Schokking, H. (1902) Inl

|1|

 

Inleiding.

 

Het doel van dit werk is een overzicht te geven van de wijze, waarop en de beginselen, waarnaar in de gereformeerde kerk van Nederland leertucht is geoefend; en wel in haar eerste tijdperk, hetwelk, ongeveer vijftig jaren omvattende, door de Dordtsche synode van  1618/’19 wordt afgesloten.

Onder de gereformeerde kerk in Nederland versta ik die kerkelijke gemeenschap, welke zich op de synode te Emden in 1571 heeft georganiseerd en sedert overal, waar in ons land de vrijheid van Spanje was bevochten, als de publieke kerk werd erkend.

De jaren, waarover mijn onderzoek loopt, zijn voor de ontwikkeling dezer kerk van groote beteekenis geweest. Bij den aanvang ervan nog bestaande uit gemeenten »onder ’t kruis«, klein in aantal en dikwijls ook in omvang, zelfs genoodzaakt om hare eerste synode buiten de grenzen van het vaderland te houden, is zij aan het einde dier halve eeuw in staat de gereformeerde kerken uit den vreemde op eigen bodem te ontvangen; in eene synode, die nog altijd de éénige vergadering is gebleven, die soms en niet geheel ten onrechte als »gereformeerd concilie« is betiteld. Zelfs van de Westminster synode geldt dit niet.

Diezelfde synode sluit ook een tijdperk af in de ontwikkeling der kerkelijke leer. De »leerregels«, daar onder medewerking van de uitheemsche godgeleerden opgesteld, bevatten de verwerping van het gevoelen der Remonstranten, die in den boezem der nederlandsche gereformeerde kerk hunne plaats duurzaam hadden willen behouden en wettigen, maar van 1619 af een afzonderlijke kerkgemeenschap vormen.

|2|

Een belangrijk deel van de geschiedenis der hervormde kerk in ons tijdvak, vooral gedurende de laatste helft ervan, wordt gevormd door den strijd tusschen die twee stroomingen, welke vóór 1619 binnen de grenzen der ééne kerk voortdurend tegen elkander inwerkten. De eene, bekend geworden als de contra-remonstrantsche richting, is de heerschende gebleven. Aan het eind van dit tijdperk staan de Remonstranten buiten het verband der gereformeerde kerk en is hun gevoelen als strijdig met de Heilige Schrift verworpen. De bezwaren dezer partij tegen de leer der eenmaal aangenomen confessie gelden als weerlegd: aldus reikten de leerregels van 1619 de hand aan het symbolisch geschrift uit 1571. De Dordtsche canones heetten dan ook eene nadere verklaring van sommige punten der belijdenis. Na 1619 is geen officieele kerkelijke uitspraak van dien aard meer gedaan. De vijftig tusschenliggende jaren hebben dus den vorm geleverd, waarin de gereformeerde leer zich gedurende eenige eeuwen in Nederland heeft vertoond.

In de volgende bladzijden wordt de naam »gereformeerd« soms gebezigd, ter aanduiding van ééne bepaalde richting; die in de toenmalige gereformeerde kerk, welke na 1611 de contra-remonstrantsche heet.

Heb ik hiertoe het recht, terwijl toch een tijd lang ook andere gevoelens in den boezem dier kerk hebben bestaan nevens deze? Ik geloof, uit historisch oogpunt ja. Laatstgenoemde beginselen hebben immers op den duur zich niet in de gereformeerde kerk kunnen handhaven, hebben hare wettigheid verloren. Toch maak ik er geen geheim van, dat ook mijne persoonlijke overtuiging in de keuze van dat spraakgebruik medewerkt; ik kan alleen in de contra-remonstrantsche beginselen de echt gereformeerde zien.

