Bouwman, H. (1934) § 72

§ 72. De vergadering der classis.

a. Tijd van vergaderen. Het welzijn van de kerken eischt, dat de classisvergaderingen op bepaalde tijden gehouden worden. De synode van 1571 (Art. 7) bepaalde, dat zij om de drie of om de zes maanden zouden samenkomen. Het was moeilijk in die dagen om vaker te vergaderen, wijl de afstand der kerken van elkander groot was, en het reizen in die dagen moeilijk. Na 1572 evenwel, toen voor Nederland de dageraad der vrijheid was aangebroken, het aantal vrij geworden kerken grooter was geworden en allerlei regelingen moesten worden getroffen, werd vooral in de eerste jaren nog al druk vergaderd. In Noord-Holland en in Friesland kwamen de classen om de twee weken bijeen. De synode van Harlingen (1584) besloot, dat men om de twee weken classicale vergaderingen zou houden, de eene om over kerkelijke zaken te handelen, „met byweesen ende stemmen der olderlinghen, den anderen om tho holden collationem doctrinae”, en waar niet, tenzij dit noodig was, over kerkelijke zaken gehandeld werd. In N. Holland had men wekelijksche en veertiendaagsche vergaderingen van predikanten (coetus), wier hoofddoel was onderlinge bespreking van de leer. Dit bleef zoo eenigen tijd en werd aanleiding, dat men in onderscheidene classen niet erkende de noodzakelijkheid van het verschijnen van de ouderlingen op de classicale vergadering. Langzamerhand is echter de regel, dat elke kerk een predikant en een ouderling moest afvaardigen, algemeen gevolgd 1).

Op de synode van Dordrecht (1574, Art. 10) werd bepaald, dat de classes alle maanden, in 1578 (Art. 40), dat zij alle maanden of zes weken, korter of langer zouden vergaderen, „doch alzoo datse den tyt van dry maenden niet voorby gaen.” Aan de bepaling, dat de classes om de maand zouden samenkomen, heeft men zich in Holland nooit gehouden. Op zijn hoogst kwam men samen om de twee maanden. In 1581 schrapte men op de synode van Middelburg de bepaling „alle maand of zes weken”, en bleef er staan, dat een classisvergadering niet langer dan drie maanden mocht worden uitgesteld. Bijna alle classes


1) Schokking, De Leertucht, bl. 37-39.

|142|

hebben dezen regel gevolgd. In den winter werd echter wegens de bezwaren van het jaargetijde de vergadering wel eens nagelaten. In de classis Neder-Veluwe vergaderde men slechts eenmaal in het jaar. In Gelderland werd de slapheid bevorderd, doordat de Staten wel de Kerkenordening hadden aangenomen, maar niet zorgden, dat de bepalingen trouw werden nagekomen. De landjonkers wilden de macht in handen houden. In Friesland vergaderden — behoudens buitengewone omstandigheden — de classes te beginnen met de week na Paschen tot en met October elke maand 1).

Het is noodig, dat de kerken zich houden aan den regel, dat de classes om de drie maanden samenkomen. Uitstel kan licht tot schade van de kerken zijn. In buitengewone gevallen en voor spoedeischende zaken kan er een buitengewone classis gehouden worden.

b. Omtrent de plaats van vergadering hield men zich in de oude Gereformeerde kerk veelal aan den regel, in 1574 te Dordrecht (Art. 10) gesteld, dat de classes in onderscheidene plaatsen gehouden werden, welke plaats op elke classis werd vastgesteld. De reden hiervoor was, vooreerst, opdat de heerschappij van de eene kerk over de andere verhinderd zou worden, en in de tweede plaats, opdat de classis van den toestand van elke gemeente op de hoogte zou komen 2). Men moest vroeger meestal twee nachten in de plaats van vergadering logeeren en kwam daardoor van nabij met de leden der gemeente in aanraking. Kleine plaatsen werden wel eens gepasseerd, omdat hier geen geschikte localiteit of logies was. De Staten van Holland, die hun invloed op het kerkelijk leven wilden blijven uitoefenen, bepaalden bij resolutie van 21 Augustus 1620, dat de classicale vergaderingen „in de hoofdsteden in elke classe, leden van dese vergaderinge wesende” moesten worden gehouden 3), in overeenstemming waarmede nog in 1669 op de synode van Schoonhoven (Art. 32) de classes gelast werden, deze resolutie na te komen, „dat de classicale vergaderplaatsen niet ten platten lande, maer in stemmende steden, alwaer classen zijn, worden gehouden.” In onderscheidene provinciën week men wel eens van deze gewoonte af. In Friesland werd de vergadering in den regel gehouden in de kerk van de hoofdplaats der classis, maar in de classis Zevenwouden en Dokkum week men nog al eens van dezen regel af.

