Kerkorde GG (1907) Art. 4

Artikel
4

De beroeping dergenen, die te voren in de dienst niet geweest zijn

De wettelijke beroeping dergenen, die tevoren in de dienst niet geweest zijn, zoowel in de steden als ten plattelande, bestaat: ten eerste, in de verkiezing, dewelke na voorgaande vasten en bidden geschieden zal door den kerkeraad en de diakenen, en dat niet zonder [goede correspondentie met de christelijke overheid ter plaatse respectievelijk en] voorweten of advies van de classis, waar ’t zelve tot nog toe gebruikelijk is geweest.
Ten andere, in de examinatie of onderzoeking beide der leer en des levens, dewelke staan zal bij de classis ten overstaan van de gedeputeerden der synode, of enigen derselve.
Ten derde, in de approbatie en goedkeuring [van de overheid en daarna ook] van de lidmaten der Gereformeerde Gemeente van de plaats, wanneer, de naam des Dienaars de tijd van veertien dagen in de kerken verkondigd zijnde, geen hindernis daartegen komt;
Ten laatste, in de openlijke bevestiging voor de gemeente, dewelke met behoorlijke stipulatiën en afvragingen, vermaningen en gebed en oplegging der handen van den dienaar, die de bevestiging doet (of enige andere, waar meer dienaren zijn) toegaan zal, naar het formulier daarvan zijnde. Welverstaande, dat de oplegging der handen zal mogen gedaan worden in de classicale vergadering aan de nieuwe gepromoveerde dienaar, die gezonden wordt in de Kerken onder het kruis.