Bouwman, H. (1934) § 80

Derde Afdeeling: De Kerk en de bediening van de Sacramenten en Ceremoniën.

Hoofdstuk I. De Doop.

 

§ 80. Doop en genadeverbond.

De doop is naar Gereformeerd belijden het teeken en zegel van het verbond der genade. De Nederlandsche Geloofsbelijdenis drukt zich aldus uit: „Wij gelooven en belijden, dat Jezus Christus, die het einde der wet is”, in de plaats der besnijdenis „heeft verordend het Sacrament des Doops, door hetwelk wij in de kerke Gods ontvangen en van alle andere volken en vreemde religiën afgezonderd worden, om geheellijk Hem toegeëigend te zijn, zijn merk en veldteeken dragende; en het dient ons tot een getuigenis, dat Hij in eeuwigheid onze God zijn zal, ons zijnde een genadig Vader”. De doop is het sacrament der inlijving in de kerk van Christus. Dat wil niet zeggen, dat wij door den doop eerst lid worden van de kerk en deel krijgen aan het verbond der genade. Integendeel, de kinderen der geloovigen zijn als zoodanig leden van het lichaam van Christus, en hebben deswege het recht op het teeken en het zegel des verbonds. Doch de doop is de deur, waardoor wij ingaan in de gemeenschap der zichtbare kerk, en het merkteeken der christenen, het uitwendig teeken en zegel van de aanhoorigheid aan Christus ontvangen, en daarmee ook de verplichting op ons nemen, om als degenen, die Christus toebehooren, in heiligheid en godzaligheid voor den Heere te leven.

Om die reden is ook de rechte kennis van en het inleven in den doop voor de gezondheid en den bloei van het kerkelijke leven van de grootste beteekenis. Niet alleen is de doop voor allen, die hun zaligheid in

|234|

Christus zoeken, een heerlijke steun, dat God de Heere hun betuigt, dat Hij met hen een eeuwig verbond heeft opgericht, dat Hij hen heeft aangenomen tot Zijne kinderen, en erfgenamen des eeuwigen levens, dat zij gewasschen zijn in Christus’ bloed en geheiligd worden tot zijn dienst, maar de doop verplicht hen ook „tot eene nieuwe gehoorzaamheid, namelijk dat wij dezen eenigen God, Vader, Zoon en Heiligen Geest, aanhangen, betrouwen en liefhebben van ganscher harte, van ganscher ziele, van ganschen gemoede en met alle krachten, de wereld verlaten, onze oude natuur dooden en in een nieuw godzalig leven wandelen”.

Maar hieruit vloeit tevens voort de roeping van de opzieners der gemeente om de jeugd der kerk als het eigendom des Heeren te verzorgen, te onderwijzen en te leiden in ’s Heeren wegen, en door de herderlijke zorg toe te bereiden tot de volle gemeenschap der sacramenten, terwijl daarmee ook ten nauwste samenhangt de oefening van opzicht en tucht door de opzieners, aan wie de sleutelen des hemelrijks zijn toebetrouwd. Hoe beter de doop verstaan en beleefd wordt, hoe zuiverder en krachtiger het leven der gemeente zich zal ontplooien.

 

De bediening des doops is niet maar een oude achtenswaardige plechtigheid, die de kerk onderhoudt uit eerbied voor het voorgeslacht, of ook omdat daarin zulk een schoone symboliek ligt opgesloten, maar de doop is eene instelling van Christus, die door de kerk moet worden onderhouden zoolang zij in deze bedeeling leeft. Christus heeft den doop als sacrament van het genadeverbond ingesteld, toen Hij vóór zijn hemelvaart aan zijne discipelen heeft opgedragen om het evangelie te prediken aan al de volken „dezelve doopende in den naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes”.

De geloovigen werden door den doop, die in den eersten tijd door onderdompeling geschiedde, ingelijfd in de gemeenschap aan den dood en de opstanding van Christus, en werden dus in die gemeenschap de vergeving der zonden en het eeuwig leven deelachtig (Hand. 2: 38; 22: 16; Rom. 6: 3-11; Gal. 3: 27). Daarom kan de doop beschouwd worden als een afwassching der zonden, het symbolisch onderpand van de rechtvaardiging en van de vergeving der zonden (1 Cor. 6: 11), zooals ook tot Paulus gezegd was: „Sta op en laat u doopen en uwe zonden afwasschen” (Hand. 22: 16).

