Kerkorde GG (1907) Art. 41

Artikel
41

Classicale vergaderingen

De classicale vergaderingen zullen bestaan uit genabuurde kerken, dewelke elk een dienaar en een ouderling, ter plaatse en tijd bij hen in het scheiden van elke vergadering goedgevonden (zo nochtans, dat men het boven de drie maanden niet uitstelle), daar henen met behoorlijke credentie afvaardigen zullen; in welke samenkomsten de dienaars bij gebeurte, of anderszins die van dezelve vergadering verkozen wordt, presideren zullen, zo nochtans, dat dezelfde tweemaal achtereen niet zal mogen verkoren worden. Voorts zal de preses onder anderen een iegelijk afvragen, of zij in hun kerken hun kerkeraadsvergadering houden; de kerkelijke discipline geoefend wordt; of de armen en scholen bezorgd worden; ten laatste, of daar iets is, waarin zij het oordeel en de hulp der classis tot rechte instelling hunner kerk behoeven. De dienaar, wie ’t in de voorgaande classis opgeleid was, zal een korte predikatie uit Gods Woord doen, van welke de andere oordelen, en zo daar iets in ontbreekt, aanwijzen zullen. Ten laatste, zullen in de laatste vergadering vóór de particuliere synode verkoren worden, die op deze synode gaan zullen.