Schokking, H. (1902) I.2

|14|

 

 

§ 2.
De Kerkeraad.

 

De zorg, die de kerk heeft te dragen in zake belijdenis en leer, komt voor rekening van heel de kerk en derhalve ook van de vergadering der geloovigen in elke plaats. Deze verkrijgt hare gestalte als gemeente of kerk, en daarmede de middelen om zich te uiten, in haren kerkeraad.

Geen »kerk« zonder kerkeraad — geen kerkeraad zonder kerk.

In den tijd, waarmee dit onderzoek begint, zijn »die van de zuivere religie« reeds op vele plaatsen vereenigd in eene geordende samenleving. Dan was een »forme van kerck« opgericht. Met deze technische termen wordt bedoeld, dat in eene samenkomst van belijders »der gesuiverde Christelicke religie« een kerkeraad (Senatus ecclesiasticus of Consistorium) was ingesteld.

De kracht van de uitdrukking »forma« is uit het woord goeddeels af te leiden. In plaats van eene vergadering van geloovigen zonder orde en zonder geregeld verband met andere gemeenten, werd door de instelling van een kerkeraad een vorm verkregen, d.w.z. openbaarde de gemeente zich als een zelfstandig deel van het lichaam van Christus in zijn zichtbare verschijning. De door innerlijken band bijeengekomen en bijeengehouden menigte vertoonde zich geordend, de onmisbare diensten werden nu vervuld, de kerk kreeg mond en oog en hand om zich te doen hooren, toe te zien, te handelen.

Karakteristiek is ook de term »facies ecclesiae«. Immers het gelaat doet de trekken zien, maar bevat ook de organen, waarmee het lichaam bewust leeft, waarnemend en zich uitend.

De aanwezigheid van een dienaar des Woords met een

|15|

»gehoor« maakt nog geen forma. De gemeente wordt mondig door het bezit van een raad.

Dit is de algemeen heerschende gedachte, al zijn er feiten aan te wijzen, die hiermede niet terstond te rijmen zijn.

Maar dat zijn uitzonderingen.

Bijvoorbeeld: In de Acta van de classis Neder-Veluwe wordt vrij regelmatig aangeteekend, welke predikanten aanwezig waren. Afzonderlijk staan de namen der ministri, die »geene gemeente« hebben. Dat zijn zij, die nog geen forma van kerk hebben opgericht, nog geen kerkeraad hebben.

Maar uit de vergadering van 16/17 April 1605 1) vinden wij de aanwezigheid van een ouderling uit Eep vermeld, terwijl dit dorpje zijn minister nog gesteld ziet bij de tweede groep.

Dus heeft hij nog geen kerkeraad. En toch is er een dienaar des Woords en een ouderling? Dit schijnt onvereenigbaar. Het komt mij voor, dat hier de predikant bij provisie de hulp van één der leden ingeroepen heeft, om als ouderling dienst te doen, ook al was er nog geen volledige kerkeraad gekozen. 2)

Evenmin wordt de regel verbroken door een ander niet op zichzelf staand voorbeeld.

In de vergadering van 15 April 1600 3) verklaart Johannes Voskuijll, »dat hi door het gebruck des Nachtmals ein gemeinte heeft angefangen op the richten, 4) doch noch gein ouderling ende diaconen erwelt, welcke hi verhopet dat erst dages solches gedan solde werden.«

Dit wordt goedgekeurd, ofschoon meer dan eens bepaald was, dat zij, die het avondmaal wenschten te gebruiken, maar nog geen kerkeraad hadden, naar eene naburige plaats moesten gaan.

Werkte deze bepaling soms belemmerend voor de kerkformatie? Men zou het hieruit afleiden, dat de handelwijze van Voskuyll niet slechts goedgekeurd, maar ten voorbeeld gesteld wordt.

