Bouwman, H. (1934) § 92

§ 92. Bejaardendoop en avondmaal.

„De bejaarden worden door den Doop de Christelijke Gemeente ingelijfd, en voor lidmaten der Gemeente aangenomen, en zijn daarom schuldig het Avondmaal des Heeren ook te gebruiken, ’t welk zij bij hunnen Doop zullen beloven te doen”. Zoo luidt Art. 59 K.O.

Dit artikel is eerst in 1619 ingekomen in de kerkenordening. De aanleiding tot de opneming was het inzenden van gravamina van Noord­en Zuid-Holland en Utrecht, waar moeilijkheid was ontstaan over de vraag of degenen, die als volwassenen gedoopt werden, daardoor ook verplicht moesten worden geacht ten avondmaal te gaan. Het was algemeen gewoonte geworden, dat men de kinderen beneden twaalf jaren doopte, omdat zij begrepen werden in hunne ouders. Ten opzichte van de kinderen van 12 tot 14 jaar verkeerde men in het onzekere of zij nog zonder belijdenis konden gedoopt worden. Op de Friesche synode, 1592 te Leeuwarden gehouden, werd in verband met de vraag: of men kinderen van 12,13 of 14 jaren mag doopen zonder eenige belijdenis, besloten: „dat het stichtelijck sal zijn, dat ze voer den doop aldaer recitieren Symbolum apostolorum ende dat Onse Vaeder etc.” (Art. 16); terwijl op de Friesche synode van 1591, te Dokkum gehouden, Art. 28 op de vraag, of kinderen van 12 tot 15 jaren en daaronder terstond na hun doop tot het avondmaal behooren toegelaten te worden, werd geantwoord dat het aan den dienaar en den kerkeraad wordt overgelaten om hen na belijdenis des geloofs tot het avondmaal toe te laten. Op de Zuid-Hollandsche synode kwam deze zaak ook herhaaldelijk ter sprake (1587, Art. 17; 1592, Art. 7 en 1595, Art. 34). Er waren namelijk jongelieden, die begeerden gedoopt te worden met het oog op hun huwelijk, doch die nog niet voldoende onderwezen waren, en die niet wilden beloven ten avondmaal te gaan. Met het oog op de zoodanigen spraken de kerken uit, dat men de zoodanigen zou onderwijzen dat de belijdenis, die zij bij den doop uitspraken, ook medebrengt dat zij zich ten avondmaal behooren te begeven. Indien zij echter „wt scrupuleusheyt oft andersints haer

|445|

voeralsnoch beswaert vonden ’tselve te beloven, daervan nyettemin goede hope gevende, dat men denselven evenwel den doop nyet en sal onthouden, mits naderhandt deselve in goede opsicht houdende ende totten avontmaele vermanende”. Ofschoon de Zuid-Hollandsche kerken het noodig oordeelden dat hij, die na belijdenis des geloofs gedoopt werd, ook verplicht was ten avondmaal te komen, wilden zij hen, die bezwaar hadden, tijdelijk daarvan vrijstellen. De Noord-Hollandsche kerken spraken zich op de synode van Amsterdam (1595, Art. 43) meer beslist uit „dat men niemant en sal doopen, dan die voorgaende beloften doen haer meteenen totten avontmael te begeven”. Na correspondentie met de Zuid-Hollandsche synode werd, volgens Heyngius, bl. 205, door de Noord-Hollandsche afgevaardigden ter synode van Dordrecht (1618/19) geadviseerd: „datmen geen bejaerde en behoort te doopen dan die beloven haer mette eerste gelegenheyt oock tot het gebruyck des H. Avontmaels te begeven” 1). De synode nam dit advies over, en besloot dat bij de volwassenen doop en avondmaal niet konden gescheiden worden. Daartoe werd deze verplichting opgenomen in Art. 59 van de K.O. en in de vierde doopvraag.