De synode van 1816 wilde een vaste plaats voor de classis, en bepaalde, dat de vergaderingen in de hoofdplaats der classis moesten worden gehouden. In de Gereformeerde kerken hield men zich van 1834 af aan den regel van Art. 41 der Kerkenordening, dat de plaats


1) Cuperus, Kerkelijk Leven in Friesland I. 34.
2) Acta van Wezel, c. VII. 20.
3) Acta der synoden, ed. Knuttel, IV. 333.

|143|

en de tijd van de vergadering bij het scheiden van elke vergadering werd bepaald. Deze regel laat de volle vrijheid aan de kerken zelve om eene plaats te bepalen, die de meest geschikte is. Gewenscht is zulk een plaats te kiezen die zonder veel moeite en kosten kan worden bereikt, en waar een goede lokaliteit is voor de vergadering en een plaats voor het bewaren van het archief.

c. Wijze van samenroeping. Gewoonlijk wees men in de oude Gereformeerde kerken op elke vergadering naar volgorde eene kerk alsroepende kerk aan, die tevens het adres der classis was van de eene vergadering tot de andere. Later wees men ook deputaten hiervoor aan. In Friesland had de classis een „dienaar”, die de vergaderingen rondzeide, en boodschappen overbracht.

Een bijzondere bepaling voor de wijze van samenroeping is niet noodig. Het is echter beter, dat eene kerk als roepende kerk wordt aangewezen dan dat voor het samenroepen der classis deputaten worden aangewezen. De roepende kerk is van de eene classisvergadering tot de andere het adres der classis. Tot haar moeten alle stukken worden gericht. Zij dragen zorg, dat minstens 14 dagen vóór de vergadering der classis gehouden wordt, het agendum, met duidelijke vermelding van wat moet behandeld worden, aan de kerkeraden wordt toegezonden. Zij legt alle ingekomen stukken over aan de vergadering. Immers de classis is eene vergadering van kerken. Daarom moeten de kerkeraden vooraf handelen over alle zaken, die op het agendum staan, opdat zij goed voorbereid en met kennis van zaken kunnen oordeelen, en medewerken tot het nemen van een besluit. Het is de roeping der afgevaardigden om nauwkeurig op te teekenen wat ter classisvergadering is besloten, en daarvan te rapporteeren aan den kerkeraad. Het agendum behoort door de roepende kerk per brief, in gesloten enveloppe, aan de kerken gezonden te worden, wijl allerlei zaken, ook die een intiem karakter dragen, b.v. zaken van censuur, en zaken die het leven van kerken en personen raken, op het agendum voorkomen.

d. Een getrouw bezoeken van de classicale vergadering is noodig, wijl alle kerken op rechtmatige wijze op de classis dienen vertegenwoordigd te zijn. Geen enkele afgevaardigde mag zich, tenzij wegens geldige reden, voor bijwoning verontschuldigen. Ambtelijke werkzaamheden in de gemeente mogen in den regel een predikant niet weerhouden van het bezoeken der classisvergadering. Voor een zeer dringende werkzaamheid dient hij  verlof van de vergadering zelve te vragen. Oudtijds stelde de classis wel eens geldboete op verzuim, maar het strafstelsel kon ook vroeger de onregelmatigheden niet weren. Al­leen de bewustheid van de roeping moet ook in dézen dringen.