In 1602 toch wordt bepaald 5): »om mittertijt de Gemeente des


1) MS. A., (bl. 105).
2) Dit was toegestaan. Cf. Dordt  1578, K.O. I, 11 (Rutgers, Acta bl. 238). Desgelijks Middelburg 1581, Syn. Besluiten 10 (Rutgers, Acta bl. 405).
3) MS. A., sub 31 (bl. 71).
4) Ik cursiveer.
5) Classicale Vergadering te Nijkerk, 14 April, MS. A., bl. 88.

|16|

Heeren op den platten landen te vergaderen sint de broederen vermaent worden 1) het Nachtmael des Heeren in toe voeren (;) daer de dorpen also gelegen sijn, dat sy by malcanderen koemen konnen sal int eene dorp voer ende dat ander nae per vices« het Nachtmaal uitgereikt worden.

Dit schijnt niet consequent, doch toont in elk geval, dat men niet doctrinair te werk ging, ofschoon de ordenende nationale synoden reeds alle gehouden waren.

De gewone regel wordt echter niet vergeten blijkens eene aanhaling uit 1604. De scriba Tilmannus Mylius teekende toen als naar gewoonte op: »zijn sonder credentie verschenen als noch geene gemeinte hebbende« en dan volgen acht namen. Op die acht plaatsen zal toch wel eens avondmaal gehouden zijn op de bovengenoemde wijze, maar een »gemeente« bestond er nog niet, zoolang er geen kerkeraad was 2).

Deze eigenaardige toestanden vertoonen het onderscheid tusschen eene bisschoppelijke hiërarchie, die een vorm oplegt, en het opgroeiend gereformeerd leven, dat zelf zijne vormen modelleert.

Het ging niet om de toepassing eener kerklijke theorie, maar om de hervorming der kerk. Zoo iets kon niet terstond zuiver conform één beginsel tot stand komen. Juist omdat de kerk naar haar wezen hervormd werd, kon de organisatie niet opgelegd worden op de wijze waarop heden ten dage eene nieuwe kieswet het land in nieuwe districten verdeelt en voor alle éénzelfde wijze van handelen voorschrijft.

Het was te doen om herstel der zuivere religie, en kern daarvan is de belijdenis der schriftuurlijke leer. De aanwezigheid van andere motieven bij de hervormingsgezinden noch de omstandigheid, dat velen onder hen voornamelijk door deze geleid werden, nemen weg, dat dit het kenmerkende punt der Reformatie was. De tegenstanders voelden dat; hunne vervolging was gericht tegen de aanhangers der »nye leere.«

Dus vroegen de verkondiging en belijdenis dier leer de voornaamste zorg; de wijze van kerkelijke samenleving had in zooverre eerst in de tweede plaats belang.


1) Ik cursiveer.
2) Een eigenaardig inzicht in den toestand der gereformeerde kerk op de Veluwe geeft het enkele feit, dat nog in 1619 in de classis Neder-Veluwe nevens 9 plaatsen, waar een »gemeente« was nog 4 plaatsen zonder forma waren.

|17|

Was de organisatie dus niet het alles beheerschende vraagstuk dier dagen en deed zij zich nog voor in verschillende vormen, toch is zij allerminst een onbelangrijk punt. Vandaar de voortdurende zorg van al de synoden, ja reeds vóór de eerste, om  eene geregelde kerkorde te verkrijgen.

Er klinkt nog iets van bewogenheid des gemoeds door in de woorden, waarmee de Emdensche synode de opdracht tot kerkinstitutie in haar notulen neerschreef 1): »De Dienaren ende Ouderlinghen der Classen die onder ’t Cruys zijn, sullen in allen Steden ende Dorpen onder haren Classe, ofte daer omtrent gheleghen, naerstelijck ondersoecken ende vernemen nae den ghenen die tot de reyne Religie gheneghen zijn, om de selve tot haren schuldighen plicht te vermanen: Derhalven sullen sy pooghen, Kercken, oite ten minsten beginselen der Kercken te vergaederen«; de classes moeten de naastliggende plaatsen onder elkaar verdeelen »op dat niet versuymt en werde (ne quid negligatur)«. De verstrooide gemeenten moeten deze zorg nemen voor plaatsen, verre van een classis gelegen. Ja, de afzonderlijke verbannen geloovigen moeten de dienaars der classen onder ’t kruis behulpzaam zijn door de namen op te geven dergenen, die de Religie genegen zijn in de vroegere plaats hunner inwoning,  »unde ejecti vel digressi sunt«.

