Rutgers, F.L. (1921) 51

51. Welke preeken mogen er gelezen worden en hoe behoort het voorlezen in de kerk of het voorgaan bij leesdiensten geregeld te worden?

 

(1892.)

81. Ge schrijft mij, dat in de Classe X de vraag gesteld is „Is in de Geref. kerk alleen het lezen van kerkelijk goedgekeurde

|194|

preeken geoorloofd, of mogen ook preeken van hedendaagsche schrijvers worden gelezen?” En ge vraagt daarover mijn gevoelen. De kerk, die deze vraag stelde, grondt zich daarbij zonder twijfel op de bepaling van art. 55 der Geref. Kerkenordening. Evenwel in de opvatting en toepassing van dit artikel begaat zij twee vergissingen

1º Onderstelt zij, dat in de 16e, 17e en 18e eeuw alle preeken, die door Geref. Dienaren des Woords hier te lande werden uitgegeven, ook met kerkelijke goedkeuring in het licht kwamen. En dit is volstrekt niet het geval geweest. Ik heb preeken en stichtelijke overdenkingen van de beste onzer oude schrijvers, die zonder kerkelijke goedkeuring verschenen zijn. B.v. van Gijsbertus Voetius, Bernard Smytegelt, Godefridus Udeman, Alexander Comrie, enz.; alle bekende en beroemde namen van zeer onverdachte Geref. schrijvers. En nu zal toch wel niet de bedoeling zijn van de vragende kerk, die allen uit te sluiten, of wel enkel de door hen uitgegeven geschriften, waarop die kerkelijke goedkeuring staat, te gebruiken.

2º De vraag onderstelt ook, dat die kerkelijke goedkeuring in vroeger eeuwen altijd met juistheid verleend of geweigerd is. En ook dit is volstrekt niet het geval geweest. Er zijn preeken en stichtelijke geschriften uit de 17e en 18e eeuw, die van kerkelijke goedkeuring voorzien zijn, en die toch later gebleken zijn kettersche beginselen te verspreiden; terwijl geschriften van zeer rechtzinnige schrijvers, en zeer gezond in de leer, toch soms geen kerkelijke goedkeuring konden erlangen. Soms was dit een en ander het gevolg van kerkelijke partijschap in de Classen. Maar ook vaak was het het gevolg van minder nauwkeurig onderzoek of van niet genoegzame kennis of scherpzinnigheid bij de onderzoekers. Boeken keuren is een zeer moeielijk werk, dat lang niet aan ieder is toevertrouwd; vooral niet wanneer soms pas opkomende ketterijen daarin voorkomen. Er zijn dus zeer zeker stichtelijke werken aan welke de kerkelijke goedkeuring geweigerd is, en die toch zeer goed door een kerkeraad kunnen aanbevolen en gebruikt worden. En omgekeerd zijn er kerkelijk goedgekeurde, wier gebruik en aanbeveling zeker niet geoorloofd is.

Voorts heeft de vraag eigenlijk alleen beteekenis en zin, wanneer

|195|

de weg tot kerkelijke goedkeuring nog steeds openstaat. Anders toch zouden altijd vanzelf uitgesloten zijn de preeken die juist op onzen tijd en op onze omstandigheden het beste passen. Indien niets gebruikt mag worden dan ’t geen kerkelijk goedgekeurd is, dan moet ook de gelegenheid tot zulke goedkeuring steeds openstaan. Dit nu is reeds sedert omtrent 100 jaren niet meer het geval. En wat meer is, het kan ook niet meer ingevoerd worden. Thans nu er honderdmaal meer gedrukt wordt dan in vorige eeuwen, en daaronder tientallen couranten en weekbladen, die niet op een onderzoek kunnen wachten; — nu er onmogelijk een genoegzaam aantal bekwame personen zouden te vinden zijn, die tijd genoeg hebben, alle boeken enz. aan een voorafgaand onderzoek te onderwerpen; — en nu er ook geene Overheid meer is, die boeken censureert en dus maakt, dat kerkelijk afgekeurde werken ook niet zoo gemakkelijk verschijnen kunnen, — thans is, door de veranderde omstandigheden, de uitvoering van art. 55 der K.O. eenvoudig onmogelijk geworden; en in die feitelijke afschaffing hebben we eenvoudig te berusten, evenals in de feitelijke afschaffing van enkele andere bepalingen der K.O., die, door de veranderde omstandigheden, niet meer zijn op te volgen. En we behoeven dat ook geenszins te betreuren. De boekencensuur volgens art. 55 der K.O., heeft altijd meer kwaad dan goed gedaan; de uitgave van schadelijke geschriften is er geenszins door gekeerd, en integendeel is de uitgave van rechtzinnige geschriften er soms door belemmerd. Dan alleen zou het artikel goed kunnen werken, wanneer het geheele land gereformeerd was, en wanneer er een paar dozijn zeer bekwame godgeleerden waren, die het grootste deel van hun tijd aan boekencensuur konden wijden, en wanneer voorts de Overheid wilde zorgen, dat geene andere dan goedgekeurde boeken gedrukt en verspreid werden. En ook dan nog (de ondervinding heeft het aan de Roomsche kerk geleerd), ook dan nog weten afwijkende boeken hun weg toch wel te vinden, en worden juist te meer verkocht en gelezen, naarmate zij sterker worden tegengegaan en onderdrukt.

