Schokking, H. (1902) II.12

|174|

 

 

§ 12.
De Profetie.

 

Reeds werd in de vorige paragraaf terloops van deze instelling gewaagd en het spoedig ophouden ervan betreurenswaardig genoemd. Want niet alleen, dat daarmee een karakteristieke lijn uit de gereformeerde facie verdween, maar er ging ook eene kracht mede te loor, die der kerk zeer ten goede had kunnen komen.

In vele vluchtelingen-kerken was zij in zwang en nadat zij reeds geheel in onbruik geraakt was, werd zij door een man als Voetius zeer gunstig beoordeeld. De kerkordeningen van 1571 af tot die in 1586 toe hebben dit lid echter laten verschrompelen, zoodat die van 1618 niet dan een vervormde, kleine en alleen bij historisch onderzoek herkenbare herinnering eraan heeft bewaard in art. VIII.

Dit is te meer jammer, waar ondanks deze officiëele verhongeringskuur het kindeke in de gemeente toch nog in het leven was gebleven. 1)

De synodale stukken bieden weinig gegevens, maar de Weselsche artikelen handelen er uitvoerig over. 2) Onder profeten werden door de mannen van Wesel verstaan: qui in coetu ecclesiae propositum scripturae locum ordine exponunt, prout est a Paulo institutum: eosque a ministris distinguimus. De gewone predikanten hadden meer te doen, art. 13.

Eens per week of om de veertien dagen moesten de profeten bijeenkomen, na de preek bv., en een Bijbelboek


1) Voetius’ »repetitiones concionam« wijzen op een voortbestaan nog in lateren tijd Pol. Eccl. P I, L II, T III, C II, Vol. I, bl. 886, Ba Ra Ed. Hoedemaker, bl. 323.
2) Rutgers Acta, bl. 16. Cap. II artt. 16—24.

|175|

achtereenvolgens behandelen. Eén had de beurt en sprak; was hij gereed, dan mochten de anderen het aanvullen, art  17.

Als profeten konden optreden de predikanten, de doctoren en diegenen van de ouderlingen, diakenen of ook ambtelooze leden (»adeo ex ipsa plebe«) die »domino prophetiae« ontvangen hadden en dit ten nutte der kerk wilden  aanwenden.

Deze vorm van profetie was echter niet de eenige. Dr. H.H. Kuyper verzamelde vele gegevens hierover in zijn: De opleiding tot den Dienst des Woords. 1) In verband met dit onderwerp bespreekt hij de Zurichsche en de Geneefsche profetie, welke evenals de Engelsch-Hollandsche (van a Lasco) geheel of gedeeltelijk ten doel had de vorming van leeraars. Wesel’s artikelen wijzen ook wel in die richting (cap. I, art. 1, 4) waar zij proposities en profetie naast elkander noemen 2), maar in onze Hollandsche profetie was dit slechts een bijkomstige zaak. De Schotsche vorm was weer anders. 3)

Tusschen den Weselschen hoofdvorm, het houden van bijbel­bespreking, en die van a Lasco, beoordeeling en verdere bespreking van de preek, is een duidelijk verschil. Wesel keurde dit beoordeelend bespreken bepaald af, omdat hieruit ontrus-tende twisten voor de gemeente konden voortkomen. Maar de bewoordingen toonen, dat de Londensche manier niet onbekend was, zij het ook »nuper exortum« (art. 18). De vorm van a Lasco maakte nog meer dan de Weselsche duidelijk, dat de leer eene zaak der geheele gemeente was, die haar ook zelf­standig te onderzoeken had en om krachtig samengevoegd te zijn in eene gemeenschappelijke overtuiging zich had te voeden met het Woord. Doch ook de Weselsche vorm bedoelde dit te bereiken en zou uitnemend hebben kunnen werken. Voor ons is dit de hoofdzaak, dat de mannen van 1568 in iedere gemeente, behalve de prediking des Woords, ook wenschten een wel-geregeld onderzoek des Woords door een breederen kring in de gemeente. Dit was de erkenning niet alleen van »de vier ambten«, maar ook van andere gaven, als diensten in en voor de kerk. Aan de regeering der gemeente hadden de profeten