Hoe had die kerk kracht kunnen ontwikkelen en hare roeping vervullen zonder orde in de gemeenten en onderlinge samenwerking? Consistories en correspondentiën tusschen deze worden dan ook tot in de oudste bescheiden onzer gereformeerde kerk vermeld 2). Maar verder moeten vragen naar de beteekenis, die de consistories zoowel voor ’t politiek als vooral voor ’t godsdienstig leven gehad hebben, naar de eerste instelling ervan, naar het oorspronkelijk karakter enz., hier buiten bespreking blijven.

* * *

Allereerst doet zich de vraag voor naar de samenstelling van den kerkeraad; zij laat zich in tweeën splitsen:


1) Art. 42. Rutgers Acta, bl. 79.
2) Cf. verschillende banden der Marnix-vereeniging. Serie II, Dl. I, 1e stuk (Engeland). Serie II, Dl. II, bl. 23. Serie III, Dl. I, 1e stuk. Serie III, Dl. II (Emden). Serie III, Dl. V, 1e stuk (Keulen). Cf. ook Emden, K.O. 43, Rutgers Acta, bl. 80.

|18|

1° Welk karakter had het lidmaatschap in deze vergadering?
2° Hoe werden de personen aangewezen? 1)

 

De kerkeraad is de vergadering van ambtsdragers in eene gemeente. De ambten zelve zijn door Goddelijk bevel ingesteld en hebben daarin hun grondslag.

Vele vragen over den aard en het aantal der ambten kunnen hier voorbijgegaan worden. Omnium consensu waren erkend: het ambt van dienaar des Woords, dat van ouderling en dat van diaken.

Het doctoren-ambt wordt in de Wezelsche artikelen genoemd en komt ook in de K.O. van Middelburg (art. 2) weder voor. Emden en de synoden van 1574 en 1578 te Dordrecht vermelden dit ambt niet. In de K.O. van 1581 worden de doctoren echter niet bij de leden van den kerkeraad genoemd (art. 28). Hunne ambtelijke waardigheid schijnt niet sterk gevoeld te zijn en hunne verhouding tot de plaatselijke en de gezamenlijke kerk is nooit scherp omlijnd. 2)

De vergaderden te Wezel spreken nog van een vijfde ambt, dat der profeten. De nuttigheid van een collegium prophetarum in elke gemeente wordt erkend, maar ook dit wordt onderscheiden van den kerkeraad. In de latere synoden komen deze prophetae niet meer voor.

Zoo blijven dus voor den gewonen regel de ambten van dienaar des Woords, ouderling en diaken.

De vraag kan echter gesteld worden, of niet alleen de ouderlingen den kerkeraad vormen. Althans in Wezel’s artikelen 3) komt deze uitdrukking voor: »…. Senatu(s) Ecclesiasticu(s), Seniorum inquam conventu(s) adhibitis Ministris, Doctoribus ac Prophetis.«

Dus: de kern van den kerkeraad vormden de ouderlingen. Dit was ook overeenkomstig de gedachte, dat de ouderlingen regeeren en den raad der kerk de regeering toekomt, terwijl de Ministri


1) Ten overvloede zij nog eens herinnerd, dat hier geen volledige beschrijving der kerkrechtelijke toestanden gegeven wordt (gesteld, dat zulks mogelijk was), maar dat ik slechts vermeld hetgeen, als behoorende tot de hoofdtrekken, niet gemist kan worden en verder alleen wat in verband staat met de praktijk inzake belijdenis en leer.
2) Er waren ook netelige vragen aan verbonden. En niet alleen toen: vroeger en later eeuw levert hiervan voorbeelden. Vgl. Bavinck, Het Doctorenambt.
3) VIII, 4. Rutgers Acta, bl. 31.

|19|

bij de Doctores ac Prophetae gevoegd worden. Toch is de Minister niet buiten de regeering der kerk gesloten. In Cap. IV art. 1 staat dan ook: »Sequitur (nl. na de Ministri en Doctores) ordo Seniorum sive presbyterorum qui a Paulo κυβερνησεων nomine censentur; eoque Senatum ecclesiasticum sive Consistorium una cum Ministris constituunt.» Dus: «ouderlingen tegelijck met de Dienaeren maeken een kerckeraet.» Deze gedachte heeft de overhand behouden.