Deze weldaden worden aan den gedoopte niet op mechanische wijze in het water des doops zelve geschonken. De Roomsche kerk neemt wel zulk een verband aan, en leert dat de genade op geheimzinnige wijze in het water inzit en met het water aan den doopeling wordt medegedeeld. Alle zonden, zoowel erfelijke als dadelijke zonden, die

|235|

vóór den doop werden bedreven, de tijdelijke en de eeuwige straffen worden kwijtgescholden. Voorts wordt door de instorting van heiligmakende genade en de bovennatuurlijke deugden van geloof, hoop en liefde de geestelijke vernieuwing en heiliging van den mensch tot stand gebracht. Daardoor wordt de erfsmet ganschelijk te niet gedaan. „In renatis nihil odit Deus” 1). Alleen de concupiscentia (de begeerlijkheid) blijft over, welke echter geen zonde is, maar wel prikkel der zonde kan worden.

De Lutherschen namen deze doopsbeschouwing met eenige wijziging over. Luther zelf heeft na 1524 het objectieve karakter van den doop tegenover de Wederdoopers zoo gehandhaafd, dat de genade door de sacramenten, als door hare organen en instrumenten, werkt. In zijn Grooten Catechismus zegt Luther 2): De doop „ist nicht allein ein natürlich Wasser, sondern ein göttlich, himlisch, heilig und selig Wasser”, en omdat het water in Gods Woord geheiligd is „ein Gottes Wasser”. En maakte Luther den doop niet los van het geloof, stelde hij het geloof noodig voor het ontvangen der genade, als orthodox gold later het gevoelen, dat de doopshandeling het geloof of tenminste een kiem des geloofs mededeelt, en dat in den kinderdoop de wedergeboorte tot stand komt 3).

Deze opvatting van Rome en van de Luthersche kerk maakt het sacrament los van het Woord, terwijl volgens de H. Schrift het sacrament is een teeken en zegel, gehecht aan het Woord, en daarvan losgemaakt alle waarde verliest (Matth. 28: 19; Hand. 8: 35-37). De H. Schrift leert, dat alleen hij den doop in zijn volle beteekenis kan ontvangen, die in Christus gelooft, gelijk de Heid. Catechismus belijdt (vr. 69): „dat Christus dit uitwendig waterbad ingezet en daarbij toegezegd heeft, dat ik zoo zekerlijk met zijn bloed en Geest van de onreinigheid mijner ziele, dat is, van alle mijne zonden gewasschen ben, als ik uitwendig met het water, hetwelk de onzuiverheid des lichaams pleegt weg te nemen, gewasschen ben”.

Calvijn heeft op grond van de H. Schrift de sacramenten beschreven als teekenen en zegelen van de beloften Gods in Zijn Woord, waardoor wij den rijkdom van Gods genade in Christus aanschouwen 4). Het sacrament dient echter niet om Gods Woord, dat in zich zelf vast en zeker is, te bevestigen, maar om ons zwak geloof te versterken. Ook moeten wij wel verstaan, dat het uitwendige teeken het geestelijke goed


1) Trid. 5, 4. f.; Cat. Rom. P. II, c. II.
2) J.T. Muller, Die symbol. Bücher d. ev. Luth. Kirche, 1900, S. 487.
3) Hutter XX, 10 f. „omnes infantes baptizatos vere regenerari et recipi ingratiam Dei... Infantes per baptismum virtute Spiritus sancti vera fide donari, vel inde patet, quod regenerantur.
4) Instit. IV. 14, 3.

|236|

niet in zich besloten houdt, het is de Geest Gods die levend maakt, maar die zich van het middel wil bedienen om ons de genade mede te deelen en ons geloof te sterken. Ongeloovigen ontvangen slechts het teeken, maar de geloovigen ontvangen met het teeken ook de beteekende zaak. Het geloof is dus voor het gebruiken der sacramenten onmisbaar.

