de geldigheid harer beslissingen vragen en moest dit in de gegeven omstandigheden);
art. 392 (de tegenstemmers zijn volgens art. XXXI K.O. reeds verbonden een schorsingsbesluit voor vast en bondig te houden);
art. 625 (het uitspreken door een kerkeraad van kerkrechtelijke gevoelens, afwijkende van die der synode, is kerkelijk niet ongeoorloofd, doch dit betekent niet, dat de kerk aan ieder ook de vrijheid moet laten, naar deze opvattingen te handelen);
art. 629 V (elke leeruitspraak van een generale synode is uit de aard der zaak bindend).
147) Acta 1943-1945, blz. 361.
148) Acta 1939-1943, art. 868.
149) Acta 1943-1945, art. 392.

|53|

de classicale vergaderingen moeten zich bij de kerkelijke examens vergewissen, dat de candidaten instemmen met de leeruitspraken150);
besluiten van kerken strekkende tot verwerping van synode-uitspraken worden geoordeeld in wezen niets anders dan scheurmaking te zijn151);
een kerk, die eveneens synode-uitspraken verwierp, wordt buiten het verband gesloten en daarvan wordt kennisgegeven aan het Departement van Justitie152);
een kerk moet de leeruitspraken onvoorwaardelijk aannemen153), later ook alle andere kerken154) en alle ambtsdragers155);
zonder voorgaand oordeel van kerkeraden156) worden dienaren des Woords door de synode geschorst157) en afgezet158) of geacht de kerk te hebben verlaten159).

In 1946 werden tegen deze gesties ingebrachte bezwaren afgewezen in de beslissingen, dat een synode-uitspraak geldt zolang de synode zelf niet herroept160) — dus het „Tenzij” in art. 31 K.O. uitgelegd als „Totdat —”; dat elke leeruitspraak binding meebrengt161) en de gevallen uitspraken blijven gehandhaafd162); dat er geen aanleiding is rechtsherstel te verlenen163) en de synode regeermacht heeft. Latere synoden namen hiervan vrijwel niets terug, doch bevestigden deze uitspraken eens te meer. Dit is in strijd met het karakter van lasthebber, hetwelk de rechtspraak aan meerdere vergaderingen toekent164).

Deze beslissingen komen in strijd met het confederatief karakter van het kerkenverband, dat immers een recht tot niet-ratificatie, althans niet-ratihabitie, van besluiten van vergaderingen van vertegenwoordigers veronderstelt. Hiervan gaat ook de rechterlijke beslissing uit, waarin wordt overwogen, dat de kerkeraad het hoogste uitvoerend orgaan der kerk is en voorts: „De door de Synode in hoogsten aanleg gegeven beslissingen, betreffende de uitlegging van Gods Woord en de drie formulieren van Eenigheid, vormen een richtsnoer


150) Acta 1939-1943, art. 801; acta 1943-1945, artt. 260, 312, 413, 432, 495.
151) Acta 1943-1945, art. 330.
152) Acta 1949/1950, blz. 260. Het uitstotingsbesluit zelve is in de acta niet opgenomen.
153) Acta 1943-1945, art. 425.
154) Acta 1943-1945, art. 435 en blz. 375/376.
155) Acta 1943-1945, art. 495.
156) Voorgeschreven in art. 79 K.O.
157) Acta 1943-1945, artt. 392 en 518.
158) Acta 1943-1945, art. 526.
159) Acta 1943-1945, art. 630.
160) Acta 1946 Utrecht, art. 220 punt 7 b.
161) Acta 1946 Utrecht, art. 229.
162) Acta 1946 Zwolle, art. 401.
163) Acta 1946 Zwolle, art. 422.
164) Acta 1946 Zwolle, art. 423. Vgl. in dit verband o.a. Hof Leeuwarden 9 Januari 1952, N.J. 1952 no. 343 (Onnen).

|54|

voor de onder die Synode ressorteerende kerken”165). Door de rechtstreekse binding, welke de synode oplegde buiten de kerkeraden om aan ambtsdragers en candidaten voor Dienaar des Woords van plaatselijke kerken werd eveneens gehandeld in strijd met de aard van het kerkenverband.

De Procureur-Generaal Berger stelde immers in zijn conclusie166), ervan uitgaande dat het synodale verband niet tot het wezen van de Gereformeerde Kerken behoort: „Van strijd met redelijkheid, billijkheid of goede trouw reeds jegens het Kerkverband kan voorts hierom geen sprake zijn, omdat er geen rechtstreekse band bestaat tussen de leden van de plaatselijke Kerk en het Kerken-verband, doch dit Synodale verband slechts te maken heeft met de plaatselijke Kerk als rechtspersoon en niet met de individuele gemeenteleden of hun meerderheid ...”

Zie ik het goed, dan komt dit alles er op neer, dat de tot dit verband behorende kerken, die deze synodebesluiten, al dan niet rebus-ipsis-et-factis, hebben aanvaard, haar zelfstandigheid als plaatselijke kerken hebben prijsgegeven, waarmede zij haar grondslag hebben veranderd.

In zekere zin komt dit neer op een herhaling van de kerkgeschiedenis uit de vorige eeuw, toen immers naar de opvatting der rechtspraak door de aanvaarding van het Koninklijk Besluit van 1816 eveneens de zelfstandigheid der plaatselijke kerken werd prijsgegeven. Dit brengt echter ook mede, dat dit niet geschied is in die kerken, waar desnoods een enkel lid167) zich tegen deze onwettige gang van zaken metterdaad is blijven verzetten168).


165) Hof Amsterdam 6 Juni 1929, W. 12013 inz. Tienhoven.
166) N.J. 1953 blz. 709.
167) Vgl. conclusie A.G. Wijnveldt voorafgaande aan H.R. 23 Juli 1946, N.J. 1947 no. 1, die in de opvatting, dat het kerkenverband tot het wezen van de plaatselijke kerk behoort, aanneemt dat een minderheid dier kerk, welke in het oorspronkelijke verband blijft, haar recht op de goederen der plaatselijke kerk behoudt; voorts: „Naar mijn meening zou dit zelfs het geval zijn, wanneer slechts één lid der Kerk in synodaal verband wenschte te blijven, en kan er eerst sprake zijn van een medeovergang der uit het verband tredende plaatselijke Kerk, wanneer alle leden unaniem zich met het besluit daartoe zouden verenigen.”
Logisch brengt dit mede, dat in geval het kerkverband niet tot het wezen van de plaatselijke kerk behoort, het aanvaarden van synodale besluiten, die het kerkverband als wezenskenmerk voor de kerk op onwettige wijze willen invoeren, door slechts één lid der kerk voor haar kan worden verhinderd, zodat zij die deze besluiten wel aanvaarden, in dit geval een nieuwe kerk vormen.
168) Vgl. Rb. Groningen 2 Maart 1888, W. 5535 inz. Wetsinge-Sauwerd: „dat zooal met eenigen grond zou kunnen worden volgehouden dat het algemeen reglement aan de in 1816 levende leden der kerk is opgedrongen, dit althans na verloop van meer dan zeventig jaren kwalijk kan worden beweerd van de tegenwoordige lidmaten, die op wellicht zeer enkele uitzonderingen (ik cursiveer L. R.) alle ná 1816 op belijdenis des geloofs tot lidmaten zijn aangenomen en dus tot het zedelijk lichaam toetredende ➝

