Bouwman, H. (1934) § 97

Hoofdstuk V. Het Huwelijk.

 

§ 97. De huwelijkssluiting.

Het huwelijk is een heerlijke instelling Gods. Wij lezen in de H. Schrift, dat, toen God de Heere Zijne schepping overzag, fonkelend van den glans der jonge schoonheid, Hij ook den mensch aanschouwde, en zag, dat deze een nadere voltooiing behoefde. De Heere sprak: „Het is niet goed, dat de mensch alleen zij; Ik zal hem eene hulpe maken, die als tegen hem over zij.” De Heere zag, dat de man

|512|

slechts in gemeenschap met de vrouw zijne roeping kon vervullen. De man had eene hulpe noodig, die hem in wezen gelijk was, en in wier leven een variatie van zijn eigen leven openbaar werd.

Dat spreken Gods was een ordineeren, een bepalen, dat de mensch een sociaal, gezellig wezen zou zijn. Adam moest een meevoelende, meelevende ziel naast zich hebben, opdat hij zich aan haar kon geven, opdat hij eene volle persoonlijkheid zou zijn, en ten volle aan zijne bestemming zou kunnen beantwoorden. En de vrouw zou zijne hulpe zijn, een aanvulling, een steun, die zijn leven zou verkwikken, en hem voor den arbeid zou stalen. Als hulp voor Adam is Eva hulp des Heeren voor de volmaking van hem, voor de verwezenlijking zijner levensroeping.

De mensch is dus aangelegd op het huwelijk. In Zijn aanbiddelijke wijsheid en goedheid heeft de Heere man en vrouw geschapen, opdat uit hen een menschelijk geslacht zou worden geboren, en opdat zij, verschillend van aanleg en gaven, elkander zouden helpen in des levens roeping en elkanders leven zouden vervullen.

Hoe verheffend schoon staat deze leer der Schrift tegenover de meening van hen, die in het huwelijk niets meer zien dan een burgerlijk contract. Hoe werpen zij den goddelijken adel van ons geslacht in het slijk, die de gedachte van de vrije liefde huldigen, of die, als zij den echtelijken band te knellend vinden, door willekeurige breking een einde maken aan den echt.

Het huwelijk behoort van huis uit tot het gebied van het natuurlijke leven. Het is God, die de liefde doet ontwaken in de harten van man en vrouw, en de begeerte doet rijzen om samen den zegen der levenseenheid te genieten. Die liefde moet aanwezig zijn, vóór twee menschen de handen in elkander kunnen leggen, en elkander trouw zweren voor het leven.

Maar wijl de mensch niet alleen staat, niet los van de gemeenschap, wijl twee menschen door hun huwelijk een eigen kring vormen in de gemeenschap, en het huwelijk rechten en verplichtingen met zich brengt, is het noodig, dat het samenleven van man en vrouw zijn sanctie ontvangt in den kring der familie, en in de burgerlijke maatschappij.

Het huwelijk is allereerst een zaak der familie, van bruidegom en bruid en hunne wederzijdsche familie. Toen er nog geen overheid was, die regelend optrad in breederen kring, had het familiehoofd de leiding, en werd het huwelijk in den kring der naaste betrekkingen gesloten. Later toen eene maatschappelijke orde zich vestigde, werd het noodig, dat de overheid zich met de sluiting des huwelijks bemoeide. Immers de gehuwden treden als man en vrouw op in de samenleving, en daartoe is het noodig, dat de overheid toeziet op de wettigheid der huwelijkssluiting, en de rechten en de plichten regelt. En om zich te vergewissen

|513|

van het nakomen der verplichtingen, en om van hare zijde rechten te verzekeren aan de echtelieden en ook aan de kinderen, die uit hen geboren worden, moet de overheid hare sanctie verleenen aan het sluiten van het huwelijk.

Onder het Oude Testament werd noch de overheid noch de kerk in de huwelijkssluiting gemoeid. Het huwelijk kwam in beginsel tot stand door de verloving, en deze bestond in eene formeele overeenkomst tusschen beide partijen, waarbij de verschillende vaders op den voorgrond traden (Gen. 38: 6; Deut. 7: 3; Ex. 22: 16), welke overeenkomst soms, vooral in lateren tijd, ook schriftelijk werd vastgelegd. De huwelijkssluiting werd dan voltooid door den feestelijken intocht der bruid in het huis van den bruidegom of van zijne ouders. Van eenige publieke handeling ten overstaan van het staatkundig of kerkelijk gezag was er in dit alles geen sprake.