De synode deed dit terecht. Is de doop waarlijk teeken en zegel des verbonds, dan mag hij alleen bediend aan hen, die voor bondgenooten, voor geloovigen mogen gehouden worden. Bij kinderen geschiedt dit naar de lijn of zij in het verbond geboren zijn. Zij zijn in hunne ouders begrepen (Hand. 2: 39). Maar de volwassenen staan niet meer voor rekening van hunne ouders, zij zijn mondig en moeten zelf het kenmerk des geloofs openbaren, dat voor de bediening des doops vereischt wordt. Daarom is bij volwassenen geen doop mogelijk dan na voorafgaande geloofsbelijdenis. Op grond van belijdenis en wandel moet de kerkeraad oordeelen of zoo iemand voor een geloovige mag worden gehouden. Belijdt nu iemand wat in de doopvragen staat en is zijn wandel daarmede niet in strijd, dan mag de kerkeraad hem tot het sacrament toelaten en kan er geen objectieve reden zijn, dat hij wegblijft van het avondmaal. Christus heeft het avondmaal verordend voor al de geloovigen, tot gedachtenisviering van zijn lijden en sterven, tot sterking van hun geloof. Niet alleen de sterkgeloovigen maar ook de zwakken, allen die zich zelven vanwege hunne zonde mishagen en zich voor God verootmoedigen, allen die met hun zonde en nood tot Christus vluchten, en hope hebben op Hem, worden door Christus geroepen om tot het avondmaal te komen. Daarom mag ook de kerk geen belijdend lid vrijstellen van het gebruiken van het H. Avondmaal.

Toch is er een laksch gevoelen in onze kerken gebleven en is er


1) Kuyper, Postacta, bl. 161.

|446|

scheiding gemaakt tusschen doop en avondmaal. Niet alleen dat in de kringen der geestdrijvers, Dooperschen en Labadisten de noodzakelijkheid en de waarde van het gebruik des avondmaals niet recht werd gewaardeerd, maar ook in de Gereformeerde kerken onthielden vele belijdende leden zich van het avondmaal, omdat zij van oordeel waren, dat het avondmaal alleen is voor hen, die verzekerd zijn van hun aandeel in Christus.

Deze scheiding tusschen doop en avondmaal wordt zelfs begunstigd door Voetius. Hij stelt 1) de vraag: „Of alle volwassenen, door een voorafgaand onderzoek van geloof en leven tot den Doop toegelaten, daarmee tevens tot het Avondmaal moeten worden toegelaten, of de facto daartoe toegelaten zijn?” en antwoordde hierop ontkennend. Men mag doop en avondmaal scheiden. „Zou iemand zeggen dat dezelfde reden is voor Doop en Avondmaal en dat op den tijd dat aan een volwassene de Doop wordt bediend, hem ook het Avondmaal moet worden medegedeeld; of dat hij van beide tegelijk moet worden uitgesloten. Ik geloof, dat hem moest geantwoord worden, dat voor Doop en Avondmaal niet dezelfde reden geldt, omdat de Doop is het sacrament der inlijving, en der eerste inenting en inplanting in de gemeenschap van Christus en van de verbondsgenade, maar het Avondmaal een sacrament der bevestiging, der opvoeding en vermeerdering in dezelfde genade”. Voetius oordeelde niet alleen alzoo.

 

Op de Hollandsche synoden is er veel over gehandeld in betrekking tot de Heidenen en Mohammedanen op Java en elders 1). Gewoonlijk ging men in Oost-Indië bij de zending vroeg over tot den doop. Groote scharen vroegen soms om den doop, terwijl er te weinig arbeiders waren om hen behoorlijk te onderwijzen. Slechts nu en dan kwam in de eenzame streken een predikant. Onder zulke omstandigheden kwam men er toe om heel spoedig, zoodra men maar eenige begeerte merkte, den doop toe te dienen, om eerst na verder onderricht de gedoopte voor de viering des H. Avondmaals voor te bereiden. Men handelde zoo om de inlanders vast aan de kerk te verbinden. Zij erkenden dan zich zelf voor Christenen, stonden als Christenen onder bescherming en toezicht van de Oost-Indische Compagnie, die zich om niet-christenen niet bekommerde. Het gevaar was mede hierdoor vermeden, dat deze inlanders in de handen vielen van den Islam, of van de Roomsche missionarissen, die bijna een ieder, die zich aanbood, doopten. Bovendien, indien men niet doopte, liep men gevaar, dat  er  van  de velen, die den doop vroegen,