Maar hoe staat het dan met het diaken-ambt, dat niet in de eerste plaats met den geestelijken wasdom noch met de kerkelijke regeering, maar met de lichamelijke nooden te maken heeft?

Wezel noemt hen niet als lid van den kerkeraad; in Emden’s K.O. daarentegen werden volgens art. 6 de diakenen gerekend bij den kerkeraad te behooren. In Dordrecht 1574 loopen de beide opvattingen door elkaar. Wanneer de bepaling gelezen wordt: Als er weinig ouderlingen zijn, mogen de diakenen naar de begeerte van het consistorie erbij gevoegd worden, 1) zou men geneigd zijn te oordeelen: het consistorie is er dus reeds zonder de aanwezigheid der diakenen. Maar even te voren is de afzondering der diaconale vergadering van de samenkomst der ouderlingen met den dienaar des Woords voorgesteld als een nadere uitvoering van het 6de Emdener artikel, volgens ’twelk juist leeraars + ouderlingen + diakenen het consistorie vormen.

Dezelfde onzekerheid komt uit in de eigenaardige regeling van 1581. 2) Volgens de artikelen der kerkorde behooren de diakenen niet bij den kerkeraad, naar de regelen voor kerkelijk gebruik wèl. Volgens de synodale besluiten mag de kerkeraad, zoo dikwijls hij dit noodig keurt, de hulp der diakenen inroepen; alleen als een diaken tevens ouderling is, mag hij altoos bij den kerkeraad wezen. 3) Doch in de «particuliere vragen» 4) wordt verondersteld, dat de diakenen zelfs bij het examineeren van een predikant tegenwoordig zijn.


1) Art. 4 K.O.; Rutgers Acta, bl. 139.
2) Dit is niet te verwonderen, want de K.O. van 1581 was eene verkorting van die van 1578. Verkort, teneinde haar bij de overheid in te dienen. Vgl. Rutgers’ Aanteekeningen in zijn Acta, bl. 347.
3) Rutgers Acta, bl. 405.
4) Rutgers Acta, bl. 453. Onder ’t hoofd »particuliere vragen« werden gewoonlijk in de Acta der synoden vermeld de antwoorden en beslissing der vergadering omtrent alle ingebrachte vragen. De andere rubrieken waren meestal: Presentielijst — Kerkorde — eventueel groote tuchtzaken — (indeeling der ressorten).

|20|

Verder onderzoek dezer kwestie is hier overbodig. Het staat genoegzaam vast, dat de werkzaamheid van den kerkeraad in ’t bijzonder diende om de gemeente te regeeren; wie daarin medewerkten, is een tweede punt, maar de hoofdzaak is, dat de kerkeraad bestond uit bedienaars van de ambten, welke Christus aan de gemeente heeft gegeven.

In zooverre is het ook van minder beteekenis, door wie de personen werden aangewezen om het ambt te bedienen. 1) Dat de gemeente het recht hiertoe heeft, werd niet betwijfeld — ook waar de kerkeraad zichzelf aanvulde, geschiedde dit nomine ecclesiae en de approbatie der gemeenteleden werd gevraagd of verondersteld; maar ook bij eene directe benoeming door de leden der gemeente ontleenen de ambtsdragers hun gezag niet aan de gemeente.

Wel was het ambt alleen in de gemeente te vinden, maar deze was niet de bron der ambtelijke macht. Dit worde niet uit het oog verloren, ook niet bv. wanneer de ouderlingen genoemd worden: deputati populi. 2) Deze uitdrukking zou verwarring kunnen brengen, omdat ook de leden der breedere vergaderingen deputati heeten. En toch lag het onderscheid tusschen den kerkeraad en de andere kerkelijke vergaderingen juist hierin, dat deze laatste haar macht ontleenden aan de kerkeraden, en hare leden derhalve niets dan deputati waren, terwijl de macht van de kerkeraadsleden niet op dezelfde wijze rustte op een gemeentelijk mandaat. In de breedere vergaderingen brengen de kerken hare autoriteit te zamen, in den kerkeraad is de samenvoeging van de macht der gemeenteleden niet 3).