In het klassieke Romeinsche recht geschiedde het aangaan van een huwelijk in den regel zonder een vasten vorm. Voldoende was, dat de bedoeling van partijen, elkander tot man en vrouw te nemen, afdoende bleek. De feestelijke plechtigheden gaven bewijs van het bestaan dier bedoeling. Zoo bleef het ook in lateren tijd. De oude christelijke kerk maakte wel regelen, maar deze bevatten niet meer, dan dat door enkele toestemming het huwelijk werd gesloten. De kerk stelde niet een nieuw recht van huwelijkssluiting op, maar sloot zich bij de bepalingen van het Romeinsche recht aan. Evenwel accentueerde de kerk de verloving sterker dan door het Romeinsche recht gedaan werd, en bekrachtigde de verloving door haren zegen. Het huwelijk kwam tot stand in de huizen van partijen. De plechtigheden grepen plaats in het huis van den vader der bruid. En aan den avond werd de bruid in het huis van den bruidegom ontvangen.

Later, toen de Christelijke kerk door de overheid erkend werd, werd het huwelijk nog wel gesloten in huis, maar werd het in de kerk bevestigd, en bezegeld door de viering van het avondmaal. Deze practijk was weldra zoo ingeburgerd, dat de synode van Laodicea (363) de wijding van het huwelijk in de huizen kon verbieden (Art. 58). Langzamerhand won de gedachte veld, dat eerst door de kerkelijke bevestiging het huwelijk volkomen werd. Het canonieke recht stelde vooral sedert Innocentius III (1215) wel den eisch, dat de openlijke afkondiging van het huwelijk in het openbaar, d.i. in tegenwoordigheid van getuigen, vóór, later in de kerk moest geschieden, en ook dat het door een priester moest worden ingezegend, doch niet-opvolging dezer voorschriften haalde partijen wel straffen op de hals, maar maakte het huwelijk niet ongeldig. De kerk kon het volk niet ten volle aan den goeden regel gewennen. De juristen hebben in de Middeleeuwen zich af getobd met

|514|

de in het geheim gesloten, verboden en toch niet nietige huwelijken. Eerst het concilie van Trente stelde een vasten regel, door te besluiten, dat alleen die huwelijken geldig waren, die in tegenwoordigheid van den priester, van partijen en van twee getuigen voltrokken waren.

De Roomsche kerk leert, dat het huwelijk onder christenen een waar sacrament is, en dat het aan de gehuwden genade mededeelt. Zij beroept zich in het bijzonder op Efeze 5: 32, waar in de Roomsche vertaling staat: „Dit sacrament is groot”. Zij leert, dat het huwelijk slechts dan een ware en werkelijke afbeelding der vereeniging van Christus met de kerk is, wanneer zij evenals deze door de genade bemiddeld, en met de bovennatuurlijke genade verbonden is.

Deze voorstelling van Rome is echter niet juist. In het Grieksch staat: „Dit mysterium is groot”, hetgeen door onze vertaling juist weergegeven is met: „Deze verborgenheid is groot”, d.w.z. niet het huwelijk, maar het symbool, dat in het huwelijk voor den band tusschen Christus en de gemeente ligt. De gemeenschap tusschen man en vrouw is voor den apostel een afdruk, een type van de gemeenschap tusschen Christus en de gemeente. De apostel weidt over de huwelijksvereeniging in vers 32 niet verder uit, maar handelt over de eenheid tusschen Christus en de gemeente. Maar is het huwelijk beeld van de teedere en heilige gemeenschap tusschen Christus en de gemeente, dan moet — zoo zegt de apostel in vers 33 — de man zijn eigen vrouw liefhebben als zichzelven, en in zijn huwelijk iets vertoonen van de liefde van Christus tot zijne gemeente. Daaruit blijkt, dat de poging van Rome, om aan het huwelijk een sacramenteel karakter toe te kennen, mislukt is. Het sacrament ziet op de genade door Christus aan het kruis verworven, en hiermede heeft het huwelijk, dat niet op het terrein der genade, maar op dat der natuur ligt, niets uitstaande.

Het huwelijk is door den Schepper ingesteld, opdat man en vrouw elkanders leven zouden verrijken, elkander zouden steunen in alle dingen, die tot het tijdelijke en het eeuwige leven behooren, en opdat uit hen een menschelijk geslacht zou worden gebouwd. Daaruit volgt, dat het huwelijk niet alleen in den kring der familie wordt gesloten, maar dat het ook in de burgerlijke maatschappij zijn sanctie ontvangt en in de kerkelijke gemeenschap wordt bevestigd.

De Hervormers zagen zeer juist in, dat het huwelijk niet is een sacrament, maar dat het allereerst behoort tot het gebied van het natuurlijke leven. Maar zij hebben ook in het licht gesteld, dat natuur en genade geen tegenstellingen zijn, maar dat zij met elkander gepaard gaan tot de verheerlijking Gods. Zoo is ook het huwelijk en de genade geen tegenstelling. De mensch heeft van God ontvangen lichaam en ziel, die in harmonische saamhoorigheid dienstbaar moeten worden gesteld

|515|

tot het doel, waartoe God ze heeft geschapen. En wijl man en vrouw, verschillend geformeerd naar lichaam en ziel, anders aangelegd naar hunne gaven, krachten en bestemming, in het huwelijk elkander zouden aanvullen en steunen, is het noodig, dat het huwelijk zoo wordt gesloten, dat hunne samenleving kan beantwoorden aan de rechten en plichten, die het huwelijksleven van hen vraagt, en dat de wederzijdsche rechten als echtelieden worden verzekerd.

