Schokking, H. (1902) I.3

|27|

 

 

§ 3.
De Classis.

 

Telkens moest bij de bespreking van de bevoegdheid en het werk des kerkeraads melding gemaakt worden van de classis. De kerk is volgens de Gereformeerden in ons tijdvak in eene plaats volledig en zelfstandig, maar zij is er niet dan als lid van de algemeene kerk 1) en noodwendig brengt dus het openbaar worden van kerken in verschillende plaatsen de verschijning van een kerkverband met zich mede. De praktijk drong ook hiertoe. Het was gebleken, dat er gevaar ligt in de toekenning van groote bevoegdheid aan één persoon of een klein comité; maar zwaarder nog woog het, dat er zaken zijn, waarover ééne gemeente alleen niet oordeelen mag. Punten, de leer der kerk betreffende, staan hierbij voorop.

Daarom was het brandpunt der kerkelijke ordering in dezen deele niet de kerkeraad, maar de breedere vergadering, allereerst de classis, welke de regelmatige eerste openbaring van de eenheid der kerk bood.

In deze formuleering: de classis de eerste openbaring van de eenheid der kerk — ligt de verklaring voor de twee vormen, waarin zich de classikale vergadering vertoond heeft.

De eene is die van eene vergadering gedeputeerden, de


1) Vgl. de uitdrukking van Acronius (1610): »de deelen van de sienlycke Kercke zijn particuliere sienlycke Ghemeynten« in Kleyn, Alg. Kerk, bladz. 17 noot.
Dat echter de plaatselijke kerk op haar plaats volledig en eigenlijk een kerk is, hare macht in haar bestaan heeft, deze niet ontleent aan het lichaam, was de algemeen geldige overtuiging bij de  Gereformeerden.
Als een »concessum« geeft Voetius dan ook op: »Ecclesiam parochialem esse ecclesiam veram essentialiter et integraliter, absque illa [in kracht gelijk aan ulla] corresponden­tie« Pol. Eccl. Vol. IV. p. 127.

|28|

vertegenwoordigers der kerk in eene bepaalde streek; de andere is die van eene vergadering der dienaren des Woords aldaar.

Langzamerhand is de eerste vorm alleen overgebleven; natuurlijk, waar de gereformeerden van ecclesia repraesentativa en ecclesia docens niets wilden weten.

De tweede vorm werkte echter in menig gebruik lang na. En ook dit is niet vreemd. De beteekenis van het ambt voor de eenheid der kerk en de plaats, die aan de leer toekomt, kwam daarbij in sprekende lijnen uit.

Deze aldus vooropgestelde opmerking kan ten leiddraad strekken bij de vorming van eene voorstelling uit gegevens, die niet altijd met elkaar in overeenstemming schijnen te zijn.

De naam classis is reeds in de Weselsche artikelen gebruikt 1) en later behouden gebleven. Zijn kracht ontleent hij echter niet aan zijne taalkundige beteekenis, maar aan het spraakgebruik. Ook andere namen zijn gebezigd; de algemeene uitdrukking «conventus ecclesiarum» werd door den scriba 2) der Acta van de Neder-Veluwsche classis in 1597 gekozen.

In Zeeland, dat door den bijzonderen invloed van den Eersten Edele op de kerkelijke organisatie over ’t geheel eene eigene plaats innam, bleef de naam «coetus» bestaan, welk woord in Noord-Holland gebezigd werd voor eene van de classicale onderscheiden vergadering van predikanten. 3)

In Wezel werd gesproken van Classis seu Paroeciae. Hierin komt de eigenlijke aard van deze breedere vergadering het duidelijkst te voorschijn. Genabuurde kerken, — dat was de grondidee. In verschillende gevallen behooren die elkanders hulp in te roepen, in andere moeten zij gemeenschappelijk handelen.

Het aantal gemeenten, die samen eene classis vormen, is zeer verschillend. Eene uitzondering is de bepaling, dat Amsterdam op zichzelf eene classis zou uitmaken; 4) zij komt niet overeen met de verdeeling, in Dordt 1578 opgemaakt, en is blijkbaar niet ten uitvoer gelegd. Maar hoeveel er wel samen moeten zijn om een classis te hebben, hangt geheel van de omstandigheden af. Ja, als de eenmaal gevormde classis in haar  geheel niet bijeen is, wordt in sommige opzichten gelijke


1) R. & v. V., 7; II, 3 etc.
2) Dit was Gualtherus de Bruyn, MS. A, bl. 50.
3) R. & v: V., I, 6.
4) R. & v. V., I, 56; 25 Sept. 1578.

|29|

waarde toegekend aan de samenwerking van twee, drie naburige kerken. Ook toen er reeds jaren lang een, later te bespreken, deputaatschap van de classis bestond, om nomine classis te handelen zoolang de vergadering niet bijeen was, wordt toch nog meer dan eens het oude gebruik van «eenige genabuurde kerken» te hulp te roepen gevolgd. De kerkorde van 1568 spreekt nog van «het oordeel der Classen, ofte van twee ofte drie Naest-gheseten Dienaren.« 1) In 1615 had Voorthuizen be­roepen zonder de classis erin te kennen. Het beroep wordt ongeldig verklaard; zij moeten de kerkorde volgen: om «met toedoen ende advys der classis ofte ten minsten twee ofte drye daernaest genabuerte Praedicanten» 2) te handelen. Ook verder wordt nevens de gedeputeerden der classis, waarbij nog deputati synodi komen, toch de hulp van twee naburige predikanten voorgeschreven. 3) Het verband was dus elastisch.

Ook was het betrekkelijk onverschillig, hoe de classis bijeengekomen is, of doordat de gemeenten zich aaneengesloten hebben tot een classis, of doordat zij saamgevoegd zijn in classicaal verband door de regeling eener provinciale synode (zooals bijv. in Gelderland is geschied). Een classis is niet anders dan een groep kerken, welke in elkanders nabijheid liggen en samenkomen om de belangen der kerk in die omgeving te behartigen. De omvang kan wisselen en het komt


1) Art. 4; Rutgers, Acta, bl. 488.
2) MS. A, bl. 189.
3) Op die missive, so der Ede ende E.H. Gedeputeerden Velousgen Quartiers, als ooc des versoecks der kercken van Vorthuisen, beyde betreffende seeker beroep ten dienst der kercken Christi tot Vorthuisen, ’t welcke beroep bij die van Vorthuizen op Henricum de Bruin sohne des overledenen Praedicants Woltheri de Bruin, saliger gedachten, soude gedaen syn, advisiert ende verclaert die Classis, naedien se sig op ’t voors. beroep ende d’omstanden van dien bij den aenwesenden ouderlinck der Kercken van Vorthuisen geinformeert ende sulx aen die acten Synodi Nationalis vande beroepinge der Praedicanten sprekende, beproeft hadde, dat het gemelde Beroep onformelyck sij; ende also nochtans de Kercke van Vorthuisen van een getrouwe Herder behoort ende moet vorsien zijn, ordiniert die Classis, dat volgends kerckenordeninge de Kerckeraet van Vorthuisen met toedoen ende advys der classis ofte ten minsten twee ofte drye daernaest genabuerte Praedicanten tot denominatie, electie ende beroepinge eens getrouwen Herders voor de voors. kercke sal moghen ende behooren te treden; ende eenen beroepen hebbende, denselfden den Classi ofte des Classis gedeputierdeu sullen praesentieren, ten eynde, op dat de Gedeputierde synodi, de gedeputierde Classis ende eenige naestbijgesetene Praedicanten (die bij den gedeputierdeu Classis daertoe sullen versocht ende beschreven werden) sich door wettelyck examen op syn leere ende leven sullen informieren moghen, ende hem in beyden duchtich bevindende, voort met hem handelen, als volgents kerckenordeninge tot voltreckinge van sulck een beroep sal bevonden worden te behooren.«  MS. A, bl. 188, 189.

|30|

voor, dat een gemeente overgaat van de eene classis naar de andere. In 1582 is Bleiswijk in plaats van Vlaardingen bij Rotterdam gekomen, terwijl Vlaardingen zich onder Delft’s classis schaarde 1).

Als men maar niet buiten classicaal verband bleef. In 1578 wordt op de 3de particuliere vraag: »Wat men met sulcken Dienaer doen sal die sich onder gheen ordeninghe begheven en wil?« geantwoord: »Datmen sulck een den particulieren Synodo aengheven sal op dat van den selvighen daerin voorsien worde. Daerbeneffens sal de Classis ettelicke verordenen, die de Overheyt der ghereformeerder religie van de nutticheyt ende billickheyt deser ordinantie onderrichten sul’en, ten eynde dat sy door de authoritheyt der selvighe hierin magh gheholpen werden«. 2)

Op zichzelf te blijven staan was dan ook ongeoorloofd, ja werd eenvoudig onmogelijk geacht en daarom niet verondersteld.