e. De leiding der vergadering berust bij den praeses en den scriba,

|144|

waaraan ook nog een assessor dient te worden toegevoegd. Art. 41 der kerkenordening zegt hiervan: „in welke samenkomsten de dienaren bij beurte, of anderszins die van dezelve vergadering verkozen wordt, presideeren zullen, zoo nochtans, dat dezelfde tweemaal achtereen niet zal mogen verkozen worden.” Als regel voor eene meerdere vergadering gold altoos in de Gereformeerde kerken, dat dezelfde persoon niet tweemaal achtereen de leiding der vergadering had. Zij wilden daarmede het hiërarchisch beginsel, zooals dat in andere kerken voorkwam, bij den wortel afsnijden, en de gelijkheid van alle dienaren handhaven. Deze regel sluit niet uit, dat in bijzondere gevallen, wanneer een predikant zwak is of lijdende is aan een kwaal, die hem belet om de leiding der vergadering naar behooren te vervullen, de vergadering iemand kan ontheffen van zijn beurt om te presideeren. In art. 41 der kerkenordening wordt immers ook gezegd, dat de vergadering ook rechtstreeks een voorzitter kan kiezen. Doch ook wanneer de regel gevolgd wordt, dat de predikanten naar toerbeurt presideeren, kan in een bijzonder geval de assessor den aangewezen president te hulp komen.

Het was in de Gereformeerde kerken tijdens de republiek de gewoonte, dat alle predikanten met keurstem ter vergadering kwamen, en dat allen naar alphabetische orde het ambt van voorzitter waarnamen. Van deze gewoonte behoeft men niet af te wijken, wanneer, zooals dit in de Gereformeerde kerken van thans het geval is, wel alle predikanten zitting hebben op de classicale vergadering, maar uit kerken, waar meer predikanten zijn, slechts één keurstem heeft. Immers ook de adviseerende leden der vergadering kunnen als voorzitter fungeeren. Was het vroeger en later gebruik, dat de predikanten bij beurte de classisvergadering presideerden, het kwam ook voor, dat de president door stemmen aangewezen werd. Wanneer deze regel gevolgd wordt, dan wordt gewoonlijk wel een der meest bekwame en geschikte mannen gekozen, maar de ervaring leert, dat in dit geval de leiding in handen van zeer enkelen is, en dat zeer vele predikanten practisch achtergesteld worden bij enkele mannen, die den toon aangeven. Om die reden, om te voorkomen dat een of twee personen oppermachtigen invloed uitoefenen in de vergadering, is het meer gewenscht, dat de dienaren des Woords bij toerbeurt presideeren.

Het bezwaar, dat tegen een vasten praeses kan worden ingebracht, geldt niet tegen een scriba. De scriba moge door zijn werk een man van invloed en beteekenis zijn, doch hij neemt meer een dienende dan een leidende positie in. In sommige classen wordt een scriba bij beurte door de vergadering aangewezen, in andere classen valt de eer van het scribaat aan het jongste lid der classis te beurt. Het is meestal wel de gewoonte, dat een predikant het scribaat waarneemt, doch ook

|145|

een ouderling kan dit ambt vervullen. Een assessor treedt op als plaatsvervanger van den praeses of van den scriba. Een bijzondere waardigheidsbekleeder is de fiscus. Dit werk kan door den assessor worden waargenomen, doch daarvoor kan ook een bepaalde broeder, hetzij een predikant of een ouderling, of een gewezen ouderling, worden aangewezen. In Friesland was de fiscus een man van beteekenis. Zijn taak was in de 17e en in de 18e eeuw het invorderen en beheeren der gelden, terwijl hij bovendien was censor morum. In de acten van de classis Zevenwouden (15 April 1759) lezen wij: „Ter voorkoming van eene ontijdige inschikkelijkheid omtrent de leden der classis, die onder beschuldiging liggen van óf in leer óf in wandel in culpa te zijn, doch die men óf uit een verkeerd toegeven over ’t hoofd ziet óf met vreeze mijt, waardoor de censuur dikwijls zeer verslapt, wordt het dienstig geacht, dat men den fiscus classis verzoekt en gelast om ratione officii zijn oog op de leden der classis te houden, en ingeval, dat er onverhoopt mogten zijn, op wiens leere of leven eenige ergernissen en rechtveerdige verdenkingen ten kwade mogten komen te vallen, dat deselve fiscus dan ratione officii zal gehouden zijn, den Eerw. Cl. daarvan kennisse te geven, opdat die des te eerder van diergelijke misdrijven kennisse mocht ontvangen en zoodanige maatregelen nemen als men tot beste handhavinge van waarheid en recht mogte noodig vinden.”

