Bouma, H. (1983v) Art. 76

Artikel 76

Maatregelen van tucht

De kerkeraad zal de toegang tot het avondmaal van de Here ontzeggen aan hem, die de kerkelijke vermaning hardnekkig verwerpt of die een openbare of in ander opzicht ernstige zonde begaan heeft.
Indien deze na talrijke daarop volgende vermaningen geen enkel teken van berouw toont, zal de kerkeraad als uiterste remedie tenslotte tot de excommunicatie overgaan, waarbij het daarvoor vastgestelde formulier dient te worden gebruikt.
Niemand mag worden geëxcommuniceerd zonder instemming van de classis.

 

Onttrekking aan de samenkomsten van de gemeente om elders te kerken, zonder verklaring van afscheiding

Wanneer leden van de gemeente, die zich niet met uitdrukkelijke verklaring afscheiden, noch dit zelfs willen, ondanks alle vermaning zich toch aan alle samenkomsten van de gemeente onttrekken en elders (nl. bij kerken, die buiten ons kerkverband staan) gaan kerken, dan moet de kerkenraad bedoelde lidmaten herhaaldelijk en met lankmoedigheid vermanen en eindelijk op hen, bij volharding in hun ongehoorzaamheid, de wettige kerkelijke censuur toepassen.

(Middelburg 1896, art. 93; Utrecht 1905, art. 14)

 

„Volharding in ongehoorzaamheid”

Omdat de gevallen, in art. 93 van de acta van de synode van Middelburg1896 bedoeld, te verschillend zijn, dan dat men daarvoor een algemene regel voor alle gevallen zou kunnen geven, hebben de kerkenraden in voorkomende gevallen met de grootste voorzichtigheid, lankmoedigheid en zachtmoedigheid te handelen.
Indien enig lidmaat zich aan ongehoorzaamheid aan de Koning van de kerk schuldig maakt, moet dit deswege vermaand en gecensureerd worden; en zo het zijn schuld verzwaart door te volharden in zijn ongehoorzaamheid, moet ten laatste voortgeschreden worden tot excommunicatie met het formulier van de ban.

(Utrecht 1905, bijlage 1, blz. 95; art. 14)

 

„Uitdrukkelijke verklaring van afscheiding”

De synode is van oordeel:
a. dat zulk een uitdrukkelijke verklaring òf schriftelijk bij de kerkenraad kan worden ingezonden, òf mondeling aan gecommitteerden van de kerkenraad gegeven kan worden;
b. dat echter een kerkenraad niet te haastig behoort te zijn in het accepteren van zodanige verklaring, maar moet trachten, zoveel in zijn vermogen is, het betrokken lid te bewegen, om op zijn verklaring terug te komen.

(Utrecht 1905, art. 14)

 

Geen „schrapping”

De synode acht geheel onaannemelijk, dat men lidmaten, als bedoeld in art. 93 van de synode van Middelburg 1896, herhaald en met lankmoedigheid zal vermanen, en dat men eindelijk hun, bij volharding in hun ongehoorzaamheid, een zekere tijd stelt, niet minder dan drie maanden, na welke zij (tenzij zij alsnog aan de vermaning gehoor geven) als zulken, die met de daad zich hebben afgescheiden, gerekend zullen worden niet meer tot de gemeente te behoren.
Dit zou neerkomen op 'schrapping' van lidmaten, en 'schrappen' kan voor geen gereformeerd tuchtmiddel gelden. Immers, alléén door zichzelf af te scheiden, of door excommunicatie, kan een lidmaat buiten de kerkelijke gemeenschap komen te staan.
Dit beginsel dient zuiver gehouden te worden; met dien verstande, dat men om deze zaak in geen geval de excommunicatie zal toepassen op lidmaten, op wie overigens de kerkenraad de inhoud van het formulier van de ban niet toepasselijk acht.

(Utrecht 1905, bijlage 2, blz. 95-96; art. 14)

 