Den kinderdoop hadden de Gereformeerden te verdedigen tegen de Anabaptisten, die leerden dat de kinderen niet konden gedoopt worden, omdat zij niet kunnen gelooven. Reeds Augustinus, die van oordeel was dat het geloof en de bekeering vóór den doop noodig waren, had deze leer ook toegepast op den kinderdoop; en wijl de kinderen zelf niet bewust konden gelooven, vervangt de doop zelf of de voorbede der kerk of het geloof der ouders het geloof, dat zij zelf nog niet kunnen oefenen. Augustinus had nog niet het rechte inzicht in het verbond der genade. Calvijn evenwel ontving het rechte licht over het genadeverbond. Met de Dooperschen leerde hij, dat de sacramenten voor de geloovigen verordend waren, maar tegenover hun subjectief standpunt, waardoor zij alleen hen als geloovigen erkenden, die zich als zoodanig openbaarden, beriep Calvijn zich op de H. Schrift, bepaaldelijk op haar leer van het genadeverbond. Voor den kinderdoop voert Calvijn als eersten grond aan de analogie met de besnijdenis. Besnijdenis en doop hebben in den grond dezelfde beteekenis. De uiterlijke teekenen verschillen wel, maar de beteekende zaak is dezelfde, namelijk de reiniging van de zonden door het bloed van Christus en de dooding van ons vleesch. En in verband hiermee wijst Calvijn op den eigenlijken rechtsgrond, waarop de kerk den doop toedient, namelijk het verbond der genade. Calvijn veronderstelt niet het persoonlijk geloof bij de kinderen, ofschoon hij tegenover Servet vasthoudt, dat het zaad des geloofs bij de kinderen aanwezig kan zijn 1). „De kinderen ontvangen” — zoo schreef hij aan Bullinger 2) — „niet op hetzelfde tijdsmoment met den doop den Geest der wedergeboorte. Want wie in hun prille jeugd gedoopt zijn, wederbaart God in de jonge jaren, of in den tijd der jongelingschap, soms ook in den ouderdom”. Waar het bij den doop op aankomt is dit, „dat hij het verbond, hetwelk God met hen gemaakt heeft, bevestige en versterke” 3). De ouders worden bij den doop versterkt in het geloof, dat hunne kinderen tot het verbond behooren. Naar den aard der liefde mogen de ouders van hunne kinderen, die geen ongeloof toonen, gelooven dat zij tot het volk van God behooren. Toch heeft de doop niet alleen waarde voor de ouders, maar ook voor de kinderen. „Zij worden door


1) Inst. IV. 16, 20.
2) Corp. Ref. VII. 704.
3) Inst. IV. 16, 21.

|237|

de inlijving in de kerk den anderen leden der kerk aanbevolen en bezitten, ouder geworden, in hunnen doop een prikkel om met ernst en ijver God te dienen” 1). In plaats dat voor hen het verbondsteeken eene verzegeling der voorafgaande wedergeboorte is, ontvangen zij het tot dooding des vleesches, die zij op lateren leeftijd zullen betrachten. Wanneer zij tot de jaren komen, dat zij in de waarheid des doops kunnen onderwezen worden, dan vinden zij in hunnen doop in de jeugd ontvangen een aansporing voor het heele leven tot het betrachten der vernieuwing 2). Op de ethische en paedagogische zijde van het verbond wordt dus de nadruk gelegd. Daarom moeten ook de doopheffers of getuigen de belofte afleggen, dat zij het te doopen kind zullen onderwijzen in de leer, en vermanen om te leven naar den regel van Christus, in zelfverloochening, toewijding tot den dienst van God en stichting van den naaste 3). Calvijn ontkent volstrekt niet, dat Gods Geest ook wel werkt in de kinderen en dat ook kinderen het geloof en de wedergeboorte kunnen deelachtig worden. Tegenover de Dooperschen houdt hij met beslistheid vol, dat God ook de kleine kinderen, indien ’t Hem zoo gelieft, wel met een klein vonkske van den vollen glans Zijner genade kan bestralen. Immers de kinderen worden gedoopt tot de bekeering en het geloof, die zij namaals hebben zullen. En ofschoon dit geloof en deze bekeering „in hen nog niet de rechte vorm hebben ontvangen (quae etsi nondum in illis formatae sunt), is toch door de verborgene werking des Geestes evenwel het zaad van beide in hen verborgen” 4). Maar al kan ook het zaad des geloofs in de jeugdige harten aanwezig zijn, de Dooperschen vergeten, dat de beteekende zaak altijd in orde des tijds aan het teeken moet voorafgaan 5), en daarom moet men „in den kinderdoop voor het tegenwoordige geen meerdere werking vereischen, dan dat hij het verbond door God met hen gemaakt versterkt en bevestigt”. De doop is dus het teeken en zegel des verbonds. „Door de weldaad dezer belofte (Gen. 17: 7) worden zij tot den doop ontvangen, omdat zij voor leden der kerk gerekend worden” 6). Deze gedachte wordt nog sterker uitgedrukt in de Institutie van 1555: „Daaruit volgt dat de kinderen der geloovigen niet deswege in hun jeugd gedoopt worden, opdat zij dan eerst (met den doop) zonen Gods worden, terwijl ze voorheen buiten de kerk stonden, maar eer worden zij door het plechtige teeken daarom in de kerk