|55|

Niet generaliseren ten aanzien van de aard van kerkenverbanden

Deze kerkverbandskwestie is dus niet zo eenvoudig als ze op het eerste gezicht lijkt. Er.valt uit te leren, dat alles wat zich als gereformeerd kerkverband aandient, dit nog niet is. Het kan heel goed zijn, dat andere groepen van gereformeerde kerken weer haar eigenaardigheden vertonen, zodat zeker niet zonder meer mag worden verondersteld, dat de Christelijke Gereformeerde Kerken, de Gereformeerde Gemeenten, de Oud-Gereformeerde Gemeenten169) in een kerkverband van dezelfde structuur leven, als waarvan de rechtspraak in de laatste decennia uitging. Elke groep heeft haar eigen geschiedenis170) en ondanks trekken van overeenkomst dikwijls wezenlijke verschillen, welke een veelal zeer gewenste vereniging in de weg staan.

Tevens valt uit dit relaas te leren, dat de scheuring omstreeks 1944 niet gekomen is wegens verschillen van geloofsinzicht — al speelden deze zonder twijfel een grote rol — doch wegens verschillen in opvattingen van kerkrecht.

De kerken der bezwaarden pretenderen in verband met het vorenstaande dan ook het oude gereformeerde kerkenverband te hebben voortgezet. In haar besluiten tot „vrijmaking” van de synodale besluiten, hetgeen iets anders is dan losmaking van het verband,


➝ zijne kerkelijke reglementen en verordeningen als den grondslag van zijn bestaan hebben erkend ...”
De mogelijke uitzonderingen konden hier kennelijk worden verwaarloosd, doordat uit niets bleek, dat deze leden zich tegen de opdringing blijvend hadden verzet.
169) Ten aanzien van de Oud-Gereformeerde Gemeente te Wijk en Aalburg blijkt uit arrest Hof Den Bosch 31 Maart 1955, N.J. 1955, no. 600, dat voor haar het verband niet van wezenlijke betekenis is; ten aanzien van die te Scheveningen stelden de deskundigen in hun in Trast 170 genoemde rapport zich op het standpunt: „Kerkrechtelijk staat dan vast, dat de O.G. Gemeente te Scheveningen autonoom was ten aanzien van haar goederen. De aansluiting bij de Alg. Vergadering te Utrecht heeft wel beteekenis voor de orde van haar geestelijk leven — beroeping van predikanten, enz. — maar niet voor haar eigendomsrechten” ...
Deskundigen laten daar echter op volgen: „Hoewel de Alg. Vergadering zeker geen kerkgenootschap is in de zin van het Ned. Hervormde en de plaatselijke Gemeenten der O.G. dus ook geen onderdelen van zulk een kerkgenootschap, is het aangesloten zijn bij genoemde Alg. Vergadering toch een kenmerkende exponent van het wezen der Gemeenten.”
170) Het deskundigenrapport door de Doctores Kuyper, Sevenster en Bakhuizen van den Brink, uitgebracht in de zaak van de Oud-Gereformeerde Gemeente te Scheveningen (vgl. N.J. 1939 no. 202) legt daarvan nauwgezet getuigenis af.
Het deskundigenrapport door de hoogleraren Fischer, Bakhuizen van den Brink en Dr. Fockema Andreae in de zaak van de Gereformeerde Kerk te Hasselt (vgl. N.J. 1956 no. 554) verwaarloost daarentegen de geschiedenis van de Gereformeerde Kerken van de laatste eeuw vrijwel geheel en beperkt zich tot beschouwing uit de bloeitijd der Reformatie. Het is jammer, dat deze rapporten in rechtsgeleerde periodieken niet zijn gepubliceerd.

|56|

stelden zij dan ook enerzijds „het verband te verbreken met de Gereformeerde kerken, die zich blijven onderwerpen aan het gezag van de toenmalige Generale Synode”171), d.w.z. te breken met die kerken, die rebus-ipsis-et-factis een nieuw kerkrecht invoerden, doch anderzijds „de gemeenschap te blijven zoeken en onderhouden met allen, die op de genoemde basis van de Heilige Schrift, de Gereformeerde Belijdenis, de Liturgische Formulieren en de Kerkenordening willen blijven samenleven”172) d.w.z. het verband met hen te bewaren.

Door de kerken der synodalen wordt blijkens de aanvaarding van de hiervoren aangehaalde synodale besluiten en evenzeer blijkens hun posita in de procedures voor de burgerlijke rechter aangenomen, dat het kerkenverband naar zijn aard onverbrekelijk is. In deze opvatting kan een kerk niet (meer) uit dit verband treden, evenmin als dit bij een tot de Ned. Hervormde Kerk behorende gemeente het geval is173). Uit het vorenstaande is — naar ik hoop — genoegzaam duidelijk, dat naar mijn mening deze rechtskwestie nog onvoldoende is benadrukt in de vele procedures over het bekende geschil.

Kerkenverband der „bezwaarden” als societas, niet als corpus

De aard van het kerkenverband der bezwaarden is door het Haagse Hof m.i. als volgt juist getypeerd:

„dat naar ’s Hofs inzicht dit verband slechts de strekking heeft om in het gemeenschappelijk welzijn van de gezamenlijke plaatselijke kerken ter betere behartiging van gemeenschappelijke belangen van kerkelijke organisatie en geloof, bepaalde organen in het leven te roepen, waaraan tot deze doeleinden bepaalde bevoegdheden en zeker gezag is toegekend;
— dat met name niet dit synodaal verband moet worden gezien als vormende een boven de plaatselijke kerken staande unie, aan wier gezag de kerken onderworpen zijn en ten behoeve waarvan zij hun zelfstandigheid geheel of ten dele hebben opgeofferd;
— dat integendeel volgens ’s Hofs oordeel dit synodaal verband onverlet laat het boven naar voren gebrachte principe der Reformatie van de volstrekte bevoegdheid van iedere Gereformeerde Kerk om over haar eigen lot te beslissen;
— dat hieruit volgt, dat wanneer een plaatselijke gereformeerde kerk om ernstige redenen zoals geloofsovertuiging van oordeel is,


171) Aldus de relevering van de feiten inz. het geschil te Giessendam door de Rb. Dordrecht op 17 Dec. 1952 (te kennen uit Hof Den Haag 30 Juni 1954 gepubliceerd in De Reformatie van 17 Juli 1954).
172) Vgl. N.J. 1957 blz. 366 eerste kolom regel 2 t/m 8 van onderen.
173) Rb. Den Bosch 21 Febr. 1896, W.P.N.R. 1372:
dat de eisende Herv. Gemeente te Werkendam wist, dat het doel was om alle tot de Hervormde Kerk „toetredende gemeenten tot een georganiseerd lichaam te vereenigen; dat mitsdien elke gemeente die toetrad, eo ipso, verklaarde deel van dat lichaam te willen zijn en dan ook deel daarvan werd, en wel zonder de bevoegdheid tot eenzijdige losmaking van dien band, daar zulks niet bestaanbaar is met den aard der vereeniging en met het doel dat zij beoogde.”

|57|

dat zij niet langer de samenwerking met de zusterkerken kan voortzetten, zij bevoegd is om uit het synodaal verband te treden en zo’n uittreding dan ook niet is te zien als een herneming (al of niet geoorloofd) van een prijsgegeven gehele of gedeeltelijke zelfstandigheid door de plaatselijke kerk, maar alleen als een weigering van verdere samenwerking in synodaal verband met andere zelfstandige kerken, waarbij het karakter der plaatselijke kerk geen verandering ondergaat”174).