1) Bl. 118, 125, 301, 335 vlg. Vgl ook Von Hoffmann, Das Kirchenverfassungsrecht, S. 114 f..
2) Vgl. ook den brief van Keulen’s kerk voor de gedeputeerden naar Emden 1571 W. d. M. V. III, V, I, bl. 11.
3) H.H. Kuyper, Opl. 131.

|176|

geen deel, maar wel kwamen zij bij den kerkeraad, wanneer er een controvers over leer of ceremonie was. Bij hen en de doctoren berustte de spirituum ac doctrinarum probatio.

Wesel’s advies hierover is echter niet gevolgd. Als haar artikelen ontbraken en Voetius niet in éen plaats melding er van maakte, zouden de overige kerkorden en zelfs al de provinciale-synode-acta den geschiedvorscher voor dit probleem plaatsen: Waarom is de profetie, die in alle gereformeerde kerken dier dagen gevonden werd, alleen in Nederland niet te vinden?

Hierin is iets, dat mij nog niet helder is. Er zijn aanduidingen, dat de profetie niet ontbroken heeft; maar de breedere kerkelijke vergaderingen spreken er niet van. Hier den invloed te zien van Calvijn’s scherpe opvatting van het ambt, is allicht niet zonder grond. Had Wesel de profetie zuiver als ambt kunnen regelen en nauwkeurig haar plaats in het gemeenteleven aanwijzen, het beloop ware allicht anders geweest. 1) Maar nu zij een soort doctoren waren, doch zonder wetenschappelijke vorming, terwijl 1° de ontwikkeling van dit ambt zich scheidde van dat der profetie en het 2° zelf nog zoo onvast was, en vooral toen er, na den terugkeer der ballingen in het vaderland, in de overgroote meerderheid van plaatsen geen geschikte dienaren gevonden werden, ja geen ouderlingen of diakenen, soms nauwlijks een noemenswaard aantal belijdende personen, ontbraken natuurlijk ook de mannen om de profetie te onderhouden. Aldus zal deze instelling eerst op den achtergrond, straks in onbruik, aanstonds geheel uit den kring der gedachten geraakt zijn. Voeg daarbij, dat de twisten die weldra in de kerk oprezen, de predikanten allicht huiverig hebben gemaakt om »nieuwigheden«


1) Niet, alsof dit op zich zelf voor de uitoefening der profetie noodig ware geweest. Dr. A. Kuyper (Tractaat van de Reformatie der Kerken bl. 69) ziet de profetie geheel als onderdeel van het »ambt der geloovigen«. Deze term moge aan bedenking onderhevig zijn, en zijn voorstelling, alsof de profetie in »de oude gereformeerde kerken«, allerwege een samenkomst van »gewone geloovigen« was, niet opgaan — op zich zelf schijnt mij zijne gedachte juist, dat het vrije leven des geestes (Revisielegende, bl. 66) in heel het lichaam der gemeente moest opgewekt worden en dat daartoe de profetie een zeer gewenscht middel was.
Iets anders is het echter of de Gereformeerden der 16e en van de eerste helft der 17e eeuw zoo gedacht hebben. Rieker’s opmerking omtrent »der moderne Begriff von Vertretung« (cf. zijn Grundsätze, S. 140, n° 1) dat dit »jener älteren Zeit fremd ist,« geeft een behartigenswaardige waarschuwing ook voor andere onderdeden der kerkelijke samenleving.

|177|

voor te staan — en het antwoord op de vraag: »waar is de profetie gebleven?« is misschien gegeven.

Hoe dit zij, het feit blijft bestaan, dat de wenschen van Wesel niet zijn vervuld. M.i. blijft dit te betreuren; te meer, daar ook de propositie en onderlinge oefening der predikanten in classi of coetu allengs vrij onbeteekenend werd.