1) Pol. Eccl. I. 670.
2) Van Boetzelaar, De Geref. Kerken in Nederland en de Zending in O. Indië, bl. 184-229, 331-335.

|447|

niemand meer te vinden zou zijn. Uit concurrentie met Rome en den Islam, uit de begeerte om het volk voor de kerk te winnen, werd men van Gereformeerde zijde al gemakkelijker. Niemand prees deze methode aan als de beste. Men gaf toe, dat er gevaar bestond voor een schijnchristendom, maar men wilde invloed krijgen op het volk, en hoopte dat, indien een aanmerkelijk deel van het volk uiterlijk maar voor het christendom gewonnen was, men door voortgezet onderwijs en trouwe bearbeiding verder arbeiden kon tot verdieping des levens.

Deze handelwijze, in strijd met Art. 59 van de K.O. van Dordrecht, werd echter in de kerkenorde van Batavia van 1643 als wettig geijkt. Het is niet te verwonderen, dat van de zijde van de classis Walcheren in een brief van 12 Mei 1645, een protest opging tegen deze sacramentsscheiding, en dat de kerk van Batavia vermaand werd zich te houden aan den regel, dat zij die uit het heidendom tot den doop kwamen ook verplicht waren tot het avondmaal te komen. Later is over de sacramentsscheiding nog gecorrespondeerd tusschen de classis Amsterdam en den kerkeraad van Ambon. Ambon vroeg het advies der classis over de scheiding der sacramenten voor bejaarden, die uit het heidendom overkwamen. De classis antwoordde, dat men zich moest houden aan Art. 59 van de kerkenordening van Dordrecht. Hierop antwoordde Ambon’s kerkeraad weder, dat het daar onmogelijk was, bejaarden gelijkelijk tot beide sacramenten toe te laten. Lang bleef de zaak thans rusten, totdat in 1726 op de Noord- en Zuid-Hollandsche synoden deze zaak weder behandeld werd naar aanleiding van eene moeilijkheid over deze zaak te Batavia. In deze kwestie, die jaren achtereen op de kerkelijke vergaderingen behandeld werd, werd in 1732 door de synode van Noord-Holland te Enkhuizen opnieuw, in overeenstemming met het gevoelen der classis Walcheren, uitgesproken: „dat de beide Sacramenten, naar de standvastige praktijk van de kerken in Nederland, ook in de kerken van Indië niet mogen gescheiden worden”. Zuid-Holland’s synode stemde niet geheel overeen met het strenge optreden van Noord-Holland. Zij vreesde, dat de loop van het Evangelie zou worden gestuit, temeer omdat Rome de inlanders bij zwermen doopte. Na lange onderhandeling werd in 1734 een eindbeslissing genomen en eenstemmig besloten, dat de sacramentsscheiding beslist te verwerpen was. Alleen wilde men in navolging van de classis Walcheren, en in overeenstemming met het advies der Leidsche professoren, enkele uitzonderingen toestaan, mits er zorgvuldig gewaakt werd, dat deze geen aanleiding tot misbruiken geven konden. Deze uitzonderingen mochten echter alleen „inculpabele” (onschuldige) gevallen zijn als: ziekte, verre reizen om ten avondmaal te komen, gevangenisstraf, voor de medeaanzittenden hinderlijke gebreken, enz., terwijl men voorts met bezwaren voorzichtig moest zijn.

|448|

Het slot van deze geschiedenis was, dat nu het geschil in kerkelijken zin opgelost was, en dat men hier in den zoeten waan verkeerde, dat naar den wil der kerken geleefd werd, maar dat bij resolutie van den Gouverneur-Generaal van 21 Dec. 1736 de scheiding der sacramenten aan de conscientie van de leeraren werd overgelaten.