In de classis Leeuwarden had men twee zulke censores. Zulk een bijzondere opdracht aan den fiscus kan in geheel onregelmatige tijden noodig geweest zijn, als regel is het verkeerd zulk een voorbeeld te volgen. Het werk van een fiscus is niets anders dan het innen en het beheeren der classicale gelden.

f. De taak der classis. Uit het beginsel, dat de classis is eene vergadering van kerken, volgt, dat de classis niet is een bestuur, dat als zoodanig staat boven en zeggenschap heeft over de kerken. De zelfstandigheid der plaatselijke kerken moet ook in het kerkverband ongerept blijven. Maar wijl de classisvergadering ingesteld is met het doel, opdat de kerken elkander wederkeerig met raad en steun zouden dienen, opdat de eenheid der kerken in belijdenis, orde en tucht zou worden gehandhaafd, en het welzijn van de kerken en hare leden zou worden bevorderd, bestaan de werkzaamheden der classis: in het houden van toezicht op de leer, het leven en de orde der kerken, in het geven van raad, leiding en beslissing in alle zaken die naar de kerkenordening daar gebracht worden, en in de afvaardiging naar de meerdere vergadering.

De leer der kerk, in de Belijdenis vervat, is niet het afzonderlijk bezit eener plaatselijke gemeente, maar het eigendom der geheele kerk. De organische eenheid der kerk treedt juist in de gemeenschappelijke

|146|

belijdenis aan den dag. Zij is accoord van het kerkelijke leven. Daarom is het ook eisch voor de meerdere vergaderingen, dat zij nauwgezet acht geven op de leer en het leven der predikanten, gelijk zij ook in alle gevallen, waarin klachten of bezwaren met betrekking tot de leer en de prediking waren ingebracht, eene beslissing moeten nemen.

Daartoe behoorde oudtijds ook de classicale preek, waarvan het doel was, niet om de classicale vergadering te stichten, maar om „malcanderen in de handelinge der Schriftuere te oeffenen, ende die leere in hare suiverheit dies te beter te onderhouden.” Zeer waarschijnlijk hebben de Nederlandsch-Gereformeerde kerken dit overgenomen van Genève, waar onder de leiding van Calvijn was ingesteld, dat de dienaren des Woords bij beurte eene predicatie zouden houden, welke daarna door de anderen beoordeeld werd. Deze predicatie geschiedde daar niet in eene classisvergadering, maar in eene vergadering van predikanten. Evenals te Genève zoo ook werd in de kruiskerken wel in eene vergadering van dienaren des Woords een predikatie gehouden, om de eenheid des geloofs onder elkander te betuigen 1). In de synode van Emden evenwel werd besloten, dat in de vergadering van de classis een predikatie zou gehouden worden door een der dienaren, „van dewelke die andere meede-Dienaars, byeen verzamelt, zullen oordeelen”. Ofschoon deze preek gehouden werd voor de verkiezing van den voorzitter, mag daaruit niet worden afgeleid, dat zij ten doel had de vergadering met een stichtelijk woord te openen. Integendeel, stichting der vergadering is nooit het doel van de classikale preek geweest, maar bepaaldelijk om zulk een preek te beoordeelen, om de fouten daarin aan te wijzen, en om te zien of de wijze van prediking stichtelijk en profijtelijk was. Zoodoende werd op ernstige studie aangedrongen.