Dit neemt echter niet weg, dat in het genoemde geschil de opzegging der samenwerking met andere kerken juist haar oorzaak hierin vond, dat door acceptatie der synodebesluiten de vrije samenwerking als zodanig zou eindigen.

Op grond van dit karakter van vrije samenwerking, van societas, is aannemelijk, dat het landelijk verband en de kleinere provinciale en classicale verbanden als zodanig zonder meer geen rechtspersoonlijkheid bezitten. Daarvoor stelt de rechtspraak immers het vereiste, dat door de oprichters zelfstandigheid van het verband is beoogd en de organisatie daarop is gericht175). Van een en ander is uit het vorenstaande niet gebleken.


174) Arrest 30 Juni 1954 (gepubliceerd in De Reformatie van 17 Juli 1954). In de Nederlandsche Pasicrisie, derde deel, 1872, blz. 8 vond ik nog het navolgende: „Ofschoon bij Kon. Besluit van 17 November 1841 (Stb. no. 70) toelating is verleend tot oprigting van eene Christelijke Afgescheidene gemeente te Heerde, en deze later is toegetreden tot het Christelijk Afgescheiden Kerkgenootschap, blijkt niettemin geenszins van eene verpligting om met dit kerkgenootschap voor altijd vereenigd te blijven, maar stond het die gemeente vrij aan het Christelijk Afgescheiden classicaal bestuur regtsgeldig kennis te geven, dat zij de bestaande kerkelijke gemeenschap afbrak. De kerkeraad van Heerde wordt daardoor niet ontbonden, maar blijft wettig bestaan. Arnhem 9 Maart 1865.”
175) Vgl. H.R. 20 Mei 1927, N.J. 1927, blz. 1372, W. 11698.

Roeleveld, L. [1958] 5

§ 5. Kerkelijke onderdelen

Art. 84 K.O.

Deze figuur is in het gereformeerd kerkrecht niet onbekend. Daar het kerkenverband ten aanzien van geloofszaken geen rechtspersoon is in de zin van het burgerlijk recht, noch een vereniging met rechtspersoonlijkheid, noch een zedelijk lichaam sui generis176) en de gereformeerde kerken federaal zijn georganiseerd, is door art. 84 K.O. rechtspersoonlijkheid geschapen voor de samenwerkingsverbanden van classis, particuliere en generale synode, doch slechts voor wat betreft de zaken, die van vermogensrechtelijke, niet van geestelijke aard zijn.


176) Voor het kerkenverband der synodalen is dit mogelijk anders. De „synodale” predikant Ds. Joh. Jansen geeft in de derde druk van de Korte Verklaring van de Kerkorde der gereformeerde kerken, Kok, Kampen ➝

|58|

Dit artikel 84 K.O. luidt:

„De Kerken, die in Classes, Particuliere Synoden en Generale Synode samen komen, vormen tezamen even zoovele vermogensrechtelijke eenheden ten aanzien van de stoffelijke aangelegenheden, die haar onderscheidenlijk in Classicaal, Particulier-Synodaal en Generaal-Synodaal verband gemeen zijn.
Deze eenheden worden in en buiten rechte vertegenwoordigd zoowel door de respectieve Classicale, Particulier-Synodale en Generaal-Synodale vergaderingen, als door Deputaten, die door deze vergaderingen worden benoemd, geïnstrueerd en ontslagen en in al hun handelingen door hun instructie zijn gebonden.”

Dit artikel werd door de Gereformeerde Kerken ingevoerd bij synodebesluit van 1933 en de Christelijk Gereformeerde Kerken namen dit woordelijk over bij de wijziging harer K.O. in 1947.

Bij mijn promotie te Leiden op 29 Juni 1955 poneerde ik als stelling V het navolgende:

„Art. 84 der Kerkenorde van de Gereformeerde Kerken in Nederland heeft, door slechts te spreken van vermogensrechtelijke eenheden en niet van eenheden zonder meer, de uitsluitende strekking gezamenlijke eigendommen van kerken tot haar zelfstandige onderdelen te verklaren (Vgl. arrest Hoge Raad 13 Mei 1938, N.J. 1939 No. 247)”.

Zouden deze kerken, ook in geestelijke zaken, een rechtspersoon vormen, dan zou deze statutaire bepaling overbodig zijn. Behalve uit de duidelijke tekst van dit artikel, waarin immers sprake is van „vermogensrechtelijke eenheden” en „stoffelijke aangelegenheden”, volgt dit ook uit het opschrift boven dit artikel „van de stoffelijke aangelegenheden, aan de kerken gemeen” en uit de geschiedenis. Het hiervolgende overzicht van de geschiedenis werpt hierop een duidelijk licht.

Het rapport van de leden van het moderamen van de generale synode te Groningen 1927 inzake het sluiten van een contract met de kerk van Amsterdam betreffende het archief177) vermeldt:

„De geschiedenis van het schisma in 1926 heeft ons geleerd, dat een kerk, die uit het verband van onze kerken treedt, weigeren kan de onder haar berustende goederen af te staan, en zo zou het mogelijk zijn, dat (en wij denken hierbij natuurlijk niet aan één bepaalde kerk onder ons) een kerk, aan wie de bewaring van het archief was toevertrouwd, schismatiek werd en aanspraak deed gelden voor een nieuw verband van zich noemende gereformeerde kerken op het door haar bewaarde archief. Daarbij zouden zich tal van moeilijkheden kunnen voordoen, vooral om deze reden, dat een plaatselijke kerk wel en onze gezamenlijke kerken geen rechtspersoonlijkheid hebben, wat juridisch tot allerlei verwikkelingen


➝ 1952 (dus na de scheuring verschenen), op blz. 361 een aantal geloofsargumenten, waaruit z.i. zou blijken dat naar gereformeerde opvatting de samenwerking van plaatselijke kerken tot een geestelijke eenheid leidt, welke ook in rechte niet zonder betekenis is. Ware deze stelling juist, dan zou art. 84 K.O. niet alleen overbodig, maar ook misleidend zijn. Zie voorts § 4 en het hierna volgende betoog.
177) Te kennen uit de acta van de synode Arnhem 1930 blz. 235 Bijlage XXXIX.

|59|

kan leiden. De overweging van deze aangelegenheden is voor de leden van het moderamen van de synode van Groningen aanleiding geweest om advies in te winnen bij Mr. G.H.A. Grosheide te Amsterdam, die ook de kerken als adviseur diende inzake de verwikkelingen, ontstaan na de beslissingen van de Generale Synode van Assen 1926. Mr. Grosheide was van oordeel dat Uw deputaten terecht deze gewichtige aangelegenheid hadden overwogen en dat er alle reden is om te onderzoeken of het bezit van het archief beter veilig kan gesteld worden dan thans het geval is... Wat het archief betreft, adviseerde Mr. Grosheide, dit niet langer aan één kerk in bewaring te geven, maar over te gaan tot de vorming van een archiefstichting, die rechtspersoonlijkheid heeft en wier bestuurders benoemd worden door de generale synode.”