De kerkeraad heet wel meer dan eens de »vertegenwoordiging« der gemeente; bv. in de kerkorde van 1586, »Van de


1) Overigens een veel besproken en niet geheel onbekende kwestie. Vgl. zoowel de zaak van Jean Morelli (Dordt 1574, bl. 136) als nog de geschillen in de Friesche Kerkbode, jaargang 1900, door Dr. H.H. Kuyper besproken.
2) Cf. Synopsis, Th. XXVIII, p. 597.
3) Lechler zegt (S. 48), dat het ouderlingen-ambt niet gebaseerd is op ’t algemeen priesterschap der geloovigen. Hierin heeft hij ook m.i. het hart der kwestie getroffen: de basis ligt in de goddelijke instelling. Maar m.i. verliest hij bij zijne uiteenzetting aldaar een weinig uit ’t oog, dat het ambt wel niet uit de vergadering der geloovigen voortkomt, doch alleen in de gemeente bestaat. Zonder gemeente geen ambt. Eene andere opvatting voert tot de roomsche (vanaf Cyprianus) »ecclesia in episcopo est.« Harnack, Dogmengesch2. (S. 73). Vgl. hier ’t »gilt« van Oecolampad, vermeld bij Lechler, S. 48 en 52.

|21|

diensten«, art. 9: »Op d’andere zijde sal den Kercken-Raet, als Representerende die Ghemeynte, oock ghehouden zijn haer Dienaers … te versorghen« 1). Doch dit is geene representatie van de macht 2), maar van de aanwezigheid der gemeente. In haar geheel had deze ook wel macht, maar die kon niet aan één of meer personen worden overgedragen. Wel traden hare »vertegenwoordigers« bij de uitoefening daarvan als hare organen op 3).

———

De bevoegdheid van den kerkeraad is:
a. de som der bevoegdheden van predikanten en ouderlingen;
b. wat hun te zamen als consistorie, d.i. de vertegenwoordiging der gemeente, toekomt.
Zijne werkzaamheid komt hieruit voort.

De predikant heeft de bediening des Woords. Dat is meer dan, althans onderscheiden van de enkele verklaring des Woords. Deze komt hem, evenzeer als den doctor, toe, maar hij heeft het verklaarde woord ook toe te passen. »Toepassen« worde hier in den ruimsten zin genomen 4).

Bij den dienst des Woords behoort de dienst der gebeden, volgens Hand. VI vrs. 4.

Wanneer meerdere predikanten in ééne plaats werkzaam zijn, komt hun toe, »acht te nemen op elkanders predicatiën, leeringen en boeken« 5).

Uitvoeriger zal over het ambt der predikanten bij de behandeling der classicale vergaderingen gesproken worden.


1) Rutgers Acta, bl. 490.
2) Vos, Gesch. der Vad. Kerk, 2 bl. 140, § 95: »De Kerkeraad was de vertegenwoordiging en mitsdien de regeering van de plaatselijke gemeente.« Hierin heeft de schrijver misschien de idee der 2de helft van de 17de eeuw uitgedrukt (Voetius), maar niet zuiver de gedachte, die tevoren heerschte.
3) Synopsis Disp. XLVLIL Th. XXL XXIII. XXIV. p. 581. Disp. XLIX, Th. I, p. 591; vgl. met VII op p. 577 en Th. I, Disp. XLII, p. 458.
4) Synopsis Disp. XLII, Th. XXVII, p. 464: Quos (scil. Doctores) idcirco Apostolus a pastoribus discernit, quod illi in doctrina et redargutione ad fidem vacillantium confirmandam; hi in correctione et admonitione ad vitam peccantium emendandam, operas suas praecipue occuparent. Unde illis κατ᾽ ἐξοχην docendi, his exhortandi munus attribuitur, Rom. 12, 7.8.
Ook: Wesel. II, 13. Ministrorum enim … munus potissimum versari in verbo Dei annunciando, ac rite secando, et ad doctrinam, exhortationem, consolationem, increpationemque, prout res fert, tum publicè tum privatim accommodando, atque in administrandis Sacramentis ac disciplina observanda, est extra controversiam. Rutgers Acta, bl. 16.
5) Antwoord van den dienaar des Woords. 1582. Cf. Rogge,  Caspar Coolhaes, I, 254.

|22|

Daarentegen worde wel iets nader gehandeld over de bevoegdheid en ’t werk der ouderlingen in zake de leer.