Hieruit volgt nu echter niet, dat een kerkeraad maar alle mogelijke gedrukte preeken mag laten lezen. Het moeten natuurlijk preeken zijn van een Geref. Dienaar des Woords, als zoodanig

|196|

bij onze kerken bekend en erkend. En voorts moet de kerkeraad door informatie bij hem bekende en betrouwbare menschen zich vergewissen, dat de bedoelde preeken ook gezond in de leer zijn; van een aantal schrijvers kan de kerkeraad zelf, op het hooren van hun naam, zulks wel vertrouwen; en omtrent anderen kan zij er naar vernemen. Als het preeken zijn van Dienaren des Woords, die de kerkeraad bij gelegenheid in persoon wel op den kansel zou toelaten, kan hij aan hun schriftelijk woord diezelfde toelating ook wel geven. Een aparte keur is dan daarvoor wel niet noodig. — Altijd blijft zoo de kerkeraad verantwoordelijk voor de zuiverheid van de predikatie, die gelezen wordt.

 

(1898.)

82. In zake het voorlezen in de kerk, zie ik er geenerlei bezwaar tegen, dit door den theologischen student A te laten geschieden; evenals dit hier ook langen tijd in eene der kerken door een van onze studenten geschied is.

 

(1898.)

83. Tijd ontbreekt mij om u uit de Heilige Schrift, de Confessie en de Kerkenordening een uiteenzetting te geven van de diensten van ouderling en diaken in onze Geref. kerken. Maar dit is voor het door u genoemde geval ook niet noodig. Het aanwijzen van de predikatiën, die bij de samenkomsten der gemeente zullen worden voorgelezen, hoort natuurlijk tot den dienst der ouderlingen; evenals b.v. het collecteeren voor de diakonie bij die samenkomsten tot den dienst der diakenen behoort. Dat collecteeren is geen dienst van ouderlingen; evenmin als het aanwijzen van predikatiën dienst van diakenen is. In. het een en het ander kan slechts eenige wijziging komen, als er b.v. in een kerkeraad geen ouderling, of geen diaken, of slechts één tijdelijk zou zijn, (b.v. door overlijden van den anderen); want, aangezien in kleine gemeenten de ouderlingen ook wel hulpdienst doen als diakenen, en omgekeerd, (volgens art.

|197|

38b, Kerkenordening) zouden alsdan de diensten van den een ook wel door den ander zijn waar te nemen. In zulke kleine gemeenten handelen zij gemeenschappelijk als kerkeraad; maar toch altijd met dien verstande, dat voor zaken van leer, opzicht, regeering en tucht, het overwicht bij de ouderlingen is, die daarvan ook afdoen wat zij kunnen, en desgelijks voor zaken van barmhartigheid bij de diakenen.

Ik begrijp echter niet, hoe er over het aanwijzen van predikatiën strijd kan komen. Zijn de aangewezene dan niet naar ieders zin? En waarom niet? Laat de ouderlingen er dan met de kerkvisitatoren eens over spreken.

 

(1901.)

84. De vraag, of men bij het voorlezen van de Tien Geboden er, al of niet, telkens zal bijzeggen: „Het eerste Gebod” enz., is inderdaad van te weinig belang, om er strijd over te maken. Hier in Amsterdam zeggen de meeste ouderlingen, die voorlezen, die opschriften er niet bij. Maar er zijn er ook, die het wèl doen. En in de gemeente is er nog nooit iemand geweest, die aan het een of aan het ander aanstoot heeft genomen. Indien men eenparigheid wil, is natuurlijk de eenige wettige weg, dat de kerkeraad, bij meerderheid van stemmen, bepale, hoe er te dien aanzien bij de openbare diensten zal gehandeld worden; en daaraan moet dan natuurlijk ieder zich houden; waartegen ook wel bij niemand conscientiebezwaar kan bestaan. Als ikzelf in zulk een vergadering stemmen moest, zou ik mij eenvoudig bij de meerderheid voegen, omdat ik voor het een of voor het ander inderdaad geen bijzondere voorkeur heb.

 

(1908.)

85. Wanneer in de samenkomst der gemeente, bij ontstentenis van een Dienaar des Woords, eene predikatie wordt voorgelezen, dan behoort dit preek-lezen op zichzelf nog niet tot den dienst

|198|

of het ambt van ouderling; ’t geen ook algemeen erkend wordt, doordat het nergens aan alle ouderlingen bij toerbeurt wordt opgedragen; gelijk toch zou moeten geschieden, indien het inderdaad tot hun ambt behoorde.