Immers de synode van Emden volbrengt wat op Wezel’s convent reeds raadzaam geacht was, door de verschillende gemeenten saam te voegen tot classes. Ook kerken, die niet aanwezig waren op de vergadering en zelfs die, waarvan men het bestaan niet met zekerheid wist, waren hieronder begrepen. Anders zou art. 10 geen zin hebben »… Een ander Classem sullen maecken die van Wesel, van Embrick, van Gogh, van Rees, van Gennep, ende anderen die daer meer int Landt van Cleef souden mogen zijn3)

De splitsing van ééne classis in tweeën, wanneer binnen den kring te veel gemeenten gekomen zijn om eene vergadering te houden, die gelegenheid geeft om met elke plaats rekening te houden, ligt in dezelfde lijn van gedachte. Daarom droeg de eerste verdeeling der provincie Gelderland ten jare 1580, een voorloopig karakter: Aengaende de classes ist besloeten, dat gelijck die provincie Gelderlandt in vier theilen bestaet, alsoo oock in vier classen die kirchen gedeilt werden, alsoo dat die graeffschafft Zutphen einen classem constituere, darnach


1) Cf. R. & v. V., II, 206, 224.
2) Rutgers Acta, bl. 263.
3) Vgl. ook de 17de part. kwestie uit de Geldersche Synode van 1582 (R. & v. V., IV, bl. 25) »Diewiell die kercke tot Graeff noch ghenen besunderen classem aenstellen kan und niet raedtsaem off erbaerlick is, dat sij alsoo voor sich selvest, sonder mit anderen genaberten kercken te communicieren, blieve sitten, ist voor gout aengesien, dat zij onder den classe tot Nijmmegen sullen geacceptiert und gereeckent werden, enz.

|31|

Arnhem mit der Veluwe den tweeden, Nijmegen mit haeren gantsen vierdell, Venloe mit den Overquartier. Ende sall diese affdeilungh soolangh duijren, totdat alle dorper gereformiert mit die kirchen aenwassen. 1)

In 1592 is dan ook reeds Arnhem in tweeën gesplitst, welke regeling op de provinciale synode van dat jaar gecorrigeerd en bevestigd is, blijkens het volgende: »Aengesien die verdeilinghe bij der classen van Veluwen, naemelick des Overen ende Nederen, etlicker omstanden halven ongelegen gevonden is, hebben bij die classes eenhellichlick in naevolgende deelinge gewillicht, als te weeten, etc.« 2)

Een voorstel, in het jaar 1606 gedaan, om de classis Neder-Veluwe te splitsen, vond echter geen instemming. Wij lezen daaromtrent: »Ist gefraget ob niet raedsam were dat overmit den classis stercker word ende de broderen widt van malcanderen gesetten niet zonder grote onkosten vergaderen, also oock dat den classis langsam vergadert niet goed en ware dat den classis gedelt worde ende dat mit advys des Synodi, is geantwort dat het niet voor raedsam angesehen werdt, ende oeck de kosten the vermidden dat de gedeputeerden des classis macht sollen hebben einig particulir conventum the beropen als de noed solches sal vorderen.« 3)

Uit deze gegevens blijkt, dat de uitgebreidheid der classen van verschillende omstandigheden afhing. Voor den aard der vergadering maakte het geen verschil of zij uit een grooter of kleiner getal kerken bestonden: indien het maar genabuurde kerken waren, zoodat de gereformeerde kerk in die streek zich vertoonde op de vergadering.

Deze grondgedachte brengt mede, dat nevens de groote vrijheid in het bepalen van den omtrek enz., nochtans geen enkele kerk afwezig of afgezonderd bleef. De voorstelling van Rutgers en Lohman 4), alsof de toetreding tot de classis geheel vrijwillig was, gaat niet op. Zoowel de door deze schrijvers aangehaalde woorden als de Emdensche verdeeling spreken wel niet van de onmisbaarheid van ’t classicaal verband, maar het al of niet toetreden werd toch niet aan ieders keuze overgelaten.


1) R. & v. V., IV, bl. 12.
2) R. & v. V., IV, bl. 34.
3) MS. A, bl. 71, 72.
4) Rechtsbevoegdheid, bl. 57.

|32|

Aldus was de classicale de eerste der meerdere vergaderingen. Met dien naam wordt niet bedoeld, dat zij meer gezag hebben, maar hij beduidt: uit meer kerken samengesteld. 1) De naam, die later is opgekomen, »breedere vergadering« is dan ook doorzichtiger en drukt tegelijkertijd uit, dat in haar de algemeene kerk in breeder 2) ontplooiing zichtbaar werd dan in de plaatselijke gemeente.

De classicale vergadering is dan ook in zooverre te beschouwen als de vorm, waarin zich vertoonde wat wij zouden kunnen noemen de classicale kerk. Daar de kerk binnen den kring der classis-grenzen bestaat in afzonderlijke kerken, heeft deze vergadering het karakter van eene samenkomst, die slechts bestaat doordat en voor zoolang als de gedeputeerden dier kerken zich bijeen bevinden. Maar »de classis« bestaat ook, wanneer de vergadering niet bijeen is.

De kerkorden spreken van vierderlei »t’ samenkomsten«: de kercken Raed, de classicale vergaderingen enz., bv. Dordtsche K.O. 1618/19, art 29. In art. 36 heet het echter: »’t Selfde seggen heeft de Classis over den Kercken-Raed«. Daar worden dus classicale vergadering en classis als woorden van dezelfde kracht nevens elkander gebruikt. Maar toch ging het begrip classis in dat van de classicale vergadering niet op. Voor zoover er sprake is van de uitvoering der kerkelijke macht hebben wij in dien tijd alleen met de classicale vergadering, of classis in dezen zin, te doen. Maar daaraan lag ten grondslag de aanwezigheid van het lichaam der zichtbare kerk, welke naar de woorden van de Synopsis 3) kan beschouwd worden »vel ut coetus aliquis particularis unius pagi, urbis, aut provinciae — vel ut coetus aliquis oecumenicus….«, waaruit blijkt, dat de gezamenlijke gemeenten in eene omgeving geacht werden de ecclesia dier provincie te vormen.


1) O.a. October 1585 Classis Amsterdam (MS. B, fol. 19): Een voorslag uit Leiden wordt niet stichtelijk bevonden, n.l. dat een particuliere kerk »zoude prejudiceren een vergaderinge soo veelder kercken, ende dat door retractatie van een minder vergaderinghe hetgene wat in een meerder is besloten soude te niet gedaan worden.«
2) Hieruit is te begrijpen, hoe de Acta der grootere synoden kunnen zeggen, dat er vierderlei kerkelijke samenkomsten zijn: Kerkeraad, Classis, Provinciale (resp. Particuliere) Synode en Algemeene Synode, en hoe zij dientengevolge aan den kerkeraad, hoewel hij in vergelijking met de drie andere een eigen karakter bezit, toch slechts eene plaats in de reeks van deze vier aanwijzen, aan hem geen afzonderlijk hoofdstuk toekennen.
3) Disp. XL, Th. XXXIII, bl. 440. Praeses bij deze disputatie was Walaeus.

|33|

Deze zelfde gedachte komt uit in verschillende spreekwijzen. In de acta der Geldersche synode, te Zutfen in 1583 gehouden, 1) wordt gezegd, dat een kerk, wanneer zij raad noodig heeft, allereerst de hulp moet inroepen van »haere benachtbarte kercken ofte plaetsen, daeronder sy gehoeren«. In den volgenden zin wordt daarvan als van de »Classes« gesproken. 2) Hier is dus classis niet: de vergadering der samengekomen vertegenwoordigers der plaatsen, maar die plaatsen zelve, zooals zij voortdurend te samen gedacht worden. 3)

———

De classicale vergadering, vertegenwoordigende de kerk in den kring van de classis, was samengesteld uit de vertegenwoordigers der particuliere kerken in dien kring.

Deze samenstelling berust op de gedachte, dat de kerken de leden der classis zijn: de leden der vergadering komen daar dus als hare lasthebbers; maar tegelijkertijd openbaart zich in de vergadering het lichaam der kerk en zijn dus degenen, die in eene particuliere kerk de facies ecclesiae vertoonen, de aangewezen personen om als vertegenwoordigers op te treden. M.a.w. de classicale vergadering is de samenkomst der van afvaardigingsbrieven voorziene ambtsdragers.

Dit blijkt uit de navolgende gegevens.

De overlegging van de afvaardigingsbrieven behoort onder de normale werkzaamheden der classicale vergadering; daaruit werd de aanwezige als wettig lid erkend. Wel is waar was volgens Emden II, 1 (vergeleken met III, 1) voor de classis geene credentie noodig, maar op de lijn, dat de classicale vergadering bestaat uit de vertegenwoordigers der gemeenten, welke zelve de leden der classis zijn, kon een credentie niet gemist worden, hetzij die geschreven aanwezig of althans verondersteld is; vaak wordt zij dan ook vermeld.

Deze credenties moeten door den kerkeraad worden opgesteld.