De kerken der Reformatie volgden in den eersten tijd in hoofdzaak den regel, door het canonische recht gesteld. De oude bepalingen behielden gedeeltelijk kracht en werking, en de vermenging van staat en kerk was hierin zichtbaar. Evenwel werd reeds in de kerkorde van Genève door Calvijn vastgelegd, dat het huwelijk een zijde heeft, die bij de overheid behoort, en een zijde die de kerk raakt. De kerk moet de overheid voorlichtend en adviseerend terzijde staan. In ons land bemoeide de overheid zich aanvankelijk met de echtverbintenis in het geheel niet. Zij liet alles over aan het particuliere volksgebruik en de kerkelijke bemoeienis. Een register van den burgerlijken stand, gelijk wij dat hebben, was er niet. De kerk hield het bevolkingsregister bij. De predikant was zoo ongeveer de gedelegeerde van de overheid. Alleen wanneer de personen niet tot de kerk behoorden, trad de overheid handelend op. Evenwel, wijl zich allerlei moeilijkheden voordeden, en de overheid zich niet veel bemoeide met huwelijkszaken, achtte de kerk het noodig, reeds op de synode van 1574 (grav. 24) en 1578 (art. 14) aan de overheid te verzoeken orde op zaken te stellen. Dat de kerken wel duidelijk gevoelden, dat de overheid in de zaken van het huwelijk een roeping had te vervullen, die veelal door onbevoegden verricht werd of die soms geheel werd verwaarloosd, blijkt uit het besluit der Dordtsche synode 1): „Welke Hoogmogenden ook verzocht zullen worden, dat zij gelieven door hun gezag te doen stellen en publiceeren een huwelijksordinantie, in dewelke over de voornaamste en zwaarste huwelijkskwesties iets zekers gesteld worde, en die eenparig door de geünieerde Provinciën moge onderhouden worden”.

Reeds vroeger had de overheid in sommige deelen van ons land het vraagstuk ter hand genomen. Het eerst deden dit baljuw en mannen van Rijnland (1576), welke bepaalden, dat degenen, die in het huwelijk wilden treden, met ouders, naaste vrienden en voogden voor daartoe gecommitteerde mannen zullen verschijnen en daar geboden of afkondigingen zullen verzoeken. Acht dagen na de laatste afkondiging zullen zij zich of in de kerk laten trouwen of verschijnen voor baljuw en mannen van Rijnland, en daar vragen, dat „heurlieder trouwe voor


1) Postacta, Sess. 162, Art. 5.

|516|

wettig verklaard wordt”. Spoedig daarop volgde de ordinantie voor geheel Holland, waarin bevolen werd, dat partijen voor de overheid moesten verschijnen om de geboden te verzoeken en daarna te huwen of in de kerk of voor den magistraat. Huwelijken, in strijd hiermee gesloten, zouden voor „nul en onwaarde” gehouden worden. Dit voorbeeld van Holland werd door de overige provinciën, min of meer volledig, vroeger of later gevolgd 1). Eerst onder den invloed van de Fransche constitutie van 1791, uit de Revolutie geboren, werd in ons land bij de wet van 7 Mei 1795 het burgerlijk huwelijk verplicht gesteld. Op grond van het thans geldend recht wordt het huwelijk in het openbaar voltrokken in het huis der gemeente, „ten overstaan van den ambtenaar van den burgerlijken stand der woonplaats van eene der beide partijen, en in tegenwoordigheid van vier getuigen, hetzij nabestaanden of vreemden, meerderjarig zijnde, en binnen het koningrijk gevestigd” (Art. 131, B.W.). Eerst na de voltrekking van het burgerlijk huwelijk mag het huwelijk kerkelijk worden bevestigd.

De overheid heeft als dienaresse Gods, tot handhaving van de orde in de samenleving, hiertoe de bevoegdheid en de roeping. De gehuwden treden als man en vrouw op in de samenleving, en daartoe is het noodig, dat de overheid toeziet op de wettigheid der huwelijkssluiting, en de rechten en de plichten regelt.

In de Vereenigde Staten van Noord-Amerika, Engeland en andere landen hebben de kerkedienaren van de overheid het recht ontvangen om de huwelijken te sluiten, maar in ons land heeft de overheid aan zich zelve dit recht voorbehouden. Zij eischt, dat het huwelijk in het openbaar geschiede, als een waarborg tegen geheime huwelijken. Eveneens is de tegenwoordigheid van getuigen noodig om misbruiken te voorkomen. En wanneer de voltrekking van het huwelijk voor de overheid is geschied, gelden de jonggehuwden als wettig getrouwd.


1) Fockema Andreae, Bijdragen tot de Nederl. Rechtsgeschiedenis I. 65.