Onwillekeurig rijst de vraag: is er dan geen enkele stem opgegaan om voor het behoud der profetie te pleiten?
Tot dusver vond ik er slechts ééne.
In de classis Neder-Veluwe is dit punt in 1606 ter tafel geweest.

In de extraordinaire vergadering van 19 Mei 1606 werden gravamina opgesteld voor de provinciale synode, ter voorbereiding van de, echter eerst in 1618 gehouden, nationale synode. Sub 7 is daar vermeld 1):… Nae dien het exercitium prophetiae, twelck so te Geneven, als te Embden ende daer omtrent, met groote stichtinge onderhouden werdt, onder onss meest vervallen iss, waerin die begaeffde broeders so predicanten als olderlingen bij malcanderen commen, om sich door vraegen, antwoorden ende disputieren in den woorde godes te oeffenen. Of niet raetsam en zij, den Christlicken Nationali Synodo dit te bedencken te geven, om dat lofflicke oude gebruijck te resumieren, ten einde die broeders hen desto beter mogen oeffenen tegens die wedersprekers, als oock om daerdoor in ervaringe te mogen commen wie die bequaemste zijn, om te mogen van dorpen in steden promovijren.

In de provinciale synode van 1607 2) kwam dit gravamen ter sprake en werd het doorgezonden naar de nationale, maar in 1618/19 is het blijven liggen bij de groote massa onafgedane vraagpunten. 3)

Wij bemerken uit dit gravamen, dat de raad, te Wesel gegeven, toch niet geheel in den wind geslagen is. De profetie heet »onder ons meest vervallen«; zij was er dus wel geweest. Maar niet in den Weselschen vorm. Ten eerste zijn volgens de classis Neder-Veluwe de profeten niet de met het donum prophetiae begaafde »gemeene geloovigen«, maar van die gave voorziene


1) MS. A, bl. 118.
2) R. & v. V., IV, bl. 144.
3) Op de lijst der ingezonden gravamina is het n°. 4. H.H. Kuyper, P.-A., bl. 421.

|178|

predikanten en ouderlingen, ’t »Leeken«-element is reeds geheel verdwenen. Ten tweede bestond hier de profetie niet als een instelling in elke gemeente, klein of groot, maar veeleer als een soort coetus evenals in Noord-Holland of te Genève; de predikanten van verschillende dorpen waren bijeen en konden daar ook gekeurd worden. Ten derde werd het stellen van vragen om daarover te disputeeren begeerd, iets dat te Wesel afgekeurd was uit vrees voor de twisten, die daaruit konden oprijzen. En ten vierde was het doel niet zoozeer de opbouwing der gemeente, als wel slagvaardig te worden tegenover tegenprekers. Van het te Wesel beoogde nevendoel: de opleiding van proponenten, was ook geen sprake.

Een kleine uitweiding over dit m.i. gewichtige punt vinde hier eene plaats.

Een zoodanige profetie als Neder-Veluwe wenschte was altoos nog beter dan in ’t geheel geene. Wel ontbrak hier het aantrekkelijke meewerken van alle leden. De neiging van het gereformeerde volk tot »oefenen« had daardoor ten nutte van het gemeente-leven geleid kunnen worden. Het beroep op het recht der gemeente, overeenkomstig met wat in de oudste christelijke kerken gevonden wordt, schijnt mij allerminst zonder grond. Een profetie in »populairen vorm« (H.H. Kuyper) ware een veiligheidsklep geweest voor den drang, die later tot conventikels en scheurkerken leidde. De Doopsgezinden hadden nooit zulk een invloed kunnen krijgen, indien niet veel van wat zij zeiden weerklank had gevonden in het hart des volks. 1) Daarom sprongen bv. in 1629 zulke echt-kerkelijke mannen als Cloppenburg, Walaeus en Voetius voor de conventikels in de bres. 2) Even beslist als zij tegen geestdrijverij zich stelden, weerden zij ook alle hiërarchie af. Maar evenmin valt het te ontkennen, dat juist de reactie tegenover wat bij de Doopsgezinden en later bij de Rijnsburgers of Collegianten 3) werd gezien, de leiders der Gereformeerden bevreesd maakte. Voetius, die het overigens voor de profetie warm opneemt, schrijft elders: 4) »… contendimus cum omnibus Ecclesiis reformatis, quibusvis qui aliquo modo prae