1) Inst. IV. 16, 9.
2) Inst. IV. 16, 20, 21.
3) Formula Baptismi administrandi, bij Niemeyer, Coll. Conf. p. 183, La forme d’administrer Ie baptême, Corp. Ref. VI. 188.
4) Inst. IV. 16, 19, 20.
5) Inst. IV. 16, 21.
6) Corp. Ref. VII. 444.

|238|

opgenomen, omdat zij door de weldaad der belofte reeds tevoren tot het lichaam van Christus behoorden 1).

Eenstemmig leerden de Gereformeerden met Calvijn, dat de rechtsgrond voor den kinderdoop was het verbond der genade. De kinderen, geboren uit geloovige ouders, moesten worden gedoopt. Maar zoodra men nadacht over de vraag, wat het inzijn in het genadeverbond beteekende, ging men uiteen. Sommigen zooals à Lasco, Voetius e.a. leerden, dat de kinderen uit geloovige ouders geboren voor wedergeborenen moesten worden gehouden, en dat dit de grond is voor de doopsbediening, terwijl anderen, zooals Calvijn, erkenden dat God ook in de harten der kinderen de wedergeboorte werkte, maar in het midden lieten, wanneer God de wedergeboorte schonk. In den strijd tegen de Wederdoopers en tegen de Lutherschen werd door sommige theologen nog al sterk geaccentueerd, dat de kinderen der geloovigen voor wedergeborenen moeten gehouden worden,en dat hun daarom de doop toekomt, maar over het algemeen hielden de theologen in de eeuw der reformatie zich aan het gevoelen van Calvijn, gelijk ook de Fransche en Nederlandsche Belijdenissen, terwijl de Heidelbergsche Catechismus zoo duidelijk leert, dat men de jonge kinderen zal doopen „mitsdien zij alzoowel als de volwassenen in het verbond Gods en in Zijne gemeente begrepen zijn, en dat hun door Christus’ bloed de verlossing van de zonden en de Heilige Geest, die het geloof werkt, niet minder dan den volwassenen toegezegd wordt, zoo moeten zij ook door den doop, als door het teeken des verbonds, der christelijke kerk ingelijfd en van de kinderen der ongeloovigen onderscheiden worden, gelijk in het Oude Verbond of Testament door de Besnijdenis geschied is, voor dewelke in het Nieuwe Verbond de Doop ingezet is”.

In het Nieuwe Testament is volgens Col. 2: 11, 12 de besnijdenis vervangen door den doop. Ook de christenen zijn besneden, leert de Apostel Paulus, doch niet door eene besnijdenis, welke met handen geschied is, maar door een geestelijke besnijdenis, welke tot stand kwam door den dood en de opstanding van Christus en haar kracht ontving door de levensgemeenschap met Christus. Door den dood van Christus heen is de schuld en de onreinheid der zonde weggenomen, en heeft de besnijdenis hare beteekenis verloren. De besnijdenis toch duidde aan de onreinheid onzer menschelijke natuur, en wees heen naar de verzoening van Christus; de doop evenwel wijst terug op Christus’ volbracht werk, en verzekert, dat door Christus’ dood de schuld en de onreinheid der zonde is weggenomen, en dat de christen geheel innerlijk gereinigd is van de zonde. Indien dan onder de oude bedeeling de besnijdenis


1) Corp. Ref. I. 1038.

|239|

moest worden toegepast aan de kinderen, zou dan niet onder het Nieuwe Testament, in de bedeeling der vervulling, het sacrament der vervulling toekomen aan de kinderen des verbonds?