De ouderlingen droegen voor een groot deel de verantwoordelijkheid voor wat er in de gemeente omging en geleerd werd 1). In zooverre kwam hun toezicht toe op de leer van den dienaar des Woords.

Allereerst was dit noodig, wanneer een predikant moest beroepen worden. Dan moest het presbyterium, casu quo de geheele kerkeraad, zich kunnen vergewissen omtrent de gezindheid en geschiktheid van den prediker, om het Woord onvervalscht te bedienen, en, wanneer zij gevaar duchtten, dit kunnen voorkomen.

Bij de examinatie en keuze der predikanten namen dus de ouderlingen hunne plaats in. Doordat echter meer factoren hierbij hun invloed deden gevoelen, vond de examinatie bij de classis plaats. De classicale beslissing en verder de attestaties waren de waarborgen, waarmee de kerkeraad verantwoord was bij de komst van een prediker in de gemeente. Toch neemt dit niet weg, dat de grondgedachte bleef bestaan: De kerkeraad, c.q. de ouderlingen, houden toezicht over den prediker. Daarom werden de attestatiën door den kerkeraad niet slechts geverifieerd maar ook beoordeeld.

De beroeping van een dienaar geschiedde eveneens door den kerkeraad, uit naam van de gemeente. Tenminste dit is de gewone regel, Emden 2) sprak dit uit in artikel 13: »De dienaren des Woorts sullen van den Consistorie met het oordeel ende goet duncken der Classischer versamelinge, ofte twee ofte drie Ministers uyt de genabuerde Kercken vercooren worden.« Dan worden zij aan de gemeente voorgesteld. »Nochtans of eenighe Kercken, daer de Verkiesinghe bij ’t Ghemeene volck staet achteden, dat hare ghewoonheyt niet te veranderen en ware, die sullen ghedraghen worden….« En de Dordtsche K.O. van 1618/19, art. 4, zegt: »de Verkiesinge, de welcke … geschieden sal door den Kercken-Raed ende Diaconen.«

Verder heeft de kerkeraad de bevoegdheid een dienaar te schorsen, wanneer hij zich in zijn huis niet geloovig betoont.


1) Cf. Emden K.O. 16, 17, 18, 33. [Kleyn, Alg. Kerk, bl. 22]. Synopsis Disp. XLII, Th. LXI, p. 471.
2) Rutgers Acta, bl. 61.

|23|

(Emden Bijz. Vragen 22). Dit kan alleen berusten op de bevoegdheid van het consistorie, om over de leeraren toezicht te houden. Deze bevoegdheid is echter beperkt: zie art. 33 en 34 der kerkorde van 1571. Alleen de classis oordeelt finaal over een dienaar. Dit was noodig, opdat niet allerlei misbruiken zouden voorkomen. En in zooverre het oordeel over de leer niet eene zaak is, die slechts éene gemeente aangaat, komt het mij voor dat in  deze beperking de eenheid der kerk zich doet gelden.

In de algemeene bewoordingen van de Wezelsche artikelen (IV, 7, 9) en van Middelburg, art. 16 1), dat »der Ouderlinghen ampt is,.. opsicht te hebben dat de Dienaren … haer ampt ghetrouwehck bedienen«, ligt toch weer de grondgedachte 2).

In het formulier van bevestiging van ouderlingen wordt dan ook met zoovele woorden gezegd, dat de ouderlingen op de leer hebben toe te zien 3).

In 1582 wist zelfs de magistraat van Leiden, dat censuur te oefenen over een predicatie aan den kerkeraad toekomt 4). Zoo ook werd in 1611 in Amsterdam besloten, dat de ouderlingen zouden toezien, dat geen predikant van buiten op den stoel kwam 5).