Daartoe zou het zeker ook niet kunnen gebracht worden, omdat lang niet ieder ouderling de gave heeft, in het openbaar een preek goed voor te lezen. Dit is waarlijk geen gemakkelijk werk; ik ken zelfs wel predikanten, die hunne eigene preeken goed kunnen voordragen en uitspreken, en die toch de gave niet hebben, om een gedrukte preek in het midden der gemeente goed voor te lezen, zooals soms blijkt, wanneer zij in eene groote vergadering een gedrukt rapport, of iets dergelijks, moeten voorlezen.

Daarom is bij de keuze van een preek-lezer altijd de hoofdzaak, dat de kerkeraad uitzie naar personen, die eene preek zóó weten voor te lezen, dat de gemeente het goed kan verstaan en volgen, en dat zij door den toon van het voorlezen zelven den inhoud des te beter begrijpt, zoodat zij er inderdaad de meeste stichting van heeft. En daarbij is dan van minder beteekenis, of die preek-lezer tevens ouderling is, dan wel een gewoon gemeentelid. In den regel zal wel de keuze vallen op een ouderling, wanneer onder de ouderlingen iemand is, die de genoemde gave heeft. Maar de kerkeraad is daar toch niet toe verbonden. Als hij oordeelt, dat er een bereidwillig gemeentelid is, wiens voorlezen het meest de stichting zal bevorderen, dan kieze hij zulk een gemeentelid. Een kerkelijken „dienst” of „ambt” krijgt zulk een gemeentelid daardoor dan echter niet; evenmin als een organist of voorzanger zulks heeft.

Natuurlijk moet dan toch altijd de kerkeraad de geheele godsdienstoefening leiden, de te lezen preeken, met advies van predikant of consulent, uitkiezen en aanwijzen, en aan den preek-lezer zijne instructies geven. Het kan ook voorkomen, dat de kerkeraad dan liever door een der ouderlingen de samenkomst met gebed laat beginnen en eindigen. Maar dat behoeft niet; en het zou vaak ook niet stichtelijk of raadzaam zijn. In kleine gemeenten zal de preeklezer van den geestelijken toestand der gemeente ook zeker wel genoegzaam op de hoogte zijn.

Wat nu op het oogenblik voor X raadzaam is, met betrekking

|199|

tot het preek lezen door dengene, die het dusver deed, of door een der ouderlingen, kan ik natuurlijk niet beoordeelen, daar ik de personen en omstandigheden niet ken. Mijn gevoelen kan ik u daarvoor in het bovenstaande slechts in het algemeen geven.

 

(1915.)

86. Over het „voorlezen” in de kerken behoeft geen moeielijkheid te ontstaan. Broeder A heeft zeker allerzonderlingst gehandeld, door te weigeren verder nog voor te lezen, toen de kerkeraad in eene zaak, die hiermede volstrekt niets te maken had, een besluit had genomen, waarmede hij het niet eens was. Maar voor het overige heeft hij toch geen ongelijk, wanneer hij zegt, dat iemand, die tot ouderling benoemd is, daarmede nog niet benoemd is tot voorlezer. Een kerkeraad is natuurlijk vrij om het voorlezen ook aan een ouderling op te dragen, wanneer deze hiertoe geschikt en ook bereidwillig is; maar het behoort niet tot het ambt van een ouderling als zoodanig; en een kerkeraad kan het evengoed aan een lid der gemeente, die er bizondere gaven voor heeft, opdragen. Het feit, dat iemand er minder geschikt voor is, of dat hij er andere bezwaren tegen heeft, kan niet leiden tot de conclusie, dat hij ook niet geschikt is voor het ouderlingschap.

 

(1916.)

87. In het algemeen kan ik slechts zeggen, dat het „preeklezen” altijd geschiedt op gezag van den kerkeraad en onder diens verantwoordelijkheid, zoodat ook de keuze van den lezer en de keuze van de te lezen predikatiën bij den kerkeraad staat; waarbij deze die keuze dan natuurlijk tijdelijk zal opdragen aan één kerkeraadslid (predikant, als deze er is, of ouderling) of aan eene commissie van opzieners. En voorts zou ik het in den regel altijd geraden achten, om, wanneer er tweeërlei strooming in de gemeente is, die geen van beide ongereformeerd zijn te achten, bij de keuze der te lezen preeken daarmede rekening te houden, en dus oude

|200|

schrijvers niet altijd en in alle geval uit te sluiten. Maar hoe ge te dien aanzien te Y tot een bevredigend accoord zoudt kunnen komen, kan ik door onbekendheid met personen en toestanden niet beoordeelen. In elk geval zal dat moeilijk zijn, wanneer geen wederzijdsch vertrouwen te verkrijgen is.