De doop verzegelt het verbond Gods. De kinderen zijn evengoed als de volwassenen in het verbond Gods en in Zijne gemeente begrepen. Niet wat wij van onze kinderen denken, maar wat God van hen zegt beslist in dezen. Onze kinderen zijn van de ontvangenis en van de geboorte aan onrein, en van nature der verdoemenis onderworpen, maar God getuigt in Zijn Woord, dat de kinderen der geloovigen de Zijnen zijn, omdat Hij ze krachtens Zijn verbond heeft willen aannemen en hun Zijne rijke beloften in Christus heeft willen schenken, en daarom komt ook den kinderen het teeken en het zegel van het genadeverbond toe.

Het genadeverbond is volgens Gods Woord de verhouding, waarin God Zich stelt tot den gevallen mensch in Christus om aan hem zijne barmhartigheid te verheerlijken. God belooft hem Zijn God te zijn en verplicht hem tot nieuwe gehoorzaamheid. Het genadeverbond wortelt in den eeuwigen liefderaad Gods tot behoudenis van Zijn volk, en het is zelf de onthulling van dien raad in den loop der historie. Reeds terstond bij den val stelde God Zich tot den zondigen mensch in eene betrekking van genade, en gaf de belofte van de toekomende verlossing. De roeping en de afzondering van Abraham was noodig voor de ontplooiing van den raad des heils. Toen de menschheid na den zondvloed afgleed van de rechte kennis en den zuiveren dienst Gods, riep God Abraham om met hem een nieuw begin te maken en hem te stellen tot den stamvader van een geslacht, dat drager der heilsbelofte zou zijn, en uit welk geslacht Christus, het hoofd des N. Verbonds, de verlosser der wereld zou geboren worden (Gen. 12: 1-3; 17: 1-7; Ef. 1: 4-7).

Het verbond is niet opgericht met enkele losse individuen, maar met het volk Gods in Christus, het hoofd zijner gemeente. Paulus zegt, dat het verbond, met Abraham opgericht, wezenlijk rustte in Christus. Hij verklaart de woorden tot Abraham (Gen. 12: 3) en tot Izaak gesproken (Gen. 21: 12) nader, dat het zaad, waarin alle geslachten der aarde zullen gezegend worden, is Christus. De volkomen vervulling der beloften Gods concentreert zich in Christus (Gal. 3: 16). God heeft een bepaald aantal personen uit het geheel van de zondaren Zich tot een eigendom aangenomen, om ze te brengen tot de verlossing en de zaligheid. Maar om deze verkorenen toe te brengen heeft God Zijn verbond opgericht. Dat verbond doorloopt een historie, sluit zich aan bij bepaalde geslachten, waaruit God Zijn volk vergadert en zet zich voort van kind tot kind. De apostel Paulus teekent in Rom. 5: 12-21 de twee bondshoofden Adam en Christus, leert dat God den organischen weg noodig keurde in het werk der verlossing en toont daarbij aan,

|240|

dat de genade Gods vooral in de bedeeling des Nieuwen Testaments veel overvloediger is geweest dan de zonde.