Naar aanleiding van dit rapport besloot de synode Arnhem op 27 Augustus 1930178):
„1e. zeven deputaten te benoemen met de opdracht:
a. een onderzoek te bevoegder plaatse in te stellen aangaande de rechtspersoonlijkheid van de gezamenlijke gereformeerde kerken in Nederland;
b. indien het resultaat van dit onderzoek naar hun oordeel niet bevredigend is, maatregelen te ontwerpen, waardoor het eigendomsrecht van de bezittingen der gezamenlijke gereformeerde kerken in Nederland juridisch gewaarborgd is en zoveel mogelijk moeilijkheden bij een eventueel schisma zullen kunnen worden vermeden;
2e. tot deputaten voor deze zaak te benoemen om de volgende synode van advies te dienen: de broeders prof. dr. H. Bouwman, ds. J.L. Schouten, ds. W. Breukelaar, ds. D. Pol, dr. K. Dijk, mr. G.H.A. Grosheide en prof. mr. A. Anema. Dr. K. Dijk wordt met de samenroeping belast.”

Het resultaat van de werkzaamheid van deze deputaten is geweest de invoeging van een nieuw artikel 84 K.O., dat blijkens het voorgaande op de volgende stellingen berust:
1. kerken kunnen uit het verband treden;
2. het uit het verband treden van een kerk heeft, voor wat de gezamenlijke eigendommen van kerken betreft, geen rechtsgevolg, indien deze eigendommen zijn ingebracht in een rechtspersoon met een stichtingskarakter, d.w.z. een vermogensrechtelijke eenheid;
3. deze vermogensrechtelijke eenheid moet een kerkelijk onderdeel zijn.

Teneinde zekerheid te verkrijgen, dat door invoeging van dit art. 84 K.O. het gewenste gevolg zou worden verkregen, werd een proefprocedure opgezet, waarin de Hoge Raad op 13 Mei 1938


178) Acta art. 117.

|60|

einduitspraak deed179). In het aangevallen arrest van het Hof Den Bosch werd uitdrukkelijk gesteld, dat het in confesso was, dat een classicale vergadering als orgaan ex art. 84 K.O. zelve geen rechtspersoonlijkheid bezat.

In het cassatiemiddel werd daarvan eveneens uitgegaan en gesteld, dat in cassatie uitsluitend art. 84 K.O. in geding was. De Hoge Raad stelde de rechtspersoonlijkheid vast — m.i. terecht — doch spreekt m.i. in navolging van het arrest van het Hof verwarrend ever de classis als vereniging van rechtspersonen, die zelve ook rechtspersoonlijkheid bezit.

In art. 84 K.O. is immers slechts sprake van vermogensrechtelijke eenheden, waarvan sprake is bij lichamen met een stichtings-, niet met een verenigingskarakter, terwijl het genoemde proces alleen om de vraag ging, of de classis in de zin van art. 84 K.O. rechtspersoonlijkheid bezat, niet over de classis en andere meerdere vergaderingen in de zin van de overige artikelen van de K.O.

In zijn toelichting op art. 2.1.2 lid 1 van het ontwerp voor een nieuw Burgerlijk Wetboek vermeldt Meijers blijkens zijn interpunctie dit arrest ten bewijze van de erkenning door de rechtspraak van het bestaan van rechtspersoonlijkheid van zelfstandige onderdelen van kerkgenootschappen. En blijkens zijn annotatie van dit arrest is ook Paul Scholten van deze opinie, immers hij vindt de benaming „instelling” beter op haar plaats dan „vereniging”. Er is in art. 84 K.O. dus sprake van een kerkelijk onderdeel met een stichtingskarakter.

Ook in de Gereformeerde Gemeenten wordt over deze zaak in deze zin gedacht. Dit blijkt uit het (niet gepubliceerde) deskundigenrapport, door de hoogleraren Doctores H.H. Kuyper, G. Sevenster en J.N. Bakhuizen van den Brink uitgebracht aan het Gerechtshof te ’s-Gravenhage op 8 Juli 1937 in het geschil Oud-Gereformeerde Gemeente Scheveningen180). Daarin wordt gesteld:

„Ook dan nog is het algemene verband beperkt van betekenis, zoals blijkt uit Notulen Gereformeerde Gemeenten 1928, Bijlage V (over de opleidingsschool): de eigendom van het in gebruik zijnde gebouw was zo, „dat de gemeente te Rotterdam” (die de grootste organisatorische kracht ontwikkelt) voor de gemeenten saam bij de koop optreedt. Deze toestand beschouwde de Commissie als een noodtoestand. De gemeenten vormen niet één synodale eenheid. Van de plaatselijke kerk gaat ons kerkrecht uit. Doch dan kunnen de Gereformeerde Gemeenten niet één rechtspersoon vormen in de zin der wet.
Het vormen van een stichting ware wellicht hier de oplossing. Hiertoe heeft de Generale Synode dan ook besloten. Hiermee staan de Geref. Gemeenten in tegenstelling tot de Nederl. Herv. Kerk, die als kerkgenootschap bezittingen heeft.”


179) N.J. 1939 no. 247 met noot Paul Scholten.
180) Vgl. N.J. 1939 No. 201.

|61|

Dat gereformeerde kerken de op deze wijze geschapen rechtspersoonlijkheid gebruiken o.a. voor de veiligstelling van de belangen van een theologische hogeschool, ontneemt aan deze rechtspersoon niet het karakter van kerkelijk onderdeel. Duynstee merkt ten aanzien van deze rechtsvraag immers op:181)

„Al moet een kerkgenootschap als zodanig krachtens zijn wezen ook onmiddellijk de godsverering beogen, daaruit volgt niet, dat het niet in zijn organisatie onderdelen kan hebben, die dit niet onmiddellijk, doch slechts meer verwijderd nastreven, die alleen de uitoefening er van door het geheel mogelijk maken of beter mogelijk maken. Op dezelfde wijze, waarop b.v. een koster als zodanig ook niet onmiddellijk de godsverering beoefent, en toch wel degelijk een functie in het kerkgenootschap vervult. Al kan dus b.v. een vereniging tot steun der R.K. missies op zichzelf geen kerkgenootschap vormen, zij kan wel onderdeel van het R.K. kerkgenootschap zijn.”