De ontwikkeling van, en deze strijd over den inhoud der kerkelijke leer heeft medegebracht, dat ook allerlei kerkrechter­lijke vragen in het geding zijn gekomen, b.v. over aard en omvang van de macht der kerk, over de verhouding tusschen de Heilige Schrift en de belijdenis der kerk, over het gezag dezer laatste. Ook ten opzichte van deze vraagpunten stonden de gevoelens der twee partijen tegenover elkander. Reeds bij de kerkelijke geschillen op kleinere schaal, voordat de remonstrantsche bewegingen begonnen, had verschil van opvatting omtrent kerkleer, belijdenis, gezag der symbolische schriften, enz. zich doen

|3|

gelden. Evenwel, het bleef toen nog sluimeren en de diepste grond ervan werd nog niet blootgelegd. Maar van deze en dergelijke overtuigingen hing het juist af, op welke wijze leertucht zou worden geoefend. Ik geloof, dat de heftigheid, waarmede de dogmatische strijd is gestreden, voor geen gering deel haar oorzaak hierin vindt, dat eerst langzamerhand het verschil in kerkrechterlijke gevoelens aan het licht is getreden. In elk geval is — ik acht het van belang hierop terstond opmerkzaam te maken — de verwarring niet weinig vergroot, doordat de partijen van geheel verschillende veronderstellingen uitgingen.

Wanneer bijv. Coornhert over de kerk sprak, bedoelde hij metterdaad iets anders dan de predikanten, tegen wie hij optrad. Toch gebruikten zij — en zij konden ook moeilijk anders, — hetzelfde woord. Dat dit de discussie niet vruchtbaarder maakte, spreekt van zelf; maar zij hebben, geloof ik, zich van hun verschil hierin niet voldoende rekenschap gegeven. Iets dergelijks is het geval geweest in den remonstrantschen strijd, die zeker niet minder door geschillen van kerkrechtelijken aard dan door den twist over leerstellingen zoo verbitterd is geworden. Wanneer Trigland van »de belijdenis« sprak, stond hem daarbij iets voor den geest, dat van geheel anderen aard was, andere eigenschappen bezat, op andere veronderstellingen berustte, dan Wtenbogaert zich voorstelde, wanneer hij dit woord bezigde. Toch was dat verschil bij deze beiden, gelijk in ’t algemeen in hunne dagen, niet langer een zaak, die zich slechts door haar gevolgen deed gevoelen. Integendeel, zij begonnen het duidelijk in te zien. Hebben misschien — ik kan deze vraag niet onderdrukken — de partijen toen elkanders stellingen nu en dan niet willen begrijpen? Hoe dit ook geweest zij: het is duidelijk, dat bij zulk een stand van zaken de oefening van leertucht telkens ook de beginselen van deze kerkelijke instelling en de veronderstellingen, waarvan zij uitgaat, in ’t geding bracht.

Bij het onderzoek naar de wijze, waarop de leertucht in de kerk in den tijd, waarover mijn onderzoek loopt, is toegepast, kwamen dan ook gedurig de beginselen, die aan die toepassing ten grondslag lagen, voor den dag.

Daaruit bleek mij, hoe niet alleen omtrent doel, grondslag, punt van uitgang en wijze van oefening dier leertucht verschil van gevoelen heeft bestaan, maar hoe ook omtrent het begrip «leertucht» zelf eene voorstelling was opgekomen, die verwarrend

|4|

moest werken en die ook nog tegenwoordig bij velen wordt aangetroffen.

Dit woord kreeg namelijk den klank, alsof daarmede alleen maatregelen worden aangeduid, dienende om personen, wier gevoelen van de officieel aangenomen leer afweek, te bestraffen.

Deze opvatting moet ongemerkt ontstaan zijn. Dit is niet onverklaarbaar, al is de opvatting zelve onjuist. Immers de verschillende kerkorden spreken onder ’t hoofd »de disciplina (censure, vermaninghe)« bijna alleen of althans het breedst over de »kerkelijke straf.« Deze term komt zelfs als vertaling van disciplina voor. De oefening van leertucht werd immers ook het duidelijkst daar gezien, waar het op bestraffen aankwam. Niettemin was dit van die tucht slechts een onderdeel.