1) R. & v. V., IV, 28.
2) Deze is m.i. de bedoeling dezer niet geheel heldere woorden.
3) Vgl. ook Emden, art. 42. »De Dienaren ende Ouderlinghen der Classen, die onder ’t Cruys zijn, sullen in allen Steden ende Dorpen onder haren Classe, ofte daer omtrent gheleghen…« Deze uitdrukking spreekt nog sterker door hetgeen Dr. Rutgers Acta, bl. 79, er in een noot bijvoegde: »In nr. 3 staat hier Kercken, waarboven daarna Classen geschreven is, als ter verbetering; bij C. staat Klassen; en evenzoo bij J.: Quatrier.

|34|

Wel zijn meermalen personen als lid ter classicale vergadering verschenen met credentie van politieke personen, maar dit is eene afwijking. Niet alsof gedeputeerden van overheidswege geweerd werden, maar de politieke credentie, waarvan hier sprake is, bedoelde de daarmee geaccrediteerden als kerkelijke lasthebbers te doen verschijnen. 1)

Nog in 1604 kwam dit in Gelderland voor. 2) In de classis Neder-Veluwe werden D. Joannis Urbanus en ouderling Timan Albertus als gedeputeerden uit Hattem nog met politieke credentie toegelaten, maar niet voordat de belofte was afgelegd, dat zulks in toekomende tijden niet weder zou geschieden.

Behalve van credenties wordt bij de classicale vergadering ook over meebrengen van instructiën gesproken. Hierin kwam nog sterker uit, dat de leden der vergadering als lasthebbers bijeen waren.

Het begrip «instructie» is eenigzins rekbaar. Ik zou willen onderscheiden tusschen instructiën van raadgevenden en van bindenden aard. Van beide vond ik een voorbeeld uit de classis Neder Veluwe. Volgens hetgeen September 1594 vermeld wordt schijnt het, dat de afgevaardigden naar eigen oordeel en op eigen verantwoordelijkheid jegens den kerkeraad, de «beschwaricheit (siner kercken) dar üht vorstellen.» 3) Maar in 1607 werd bepaald, dat de gravamina moesten worden overgelegd en zelfs door ’t presbyterium onderteekend hadden te zijn om voorgesteld te mogen worden. 4) Zóó reikt de hand van den kerkeraad rechtstreeks in de classicale vergadering.

Maar lang niet altijd worden de instructies vermeld. Dit hangt samen met de reeds genoemde en aanstonds te beschrijven andere opvatting van de classicale vergadering.

Eene zelfde ongelijkmatigheid vertoont zich, wanneer wij letten op een ander punt: de aanwezigheid van ouderlingen. Op zich zelf is er volgens de lijn van strakke vertegenwoordiging, niets tegen, dat bijv. alleen één predikant, ja waarom niet welk


1) R. & v. V., II, bl. 150. Reeds was op de provinciale Hollandsche synode van 1574 te Dordrecht zulk verschijnen voor ongeoorloofd verklaard ten opzichte van de prov. syn.
2) MS. A, 24 April 1604, bl. 99.
3) MS. A, bl.  19.
4) MS. A, bl. 124.

|35|

gemeentelid ook, nomine ecclesiae optreedt. Maar daaraan dacht men in 1600 niet. Dan zou ook op den duur de classis niet het beeld van eene vergadering veler kerken vertoond hebben, kenschetsende  trekken der facies zouden daardoor verdwijnen.

In een rapport van 17 kerken uit de classis Walcheren uit 1602 1) wordt de gelijkwaardigheid van predikanten en ouderlingen in zake de regeering der kerk op den voorgrond gesteld. En al is in de praktijk de invloed der ouderlingen veel geringer dan die der predikanten, hun aanwezigheid werd toch geëischt. Ten minste, hun wegblijven van de vergaderingen is herhaaldelijk berispt, wat wel op een verschil tusschen theorie en praktijk wijst, maar de gegeven stelling toch bevestigt. Zoo leest men in de acta der classis Neder-Veluwe, 2) September 1595, dat de excusatie voor de afwezigheid der ouderlingen uit Hattem wordt aangenomen, »mijtz conditie nochtans datmen daer gheen gewoonte van maeke.«

Strenger is de toon in  1597 »….. voor dit mael thogelaten, meer sal voort an niet meer ghescheden«. 3) En nog krasser is, dat in 1607 boete gesteld werd op dit wegblijven. 4)

Dus: de ouderlingen behooren op de classicale vergadering met hun ambtsmacht te verschijnen. Deze indruk worde niet verzwakt door de officieële goedkeuring van hunne afwezigheid in sommige gevallen. Zoo b.v. 9 April 1584 in de classis Amsterdam 5): »Ten lesten is besloten, (nadien die (?) sommighe onder den ouderlingen hem beswaert vinden alle classicale ver­gaderingen te verschinen) dat se toecomende vergaderinge ende omtrent midtsoomer ende daernae int eynde der byeencoomsten sullen verschinen, ende soot die noot meermaelen soude eyschen, henselven oock in alle billickheit sullen laeten vinden.« 6) Deze gecodificeerde uitzonderingsbepaling is later dan ook weer teruggenomen. Den 5den Augustus 1596 heeft de classis nl. »goet gevonden, om verscheidene oorsaecken dat… alle kercken daer toe houden dat haer ouderlingen nae den besluit der


1) Vergadering te Tholen. Cf. R. & v. V., V, bl. 65 vlgg.
2) MS. A, bl. 29.
3) MS. A, bl. 43.
4) MS. A, bl. 122.
5) MS. B. Deze woorden zijn wel met eene andere hand erbij geschreven, maar toch wel uit denzelfden tijd.
6) Rutgers, De Rechtsbevoegdheid 2, bl. 28 noot, geeft meer voorbeelden uit verschillende Class. handboekjes, waarbij hij echter niet de jaartallen der besluiten vermeldt.

|36|

Synoden neerstelicken op alle classicale vergaderingen verschinen, ten eynde alsulcken swaricheiden in eenige kercken opgeresen ende aldaer niet connen affgehandelt worden, ghetrouwelick ende in tijts aengegeven worden om daerinne te remedi­eren op alsulcke wyse ghelyck alsdan by den Classe goet gevonden sal worden.«

Er is echter ook eene geheel andere beschouwing geweest omtrent het ontbreken der ouderlingen op de classicale vergaderingen, en wel deze, dat zij er niet behoorden. Ook dit kan men — evenals het hierboven genoemde ontbreken van credenties — verklaren uit den anderen vorm, die de classicale vergadering heeft gehad.

Grondslag was altoos: Op de classis wordt behandeld hetgeen den gezamenlijken kerken in dien kring, als openbaring van de eene algemeene kerk, aangaat. 1)

Legde men den nadruk op »kerken«, — eene rechtstreeksche vertegenwoordiging van de kerkeraden is onmisbaar; ging men echter meer uit van de eenheid dier kerken, dan kon de classicale vergadering die volstrekte vertegenwoordiging eenigermate missen. De kwestie was slechts, of de vergadering de kerk in die streek voorstellen kon. En dit scheen bij eene samenkomst, alleen uit de dienaren des Woords bestaande, wel te kunnen. Hunne plaats als voorgangers der gemeente bood voldoenden grond voor de voorstelling, dat in zulk een officiëele samenkomst niet een vriendschappelijk samenzijn van eenige predikanten, maar het optreden van de geheele kerk uit een landstreek moest gezien worden. Eigenaardig kwam eene andere omstandigheid hierbij. De leer kon niet gedacht worden als het afzonderlijk bezit eener plaatselijke gemeente. Indien iets, dan deed de eenigheid in leer en belijdenis de organische eenheid der kerk aan den dag treden. Dat dus de dienaars des Woords, hoezeer ook hun ambt aan de particuliere, plaatselijke kerk verbonden gedacht werd, toch de eerste vergadering, waarin zich de eenheid der kerk vertoont, vormden, lag voor de hand. De classis is dan ook hier en daar niet anders dan in eene vergadering van predikanten bijeen geweest. De niet-aanwezigheid der ouderlingen was alsdan geen abnormaliteit, iets, dat »geen gewoonte mocht worden«, maar integendeel regel.


1) Vgl. § 1 en begin dezer §.

|37|

Alleen omdat er ook zaken verhandeld werden, die meer rechtstreeks tot het ambt der ouderlingen behoorden, kwamen zij er dan bij. Dit blijkt uit een besluit der Friesche synode van 1584 1) te Harlingen, n.l. dat »men om die twe weecken sal houden classicale vergaderinghen, den eenen om van kercklycke saecken tho handelen met byweesen ende stemmen der olderlinghen, den anderen om tho holden collationem doctrinae.« Hierop volgt: tenzij dat er gewichtige kerkelijke zaken te verhandelen zijn; dan moet de collatio doctrinae wachten. Maar vóór dat men tot de kerkelijke zaken overging, werden de ouderlingen niet opgeroepen: — tenminste daarvan werd niets bepaald.

De uitdrukking «den eenen met byweesen ende stemmen der olderlingen.» wekt den indruk, dat eene vergadering zonder ouderlingen een normale, in elk geval eene volledige classisvergadering vormde.