 

Onze Gereformeerde vaderen hebben zich dus niet onduidelijk uitgesproken over het verband van den bejaardendoop en het avondmaal. Doop en avondmaal mogen niet gescheiden worden. De doop vermaant en verplicht ons tot nieuwe gehoorzaamheid om den Heere aan te hangen, op Hem te vertrouwen, Hem van ganscher harte lief te hebben en te vreezen en in een godzalig leven voor Zijn aangezicht te wandelen. Doop en avondmaal mogen wel onderscheiden, maar niet gescheiden. De doop is het sacrament van de inplanting, het avondmaal het sacrament van de versterking des nieuwen levens. Maar wanneer een volwassene gedoopt wordt, dan ontvangt hij het teeken en zegel van de inplanting in Christus en van de afwassching door zijn bloed niet dan nadat hij eerst belijdenis aflegde van zijn geloof. En wat is belijdenis des geloofs anders dan belijdenis van het geloof in Christus, den eenigen weg, de waarheid en het leven; wat houdt belijdenis des geloofs anders in dan het uitspreken van den innerlijken drang om den Heere lief te hebben en gehoorzaam Hem te dienen? Naar luid van het Woord Gods behoort zoo iemand tot het volk Gods. Voor dat volk is nu door Christus het avondmaal ingesteld tot hunne sterking en tot verlevendiging van hun geloof. Juist, omdat zij zwak en zondig zijn, roept Christus al zijne geloovigen tot den H. Disch om daar van zijne verlossende genade, bewarende liefde en volstandige trouw verzekerd te worden, opdat zij mogen leven in de troost van de vergeving der zonden, in de hope des eeuwigen levens, en gemoedigd in de gemeenschap met hun Koning zouden kunnen strijden den goeden strijd des geloofs. Christus roept aan den avondmaalsdisch al de geloovigen. Niemand mag achterblijven. En zou dan iemand, die durfde uitspreken: „U, o Heere, wensch ik te dienen en te volgen”, ongehoorzaam mogen wegblijven daar, waar zijn Koning hem roept? En juist daarom hebben ook onze Gereformeerde kerken steeds uitgesproken, dat de volwassenen, die den H. Doop begeerden, ook verplicht waren te komen tot het H. Avondmaal.

Het is waar, iemand kan wel op verkeerde wijze belijdenis hebben afgelegd, zonder dat hij zich door een innigen levensband aan Christus voelde gebonden. Dit ligt echter voor zijn eigen rekening. Maar de kerk mag nimmer iemand, die belijdenis deed, en die als volwassene gedoopt werd, vrijstellen van het gebruik des avondmaals. Dat is scheiden van hetgeen God samengevoegd heeft.

|449|

Laten dat bedenken allen, die zoo gemakkelijk kunnen wegblijven van den H. Disch. Het kan zijn, dat misverstand en gebrek aan inzicht hiervan de oorzaak is, of dat gemoedsbezwaren weerhouden. De kerk rekene hiermee in de prediking en in de vermaning, maar zij arbeide voortdurend aan verheldering van het inzicht in het Verbond. Maar laten de bezwaarden toch meer zien op den Heere, dan op zich zelven. Niet zij behoeven wat te brengen aan den Heere, maar zij moeten zich laten welgevallen wat de Heere aan hen belieft te doen, en dan Hem volgen op zijn stem en komen tot den disch, waar de Meester hun geloof wil versterken. Die zich zelven behagen of lust hebben in de zonde mogen niet naderen, maar de zwakken, die de last hunner zonde drukt, het behoeftige volk, dat met zijn nood tot den Heere vlucht, het teedere kind van God, dat vol weedom over zijne zonde zich voor God moet verootmoedigen vanwege zijn innerlijke verdorvenheid, maar dat toch mag zeggen: „Bij deze dingen leeft men, en in dit alles is het leven van mijnen geest”, hij mag hooren de teedere stem van den goeden Herder: „Het gekrookte riet zal Hij niet verbreken en de rookende vlaswiek die zal Hij niet uitblusschen”, en hij zal den troost des avondmaals genieten.