Indien de belofte des verbonds en de genade der wedergeboorte niet voor kinderen was, zouden de kinderen niet gedoopt mogen worden. Maar wij lezen in de H. Schrift, dat de wedergeboorte ook in de prilste jeugd kan plaats grijpen, zooals blijkt uit het voorbeeld van Johannes den Dooper (Luc. 1: 15), van Obadja (1 Kon. 18: 12), van Jeremia (Jeremia 1: 5) en van anderen (Ps. 22: 10, 11; 71: 6). Ook de kinderen hebben dus deel aan de belofte en aan de weldaden des H. Geestes (Hand. 2: 39). Zij zijn het heilige zaad, en naar den regel dat waar „de wortel heilig is, ook de takken heilig zijn” (Rom. 11: 16) kunnen ook de kinderen der geloovigen heilig genoemd worden (1 Cor. 7: 14). En indien God aan de kinderen dezelfde beloften geschonken heeft als aan de volwassenen, zou dan iemand durven beweren, dat deze niet zouden mogen gedoopt worden? Ook Christus heeft de kinderen beschouwd als deelgenooten des verbonds. Hij riep hen tot zich, omhelsde hen, legde hun de handen op, zegende hen, en sprak: „derzulken is het Koninkrijk Gods” (Matth. 18: 2; 19: 13; Marc. 10: 14; Luc. 18: 15). Ook de kinderen worden gerekend tot het volk Gods. Zij zijn geen heidenkinderen die, zooals Rome leert, eerst moeten geëxorceerd worden, maar kinderen des verbonds, die heilig zijn, „niet van nature, maar uit kracht van het genadeverbond” 1). Daarom worden zij ook gerekend tot de gemeente, ontvangen zij vermaningen en beloften (Hand. 26: 22; Ef. 6: 1; Col. 3: 20).

De H. Schrift rekent dus niet alleen de volwassenen, maar ook de kinderen tot het volk Gods. En zou men meenen, dat men bij de volwassenen meer zekerheid heeft dan bij de kinderen, dan vergist men zich wel zeer. Wij kunnen niet met absolute zekerheid zeggen of iemand een geloovige is, omdat wij in het hart niet kunnen lezen, doch alleen kunnen oordeelen over de kenmerken van belijdenis en wandel. Houden wij naar het oordeel der liefde de volwassenen, die Christus als hun Zaligmaker belijden, voor geloovigen, en laten wij hen toe tot de sacramenten, wij mogen ook de kinderen der geloovigen tot het volk Gods rekenen, omdat God hen rekent tot de Zijnen. Als God zegt: „Ik ben uw God”, dan is dit ook zoo, en als God zegt: „Ik ben uws zaads God”, dan mag geen enkel christen een ander oordeel uitspreken. Wij moeten daarom naar den aard der liefde, uit kracht van Gods verbond de kinderen der geloovigen voor des Heeren eigendom rekenen, tenzij deze later in zonde afzwerven en in hunne zonde sterven. Het komt hier volstrekt niet aan op het subjectieve oordeel van dezen of genen mensch,


1) Leerregels I. 17.

|241|

of deze van de oprechtheid van iemands geloof overtuigd is, maar het komt aan op wat God zegt in Zijn Woord.

Nu zijn er echter twee lijnen, de lijn door God getrokken, binnen welke alleen vallen de gekenden des Heeren, en de lijn door God uitgestippeld voor ons, welke wij kortzichtige menschen ook in de practijk moeten trekken, en binnen welke vallen de geloovige geslachten. De eerste lijn is voor ons verborgen, de laatste is ons geopenbaard. Het getal dergenen, die wij rekenen tot het verbond, is niet identisch met het getal der uitverkorenen. Wij kennen de bondgenooten alleen uit hun belijdenis en wandel. Wij moeten oordeelen naar den maatstaf, dien God ons geeft, en rekenen dan de geloovigen met hun zaad tot het verbond, ook al weten wij, dat wij ons kunnen vergissen, ook al blijkt het later dat niet allen, die wij rekenen tot het verbond, ware bondgenooten zijn. Het wezen van den doop ontvangt alleen hij, aan wien God Zijn belofte verzegelt en met het teeken de beteekende zaak, de vergeving der zonden en het eeuwige leven, schenkt. Maar wij scheiden niet tusschen de leden der gemeente, omdat wij dat niet kunnen, en omdat God ons zegt, dat wij moeten doopen de geloovigen en hun zaad.