Deze regeling wordt eigenaardig toegelicht door een twist over dit punt in de classis Sneek. 2) Men had hier trouw vergadering gehouden zonder ouderlingen, zelfs twee jaar na het besluit der Harlinger synode. In 1586 wordt dit laatste, hoewel niet onveranderd, door deputati synodi ten uitvoer gelegd. De considerans gewaagt meer van practische dan van principieële overwegingen: «Ende tot geduerighe onderhoudinghe des vredes deses classis is beslooten, dat in alle 3) classicale verga­deringen sullen mogen tegenwoordich syn ende stemmen hebben die Olderlingen deser gemeynte ende oock mede sulcke voorgaende Olderlingen die door haer gawen ende autoriteit 4) nodich sullen mogen bevonden werden, gelijck oock die voorgaende acta Sijnodalia eendeels gestatueert hebben.» Wel «eens­deels» Want de synode van 1584 liet de ouderlingen niet op alle vergaderingen toe, maar eischte hunne medewerking bij «kerkelijke» zaken, terwijl volgens de Sneeksche regeling de ouderlingen altijd mochten, maar nooit behoefden aanwezig te zijn. Dit verwekte een heftig protest. Wel is de storm spoedig bezworen, maar zonder beteekenis is de gebeurtenis toch niet,


1) R. & v. V.,  VI, bl. 10.
2) 31 Mei 1586, MS. C, bl. 38.
3) De cursiveering is van mij. Tevens lette men hier op de vrijheid, waarmee Dep. Syn. de bepalingen van de synode wijzigen of niet  nakomen.
4) Dat zal wel wezen: autoriteit in politicis. In die dagen waren magistraatspersonen vaak ouderling.

|38|

juist als bewijs voor de genoemde andere gedachte, die in de classis zich belichaamde.

Na de acta van 12 Juli 1586 staat in ’t classicale boek van Sneek deze verklaring: Wij onderscreven dienaren protesteren de nullitate van dye attentaten etlicheren dienaren dat die olderlingen in de classe verschijnende meede stemmen sullen welcke strijdet tegen den 11 artc. dordracenae Synodi soo oock tegen den 15 artc. medeborgensis Synodi soo oock tegen die gebruick anderer Classium, maer begeren geerne acquiescere Synodalibus ende het gebruick der anderen classen soo zij persisteren, soe begeren wij dienaren niet te compareren in classi ende appel­leren ad proximum Synodum.» 1)

Hun beroep op Dordt en Middelburg kan ik niet begrijpen, althans de K.O. artikelen en de part. vraag 41 in 1581 spreken beslist van de aanwezigheid der ouderlingen in de classicale vergadering. Daarentegen is «die gebruick» ongetwijfeld terecht aangehaald, waarvoor vaststaat, dat tot dusver de ouderlingen in Friesland nog niet ter classicale vergadering plachten te komen.

De zes onderteekenaars waren Petrus Ambrosius, Andreas Oesterbeeckius, Johannes Vos, Suffridus Paulus, Paulus Anthonius en Thomas Stalmanus.

Vijf anderen lieten evenwel na de volgende vergadering hun tegenprotest boeken: Anthoenys Claeszen, Martinus Lauermannus, Joannes Rouckesz. (?), Lambertus Coninck en Joannes Henrici: «Die onderscreven broederen protesteren van die Onderteykinge als boven dat die Olderlinck sullen verschinen in Classe ende holden in werden dat den 14 Junii bij den gedeputeerden besloten is, ende versoeken dat die Deputati mit het spoedigst alhir tho Snee mogen verschinen om den twijst tho discideren.»

Deputaten komen dan ook en beslechten den twist. Vijf van de zes protesteerenden verklaren, dat zij nu beter onder­richt zijn door de gedeputeerden aangaande het ambt der ouder­lingen, zoowel uit Gods woord als uit de artikelen van de nationale synode in ’s-Gravenhage. Alleen Johannes Vos, van Ylst, weigert de bevoegdheid der ouderlingen te erkennen 2) en wordt daarom geschorst; daarna erkent hij zijne dwaling en hiermede is dit incident voorbij.


1) MS. C, bl. 39.
2) MS. C, bl. 41.

|39|

Langzamerhand is dus de bevoegdheid van het ouderlingambt om in de classicale vergadering te verschijnen erkend. Het principe, vooral waar het door zulke bekwame mannen als genoemde deputaten, o.a. Sixtus Rippertus en Joannes Bogermannus, werd voorgestaan, overwon de oppositie, die zeker gevoeld heeft, dat zij hare meening voor den eisch der presbyteriale kerkorganisatie moest opgeven.

Deze Friesche regeling der classicale vergadering van 1584 verdient nu echter des te meer aandacht, omdat zij als eene welbewuste uitwerking van beginselen mag beschouwd worden.

En waar de oppositie in Sneek gezwicht is, »van den deputaten classium soe wth Gods Woerdt soe oeck wth den Articulen des Nationalen Synodi tot sGravenhaeghe beter onderricht synde van den Ampte der Ouderlinghen«, 1) — mag de regeling van 1586, die geen voorschrift bevat, maar de komst der ouderlingen facultatief stelt, als bewijs gelden, dat ook eene eenigszins andere beschouwing dan die zooeven beschreven is heeft bestaan. Eene beschouwing, welke kan verklaard worden uit de voorstelling van een gemeenten-verband, dat niet uit federatie voortkomt, maar het samen éénzijn wil uitdrukken en nevens de plaatselijke zelfstandigheid moet worden erkend. De te voren gebezigde uitdrukking: In de classis brachten de kerken hare macht te zamen, mag dan ook niet gelden in dien zin, dat de autoriteit van de classis de optelsom was van de machten der gemeenten. Het was een meer intensief worden van de ambtelijke macht.

Daarom is ’t niet te verwonderen, dat ook elders dezelfde verwikkeling zich heeft voorgedaan. Niet alleen in het hooge Noorden, ook in Zeeland is het punt in kwestie behandeld. Eene diepgaande discussie is ons nog bewaard gebleven in de Acta der Zeeuwsche Synode van 1602. Twee breede rapporten zijn erover uitgebracht, welke in de uitgave van Reitsma en van Veen ruim 20 bladzijden beslaan. 2) Het eerste is van 17 kerken in de classis Walcheren, het andere van twee; dit laatste is overgelegd door Faukelius, toen predikant te Middelburg.

Uit beide rapporten blijkt de gewoonte deze geweest te zijn, dat alle predikanten in de classicale vergadering verschenen en beslissende stemmen uitbrachten.


1) MS. C, bl. 41.
2) R. & v. V., V, bl. 64—86.

|40|

De 17 keuren dit gebruik af en eischen, dat uit elke kerk, hoe klein of groot ook, alleen één predikant en één ouderling met credentie zullen verschijnen om te stemmen. Daarvoor worden dringende redenen bijeengebracht, zoowel uit kerkrechtelijke grondstellingen als uit de voorbeelden van buitenlandsche gereformeerde kerken en uit de ervaring, uit andere gebruiken in vroeger tijden verkregen. De kern der redeneering ligt wel in dezen zin: »soodat de leden der classicaler vergaderinge syn de kerckenraden ende niet eijgentlijck de kerckelijke persoonen, dewelke in de classe anders niet syn dan geleden eens lidts.« 1)

Het tweede rapport brengt niet minder uitvoerige redenen bij voor het oude gebruik, dat n.l. niet alleen alle dienaren mochten verschijnen, — daarover was geen verschil van meening evenmin als b.v. over hun recht om een slechts raadgevende stem uit te brengen 2) — maar ook dat ieder eene beslissende stem heeft.

Grondslag is hierin de stelling: 3) »alle de dienaers des woorts, leden des classis synde, in wat kercke sij ooc dienen enz.« Of met andere woorden: 4) »Alle lidtmaten des classis moeten comen tot de classe. Alle dienaers des woorts sijn lidtmaten des classis. Daerom moeten alle dienaers des woorts tot de classe comen, opdat men het corpus der classe niet en berooft van een goet deel sijnder leden.« 5)

Men ziet: hier is de kwestie scherp geformuleerd. Jammer genoeg zwijgen de acta, als gewoonlijk, geheel over het debat naar aanleiding dezer rapporten in de synode gevoerd. Wij moeten nu afgaan op de bewoordingen, waarin het besluit aangaande dit gewichtig geschilpunt is vervat. Dat het gewicht is gevoeld, blijkt uit de indringende woorden der betoogen. Trouwens, het was geene studeerkamer-aangelegenheid, maar vrij ernstige twisten waren reeds in de Zeeuwsche kerken erover gerezen.


1) t.a.p. bl. 67.
2) In sommige Fransche K.O. werd ook dit hun ontzegd. Alleen de gedeputeerden hadden delib. en decis. stem.
3) t.a.p. bl. 78.
4) t.a.p. bl. 79.
5) Gelijk gezegd is, het is hier niet de gewenschte gelegenheid om in alle onderdeelen en vragen in te dringen. In de rapporten wordt menig punt tot in drie, vier tegenwerpingen nagegaan.
Niet zonder beteekenis is de motiveering voor het vasthouden aan den eisch, dat de dienaars credentie zullen meebrengen, in het tweede rapport, ’twelk alle dienaars wil doen komen. T.a.p. bl. 84.

|41|

De provinciale synode besloot, dat »alle dienaers in de classicale vergaderinghe sullen vermoghen stemmelick te verschynen om te verhandelen het stuck van de leere ende alle zaecken, de gemeene regeringhe der kercke angaende, behoudens dat alle partyculiere quaestien, voorvallende onderlynghe tusschen kercken of particuliere personen, alleene by eenen dienaer ende ouder lynck wt yder kercke sullen worden gedecideert, sonder dat daerom de andre dienaers sullen behoeven wt te staen ofte Verliesen deliberatijf advis, alleenelick dienende tot directie ende niet ten definitive.« 1) Als dit besluit vergeleken wordt met den zeer beslisten toon van het eerste rapport, is het niet te veel gezegd, dat de synode in dit bemiddelend artikel toch metterdaad de gedachte van het tweede rapport heeft overgenomen en het eerste verworpen.