1) Vgl. Hylkema, Reformateurs, 1900 en  1902.
2) Vos, Geschiedenis, bl. 241.
3) Brandt IV, bl. 116 e.a.
4) P.E. I, 884, 885, P I, L II, T III, C II, 4e quaestie, Ba Ra Ed. Hoedemaker bl. 321.

|179|

aliis exercitati sunt, aut sibi videntur, (!) non convenire nec concedendum esse ut publice sive de cathedra, sive in loco suo sedentes aut stantes, Scripturas interpretentur; et verbum instructionis, hortationis, consolationis ad populum proloquantur: absque legitimâ vocatione.« Daardoor toch zou heel de door God ingestelde dienst des Woords uitgeroeid worden, het volk geleid tot socinianisme, anabaptisme en de razernij van Corach, Dathan etc. Een beroep op Num. 16: 3 en Joh. 6: 45 gaat niet op, zegt hij. »Jam actum esset de toto ministerio.« Even­min laat hij een beroep op Rom. 12: 19, Act. 13, I Kor. 14 toe voor zoodanige vrijheid. Hoogstens gold deze voor de propheten: »hoc est ad quosdam in Ecclesia prae aliis omnibus exercitatos, ecclesiastico judicio probatos, delectos et certo praefixo ordine hoc agentes.« Voetius vermeldt nog, tot nadere beperking, dat nonnulli, onder wie Danaeus, van oordeel zijn, dat de profeten-titel alleen aan Doctores en Lectores Theologici toekomt, terwijl anderen meenen, dat dit charisma opgehouden had. Sed nos cum aliis et cum Notis Bibliorum Belgic. ad 1 Corinth. 14: 33 malumus extendere etiam ad illos, qui ordinario studio aliquam Scripturarum et Theologiae cognitionem sibi compararant. Eccle­siae Scoticae anno 1560, in Libro Disciplinae Proceribus illius Regni oblato tit. de Prophetiâ et interpretatione Scripturae, admodum commendant hoc exercitium, et ad illud in urbibus invitant ex agro vicino Pastores et Lectores; nee minus sollicitè cavent ne absque judicio, probatione et delectu Ecclesiae huic Prophetantium se ingerant; nec libertatem publici in Ecclesia illa Pastoris usurpent (etiamsi publici essent verbi Ministri); sed textui suo inhaereant, nee digressiones ingrediantur, aut locos communes exponant, etc. In Ecclesia Genevensi ad verbi Ministros, et Professores ac Lectores scholasticos restringebant: In Londino-Belgicä, ad ministros, seniores, aliosque quosdam ex Ecclesia, judicio Synedrii, selectos.

Voetius wilde er dus voor waken, dat de profetie zou leiden tot minachting voor de gewone bediening des Woords of hiervoor in de plaats zou treden. Vandaar dat de kring, waarin de profetie geoefend werd, in nauwer of enger verband met den kerkeraad moest staan. Kon dit niet verkregen worden, dan werd door de gereformeerde leidslieden de profetie liever ter zijde gesteld.