Wij komen hier voor een mysterie te staan. Het staat vast, dat niemand anders tot het geloof komt dan die in Gods raadsbesluit ten eeuwigen leven is uitverkoren, en aan de andere zijde is het ook waar, dat God de lijn der verkiezing in het verbond openbaar laat worden en dat Hij de kinderen des verbonds rekent als het zaad Gods. Het staat vast, dat God de kinderen des verbonds, uit geloovige geslachten geboren, in het genadeverbond insluit, en anderzijds is het niet te loochenen, dat velen niet den geestelijken zegen des verbonds, de innerlijk herscheppende genade, deelachtig zijn. Twee lijnen loopen schijnbaar onverzoend naast elkander, namelijk, die van Gods souvereiniteit en van onze verantwoordelijkheid, van Gods eeuwige verkiezing en van den weg des verbonds. Er is wel een hoogere eenheid, maar deze is alleen bij God bekend. Ons zwak menschelijk oog kan ze niet aanschouwen. Wij hebben eenvoudig te aanvaarden wat God in Zijn Woord ons bekend maakt. Het verbond der genade neemt in zijn aardsche bedeeling ook dezulken op, die, ofschoon gedoopt in den naam van God Drieëenig, toch niet waarlijk in Christus Jezus gelooven. Daaruit blijkt dat het aantal van hen, die wij rekenen tot het genadeverbond, niet gelijk is met het aantal der uitverkorenen. Wie tot de schare der uitverkorenen behoort, is alleen bij God bekend. Wij weten het niet. Wij kunnen alleen rekenen met de vruchten der verkiezing, en uit belijdenis en wandel oordeelen, of iemand door ons mag worden gerekend tot het volk Gods. Indien iemand verklaart, dat hij een

|242|

geloovige is, en zijn leven daarmee niet in strijd is, dan kan en moet de kerk hem naar den aard der liefde als een bondgenoot rekenen, hem als geloovige toespreken en hem de teekenen des verbonds toedienen. Vergist de kerk zich in haar oordeel en is zulk een lid der kerk een schijngeloovige of een huichelaar, dan ligt die misleiding voor rekening van het betrokken lid der kerk, dat veinsde een waarachtig geloovige te zijn. De kerk gaat vrij uit, wanneer zij de zuivere bediening des Woords, der sacramenten en der tucht handhaaft, wanneer het haar ernst is om de gemeente zooveel mogelijk in overeenstemming te doen zijn met den eisch Gods. Maar zoo zij dit beginsel loslaat, en zoo zij niet durft gelooven, dat haar uitspraak in den hemel bevestigd wordt, dan staat zij niet recht. Onverzwakt heeft de kerk Gods Woord te gelooven en te handhaven. Zij moet haar standpunt nemen niet in de mysteriën, maar in het geopenbaarde Woord Gods, dat duidelijk zegt: „U komt de belofte toe, en uwen kinderen”. Absolute zekerheid, dat het ware geloof in een persoon aanwezig is, heeft de kerk niet en kan zij niet hebben. Daarom oordeelt zij ook niet over de inwendige dingen. Nooit is de kerk zeker, zoomin bij het sacrament des avondmaals als bij den doop, dat geen huichelaar het sacrament ontvangt. Wie persoonlijk absolute zekerheid wil hebben, dat allen, die de sacramenten gebruiken, ware bondgenooten zijn, gaat op het standpunt Gods staan, en kan geen bedienaar van het sacrament zijn. De kerk ontheiligt dan ook de sacramenten niet, wanneer zij een huichelaar of een ongeheiligde, die den schijn aanneemt een geloovige te zijn, toelaat, maar wel als zij den regel door God gesteld verloochent, en iemand, die als een onheilige leeft of die verklaart niet te gelooven in God naar Zijn Woord, rekent tot de schare der geloovigen.

