Bouma, H. (1983v) Art. 49

Artikel 49

Deputaten van meerdere vergaderingen

Elke meerdere vergadering zal voor de uitvoering van haar opdrachten deputaten benoemen. Zoveel mogelijk zullen voor onderscheiden zaken afzonderlijke groepen deputaten aangesteld worden.
De particuliere synode zal bovendien deputaten benoemen die de classes moeten bijstaan in alle gevallen waarbij de kerkorde dit voorschrijft, en − op verzoek van de classes − bij bijzondere moeilijkheden. Ook zullen zij, of enkele van hen, toezicht houden op het peremptoir examen van de aanstaande predikanten.
De deputaten zullen nauwkeurig aantekening houden van hun werkzaamheden en daarvan rapport uitbrengen.
Zij zullen zich, als dit gevraagd wordt, verantwoorden.

 

Aantal deputaten bij examens

Elke particuliere synode kan zelf vaststellen het aantal deputaten, dat bij een peremptoir examen tegenwoordig zal zijn; er moeten tenminste twee deputaten aanwezig zijn.

(Utrecht 1905, art. 90; Rotterdam-Delfshaven 1964/5, art. 105d)

 

Positie van rapporterende en adviserende deputaten

De synode spreek uit:
1. dat het karakter van haar deputaatschappen moet gezien als te zijn van slechts uitvoerende aard onder gebondenheid van te zijner tijd over gedane arbeid verantwoording te doen;
2. dat benoemde deputaten bij voorkomende gevallen als de aangewezen adviseurs zijn te beschouwen, als advies gewenst wordt geacht door de preadviserende commissie en
3. dat geen belangrijke kritiek op de arbeid van deputaten behoort te worden uitgebracht alvorens deputaten in de gelegenheid zijn gesteld eventueel gelaakte handelingen in de vergadering van de preadviserende commissie toe te lichten.

(Sneek 1939, art. 200)

 

Benoembaar als deputaat

De synode overweegt, dat het ambt van ouderling en diaken en het ambt van de gelovigen in het leven en de arbeid van de kerken zoveel mogelijk tot zijn recht dient te komen.
Zij spreekt met nadruk uit, dat de kerkelijke vergaderingen, indien benoemingen aan de orde zijn, daarmee rekening behoren te houden, waarbij uiteraard acht moet gegeven worden op de bekwaamheid van de te benoemen broeders en de bepalingen van de kerkorde.

(Enschede 1945, art. 64)