Dat hierin aan de classis een ander karakter werd toegekend dan dat, ’twelk boven het normale werd genoemd, behoeft geen nader betoog.

Het tweede rapport liet zich zelfs aldus uit: 2) … tusschen een classis en een synodus is »een groot onderscheyt … want die gecommitteerde tot den sijnodum hebben hare gelimitteerde antwoorden van hare classes respective op die te [voren] aengeschreven gravamina, d’welcke in classibus niet en geschiet noch niet en can bequamelijck gedaen worden.«

Lang werkt deze gedachte nog na. 3) In 1610 wilden sommigen den weg van het eerste rapport inslaan, maar het bleef in Zeeland bij het Tholensche besluit. 4)

Het wekt even een glimlach, wanneer wij terstond na die scherp tegenover elkaar staande rapporten uit Zeeland een blik slaan in de Dordtsche kerkorde van 1618, waar artikel 42 luidt: »Daer in een plaetse meer Predicanten zijn als een,


1) R. & v. V., V, bl. 52.
2) R. & v. V., V, bl. 85. Antwoord op obj. 3a.
3) In Zuid-Holland vertoonden zich enkele sporen van dezelfde gedachte bij een besluit, in 1602 te Schiedam inzake het stemmen op de classicale vergadering genomen. Vgl. R. & v. V., III, bl 190: »Waerby doch dese vergaderinghe wyder verclaert … dat het goet is, dat alle dienaers soveel doenlick is in de classen verschynen om in swaere sakken de kercke met goeden advis ende raed te helpen bouwen, alsoock dat den classe vrijstaet by gemeene bewilliginge ende so daer niemant tegen spreeckt. meerder getal van dienaers ende ouderlingen wt een kercke keurstemmen toe te laten, so dickwils hen sulcxs oorbaer duncken  sal, altoos de  ooghe hebbende op de vreede ende  meeste  stichtinge der gemeente.«
4) Vgl. R. & v. V., V, bl. 101 Cap. 4, I, III.

|42|

sullen die altesamen in de Classe mogen verschijnen ende keur­stemmen hebben, ten ware in saecken, die hare Personen ofte Kercken in ’t bysonder aen-gaen,« zonder meer volgt op art. 41 waarin gezegd is: »De Classicale Vergaderingen sullen, bestaen uyt genabuerde Kerken, dewelcke elck eenen Dienaer ende eenen Ouderling … daerhenen met behoorlijcke Credentie afveerdigen sullen.« 1) Zoo slijten in de praktijk de verschillen af. Art. 42 vertoont wel in zijne bewoordingen, dat hier eene uitzondering wordt gecodificeerd, maar laat zich toch gereedelijk achter het vorige voegen, hoewel het in zijn oorsprong en in zijn consequentie tegenover het beginsel staat, dat in art. 41 wordt uitgesproken. Dit beginsel heeft — en naar ik meen volgens de grondgedachte der gereformeerde kerkopvatting terecht — den voorrang verkregen. De kerkelijke vergaderingen waren deputaten-vergaderingen en daarom was ook de predikant, zelfs wanneer er alleen predikanten samenkomen, daar meer uit kracht van hetgeen uit zijn ambt als dienaar des Woords voortvloeit, n.l. dat hij de voorganger der gemeente is en mede de regeer-macht bezit, dan uit kracht van zijn leeraarsambt. Om »kerkelijke« zaken te behandelen werden de regeerende ambtsdragers beslist vereischt, zooals wij zagen.

De scheiding van doctrina en »kerkelijke« zaken is echter moeilijk vol te houden. Onwillekeurig kregen bovendien de ouderlingen door velerlei oorzaak in de classis een tweede plaats. De predikanten behielden de plaats, die de »oude« opvatting hun nog toeschoof, ook toen die opvatting zelf onhoudbaar bleek. Voeg daarbij nu, dat de behandeling der leeraangelegenheden voorop staat in de artikelen der kerkorden aangaande de classis, maar dat langzamerhand hare werkzaamheid geheel opging in de regeling en besturing van de kerkelijke huishouding naar hare uitwendige zijde: dan zou men kunnen spreken van eene eigenaardige verschuiving, waarbij de classis eerst was: samenkomst der predikanten, speciaal in verband


1) Zie zoo noodig verder voor deze aangelegenheid:
Dordt 1578 art. 26, 27 (Rutgers Acta, bl. 242): De classis = kerkeraden: alle dienaren en ouderlingen mogen komen.
Middelburg 1581 (Rutgers Acta, bl. 406) Part. Vragen 15: alleen Deputaten stemmen; (t.a.p. bl. 386) K.O. art. 30: de classis bestaat uit kerken.
Anders: Post-Acta, 159ste Zitting art. V »Ecclesia una si plures habeat Pastores, illis omnibus erit … suffragia decisiva dicere.«

|43|

met hun ambt als leeraars; maar moest worden en geworden is: vergadering van kerken in de personen hunner regeerende ambtsdragers (predikanten en ouderlingen); dat de predikanten nochtans grooter invloed behielden dan de ouderlingen, en dit, terwijl toch de arbeid der classicale vergaderingen al meer opging in bestuursregelingen, hoewel deze volgens de bepalingen der kerkorde slechts eene tweede plaats innamen.

Dit doet ons vragen: Welke zijn de werkzaamheden van de classicale vergadering? 1)

 

Reeds te Emden werd onder de particuliere vragen aanwijzing gegeven van wat in de classicale vergadering gedaan behoort te worden. In hare acta kan men het volgende vinden 2):

1. In de Classische Verzamelingen zal een van de Ministers een predicatie doen, van dewelke die andere Meede-Dienaars, by een verzamelt, zullen oordeelen, en zoo daar iets is te verbeeteren, dat zullen zy te kennen geeven, het zelve zullen ook alle andere, elk in zyne ordening, doen, in de naastvolgende Classische Verzamelingen.
2. Daar na zal de Praesident met de gemeene keurstem­men der Dienaren verkoren worden; na dat dezelve het gebed zal gedaan hebben, zal hy elk in ’t byzonder vragen, of zy Consistoriale samenkomsten in haare Kerken houden ? of die Kerkelyke straffe in haaren zwang gaat? of zy eenigen stryd hebben met eenige Ketters? of zy eenigen twyffel hebben in eenig hoofdstuk der Leere? of men zorge draagt voor de Armen en over de Schoolen? of zy tot regeering der Kerken der andere Dienaren raad en hulpe behoeven en diergelyke dingen meer.
3. Zoo daar iet in eenige Kerke des Classis geschiede, dat daar niet in de consistorie konde ter neder gelegt worden, dat zal in de Classische samenkomsten verhandelt en geoordeelt worden, van den welke men zig tot den Provincialen Synodum zal mogen beroepen.
4. Voorts in de Classische Verzamelingen zullen verhandelt worden die dingen, die den Kerken van de Classis betreffen.
5. Dit gedaan zynde, zal de Praesident een ofte meer quaestiën van de hooftstukken, daar in dat tusschen ons en de


1) Vgl. Kleyn, Alg. Kerk, bl. 65 vlgg.
2) Rutgers Acta, bl. 105 en vlgg.

|44|

Papisten verschil is voordraagen, om alzoo ondertusschen malkanderen te scherpen en tot studeeren op te wekken.«

Hierbij komt de afvaardiging van leden naar de provinciale synode en de behandeling van hetgeen daar ter tafel zal moeten gebracht worden.