De organen van de in art. 84 K.O. genoemde rechtspersonen zijn dus de classicale en synodale vergaderingen. Zoals wij in § 4 zagen hebben deze vergaderingen echter geen permanent karakter o.a. blijkens art. 35 K.O. bepalende van de praeses dier vergadering: „Voorts zal zijn ambt uitgaan, wanneer de samenkomst scheidt”, en moeten zij als colleges ad hoc worden beschouwd. Dit brengt mede, dat zij in het algemeen ongeschikt zijn als bestuursorgaan op te treden. In de praktijk komt het er daarom op neer, dat deze rechtspersonen worden vertegenwoordigd door de krachtens art. 84 K.O. benoemde deputaten. Gebruikelijk is om voor de onderscheidene taken van de kerken in samenwerkingsverband afzonderlijke deputatencolleges te benoemen, zoals voor de Theologische Hogeschool, zending, evangelisatie. Daardoor ontstaan niet evenzovele rechtspersonen, doch blijft elk samenwerkingsverband slechts één vermogensrechtelijke eenheid als kerkelijk onderdeel vormen, evenzeer als ten aanzien van de éne plaatselijke kerk van meer dan een orgaan sprake is, n.l. de kerkeraad en de vergadering van diakenen182).

Kerkelijke onderdelen van andere dan gereformeerde kerkgenootschappen

Ter vergelijking van de structuur van de Gereformeerde Kerken in Nederland met die van de R.K. kerk en de Nederl. Hervormde kerk verwijs ik naar het Verslag van 10 Juni 1955 van de vaste Commissie voor Justitie van de Tweede Kamer op het destijds aanhangige ontwerp-Wet op stichtingen. Sommige Kamerleden meenden — m.i. op het standpunt van deze zedelijke lichamen terecht — te mogen veronderstellen, dat onder zelfstandige onderdelen van kerkgenootschappen „voor wat het R.K. Kerkgenootschap in Nederland betreft, zullen vallen de bisdommen en de parochiën en dat


181) Prae-advies blz. 42/43.
182) Vgl. § 3.

|62|

hetzelfde voor de gemeenten van de Nederlandse Hervormde Kerk zal gelden.”

Omtrent de classes van de Gereformeerde Kerken spraken zij, noch de Minister van Justitie, hun oordeel uit.

Over kerkelijke onderdelen van het R.K. Kerkgenootschap hier te lande vond ik de volgende rechtspraak van Gedeputeerde Staten inz. toepassing van de Wet op de Grondbelasting. Deze wet verleent in art. 25 vrijdom van belasting voor bepaalde gebouwen, indien zij in eigendom toebehoren aan kerkgenootschappen. Tussen kerkgenootschappen en hun onderdelen maakt deze wet geen onderscheid183). In de rechtspraak geschiedt dit ook niet altijd, zoals uit de hier volgende opsomming blijkt.

a. Een gebouw, eigendom van de St. Bonifacius Stichting, hetwelk als alle kerkelijke goederen valt onder de wetten en bepalingen door de R.K. kerkelijke overheid uitgevaardigd, zodat het niet vrijstaat dit zonder toestemming dier overheid te bezwaren of te vervreemden, kan geacht worden eigendom te zijn van het R.K. kerkgenootschap184).

b. Een inrichting, die toebehoort aan een kloosterorde, deel uitmakende van de R.K. Kerk, behoort toe aan een kerkgenootschap. (Retraitehuis Collegium Josephinum te Glanerbrug)185).

c. Stichting aangemerkt als onderdeel R.K. Kerkgenootschap, om dat:
1. deze stichting zich als zodanig wenst te zien beschouwd, ter wijl doel, grondslagen, werkkring en overige voor die stichting geldende regelen stroken met de bepalingen van het kerkelijk reglement;
2. van de zijde van het R.K. kerkgenootschap door het daartoe bevoegd gezag, de stichting als onderdeel van dat kerkgenootschap is erkend, terwijl die erkenning, getoetst aan de bepalingen van het „Reglement voor het R.K. kerkgenootschap in Nederland” als rechtsgeldig kan worden aanvaard.
Doel van de stichting was het oprichten van een seminarie


183) Omtrent de vraag, of kerkelijke onderdelen als zelfstandige rechts personen terecht onder de vrijstelling van grondbelasting worden gebracht, welke vraag Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland in hun uitspraak van 29 Mei 1956 ontkennend beantwoorden, zie de uitvoerige noot van Gorren onder deze uitspraak in het Weekblad voor Fiscaal Recht van 3 Aug. 1957, blz. 650/651.
Beslissend voor deze vraag is, of de eigendom van civielrechtelijk, dan wel van economisch oogpunt uit moet worden bekeken. Voor de toepassing van het Besluit Inkomstenbelasting 1941 ging de Hoge Raad in zijn bekende arresten, laatstelijk van 29 Mei 1957, B.N.B. 1957/220, en 24 December 1957 B.N.B. 1958/84, van de economische beschouwingswijze uit.
Zie ook de noot van Hollander onder het voorlaatste arrest.
184) Noord-Holland 28 Januari 1915, B. 2606.
185) Overijssel 18 Juli 1922, B. 3341.

|63|

ter opleiding van R.K. priesters (St. Dominicus-Stichting te Huissen)186).

d. Een inrichting, in de rechtsvorm van een stichting, waarin jonge lieden worden opgeleid tot missionaris, welke canoniek is opgericht en goedgekeurd, is daardoor een onderdeel geworden van de organisatie der R.K. kerk en wel als religieus instituut en aan dit kerkgenootschap gaan behoren. (St. Bonifacius Missiehuis te Hoorn)187).
M.i. is dit „gaan behoren” niet te beschouwen als eigendomsovergang. Zelfstandig bestaan van de rechtspersoon is gebleven, ondanks onzelfstandig bestuur. Voor de toepassing van de Wet op de Grondbelasting werd zij met het kerkgenootschap geïdentificeerd.

e. 1. Een inrichting die toebehoort aan een religieuse orde, deel uitmakende van het R.K. kerkgenootschap, behoort toe aan het kerkgenootschap.
(Kruisherenklooster te Zoeterwoude, seminarie, waar onderwijs werd gegeven in wijsbegeerte en theologie)188).
2. Een stichting N.N. te X., welke een gebouw bezat uitsluitend dienende tot seminarie, alleen tot opleiding van kwekelingen voor de geestelijke stand bestemd, immers tot opleiding van missiezusters, als een zelfstandig onderdeel van het R.K. kerkgenootschap aangemerkt189).

f. De St. Claverbond had tot doel de steun aan de beschavende missie-arbeid van de Nederlandse provincie der Sociëteit van Jezus in Ned. Oost-Indië te bevorderen o.m. door het wekken van belangstelling voor die arbeid en door het verschaffen van geldelijke steun o.a. bij de bouw van ziekenhuizen, scholen en kerken. De bisschop erkent haar bij besluit van 1 Augustus 1890 No. 2254 als onderdeel van het R.K. kerkgenootschap, welke erkenning rechtsgeldig is, daar zij de uitoefening van de eredienst in engere zin ten doel heeft en evenzeer de eigenaardig tot de taak der kerk behorende uitoefening van werken van barmhartigheid en naastenliefde beoogt190).

g. Het onderwerpelijk eigendom behoort toe aan een rechtspersoonlijkheid bezittende stichting en, waar die stichting een onderdeel vormt van de canoniekrechtelijk opgerichte religieuze orde, bekend onder de naam „Sociëteit van Jezus” kan dezelve dus geacht