Feitelijke onttrekking

Schrapping van leden, die elders gaan kerken, is geheel onaannemelijk, omdat zulk schrappen voor geen gereformeerd tuchtmiddel kan gelden. Wel is het op zichzelf denkbaar, dat iemand zonder uitdrukkelijke verklaring, maar toch feitelijk zich onttrekt aan de gemeenschap van de kerk, waartoe hij behoort, b.v. door naar een ander kerkgenootschap over te gaan. In zulk een geval, zelfs al verklaarde de betrokken persoon, tegelijk lid te willen blijven van de Gereformeerde Kerk of al zond hij geen uitdrukkelijke verklaring, dat hij ophield lid van de Gereformeerde Kerkte zijn, kan de kerkenraad hem niet langer als lidmaat van de Gereformeerde Kerk beschouwen, aangezien men niet tegelijk lid van twee kerken kan zijn.
Evenzo zou een dergelijk geval zich kunnen voordoen, wanneer iemand niet alleen bij voortduring bij de predikanten van een ander kerkgenootschap kerkte, zijn kinderen bij hen ter catechisatie zond, en daar de sacramenten gebruikte, maar ook hardnekkig weigerde de ambtsdragers van zijn kerk te ontvangen of naar vermaning van de kerkenraad te luisteren en daarmee toonde feitelijk alle gemeenschap met zijn kerk verbroken te hebben. Afsnijding door tuchtoefening zou in zulk geval een schijnvertoning zijn, want men kan iemand niet afsnijden die zich zelf feitelijk reeds van de gemeenschap van de kerk afgesneden heeft.
In gevallen, waarin de betrokken persoon, trots zijn onkerkelijke wandel, nog wel naar de kerkenraad luisteren wil, zelfs bereid is eventueel voor de kerkenraad te verschijnen, ja appèl zou willen aantekenen bij de classis tegen het kerkenraadsbesluit, waardoor hij verklaard werd geen lid van de kerk meer te zijn, kan van een feitelijke afscheiding van de kerk, die de kerkenraad dan alleen zou te constateren hebben, geen sprake zijn.

(’s-Gravenhage 1914, art. 140, bijlage 99)

 

Voorgaand vermaan

Wanneer de kerkenraad de inhoud van het formulier van de ban niet op bedoelde personen toepasselijk acht, kan hem alleen worden aangeraden, met vermaning van deze personen voort te gaan en hen desnoods van het avondmaal af te houden.

(’s-Gravenhage, 1914, art, 140)

 

De synode spreekt uit, dat de besluiten van Middelburg 1896 (art. 93) en Utrecht 1905 (art. 14, eerste en laatste alinea), nader toegelicht door besluit en advies van de synode van ’s-Gravenhage 1914 (art. 14, bijl. 99) aldus moeten worden verstaan:
dat men lidmaten die elders kerken maar zich niet met uitdrukkelijke verklaring afscheiden, noch dit zelfs willen, herhaaldelijk en met lankmoedigheid zal vermanen en eindelijk op hen, bij volharding in hun ongehoorzaamheid de wettige kerkelijke censuur zal toepassen;
welke te verstaan is in die zin, dat ten laatste voortgeschreden wordt tot excommunicatie met het formulier van de ban;
maar dat in geval, als enkel geldt, uit gebrek aan kerkelijk besef kerken bij gereformeerde predikers buiten onze kerken, wel met grote lankmoedigheid en geduld vermaand zal worden, en als zij niet naar deze vermaning luisteren, het avondmaal ontzegd wordt;
maar dat niet tot de uiterste trap van de excommunicatie zal worden overgegaan, zolang het formulier van de ban niet toepasselijk geacht wordt.
Kerken, die deze regel verwerpen, moeten met grote lankmoedigheid en geduld vermaand worden om zich te houden aan hetgeen zich met gemeen akkoord is vastgesteld.

(Middelburg 1933, art. 230)

 

De synode is van oordeel dat de generale synode van Middelburg 1933 in artikel 230 van haar acta geenszins heeft willen teniet doen de uitspraak van de generale synode van ’s-Gravenhage 1914 dat `als iemand bij voortduring bij predikanten van een andere kerkgemeenschap kerkt, daar zijn kinderen ter catechisatie zendt, de sacramenten gebruikt, weigert de ambtsdragers te ontvangen of naar de vermaning van de kerkenraad te luisteren, daarmee feitelijk alle gemeenschap met de kerk is verbroken'. Wanneer een kerkenraad voor de behandeling van zulke personen als regeling vaststelt, dat zulke leden nogmaals schriftelijk ernstig worden vermaand en dat hun daarbij wordt meegedeeld, dat, indien zij naar deze vermaning niet luisteren, aan de gemeente zal worden bekend gemaakt, dat zij zelf feitelijk en metterdaad de gemeenschap met de kerk verbroken hebben, is die door hen gevolgde gedragslijn niet in strijd met het besluit van de generale synode van Middelburg voornoemd.

(Amsterdam 1936, art. 39)

 

Onmondige kinderen van wie zich onttrekt of is geëxcommuniceerd

Op de vraag, of onmondige kinderen van hen, die zich aan de gemeente onttrekken, en die van geëxcommuniceerden nog beschouwd moeten worden als tot de gemeente te behoren, spreekt de synode uit:
a. dat deze vraag zó algemeen gesteld is, dat zij aanleiding geeft tot allerlei nieuwe vragen, die elk voor zich weer beantwoording zouden eisen; en
b. dat voor zover op deze vraag in het algemeen een antwoord gegeven kan worden, dit antwoord bevestigend moet luiden.