Dit was in den eersten tijd na de Reformatie ook noodzakelijk. Velen waren in de ambtelijke bediening gesteld, die niet eene behoorlijke opleiding hadden genoten, o.a. gewezen pastoors en monniken, en dezen moesten voortdurend studeeren. Ook bij de weinigen, die een Gereformeerde opleiding genoten hadden, door het onderwijs van predikanten of bijwoning der profetieën, liet de kennis veel te wenschen over. Slechts enkelen hadden een universiteit bezocht. Immers vóór de hoogeschool van Leiden werd opgericht (1575), waren er in het buitenland Gereformeerde hoogescholen te Genève, Zürich, Heidelberg, Neustadt en in Schotland. Uitteraard waren, wijl er zoo groote behoefte aan predikanten was, de eischen voor toelating tot den predikdienst niet hoog gesteld. Zoodoende kon een classicale preek, waar allerlei dogmatische, ethische en exegetische kwesties als vanzelf ter sprake


1) Syn. à la Vigne, 21 Nov. 1564, Art. 3.

|147|

kwamen, zeer nuttige diensten bewijzen. Het kwam ook voor, dat een preek werd opgegeven over waarheden, die destijds werden aangevallen, gelijk de Prov. Synode van Harderwijk in 1580 besloot (Art. 18):

„Op de Classicale vergadering sall een dienaer des woorts, daer die broeders ’t zaemencoemen, een corte predich opentlich doen van einen artijckell, nu controvers zijnde, van welcker die broders sullen ordelen, und wat mangelt hem broederlick aenseggen tot stichtinge der gememte, darnach den verklarten artijckell disputirens weise tot oeffenungh sonder ostentatie examineren, censuram morum onder sich halden, jeder diener die gravamina seiner kirchen schrifftlich vorbrengen, und wat op den naestvolgenden classe voor ein artijckell getractiert, soll almael verclaert werden, als in ersten classe der artijckell de tribus Elohim seu tribus in divinitate personis.” Dat de behoefte gevoeld werd, om de predikanten tot studie op te wekken, blijkt uit de vraag, gedaan op de Nat. Synode te Middelburg (1581, vr. 28), of het niet goed was naast de classicale vergaderingen ook nog de gemeente te bezoeken door inspecteurs of superintendenten, waarop de synode antwoordde „dat het onnoodich ende zorghelick is”, maar opdat er niet alleen lang overdachte preeken gehouden zouden worden op de classicale vergaderingen, „zo salt in des Classis macht staen, (alst noodich is) hen eenen text te geven, om des anderen daeghs een predicatie daerouer te doene.”

Op de Nat. Synode van Den Haag werd nogmaals op het houden eener „corte predicatie” aangedrongen, terwijl aan de visitatores werd opgedragen somwijlen de preeken der dienaren te gaan hooren. Vooral in de dagen der Remonstrantsche twisten kon een classicale preek goede diensten bewijzen. Het is dan ook te verstaan, dat de Nationale Synode van Dordrecht (1618/19, Art. 41) de bepaling van vroeger overnam in deze woorden: „De Dienaer, dien ’t inde voorgaende classe opgheleydt was, sal een corte predicatie uyt Gods Woord doen, van welcke die andere oordeelen, ende soo daer yet in ontbreect, aenwijsen sullen.” Door deze bepaling kon de classis vrijstelling geven, vooral aan oudere dienaren des Woords, aan wie niet veel te verbeteren viel, en kon zij, in het bijzonder aan jonge predikanten of aan hen voor wie zij het noodig keurde, opleggen eene predikatie te houden.

In lateren tijd, toen de opleiding beter was geworden, is langzamerhand de classicale preek afgeschaft. In de classis Utrecht bleef zij gebruikelijk tot 1726, terwijl zij in de classis Dordrecht tot het laatst van de achttiende eeuw in zwang bleef. In de kerken der Scheiding werd in den eersten tijd, en zoo ook in de eerste jaren na de Doleantie, de classicale preek hier en daar gehouden, doch werd weldra afgeschaft. In overeenstemming hiermede werd ook de bepaling in de Kerkenordening bij de herziening in 1905 afgeschaft.

|148|

Ongetwijfeld heeft het houden eener classicale preek een goede zijde. Het kan vooral in tijden, waarin de opleiding zwak is, en waarin strijd is over de leer der kerk, van nut zijn om toezicht te houden op het stichtelijke en het profijtelijke der prediking. Bovendien kunnen de predikanten, die zeer zelden de gelegenheid hebben anderen te hooren prediken, met het werk van een ander en met de opmerkingen, die gemaakt worden, winst doen. Een broederlijke kritiek kan tot leering zijn voor de predikanten, en ook de ouderlingen leeren om goede kritiek te oefenen.