186) Overijssel 30 December 1929, B. 4818.
187) Noord-Holland, 22 Januari 1930, B. 4876.
188) Zuid-Holland, 15 April 1930, B. 4897.
189) Besluit van de Commissaris en de Bestuursraden van Noord-Brabant van 3 Juni 1942, B. 7656.
190) Gelderland, 3 Februari 1932, B. 5453.

|64|

worden deel uit te maken van het R.K. kerkgenootschap (St. Bonifacius Stichting)191).

h. De Stichting van den Goeden Herder onder het patronaat van den heiligen Joseph, te Velp, zijnde een instelling van de Congregatie van Onze Lieve Vrouw van Liefde des goeden Herders van Angers, met als doel: „de zedelijke verbetering van personen van het vrouwelijk geslacht, die tot losbandigheid zijn vervallen, en de zedelijke opvoeding en verzorging van jonge vrouwelijke personen, wier opvoeding om welke reden dan ook gevaar loopt,” wordt als zelfstandig onderdeel van de R.K. kerk beschouwd192).

i. Een Koninklijk erkende vereniging met als doel „het bevorderen van de godsdienstige en maatschappelijke verheffing van R.K. arme, achterlijke en verwaarloosde jongens, overeenkomstig de R.K. beginselen”, die zich bezighielden met godsdienstig onderricht en godsdienstige vorming, maatschappelijk- en vakonderwijs, werd door de Aartsbisschop van Utrecht erkend als organisch onderdeel van de wezenlijke organisatie der R.K. kerk. Gedeputeerden beslisten:
De kerkelijke opvattingen, die in het reglement van het R.K. kerkgenootschap tot uiting komen, mogen zonder meer geen toetssteen zijn bij de uitvoering van wettelijke bepalingen, waar uitsluitend het juridisch samenstel der feiten beslissend mag zijn. Nu de rechtspersoonlijkheid ontleend wordt aan de Wet van 22 April 1855 (Stbl. 32) is mitsdien zonder meer niet het R.K. kerkgenootschap als eigenaar van het gebouw aan te merken193).

Wezenskenmerken van kerkelijke onderdelen

Het belangrijkste dat bij deze rechtspraak opvalt is, dat een kerkelijk onderdeel wel zelfstandig is in haar bestaan, doch niet in haar bestuur. Het is eerst kerkelijk onderdeel na erkenning als zodanig door het bevoegde kerkelijk orgaan (c, d en f) en maakt daardoor deel uit van de kerkelijke organisatie (a en b), terwijl een kerkelijk doel wordt nagestreefd (a t/m h). Gedeputeerden namen dit laatste kennelijk aan door de instellingen als kerkgenootschap of kerkelijk onderdeel te beschouwen. Alleen in het laatste geval (i) gingen zij van andere opvatting uit, op de mijns inziens onjuiste grond, dat hier van een vereniging volgens de Wet van 22 April 1855, Stbl. 32 sprake was. Zelfs al zouden de oprichters deze rechtsvorm hebben beoogd, dan verhindert dit mijns inziens niet, dat in een erkenning van kerkelijke zijde van een dergelijke rechtspersoon als kerkelijk onderdeel een ontbinding van de rechtspersoon als


191) Limburg, 2 Maart 1934, B. 5833.
192) Gelderland, 17 November 1936, B. 6595.
193) Groningen, 3 Februari 1938, B. 6956.

|65|

vereniging volgens genoemde wet en een oprichting als kerkelijk onderdeel ligt opgesloten.

Naar Reformatorische opvatting zou de qualificatie als kerkelijk onderdeel hier kunnen worden ontkend, omdat het reclasseren van verwaarloosde jeugd niet direct voortvloeit uit het doel van de kerk.

Ook de Hoge Raad liet zich over kerkelijke onderdelen uit, zij het dat hij in de hier volgende overweging daarvan geen definitie gaf. De Raad van Beroep had feitelijk vastgesteld, dat de Orde der Carmelieten een zelfstandig onderdeel van het R.K. kerkgenootschap is. De Hoge Raad overwoog:

„zij is een organisatie binnen het R.K. kerkgenootschap van een groep personen, ingericht om als eenheid aan het rechtsverkeer deel te nemen; daaruit volgt dat zij is een zedelijk lichaam als bedoeld in titel X van Boek III B.W. en, nu de Wet van 22 April 1855 (Stbl. 32) op kerkgenootschappen geen betrekking heeft, ingevolge de bepalingen van voornoemde titel rechtspersoonlijkheid heeft;
dat het voorschrift van art. 1, tweede lid, van de wet van 1853 voor de vraag van de rechtspersoonlijkheid van de kerkgenootschappen en derzelver onderdelen geen betekenis heeft.”194).

Het overzicht van deze rechtspraak zij besloten met vermelding van een geval van een niet-zelfstandig onderdeel:

Een Remonstrants-Gereformeerde Gemeente had woningen laten bouwen, welke in beheer waren bij de Remonstrantse Stichting, welke een onzelfstandig onderdeel dier gemeente was. Deze werden tegen matige prijs verhuurd. De helft van de opbrengst was voor de diaconie en de andere helft voor liefdadige doeleinden195).

Men lette bij het voorgaande op het typische verschil in kerkverband, dat de positie van kerkelijke onderdelen bepaalt. De Hervormde Kerk als rechtspersoon is opgebouwd uit plaatselijke gemeenten als haar kerkelijke onderdelen196). Art. 84 K.O. der Geref. Kerken veronderstelt, dat de daar genoemde rechtspersonen onderdelen zijn van een of meer plaatselijke kerken. Er mankeert hier in de „vrijgemaakte” opvatting een landelijk geheel, zodat art. 84 K.O. nodig is. In de „synodale” opvatting van het kerkverband, die sterk naar die van de Ned. Herv. Kerk neigt, is art. 84 K.O. eigenlijk overbodig.

 

Resumerend kan ik stellen, dat van een kerkelijk onderdeel sprake is en dit rechtspersoonlijkheid heeft, indien dit:
a. een kerkelijk doel nastreeft;


194) Arrest van 6 December 1939, B. 7040, W.P.N.R. 3708.
195) Gedeputeerde Staten Noord-Holland, 20 Maart 1940, B. 7373 en 19 Mei 1948, B. 8611.
196) Vgl. H.R. 28 Oct. 1953, B.N.B. 1953/302: „Een onderdeel van een kerkgenootschap kan wel een kerk zijn, zoals een parochie of een kerkelijke gemeente.”

|66|

b. wordt bestuurd door kerkelijke functionarissen;
c. een zelfstandig bestaan heeft;
d. is ingesteld of erkend als zelfstandig kerkelijk onderdeel door het bevoegde kerkelijk gezag.

Volgens de toelichting op art. 2.1.2, lid 1, ontwerp-Meijers is van een zelfstandig kerkelijk onderdeel slechts sprake, indien dit een religieus karakter heeft. Een met het kerkgenootschap samenhangende vereniging of stichting, als een op bepaalde religieuze grondslag staande toneelvereniging of een stichting voor jeugdzorg voldoet niet aan dit vereiste.

Dit voert ons over de grens tussen de kerkelijke onderdelen en kerkelijke stichtingen.