Tot de bevoegdheid der ouderlingen behoort verder: over de leer der lidmaten toezicht te houden. Zij moeten voortdurend huisbezoek doen, waarin de geestelijke verzorging der afzonderlijke lidmaten behartigd wordt; maar daartoe behoort ook: zich op de hoogte te stellen van de doorwerking van ketterijen en dwalingen. Hierin werd allicht het voorbeeld van Genève gevolgd, waar bepaaldelijk de zielzorg hun was opgedragen, in onderscheiding van het gebruik der Hugenooten, bij wie de ouderlingen alleen de regeermacht bezaten. 6)

De Wezelsche artikelen hadden reeds terstond het geregelde, zelfs wekelijksche huisbezoek nauwkeurig omschreven in het hoofdstuk »de Senioribus«.7)  Zachtmoedige bespreking in de


1) Rutgers Acta, bl. 382.
2) Vgl. ook 1586 art. 21, bl. 452.
3) In de gemeente Amsterdam bestaat nog altoos de gewoonte, dat een z.g. zittend ouderling aanwezig moet zijn bij den dienst des Woords. De uitdrukking is nog: »Hij zit op de leer«.
4) In casu Hackius, Cf. Dozy, (Mij v. Lt. 1897/98, 27/28.)
5) Cf. Rutgers, Kerkverband 31.
6) Vgl. ook W. d. M. V. II, 1, 328. (Over de Londensche Gemeente).
7) Zie 2, 3, 7, 8. Rutgers Acta, bl. 22-24.

|24|

woningen over de inrichting van het dagelijksch leven; het houden van morgen- en avondgebed, de onderwijzing der kinderen wordt eerst genoemd. Grootere gemeenten moeten in wijken verdeeld worden en wekelijks houden de ouderlingen eene gemeenschappelijke beraadslaging naar aanleiding van hunne ondervinding in de vorige dagen.

Op ziekenbezoek wordt niet minder ernstig aangedrongen.

Ja, die werkzaamheden zijn juist eerder een arbeid, welken zij zelfstandig mogen verrichten, dan de regeering der kerk, want deze werd alleen in verbinding met den geheelen kerkeraad uitgeoefend. En ofschoon daarin dan »proprie quidem doctrinae 1) censura ad Ministros et Doctores, morum vero ad Seniores videtur pertinere«, evenwel »debent procul dubio utrobique mutuas praestare operas« (art. 5).

De opneming van lidmaten in de gemeente is volgens Dordt 1578 niet mogelijk zonder dat hij, die ontvangen wilde worden »van den kerckeraedt ofte immers eenen Dienaer ende Ouderlinck vande hooftsomme der Christelicker leere ondervraegt sy …«, behalve wanneer hij met attestatie van elders kwam.

Hiermee corrigeert Dordt 1578 wat in 1574 bepaald was, dat deze ondervraging door een dienaar met twee ouderlingen of ook door twee dienaars alleen 2) kan geschieden. Neen, oordeelt deze vergadering, waarin de invloed van Dathenus, Heydanus, Cornelius, wel evenredig zal geweest zijn aan hunne eereplaats als leden van het moderamen: dit ambt is verantwoordelijk voor den welstand der gemeente en de dragers daarvan moeten dus weten, wie zij onder hun opzicht nemen.

Pro memorie wordt hier vermeld, dat de ouderlingen ook een deel van hun werk hebben in de classicale vergadering.

Heel scherp zijn de grenzen dus niet te trekken voor het gebied, dat uitsluitend den ouderlingen toekomt.

Wesel (VIII, 4) 3) spreekt uit: »Religionis ac morum censuram quod ad singula ecclesiae membra attinet debere ad Senatum ecclesiasticum, Seniorum inquam conventum adhibitis Ministris, Doctoribus ac Prophetis, si qui fuerint, spectare, est extra controversiam«.