Kenmerkend is het weldoordacht rapport der twee kerken op Walcheren (1602) Cap. 2. 1 1) »… al tgene, dat in de classe voorvalt te verhandelen, meerderendeel gemeene saken…, die alle kercken ende welstant derselver ende dienvolgens alle dienaren int gemeene aengaen.
De gemeene saken, die in de classis verhandelt werden, sijn dese: de oeffeninge der propositiën ende censure van dien, beroepinge ende examinatie der leere ende des levens der nieuwer dienaren des woorts, opsicht, verplaetsinge, opschort ende afsettinge der dienaren des woorts ende schoolmeesters ten platte landen, ketterije ende valsche leere off te beletten off voor te comen, huwelijckse saken …, het oordeel over de sondaren, die om hertneckicheijt de excommunicatie werdich sijn.« 2)

In de K.O. van Dordrecht van 1618 zijn wel minder punten vermeld, maar de practijk had de classicale agenda eer uitge­breid dan ingekort. Ten bewijze daarvan kan men in art. XLI het volgende lezen: »Voort sal de Praeses onder anderen eenen yegelijcken af-vragen, of sy in hare Kercken, hare Kercken-Raedsvergaderinge houden: Of de Kerckelyke Discipline geoeffent word: Of de Armen ende Scholen besorgt worden: Ten laetsten, of er yed is, daer inne sy het oordeel ende hulpe der Classe tot rechte in-stellinge harer Kercke behoeven. De Dienaer dien ’t in de voorgaende Classe op-geleyd was, sal een korte Predicatie uyt Gods Woord doen, van welcke die andere oordelen, ende so daer yet in ontbreekt, aen-wijsen sullen. Ten laetsten, sullen in de leste Vergaderinge voor den particulieren Synode verkoren werden, die op den selven Synodum


1) R. & v. V., V, bl. 79.
2) Vgl. ook de regeling der werkzaamheden voor de classes in Drenthe, in 1602 opgesteld, welk landschap wel is waar allerminst gelden kan als een voorbeeld van gereformeerde usance, maar daarentegen kunnen de voorschriften in deze provincie eenigszins beschouwd worden als zuivere uitwerking der gereformeerde theorie, omdat de reformatie hier meer op eens ingevoerd is van hooger hand en mannen als Alting en Acronius als adviseurs optraden. (R. & v. V., VIII, bl. 49).

|45|

gaen sullen.« En in art. XLIII: »In ’t eynde van de Classicale ende andere meerder t’samen-komsten, sal men Censuere houden over de geene die yet straf-waerdigs in de Vergaderinge gedaen, ofte de vermaningen der minder t’samen-komsten versmadet hebben« 1) Art. XLIIII noemt nog de aanwijzing van visitatores classium.

Twee dingen vallen thans terstond in het oog: Ten eerste, dat de behartiging van wat met leer en belijdenis samenhangt allereerst wordt genoemd; vervolgens, dat de oudere kerk­orden in het geheel, maar vooral over dit punt, veel breedvoeriger spreken. Aardig is de instelling van de classicale preek, vooral zooals zij in den eersten tijd geteekend wordt. Het komt mij voor, dat zulk regelmatig terugkeerend preeken en kritiek leveren nog altijd hoogst geschikt zou zijn om eenparigheid van gedachten te verkrijgen, ongeoefenden te onderrichten, tragen te prikkelen tot inspanning en tegelijkertijd te voorkomen, dat cle geesten eenzijdig voortgingen zonder wrijving te gevoelen en zoo allicht tot groote dwalingen vervielen. Dit toont ook, hoe, nevens den eisch van onderteekening der belijdenis en de bestraffing bij afwijking daarvan, het onderrichtende element in de kerkelijke praktijk der leertucht niet ontbrak. De beteekenis van de classis is hierdoor belangrijk voor dit deel der kerkelijke samenleving. Wat de plaatselijke kerk niet geven kan door haar beperkten kring en de grootere vergaderingen evenmin door het tegenovergestelde bezwaar, kon juist hier geschieden.

In onmiddellijk verband hiermede staat de gewoonte om degenen, die de kerk als ministri willen dienen, door de classis te examineeren en de attestatiën dergenen, die als predikanten van elders overkwamen, te onderzoeken. Het ambt wordt wel alleen in eene bepaalde gemeente uitgeoefend, 2) nochtans heeft de kerk in haar geheel belang bij de leer, welke gepredikt wordt.


1) De »Censuur« in de cl. vergadering is in dit artikel al zeer beperkt voorgesteld. Het woord had een veertig jaar te voren veel breeder inhoud. Cf. Kleyn, Alg. Kerk enz. bl. 89. In bl. 44—115 van dit werk worden ook nog vele andere belangrijke gegevens gevonden voor de geschiedenis der kerkelijke praktijk. Evenzoo in de geschriften van Rutgers en Lohman, waarop Kleyn met dit boek geantwoord heeft. Ik heb echter slechts nu en dan iets overgenomen, daar deze gedrukte boeken gemakkelijk te verkrijgen zijn en overvloed van bewijsplaatsen de historische voorstelling niet altoos helderder maakt.
2) Dordtsche Synode 1578: »Ende het en betaemt niemant van deen plaetse tot dander te reysen om te predicken dewyle het ampt der Apostelen ende Euangelisten voor langhen tyt in der ghemeynten Godes opghehouden is.« (Rutgers Acta, bl. 237). Korter ➝

|46|

De classis trad op als de eerste openbaring van het geheele lichaam en daarom had zij de examinatie, ja ook de confirmatie te verrichten. Een beroep kon dan ook niet zonder kennis of zelfs toestemming van de classis plaats vinden. Wie, onbekend met andere gegevens en de algemeene beginselen, alleen een classis-boek raadpleegde, zou den indruk kunnen verkrijgen: de dienaar des Woords is dienaar der (kerk in ’t algemeen, vertegenwoordigd door de) classis en vervolgens daarbinnen in een bepaalde plaats.

Immers, in de classicale vergadering, te Amsterdam 7 September 1587 gehouden, komen twee afgevaardigden van de classis Haarlem, medebrengende eene schriftelijke beroeping »beide der Classis van Harlem ende de gemeente van Beverwijk« op Petrus Johanms van Sloterdijk.

Volgens de provinciale synode van Zeeland (Goes 1579) staat »sendinge van de classis« gelijk met eene »wettelycke beroepinge.« 1)

Niet willekeurig, maar toch uit eigen gezag kon de classis een dienaar verplaatsen binnen zijn kring, uit de eene plaats naar de andere. Een merkwaardig voorbeeld, hoe dit in zijn werk ging, volge hier 2):

»Sijn inghestaen Jacob Cornelissen, bailliu van Sint Annelandt, ende Louijs Adriaenssen, hebbende credentie van meest alle de wethouders, tzamen vergaedert den tweendetwintichsten Febrewarij zesthienhondert twintich, onderteeckendt P.J. Thoren, ende hebben versocht, dat noch eenmael de verplaetsinghe haeres predicants Samuelis Schepenii mochte worden bevoordert, die nu veele jaeren van de classe was belooft ende bij haere kercke verwacht. Hebben oock eenighe schriftelijcke requesten overghegeven, welcke, den miserabelen staet der kercke tot Sint Annelandt te kennen ghevende, versochten, dat haeren predicant mochte worden verplaetst ende eenen bequamer dienaer in plaetse van dien ghesteldt.
Dese schriften overghelesen zijnde, is D. Samuel Schepens


➝ en scherper uitgedrukt ia Dordt 1618, art. 7: »Niemand en sal tot den Dienst des Woords beroepen worden, sonder hem in een seecker plaetse te stellen, ten waer dat hy gesonden worde om hier oft daer te Prediken in de Gemeente onder ’t Kruyce, ofte andersints om Kercken te vergaderen.«
1) R. & v. V., V, bl. 3.
2) R. & v. V., V, bl. 176 v.v. Vgl. VI bl. 93.

|47|

ingheroepen ende hem aenghedient de dachte ende het versouck zijnder kercke, waerop zijne gheloofte ghevolcht was. Hierop gaff hij voor antwoorde, bedrouft te zijn, dat zulcken clachte teghen hem in desen synodo was ghedaen, aenghesien dat in de classe dese zaecke niet en was teenemael affghehandelt, welcker oordeel hij hem ghewillich hadde onderworpen ende alsnoch onderwierp, tevreden zijnde (naer het goetvinden des classis) verplaest te worden, al waer het in een gansche gheringhe plaetse, welcke zijne antwoorde hij oock schriftelijcken heeft overghelevert.
Is daerop goetgevonden de classe van Tholen ernstlijcken te vermaenen, binnen den tijt van zes maenden de verplaetsinghe te bevoorderen ende te sien, off zij de verwisselinghe tusschen den predicant van Ruijmerswalle ende van Sint Annelandt zouden connen te weghe bringhen. Die van Sint Annelandt is dese resolutie aengheseijdt ende zijn vermaendt gheworden, sich ghevouchelijck aan te stellen ende van alle te grooten curieusheijt te wachten, opdat de verplaetsinghe te bequamer zoude meughen te weghe ghebracht werden, D. Samueli is oock kennelijck ghemaeckt, wat in zijn zaecke is goetghevonden, ende vermaendt sich daernae te zullen schicken, twelck hij oock be­looft heeft te doen.«

Nu en dan kwam het voor, dat de predikant tot lid der classis werd aangenomen nog vóór zijn intrede. Soms werd het oordeel der betrokken gemeente niet eens gevraagd; 1) ja, het is gebeurd, dat een predikant naar een classis beroepen werd zonder dat de gemeente, waarvoor hij kwam, was bepaald. 2)

De prediker kon den dienst des Woords in eene nieuwe gemeente niet aanvaarden dan nadat hij van zijn dienst in de vorige classis ontslagen was In vele kerkorden zou men hiervan voorbeelden kunnen vinden; het is voldoende uit die van 1574 het volgende aan te halen 3); »Op de 16 propositie van Delf is besloten dat gheen Dienaer wt de Classe daer hij in is


1) De Amsterdamsche ouderlingen hebben Theod. Faliginius in Ouderkerk gehoord. Zij oordeelen, dat hij daar niet zal stichten, want zijn »hooge taal« (d.i. Duitsch accent) kunnen zij niet verstaan. (7 Juli 1586, MS. B, fol. 23).
2) De V.D.M. van Amsterdam hebben Thomas Sprixchusius van Graeve »beschre­ven totten dienst der kercke, hetsij voor Auderkercke ende Amsterveen; ofte voor Sloten ende Sloterdijk, naerdat men bevinden zal den meesten noodt te verheyschen.« (4 Augustus 1586, MS. B, fol. 24).
3) Rutgers Acta, bl. 137.

|48|

vertrecken en mach in eene andere Kercke, sonder eerst van sijner Classe oorlof vercreghen te hebben, op dat hij niet alleen van sijner Kercke, maer ook vander Classe schriftelick bescheijt brenghe. Doch dat de Classen wederomme de Dienaren met behoorlick onderhoudt ende andersins versorghen.«

De dienaren waren dus onder bijzonder opzicht van de classis, gelijk zij daarmee ook in afzonderlijk verband stonden. Wie predikant was geworden in eene gemeente, werd toch nog daarna als lid van de classis opgenomen.