Juister is dan ook de opvatting van de Synopsis Purioris Theologiae. Dit werk, dat eenigszins als het officiëele handboek der gereformeerde dogmatiek kan worden beschouwd, 1) spreekt in het hoofdstuk de Disciplina 2) over de twee sleutelen, n.l. de prediking des woords en de uitsluiting uit de gemeenschap der kerk, en noemt de excommunicatio de clavis disciplinae strictius sic dictae. Dit: «tucht in engeren zin» veronderstelt natuurlijk, dat er ook een tucht in ruimeren zin bestaat. En inderdaad, tot de discipline, de leertucht behooren niet alleen de bestraffende, maar ook zulke maatregelen, die dienden om bestraffing onnoodig te maken. 3)


1) Hoewel in 1625 gedrukt, geeft de Synopsis toch de communis opinio der gereformeerde theologen uit ons tijdperk weer. Cf. H. Bavinck’s Praefatio vóór den herdruk van 1881.
2) Disp. XXXVII. Th. IV, p. 577.
3) Bonnard, Thomas Eraste, p. 170: Pour (les adversaires d’Eraste) [Beza, Ursinus, Zanchius e.a.] la discipline est de nature essentiellement spirituelle: éviter la profanation des choses saintes, empêcher les indignes d’attirer sur leur tête la colère divine, en mésusant des sacraments, ramener dans le bonne voie ceux qui s’égarent, tels sont ses principaux buts.
En in de noot:
Cette caractéristique ressort de l’ensemble des écrits de Bèze, d’Ursinus et de Zanchi. Eenige bewijsplaatsen worden daarbij opgegeven.
Eene uitspraak van a Lasco over de tucht wordt vermeld in Vos’ Het verlangen van de Algemeene Synode der Nederlandsche Hervormde Kerk naar de onschendbaarheid van alle Kerkverwoesters, 1885 (bl. 40): .. zij [de tucht] is eene zekere, aan de H. Schrift ontleende instelling …, volgens welke, met trapsgewijze opklimming, alle broederen in de Gemeente van Christus elkander, overeenkomstig het woord van God, christelijk hebben te vermanen, opdat zoowel het geheele lichaam en alle zijne leden, elk in zijnen bijzonderen werkkring, voor zoover zulks mogelijk is worden bijeengehouden, als ook opdat, indien er wellicht sommigen in de Gemeente gevonden worden, die dergelijke ➝

|5|

Ook de tucht der bestraffing was geen louter strafrechtelijke handeling; zij had een broederlijk karakter en een «genezende« bedoeling, ook waar werd volgehouden, dat aan het kerkelijk gezag rechtsvormen en een rechterlijke grondslag niet konden ontbreken.

Onder leertucht versta ik dan ook alle en iedere zorg, welke door eene kerk wordt aangewend om de zuiverheid van hare leer te handhaven. In de volgende bladzijden wordt door mij alleen een gedeelte van deze zorg behandeld, n.l. de bepalingen en instellingen, die opzettelijk ter bewaring van de zuivere leer, welke de kerk als het haar toebetrouwde pand beschouwde, waren vastgesteld. Alles, wat niet rechtstreeks en niet uitsluitend handhaving der leer ten doel had, laat ik rusten, hoe gewichtig b.v., om slechts één ding te noemen, de inhoud der predikaties in dit opzicht ook geweest zij. Daarentegen meen ik te moeten spreken evenzeer over de preventieve zorg, die uitdrukkelijk beoogde afwijkende gevoelens te voorkomen en de aangenomen leer te handhaven, als over de repressieve.

Aan het hoofdstuk, dat hierover handelt, laat ik voorafgaan eene beschrijving over de organisatie, welke de gereformeerde kerk ten onzent bezat, voor zoover dit met de oefening van de leertucht verband houdt.

Zij leefde in den presbyterialen kerkvorm met zijne eigenaardige opeenvolging van telkens breedere kerkelijke vergaderingen. Deze moeten dus worden geteekend: immers bij haar berustte de macht tot oefening der leertucht.

Bovendien bestond er nog een ander verband tusschen die tucht en het gezag dier kerkelijke vergaderingen dan alleen dit, dat deze laatste nu eenmaal ook met de oefening dier tucht waren belast: niet minder achtten de mannen der gereformeerde richting, dat juist in genoemde presbyteriale organisatie de verschillende waarborgen vereenigd waren, vereischt voor de rechte handhaving der leertucht naar gereformeerden trant.


➝ vermaningen hardnekkig versmaden, dezulken ten laatste, door uitsluiting uit haar midden, aan den Satan worden overgegeven (1 Cor. 5: 5), of misschien ook nog door zulk eene beschaming het vleesch, wat zijne begeerlijkheden betreft, in hen te niet gedaan, de geest daarentegen eindelijk tot bekeering geroepen en alzoo nog behouden worden mocht.”