Roeleveld, L. [1958] 6

§ 6. Kerkelijke stichtingen

Het is met de rechtsfiguur van de kerkelijke stichtingen een ietwat wonderlijk geval. Het ligt voor de hand, dat zij als stichtingen geen verenigingskarakter bezitten en hierin onderscheiden zijn van de kerkelijke onderdelen, die hetzij een verenigingskarakter, hetzij een stichtingskarakter hebben197). Het positieve recht bevat in art. 28, sub b van de Wet op stichtingen de bepaling, dat kerkelijke stichtingen buiten deze wet vallen. De wet zondert kerkelijke stichtingen, niet semi-kerkelijke stichtingen, van haar werkingssfeer uit198). In deze bepaling wordt hetzelfde gesteld van kerkelijke onderdelen. Definities van een en ander geeft de wet niet. Bregstein heeft daar wel op aangedrongen199), doch deed geen voorstel van redactie200). Het getuigt bij hem van een zekere inconsequentie, dat hij van kerkgenootschap geen definitie in de wet wil opgenomen zien201), en wel van kerkelijke stichtingen.

In de wetsgeschiedenis is m.i. een belangrijk punt niet aan de orde gekomen, n.l. dat een rechtspersoon niet tegelijk onder de ene èn de andere begripsomschrijving kan vallen. Zo kan een onderlinge


197) Vgl. H.R. 28 Oct. 1953, B.N.B. 1953/302: „Een stichting, al moge zij in het organisatorisch verband van een kerkgenootschap zijn opgenomen, is op zichzelf niet een kerkgenootschap, terwijl zij ook geen kerk vormt.” Vgl. ook Dorren, die in N.J.B. 1954 blz. 498/499 betoogt, dat een kerk geen stichting is, daar voor haar vorming vermogensafzondering geenszins essentieel is en een kerkgenootschap ondenkbaar is zonder leden.
198) Bregstein in W.P.N.R. 4488.
199) In het Voorlopig Verslag van het op 2 April 1937 bij de Staten-Generaal ingediende ontwerp van „Wet op de Stichtingen” wordt gesteld „dat het goed zou zijn, indien de Regeering zoowel van het begrip „instelling met godsdienstig doel” als van het begrip „kerkelijke instelling” een scherpe omschrijving zou kunnen geven” (Bijvoegsel 173 blz. 28).
200) W.P.N.R. 4406 en 4417. Zie ook De Bruyn in W.P.N.R. 4445.
201) De Rechtspersoon, 1954, blz. 147. Als bewerker van dit boek van Scholten gaf Bregstein althans geen van deze afwijkend oordeel te kennen.

|67|

waarborgmaatschappij niet tevens vereniging zijn in de zin van de Wet van 22 Mei 1855 (zie art. 14 dier wet) en evenmin een coöperatieve vereniging202). Een kerkgenootschap kan niet tevens vereniging in de zin van laatstgenoemde wet zijn en omgekeerd. Dat men in de praktijk deze figuur niettemin ontmoet, is geen argument tegen deze stelling. Dit geschiedt veelal alleen om buiten alle kijf te stellen, dat de betrokken instelling rechtspersoonlijkheid bezit203). Zou zij niet onder de definitie van de ene rechtspersoon, b.v. van kerkgenootschap, vallen, dan kan zij niettemin als vereniging krachtens koninklijke goedkeuring bestaan.

Zo zijn ook kerkelijke stichtingen in beginsel van kerkelijke onderdelen te onderscheiden. Wat onder de laatste rechtsfiguur is te verstaan, zagen wij hiervoren. Leest men vanuit dit gezichtspunt de Memorie van Toelichting in punt 20 van de Wet op stichtingen, dan vinden wij als vereisten voor het bestaan als kerkelijke stichting de volgende vereisten, welke wij reeds voor kerkelijke onderdelen vonden: „De stichting zal ten doel moeten hebben een werkzaamheid of een behartiging van belangen, welke tot het eigen doel of de eigen taak van een kerk moeten worden gerekend. Voorts zal de stichting door het daartoe bevoegde kerkelijk orgaan als rechtspersoon moeten zijn ingesteld of aanvaard in die zin, dat op de bestuursvoering kerkelijke reglementen van toepassing zijn of dat kerkelijke ambtsdragers bevoegdheden ten aanzien van de stichting uitoefenen”204). Het komt mij voor, dat deze omschrijving te eng is, daar hierdoor het door de wet gewilde onderscheid tussen kerkelijke stichtingen en kerkelijke onderdelen verloren gaat205). Ook naar gereformeerde opvatting blijft er ruimte voor kerkelijke stichtingen, die geen kerkelijke onderdelen zijn. Men kan b.v. stellen, dat tot het eigen doel van de kerk niet, behoort om medische- en schoolhulp op zendingsvelden te verlenen. Evenmin om kinderbescherming te bedrijven en om als „ons aller (geestelijke) Moeder” het natuurlijk ouderschap te vervangen door voogdijen op zich te nemen. Niettemin kan deze werkzaamheid in zodanige nauwe samenwerking met kerkelijke ambtsdragers plaats vinden en op dezelfde confessionele grondslag, dat hier ruimte is voor het bestaan van een kerkelijke stichting206).


202) Arrest 25 Maart 1898, W. 7102.
203) Vgl. het vierde cassatiemiddel in de procedure tegen de Hersteld Apostolische Zendingsgemeente N.J. 1951, no. 665. De Hoge Raad deed op dit punt geen uitspraak.
204) Deze beide vereisten worden ook gesteld door het Rapport van de Commissie-Petit „Stichtingen”, Richtlijnen en normen voor een wettelijke regeling, Centrum voor Staatkundige Vorming, 29 April 1952.
205) Ook Bregstein wijst er op, dat de passages uit Memorie van Toelichting en verslag geen kracht van wet hebben: W.P.N.R. 4488.
206) vgl. hetgeen Scholten, De Rechtspersoon 1954 blz. 148 omtrent kerkelijke verenigingen stelt, n.l. dat deze een kerkelijk doel (zending, missie, Christelijk onderwijs of evangelisatie) hebben zonder dat zij daardoor tot kerkelijke instellingen worden. ➝

|68|

Onder bepaalde omstandigheden kan een pensioenfonds uitsluitend ten behoeve van kerkelijke ambtsdragers als een kerkelijke stichting worden beschouwd, doch het is ook denkbaar dat dit een kerkelijk onderdeel is, indien men hier, b.v. op grond van art. 13 K.O. een kerkelijk doel aanwezig acht207).

Wil men deze gevolgtrekking niet, dan heeft het wettelijk onderscheid tussen kerkelijk onderdeel en kerkelijke stichting geen zin. Het komt mij voor, dat de door mij hier verdedigde ruime uitlegging van het begrip kerkelijke stichting in overeenstemming is met het Nederlands staatsrecht, dat aan de activiteit van kerkgenootschappen slechts beperkingen stelt, welke door de openbare orde zijn geboden.