In 1581 (Middelburg) zendt de classis Haarlem nog de vraag in, of een predikant, die door de gemeente ontslagen is met consent van de classis, daarmede reeds van de classis los is. 1) Het antwoord is natuurlijk toestemmend, maar dat het gevraagd werd, teekent.

De redenen, waarom de gemeente haren predikant wenschte te behouden, werden door de classis beoordeeld. In 1604 b.v 2) schrijft de classis Neder-Veluwe naar de kerk van Steenwijk, dat haar beroep op Joannes Vosculius door dezen niet kan worden opgevolgd. Hij wilde liever uit Epe weg; er waren ook zwarigheden in de gemeente. Maar de classis oordeelt: Gij moet blijven, en schrijft zelf de beslissing naar Steenwijk. Evenzoo zeggen kort maar teekenachtig de acta van de extra­ordinaire samenkomst in 1609 te Harderwijk, dat bij het beroep op a Mehen, de redenen van Delft (waar hij beroepen was) en die van Harderwijk zijn »gepondereerd «, de laatste de wichtigste bevonden, — derhalve: a Mehen moest blijven.

De classis had ook bevoegdheid om den dienaar des Woords te ontslaan, volgens art. 33 der K.O. van 1571; doch dikwijls is dit door de provinciale synode geschied, soms, naar ’t schijnt, direct, 3) soms door de appellatie van den geschorste op zulk eene provinciale synode.

Was ergens nog geen facies ecclesiae, de classis plaatste er een dienaar, die dan, geheel als zijne collega’s in geïnstitueerde kerken, erkend werd als lid van de classis.

Dit was wel niet alles de normale toestand, maar het leert toch, dat eerst langzamerhand de vorm, die met de grondgedachte overeenkomt, de gebruikelijke is geworden. Vooral in den


1) Rutgers Acta, bl. 436.
2) MS. A, 24 April 1604, sub 15, bl. 103.
3) Cf. de Acta van 1574.

|49|

beginne kon men niet doctrinair optreden; trouwens, het zou moeilijk zijn uit te maken, welke de doctrine was. Onregelmatigheden te over. Dat een dienaar reeds eenigen tijd in eene plaats predikt, ja lid van de classicale vergadering is, vóór dat men hem heeft geëxamineerd, is moeilijk in overeenstemming te brengen met de beteekenis der examinatie. Toch is het in de classis Neder-Veluwe meer dan eenmaal voorgekomen, b.v. bij Jakobus Schonhovius te Heerde. 1) Wanneer echter een prediker zich niet aan het examen voor de classis wil onderwerpen, wordt hij tot een scheurmaker verklaard. Attestatiën worden soms eerst zeer lang na de aanvaarding van den dienst des Woords aan de classis vertoond, 2) maar het komt ook voor, dat de attestatie niet voldoende wordt gekeurd en eene examinatie wordt verlangd. 3)

Zóó wringt zich het leven een weg en was de classis niet bloot een handhaver van verordeningen: zelfstandig, hoewel niet willekeurig, trad zij naar gelang van omstandigheden op om de gemeenschappelijke belangen te behartigen.

Een groote factor in dit alles is, dat in den eersten tijd nog veel verwarring zoowel van toestanden als van begrippen aanwezig was. De meeste kwesties op de classicale vergadering zijn ook steeds uit kleinere gemeenten gekomen. Langzamerhand trekt zich de classis terug, wanneer de plaatselijke kerken zich met meer vastheid en kennis van zaken beginnen te bewegen. 4)


1) MS. A, bl. 67. Eerst 15 April 1600 »ist conclutert dat der Deiner in Herde Schonhovius privatim clausis jannuis saal proponiren den 16 April mani hora 6 ende sal darnaer vor de Broderen ock geëxaminert werden.” In 1598 25 April staat zijn naam reeds onder de praesentes ter classicale vergadering. In Friesland was zelfs een reeds 20 jaar predikant zonder examen. R. & v. V. Acta VI 95.
2) MS. A, bl. 106.
3) Bv. bij een candidaat uit Leiden, 1607. Vgl. MS. A, bl. 127.
4) Eene aanteekening in hare Acta van 13 Juni 1588, geeft voor de classis Amsterdam een overgang van ideeën aan: »Item die broederen die attestatie des dienaers Peter Ederks (Everts?) gesien en overlesen hebbende, zijn ten vollen gecontenteert, alleen dit wtgenoemen, dat hij voorss. Pieter hebbende in plaetse van een attestatie syner gemeente een bescheyt des Classis van Alcmaer, dat sulcx niet getrocken worden tot exempel.« Hij werd aangenomen, maar eene dergelijke opmerking was tot dusverre in de acta nog niet opgeteekend, al mag veilig verondersteld worden, dat het wel meer voorkwam, dat een classicaal bescheid de plaats van eene attestatie der gemeente innam. (MS. B.) In 1596, dus 8 jaar later was de toestand reeds heel anders. Toen kwam uit Haarlem de vraag op de class. verg. van Amsterdam ter sprake (10 Juni, of de veldwinnende gewoonte dat bij een beroep slechts het consent der classis werd gevraagd, goed te keuren was. Het antwoord der Amsterdammers luidde ontkennend; de classis moest van het begin af medewerken.
In hoeverre in deze ontwikkeling de invloed van één of van bepaalde personen zich openbaarde, durf ik niet te zeggen. Zeker is het b.v., dat na Plancius’ komst te Amsterdam ➝

|50|

Toen a Mehen, reeds vroeger vermeld, een tiental jaren nadat hij te Delft was beroepen door Amsterdam werd begeerd, zijn over deze aangelegenheid bijna 10 bladzijden folio volgeschreven. Want de classis had toegestemd in zijn vertrek, doch Harderwijk wilde daarmede geen genoegen nemen. De classis had tot nu toe alleen toegelaten, dat hij ging, maar hem nog niet gedemitteerd; hieraan klemde nu Harderwijks kerkeraad zich vast, waarmee dus erkend wordt, dat de classis het recht van demissie uitoefenen kon.

Maar in de ampele besprekingen daarover komt toch veel meer dan in vroeger jaren de bevoegdheid der plaatselijke gemeente op den voorgrond. Als echter de kerkeraad van Harderwijk op nieuw 1) weigert a Mehen los te laten, schrijft de kerkeraad van Amsterdam een dringenden brief 2) aan de classis, opdat zij hun dien dienaar toch zou afstaan, nu zij in vriendschap »dienselven van Harderwyck niet konden losmaecken.«

Maar genoeg is hiermede reeds gezegd over deze kwesties, die, hoe gewichtig ook voor de kennis van de kerkelijke samenleving dier dagen, nochtans slechts bijkomstig belang hebben om de beteekenis der kerkelijke geledingen voor de zorg in leer­zaken te leeren kennen.

Er zijn bovendien nog andere werkzaamheden vermeld, waarin deze beteekenis uitkomt. De classicale vergadering heeft gezag over de particuliere plaatselijke kerken niet alleen in den persoon van den leeraar, maar ook over de gemeente in haar geheel. Natuurlijk een beperkt en bedienend gezag en met het doel om elke kerk tot vollen wasdom, en behoorlijke zelfstandigheid te brengen.