|180|

In 1586 kwam in Noord-Holland 1) de vraag »hoe men doen zal in die tsamencompste der jonge liedens als vryers ende vrysters om haer te oeffenen int particulier in Godes woert met lesen, vuytleggen, vraegen voer te stellen ende singen. Wort geantwoert, alzoo groote desordre in vele plaetsen daervuyt gevolget, dat het stichtelycker waere dieselfde gans te onderlaten, doch in die plaetse, daer die tot noch toe sonder opspraecke met stichtinge onderhouden is, zullen die dienaeren derzelfder gemeynten voersien, dat die jongelieden geene vergaerderingen aenstellen sonder bywesen eeniger ouderlingen.« Een jaar later werd besloten, dat zulke groote samenkomsten toch maar verhinderd moesten worden. 2) Ik vermeld dit hier, hoewel ’t mij onbekend is of deze gemengde jongelingen- en jongedochters-vereenigingen van 1586 zich beriepen op het recht van profetie. De aanwezigheid van ’t donum prophetiae zou echter betwijfeld mogen worden, hoewel het geen onaardige trek uit de Noord-Hollandsche gemeenten is, dat onder het jonge geslacht zulke stichtelijke bijeenkomsten gehouden werden, al bestonden de gevaren wel niet alleen in de verbeelding. De houding der eerste synode was dan ook volstrekt niet afkeurend, zooals men ziet. Goed geleid en stichtelijk gehouden, kon er eenig nut van verwacht worden. De gebruikelijke profetie behoorde echter alleen onder volwassenen of zelfs ambtelijk te geschieden.

Op de vraag of zulke profetiën niet slechts geoorloofd, maar ook nuttig zijn, antwoordt Voetius dan ook: Ja … Quia Ver­bum Dei πλουσίως inter nos habitare debet …. 3 quia exercitia illa faciunt, ad spiritualis cognitionis excitationem, et incrementum; ad orthodoxiae in Ecclesiis conservationem, ad ejusdem contra adversarios apologiam …; ad errantium … convictionem, enz. 3)

Deze lof is zeker niet te groot. De Forma ac Ratio van a Lasco wist het nog uitvoeriger te zeggen 4) en verwierp ook de vragen van »leeken« niet.

Voorzeker, »nusquam aliunde plus imminere posse periculi constet in omnibus Ecclesiis quam ex doctrinae dissidiis«; omgekeerd


1) Edam 2 Juni, R. & v. V., I, bl. 139.
2) R. & v. V., I, bl. 143.
3) Pol. Eccl. I, bl. 880. Ba Ra Ed. Hoedemaker bl. 313.
4) Pol. Eccl. Vol. I, p. 875, Ba Ra Ed. Hoedemaker bl. 314.

|181|

was »unanimis doctrinae consensus in illis (ex Verbo Dei)« allernuttigst. Maar hoe kon deze beter tot stand komen dan doordat de auditores, in wier gemoed de prediking nog dubitationes mocht achtergelaten hebben, in een nadere bespreking van de preeken, deze hoorden toelichten, uit Gods Woord beoordeelen en aldus de waarheid van alle zijden bevestigd zagen?

»Quantus autem sit hujus talis Prophetiae fructus, id res ipsa clarius multo testatuc, quam ut ullis verbis explicari posset, zeide a Lasco 1).

Hujus talis Prophetiae — nl. meer het beoordeelen van de uitgesproken preek. Deze vorm is wel te Wesel verworpen, als niet overeenkomstig Paulus’ inzetting en uit vrees voor de twisten, die daaruit konden voorkomen, maar de Forma ac Ratio beriep zich, en m.i. niet ten onrechte, op Paulus’ eigen woorden: »Caeteri dijudicent,« 1 Cor. 14: 29.

 

Caeteri dijudicent. Deze woorden kunnen als formule gelden voor de uitoefening van de broederlijke tucht bij de thans beschreven werkzaamheden der kerkelijke vergaderingen om gezamenlijk de leer nader te onderzoeken.

Naar welken regel moest er echter geoordeeld worden?

Dit worde besproken in een volgende paragraaf.


1) Voetius, Pol. Eccl. Vol. I. p. 876 Ba Ra Ed. Hoedemaker bl. 315.