In dit laatste verband valt nog te wijzen op art. 149 van de Hoger-Onderwijswet, waarin aan kerkgenootschappen volledige vrijheid wordt gegeven tot het stichten en instandhouden van instellingen van hoger onderwijs. Van deze bevoegdheid is voor zover mij bekend slechts gebruik gemaakt voor het geven van hoger onderwijs in de theologie en haar hulpwetenschappen (oude talen, archeologie etc). De huidige wetgeving laat terecht volkomen vrijheid aan een dergelijke hogeschool als kerkelijk onderdeel of als kerkelijke stichting rechtspersoonlijkheid toe te kennen208). De geestelijke vrijheid van


➝ Vgl. omtrent kerkelijke verenigingen ook:
Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland 11/19 December 1912 B. 1096: Een gebouw, toebehorende aan een vereniging, welke zich ten doel stelt om zendelingen op te leiden of aan te nemen, uit te zenden en te onderhouden ter verbreiding van de Christelijke godsdienst, voornamelijk in de Nederlands Oost-Indische bezittingen en dienende voor opleiding van jongelieden tot zendeling, niet vrijgesteld van grondbelasting, omdat:
a. de inrichting in quaestie niet kan worden beschouwd als een inrichting van hoger, middelbaar of lager onderwijs of als een kweekschool voor onderwijzers als genoemd in art. 25, litt.d 1º, der wet van 26 Mei 1870 (S. no. 82), zoals dat artikel is aangevuld bij de wet van 30 December 1887 (S. no. 259), doch veeleer behoort tot de seminariën, alleen tot opleiding van kwekelingen voor de geestelijke stand bestemd;
b. dat de eigendom niet toebehoort aan een kerkgenootschap. (Volgens deze uitspraak is een zendeling iemand van geestelijke stand, een dienaar des woords onder andersgelovigen, bevoegd om te dopen en in de echt te verbinden, die daarbij wel als onderwijzer, als arts of in andere hoedanigheid zal optreden, doch alleen als hulpmiddel voor de bereiking van zijn doel, d.i. de verbreiding van den Christelijken godsdienst).
207) vgl. arrest 26 Februari 1936, B 6063 handelende over een pensioenfonds, dat in eigendom aan een kerkgenootschap toebehoorde en deswege kennelijk geen eigen rechtspersoonlijkheid bezat; voorts het arrest 9 December 1936, B 6263, handelende over een onderlinge waarborgmaatschappij van predikanten met het doel aan hun weduwen en wezen pensioen toe te kennen.
Naar gereformeerd kerkrecht zou ik dergelijke fondsen als kerkelijk onderdeel willen beschouwen met het karakter van onderlinge waarborgmaatschappij. De rechtspersoonlijkheid zou dus uit de eerstgenoemde rechtsfiguur voortvloeien, niet uit de laatste.
Vgl. voorts noten 113 en 115.

|69|

ons volk wordt slechts ten volle gehandhaafd, indien het huidige recht op dit punt gehandhaafd blijft.


208) Dat vroeger wel wat al te gemakkelijk rechtspersoonlijkheid werd verondersteld, blijkt uit de Memorie van Antwoord van het Wetsontwerp tot regeling van het Hoger Onderwijs, Handelingen 1875 — 30-6 — blz. 59.
„Aan de theologische faculteit der Leidsche hoogeschool werd door H.S. MIJSBERG te Dordrecht, bij testament van 9 Julij 1827, het grootste gedeelte zijner goederen vermaakt om de inkomsten daarvan te doen dienen tot beurzen voor studerenden in de theologie, welke goederen te gelde gemaakt en in de grootboeken der nationale schuld ingeschreven, thans een kapitaal bedragen van ƒ 105.900,— rentende 2½ %, en van ƒ 11.000,— rentende 4 %, uit welke renten in 1874, 21 theologische studenten beurzen hebben genoten. Iets dergelijks kan nader voorkomen ook bij andere faculteiten en uit dien hoofde moeten de faculteiten als rechtspersonen worden beschouwd.”
Dit citaat zou begrijpelijker zijn, indien daarin de wenselijkheid zou zijn uitgedrukt om de faculteiten als rechtspersoon in te stellen. Daarvoor is uiteraard een uitdrukkelijke rechtshandeling of een bijzondere wet nodig.

Roeleveld, L. [1958] Na

|71|

Naschrift

Na voltooiing dezer studie werd op 20 Maart 1958 bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal de Memorie van Antwoord ingediend op het ontwerp van Boek 2 voor een nieuw Burgerlijk Wetboek. Ik moge daaruit de volgende punten lichten, waaruit ten duidelijkste het standpunt van de Minister van Justitie blijkt:
a. De zgn. lijst van kerkgenootschappen, welke op zijn Departement wordt bijgehouden, bezit geen officieel karakter.
b. De wet geeft de kerkgenootschappen de vrijheid eigen reglementen op te stellen. Deze mogen echter niet in strijd komen met de wet. Dit laatste kan zich alleen voordoen, indien de wet op bepaalde punten een afwijkende regeling niet toelaat, dus dwingend is.
c. Art. 2.1.10 van het ontwerp, luidende: „Een rechtspersoon is verboden, wanneer haar doel of werkzaamheid in strijd is met de openbare orde of de goede zeden” en de daarop volgende bepalingen, regelende de vereffening, is ook op kerkgenootschappen van toepassing. De Minister van Justitie heeft zich ernstig afgevraagd of kerkgenootschappen van de onderhavige regeling moeten worden uitgezonderd. Hij is tot een ontkennende beantwoording van deze vraag gekomen. Wanneer men zich in het verband van een kerkgenootschap schuldig zou maken aan handelingen in strijd met de openbare orde of goede zeden, is het wenselijk dat dit kerkgenootschap door de rechter kan worden verboden verklaard en ontbonden, aldus de Minister van Justitie.

Tegen deze bepaling bestaat mijns inziens geen bezwaar voor die gevallen, waarin kerkgenootschappen zich schuldig maken aan handelingen, die als misdrijf moeten worden gequalificeerd. Men realisere zich, dat in de neutrale staat de heidense eredienst in beginsel evenzeer onbeperkt is toegelaten als de christelijke eredienst. Zou men zich in kerkgenootschappelijk verband schuldig maken aan het brengen van mensenoffers, hetgeen strafrechtelijk als moord of doodslag is te qualificeren, dan is er alles voor dat dergelijke kerkgenootschappen worden verboden. De bepaling gaat m.i. te ver nu tot het begrip openbare orde vele bepalingen van dwingend recht moeten worden gerekend, welke zijn voortgevloeid uit economische, sociale en politieke maatregelen, waartegen de kerk zich geroepen kan achten te waarschuwen. Hoewel het vertrouwen van de kerken in de rechter groot is, lijkt het toch beter, dat de wet op dit punt niet te ruim wordt geformuleerd. Een noodzaak daartoe is te minder aanwezig, nu in bedoelde gevallen er dikwijls reeds andere sancties bestaan.

d. De wettelijke bepalingen omtrent stichtingen zijn niet van toepassing op kerkelijke stichtingen, ten ware zij bij de statuten van toepassing zijn verklaard. Zo zij dit wensen, kunnen zij dus door een statutaire bepaling zich plaatsen onder het regime van de wettelijke regeling op stichtingen.

Mei 1958.