1) Wezel VIII, art. 4 »religio« genoemd. Rutgers Acta, bl. 31.
2) Dordt 1574, art. 70. Rutgers Acta, bl. 147.
3) Rutgers Acta, bl. 51.

|25|

Maar niet extra controversiam was gebleven, dat de leeraren over de zeden en de ouderlingen evenzoo over de leer-aangelegenheden mede oordeelden. De toon der Wezelsche artikelen is meer aanradend dan voorschrijvend en biedt derhalve nauwkeuriger kennis aan van het verloop der gedachten dan de latere kerkorden met hare voorschriften. Het resultaat (zie art. 5) was echter, dat bij de erkenning van een onderscheid in de bevoegdheid der verschillende ambten, toch eene afbakening van het gebied niet mocht beproefd worden. Dit schijnt mij trouwens eene onmogelijkheid toe. Wel liggen er links en rechts punten, die zich puur als leer-afwijkingen of ook als louter zedelijke vergrijpen voordoen. Maar als Lieven van Vijven in Amsterdam 1) zijn overspel erkent als eene zonde, wegens het burgerlijk verbod daartegen, doch aan de kerk het recht ontzegt hem deswege te censureeren, omdat hij de leer der H.S. zegt te volgen, is de bestraffing der zonde in moribus niet af te scheiden van de veroordeeling der doctrina.

Het bedoelde artikel 5 luidt dan ook aldus: »Ad quos enim cuiusque rei cognitio pertinet eosdem à iudicio et censura excludi praeter omne ius et fas esse omnes vident. Quare propriè quidem doctrinae censura ad Ministros et Doctores, morum vero ad Seniores videtur pertinere. Sed debent procul dubio utrobique mutuas praestare operas«. 2)

In Emden wordt in ’t algemeen aan het consistorie in zijn geheel de macht tot vermanen en afhouden van het H. Nachtmaal toegekend. 3)

Ook de medeleden in ’t consistorie zijn hieraan onderworpen, behalve dat de dienaren geschorst, maar niet afgezet kunnen worden door den kerkeraad. 4) Dit laatste valt onder ’t oordeel der classis.

Excommunicatie, van wien ook, vindt niet plaats zonder advies of zelfs goedvinden van de classis, 5) want zulks gaat


1Protocol van den Amsterdamschen Kerkeraad, MS.D, dl. II, jaar 1595; dl. III, jaar 1597.
2) Rutgers Acta, bl. 31, 32.
3) K.O. art. 30, 31. Rutgers Acta, bl. 70 vlgg. Zie ook vr.  15, Rutgers, bl. 98.
4) Zie b.v. Emden art. 33 (Rutgers, bl. 73); Dordt 1578, IV, 9 (Rutgers, bl. 261); Middelburg 1581 art. 64 (Rutgers, bl. 399); den Haag 1586 art. 72 (Rutgers. bl. 504).
5) Zie b.v. Middelburg 1581 art. 62 (Rutgers 398); den Haag 1586 art. 69 (Rutgers bl. 503) en herhaaldelijk in de Protocollen van den Amsterdamschen kerkeraad. Ook in Prov. Acta zijn voorbeelden te over te vinden, b.v. R. & v. V. V, 28/29.

|26|

niet alleen den plaatselijken gemeenten, maar de kerk in haar geheel aan. Ook tegenover willekeur in de praktijk waren zulke bepalingen gewenst.

Afzonderlijk moet nog vermeld worden de opdracht, dat de gemeenten hebben zorg te dragen voor de aanwezigheid van »Professeurs ende Schoolmeesters«, volgens art. 12 der kerkorde van 1581. 1) Daarbij behoort een bijzonder toezicht van den kerkeraad over de schoolmeesters, zoowel bij de toelating tot als bij de uitoefening van deze gewichtige betrekking. De eigenaardige positie van den scholarch dier dagen maakte hierbij afzonderlijke regelingen noodig.

De beteekenis van den kerkeraad, deze eerste kerkelijke vergadering, in zake de leer is dus niet gering. Uit de groote overeenstemming der kerkorden op dit punt volgt echter nog niet, dat de regeling op verschillende plaatsen in al die jaren voortdurend zóó bestaan heeft, maar wel dat de theoretische juistheid der eenmaal aangenomen ordening erkend werd. Inderdaad, men heeft juist gezien, de beteekenis der kerkeraden voor den welstand der gereformeerde kerk kon moeilijk overschat worden. Hun bestaan en bestaanswijze was het kenmerk harer organisatie, hun arbeid en de vrucht daarvan beslaat geene geringe plaats in de geschiedenis van hare ontwikkeling en haren bloei.


1) Rutgers, Acta bl. 380.