(Utrecht 1905, art. 34)

 

Rapport deputaten huwelijk en echtscheiding

Besluit 4a:
uit te spreken dat wanneer een lid van de gemeente ten gevolge van zijn gedrag op het terrein van huwelijk en echtscheiding in opspraak is gekomen, de kerkenraad gerechtigd is in een publieke mededeling aan de gemeente helderheid te verschaffen omtrent zijn oordeel over dat gedrag. Dit oordeel wordt niet eerder gegeven dan nadat met de betrokkene hierover is gesproken en zo mogelijk met zijn instemming. Wanneer die instemming niet wordt verkregen, is voorafgaande instemming van de classis vereist. Deze maatregel laat onverlet de plicht van de kerkenraad om zonodig tucht over de zondaar te oefenen.

Gronden:
1. in de praktijk van de uitoefening van opzicht en tucht door de kerkenraden kan het wenselijk zijn om de gemeente al in bepaalde opzichten te informeren, terwijl het stadium van de tucht waarin de gemeente officieel wordt ingeschakeld nog niet aan de orde is. Ook doen zich situaties voor die wel af te keuren zijn in het licht van Gods wil maar niet leiden tot afhouding van het avondmaal of publieke censuur. De kerkenraad acht ze wel miserabel maar niet censurabel. Gedacht kan worden aan situaties, waarin sprake is van zonde die - voor zover te beoordelen - niet voortkomt uit bewust verzet tegen God en zijn Woord.
Er kan bijvoorbeeld sprake zijn van
a. zwakte van geloof of christelijke overtuiging;
b. onmacht om het goede in praktijk te brengen of vol te houden;
c. te goeder trouw uit Gods Woord gewonnen ander inzicht dat toch als dwaling gezien moet worden;
d. gebrek aan vrijmoedigheid tot verdergaand handelen door de kerkenraad vanwege algehele zwakte in de levensstijl binnen de gemeente en de daardoor opkomende risico’s van schijnheiligheid en meten met twee maten;
2. voor het voorkomen van zulke situaties hebben de kerken altijd oog gehad. Zo sprak de Generale Synode van ’s Gravenhage 1914 onder meer uit ‘… dat onze Gereformeerde Kerken steeds hebben geoordeeld, dat naar het voorbeeld van de Apostolische Kerk tolerantie kan worden geoefend jegens broeders, die ter goeder trouw in eenig stuk der leer dwalen, mits dit niet eenig fundamenteel stuk der waarheid raakt, de dwalenden bereid zijn zich beter te laten onderrichten, en beloven voor dit gevoelen geen propaganda te maken …’;
3. de Schrift laat zien dat er behalve de censuur zoals die tot nu toe in de kerkorde is beschreven, in uiteenlopende situaties ook andere vormen van bestraffing mogelijk zijn (Gal. 2:11; 1 Tim. 5:20). Ook de bestaande censuurweg moet gezien worden als een eigen invulling door de kerken van schriftuurlijke aanwijzingen (Mat. 18:17; 2 Kor. 2:6) en is aan die aanwijzingen niet volledig gelijk. Op dezelfde wijze kunnen de kerken indien nodig ook verder werken in de lijn van zulke andere vormen van bestraffing;
4. onderzoek door deputaten huwelijk en echtscheiding heeft duidelijk gemaakt dat juist in de omgang met situaties van echtscheiding en hertrouwen de geschetste situaties vaak voorkomen en dat als gevolg daarvan bij veel kerkenraden verlegenheid bestaat met betrekking tot het toepassen van het instrument van de kerkelijke censuur. Een risico daarvan is dat de zonde al meer onbestraft blijft en getolereerd wordt. Het is wenselijk dat een kerkenraad juist wanneer hij reden heeft om geen censuur te oefenen toch middelen tot zijn beschikking heeft om dat risico te keren, en de stijl van Christus’ koninkrijk inzake huwelijk, scheiding en hertrouwen binnen de gemeente hoog te houden;
5. de gemeente moet enige toelichting ontvangen om te kunnen begrijpen dat het eventueel niet oefenen van tucht of nog niet oefenen van publieke tucht in bepaalde situaties, samen gaat met het blijven hoog houden van het Woord van God. In het belang van de betrokkenen moet deze toelichting zo ingetogen zijn als maar mogelijk is. De kerkenraad dient zijn fijngevoeligheid op dit punt te scherpen door indien mogelijk overleg te hebben met de betrokkenen;
6. al hebben de kerkenraden principieel gezien momenteel de mogelijkheid die in de aanvulling verwoord is ook al en brengen zij dit soms ook in praktijk, toch is het ter wille van de juridische status van deze handelwijze waarbij de naam en het handelen van gemeenteleden publiek genoemd kunnen worden, wenselijk dat de kerken dit officieel uitspreken;
7. het is beter om hangende een algemene herziening geen wijzigingen en toevoegingen in de bestaande kerkorde aan te brengen. Ook bij andere aan deze synode voorgelegde voorstellen tot wijziging (KO art. 36, 41, 70) is voor deze beleidslijn gekozen.

(Amersfoort 2005, art. 57)