De eigenlijke grond voor den doop is dan ook het verbond Gods. De Nederlandsche Geloofsbelijdenis zegt (Art. 34): dat Christus „afgedaan hebbende de Besnijding, die met bloed geschiedde, in de plaats daarvan heeft verordend het sacrament des Doops, door hetwelk wij in de kerke Gods ontvangen en van alle andere volken en vreemde religiën afgezonderd worden, om geheellijk Hem toegeëigend te zijn, zijn merk en veldteeken dragende; en het dient ons tot een getuigenis, dat Hij in eeuwigheid onze God zijn zal, ons zijnde een genadig Vader. Zoo heeft Hij dan bevolen te doopen alle degenen, die de zijnen zijn”, d.w.z. degenen, die naar de merkteekenen, die God ons heeft gesteld, in het verbond Gods en Zijne gemeente begrepen zijn. De doop werkt de genade niet, maar hij sterkt en bezegelt haar. De doop kan niet anders geven dan wat het Woord reeds heeft geschonken, maar hij schenkt dezelfde weldaden als het Woord „op eene andere wijze en in een anderen vorm, zoodat het geloof, naar de mate welke God aan een

|243|

iegelijk geschonken heeft, er door bevestigd en versterkt wordt” 1).

Tegenover de Wederdoopers, die ontkenden dat de kleine kinderen kunnen gelooven, handhaafden de Gereformeerden uitdrukkelijk, dat de kleine kinderen wel het geloof kunnen deelachtig zijn, en beleden zij, dat de kinderen „alzoowel als de volwassenen in het verbond Gods en in zijne gemeente begrepen zijn”. Doch al moet het zaad der gemeente krachtens de belofte Gods gehouden worden voor geheiligden in Christus, het is toch niet juist te zeggen, dat de doop aan de kinderen der geloovigen wordt toebediend op grond van hunne onderstelde wedergeboorte, zooals P. van Mastricht, Dr A. Kuyper en anderen leerden, en wel a omdat de grond voor den doop ligt in het bevel Gods, b omdat de uitdrukking doopen onder veronderstelling van wedergeboorte zou zeggen, dat aan de uitverkoren kinderen de wedergeboorte reeds vóór den doop is geschonken, hetgeen niet alleen niet is te bewijzen, maar ook nergens in Gods Woord is genoemd, en in vele gevallen met de practijk in strijd is. God is vrij in Zijn doen en schenkt meermalen aan het zaad des verbonds op gevorderden leeftijd levensvernieuwing en bekeering. En in de derde plaats c kan daaruit licht een verkeerde gevolgtrekking worden gemaakt. Want al houdt de kerk het zaad des verbonds voor geheiligden in Christus, dit wil toch niet zeggen, dat daarom elk kind waarlijk wedergeboren zou zijn, omdat Gods Woord ons leert, dat niet allen Israël zijn, die uit Israël zijn, en dat daarom in de prediking steeds op zelfonderzoek moet worden aangedrongen, aangezien wie geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden.

Grond voor den doop is niet de wedergeboorte, maar het verbond Gods. Dr H. Bavinck getuigt terecht: „De Gereformeerden keerden daarom (om overdrijving en verzwakking van den doop te voorkomen) tot de Schrift terug en namen bij de verdediging van den kinderdoop eenparig hun standpunt in het verbond der genade, dat naar Gods belofte niet alleen de geloovigen, maar ook hun zaad omvatte. Niet wedergeboorte, geloof en bekeering, en veel minder ons vermoeden dienaangaande, maar alleen het verbond der genade gaf, beide bij vol­wassenen en bij kinderen, recht op den doop. Dat verbond was de vaste Schriftuurlijke objectieve grond, waarop alle Gereformeerden gemeenschappelijk en zonder onderscheid het recht van den kinderdoop deden rusten; een anderen dieperen, hechteren grond hadden zij niet” 2).

Hiermede is duidelijk het recht en de plicht van den doop betoogd. Indien de kinderen des verbonds ’s Heeren eigendom zijn, en moeten gerekend worden tot het volk des verbonds, zoo hebben zij evengoed


1) Dr H. Bavinck, Geref. Dogmatiek2 IV. 583.
2) Geref. Dogmatiek2 IV. 573.

|244|

recht op den doop als de volwassenen, die belijdenis doen. Volstrekte zekerheid dat zij ware geloovigen zijn hebben wij in beide gevallen niet. Maar naar het oordeel der liefde houden wij hen die geloofsbelijdenis doen voor geloovigen en deelen hun de sacramenten uit, en naar datzelfde oordeel der liefde rekenen wij de kinderen der gemeente tot de geloovigen, omdat zij met hunne ouders in het verbond der genade begrepen zijn.