De praeses had op elke gewone classicale vergadering een onderzoek in te leiden naar den toestand der verschillende gemeenten. Aldus het reeds genoemde art. 41 der Dortsche K.O.:


➝ in 1585 het protocol van den kerkeraad sporen van een nieuwe orde vertoont. Het is op zichzelf van ondergeschikt of zelfs geen belang, dat van toen af de scriba voor een geheel jaar werd gekozen en niet bij elke vergadering, en of deze verandering hem moet toegeschreven worden, is mij niet bekend, maar ’t zou toch kenschetsend voor den aard van dien predikant zijn; voor ieder is het nog te zien, dat hij voor ’t eerst in het protocol het jaar van vergaderen boven aan de bladzijde vermeldt, aan den rand de maand. Zóó komt er orde. Eerst in 1584 vindt men de namen van praeses en scriba genoemd, maar werden de acta nog niet onderteekend.
1) Het is althans te vermoeden, dat de beroepingskwestie in December 1619 begonnen, is blijven rusten tot aan het voorjaar van 1620.
2) Deze brief is nog in originali aanwezig in ’t archief van de classis Harderwijk.

|51|

»Voort sal de Praeses onder anderen eenen yegelijcken af-vragen, of sy in hare Kercken, hare Kercken-Raedsvergaderinge houden: Of de Kerckelijke Discipline geoeffent word: Of de Armen ende Scholen besorgt worden: Ten laetsten, of’er yed is, daer inne sy het oordeel ende hulpe der Classe tot rechte in-stellinge harer Kercke behoeven.« Deze bepaling is reeds oud: men vindt dezelfde gedachte in art. 2 cap. II der acta van de Emdensche synode (zie hiervoor blz. 43).

Waarschijnlijk is er echter lang niet overal de hand aan gehouden; de bepaling bleek ook ongeschikt om het doel te bereiken. Vooral, toen het al meer en meer gebruik werd des winters niet te vergaderen en over ’t geheel volledige classicale bijeenkomsten minder geregeld gehouden werden. 1)

Zoo ontstond de gewoonte, dat aan eene kerk werd opgedragen in naam van de classis te handelen, zoolang de vergadering niet bijeen was. Hierin lag wel is waar gevaar voor overheersching, vooral wanneer telkens dezelfde hiervoor werd aangewezen; maar in de eerste jaren en tientallen van jaren na 1571 waren in menige streek zoo weinig bekwame mannen, dat onwillekeurig de positie van eene welgeordende en bloeiende, met meer en krachtige leeraars gezegende gemeente, zooals b.v. Harderwijk in tegenstelling met de plattelandsdorpen op de Veluwe was, bijna die van een cathedraal-kerk 2) werd. Nijkerk en Elburg kwamen daarnaast weinig, Hattem, de vierde stad in dit kwartier, ongeveer niet in aanmerking. 3)

Iets dergelijks valt ook in de classis Amsterdam op te merken. Toch is dit nooit eene principieel aanvaarde verhouding geweest. De classicale vergadering kwam voortdurend bijeen


1) De classis Sneek hield b.v. eerst wekelijks en vóór 1585 nog om de veertien dagen vergadering; voorschriften hierover gaf eerst de synode van Harlingen in 1584, die eene vergadering om de veertien dagen verlangde; die van 1591 sprak van om de twee maanden (R. & v. V., VI, bl. 10, 64); in Holland meest om de maand volgens de K.O. van 1574 (Rutgers Acta, bl. 141). Langzamerhand is ’t algemeen gewoonte geworden, hoog­stens drie maanden tusschen de vergadering te laten verloopen. Tusschen October of November en ongeveer April/Mei werd dan nog wegens de bezwaren van het jaargetijde niet vergaderd. In de classis Neder-Veluwe is men gekomen tot éénmaal ’s jaars.
2) Deze uitdrukking is ontleend aan Kleyn, Alg. Kerk, bl. 74. De kerkorde van Genève heeft ook zoo iets als en cathedraal-kerk gehad. (Kleyn, De Herv. Kerk bl. 35).
3) In deze laatste stad was trouwens de reformatie bijna alleen door politieke overmacht ingevoerd en van de dorpen hebben nog in 1610(?) een achttal geen facies ➝

|52|

en het axioma: geen kerk heerschappij over eene andere, stond muurvast.

Wèl wijst deze instelling er op, dat het classicaal verband nooit sluimerend, maar effectief werd geacht, wijl de saamhoorigheid der gemeenten niet willekeurig, maar organisch was. Immers nevens dit deputaatschap van algemeenen aard werden andere deputaten benoemd voor afzonderlijke zaken. Die aan­gewezen kerk vertegenwoordigde eenvoudig dus de aanwezigheid der classis. Dit blijkt niet alleen uit hetgeen door zulk eene kerk verricht werd, maar ook b.v. uit de opdracht aan Harderwijk in 1596 (vergadering van 2 Juni art. 24) 1): »Die kerck von Harderwick hefft last von Classe, die Classis sacken und schwaricheiden op sich te nemmen und tu verrichten tot op den tucommenden Classem, wofern averst schwäre sacken furfielen mogen sie nae die naste kercken, welcke sie willen consuliren.« Soms werden er, meer overeenkomstig met de gedachte van  »ge­zamenlijke kerken«, drie kercken benoemd. Zoo vermelden de acta der classis Sneek, November 1584, »drie deputatos Classis.« Waartoe, — dat wordt niet genoemd. Zij zijn echter noch deputati ad synodum, noch voor ééne zaak (want nevens hen is er eene deputatie ad examen). Dus zijn het algemeene de­putaten. 2)

In den tijd, dat de classicale vergadering zoo zelden bijeen­kwam, kreeg dat algemeen deputaatschap groote beteekenis. Dit zal wel de reden zijn, waarom in 1600 in de classis Neder-Veluwe gevraagd werd 3): »oft niet goet ware, dat den gede­puteerden des classis sekere instructiones worden gegeven aengaende haer bedieninge.« Dit is waarschijnlijk niet gebeurd, maar de vraag toont, hoe gevoeld werd, dat de classicale gedachte op den achtergrond kon geraken. Vandaar wel een voorstel in  1600, om de classis te splitsen, opdat het vergaderen


➝ ecclesiae. De bevolking is daar lang roomsch gebleven en de landadel was meermalen openlijk de hervorming vijandig. Nog in 1600 klaagt Oene’s predikant, dat »het gehort tamlich (is), maer de Jonckers doen groet äff brück« (MS. A, bl. 70). Bij zulke omstandigheden moet de krachtige aanvaarding van ’t beginsel der gelijkheid aller kerken eer bewonderd, dan de tijdelijke voogdijschap veroordeeld worden.
1) MS. A, bl. 37.
2) Deze naam »algemeene deputaten« zal in de volgende blzz. gebruikt worden in onderscheiding van deputati ad causam, voor eene bepaalde zaak.
3) MS. A, bl. 72, sub 34.

|53|

minder tijd en geld zou kosten en dus geregelder kon geschieden. 1) In de plaats daarvan werd evenwel goedgevonden, dat de algemeene deputaten macht kregen om een particulier convent bijeen te roepen, als de nood dit vereischte en de gebruikelijke vergadertijd nog niet gekomen was.

Natuurlijk moesten deze deputaten verantwoording doen op de eerstvolgende vergadering. En dit zal ook wel geschied zijn. Hoewel het niet geregeld is opgeteekend, was dat verantwoording doen geen formaliteit. In 1607 2) heeft bijv. de classicale vergadering van Ned.-Veluwe een door hen geëxamineerde opnieuw onderzocht. Later 3) werd daar een besluit dier deputati aangaande Vischbachius niet aanvaard.

Met begrijpelijke verontwaardiging kon dus ook in 1618 geprotesteerd worden tegen de »calumnieuse« bewering in de Epistola Bommelensis, 4) alsof de deputaten eigenmachtig en zonder verantwoording te doen, hadden gehandeld.

Afzonderlijke plaats nevens die algemeene deputaten hebben de visitatoren in de classis gekregen, 5) die evenzeer gelden kunnen als belichaming van deze gedachte: de classis, bestaande uit de gemeenten, staat in wisselwerking met de plaatsen, die onder haar behooren. De macht van de classis komt voort uit de verhouding van de deelen tot het geheel. De uitoefening geschiedt van Christus’ wege door de ambtsdragers. In de samenkomsten van een grooter getal kerken d.i. een breeder deel des lichaams wordt de werking van de ambtelijke macht van breeder autoriteit. Doel dezer werkzaamheid is den welstand van de leden zoowel als van het geheel te bevorderen, »tot opbouwing van het lichaam, opdat ieder deel zijn werking in zijn mate uitoefene tot verkrijging van den vollen wasdom des lichaams.« Vandaar dat de classis door haar gezag den kerkeraad steunde, opdat deze zich krachtig ontwikkelen kon.


1) MS. A, bl. 72, sub 32.
2) MS. A, 29 Oct. 1607 bl. 127.
3) MS. A, 3 Juni 1612 bl. 168.
4) »De« Epistola, een schrijven, dat toen veel beweging veroorzaakte. Vgl. ook MS. A, bl. 222.
5) Men onderscheide deze visitatoren in de classe, welke op de classicale vergadering gekozen werden van de visitatoren over de classen, in de provinciale synode aangewezen. Ook deze laatsten heeten wel Visitatores classium. Zie echter verder de § over de Deputaten aan het slot van dit hoofdstuk.

|54|

Maar omgekeerd was de classicale vergadering de plaats, waar overschrijding van machtsfeer door den kerkeraad als een schadelijk uitgroeien werd tegengehouden en casu quo de door den kerkeraad verongelijkte geloovige zich beklagen kon. Zoo trad de classis, evenals de nog breedere vergaderingen, op om hooger beroep te geven. Hierover wordt echter beter elders gehandeld; deze opmerking sta dus slechts pro memorie.