Maar de bezwaren zijn niet gering: 1° Het hoofddoel, de bevordering van de zuiverheid der leer, is er moeilijk door te bereiken. Zij die welbewust afwijken zullen wel zorg dragen, dat dit in de korte predikatie niet blijkt. 2° De korte predikatie voor de classis is geen normale preek, die men voor de gemeente houdt. De prikkel, de goede toon en de bezieling zal licht ontbreken, en 3° loopt men bij de beoordeeling van eene preek op de classis licht gevaar, dat de uitgebrachte kritiek door de gemeente gehoord wordt, en daardoor schadelijk werkt voor het rechte vertrouwen van den predikant in de gemeente 1).

Een ander middel, waardoor de classis toezicht houdt op de leer, is de toelating tot den dienst des Woords.

De classis deed oudtijds zeer veel voor de voorziening in eene vacante plaats. Zij droeg zorg, dat in de onderscheidene kerken de bediening des Woords werd ingesteld, zond daartoe, zoo noodig, een dienaar, of gaf hare toestemming tot de beroeping, of gaf aan de beroeping hare goedkeuring. In den eersten tijd van het vrijgemaakte kerkelijk leven was een sterke bemoeienis van de classen met de zaken der plaatselijke kerk noodig, omdat er vaak weinig geoefende ouderlingen waren, en de vastheid in de Gereformeerde belijdenis gering was. Langzamerhand evenwel trok de classis, toen de kennis van de Gereformeerde leer toenam en het kerkelijk leven meer geordend was, zich meer en meer terug. Daarom werd ook de uitdrukking, dat de dienaren des Woords verkozen zullen worden door de consistorie „met het oordeel ende goetduncken” der classis, zooals te Emden 2) en ook in latere kerkenordeningen werd bepaald, in 1618 veranderd in „niet sonder voor-weten ofte advijs van den classe.”

Slechts zelden deed een kerkeraad eene zelfstandige keuze. Behalve de toestemming der classis werd bij de keuze van een predikant in vele gevallen ook de goedkeuring van de overheid geëischt 3). Wanneer in eene kerk een vacature was, kwam de kerkeraad, zooals te Dordrecht


1) Dr Rutgers, Kerkel. Adviezen I. 300—306.
2) Art. 13.
3) Acta van Middelburg 1581, Art. 4; 1591, Art. 3; Hooyer, Oude Kerkenordeningen, bl. 365; H.E. v. Hoffmann, Das Kirchenverfassungsrecht, 1902, S. 100.

|149|

geschiedde, tot de overheid met het verzoek om een nieuw beroep te mogen doen, en nadat de handopening verkregen was volgde de beroeping door een gemengde commissie van politieke en kerkelijke heeren, of, zooals op andere plaatsen, door den kerkeraad. Soms kwamen de kerkeraden met het verzoek om handopening bij de classis, en deze maakte de zaak van het tractement bij de overheid in orde, en gaf toestemming tot de beroeping, welke mede aan hare goedkeuring was onderworpen 1).

Thans nu er geen financieele band tusschen de Gereformeerde kerk in Nederland en de overheid meer is, is de plicht, om handopening bij de classis of de overheid te vragen, vervallen. De plaatselijke kerk kan hare eigen zaken regelen en haar eigen predikant beroepen. Dit neemt echter niet weg, dat de classis, uit kracht van het kerkverband, het recht bezit om toezicht te houden op de beroeping. Van 1571 af hebben de Gereformeerde kerken dit in de kerkenordening gesteld. Er moet waarborg zijn, dat de dienaar des Woords niet willekeurig opgedrongen wordt aan de gemeente, dat hij geschikt en bekwaam is voor den arbeid in de gemeente, dat hij instemt met de belijdenis en de ordeningen der kerk. Daartoe is aan de classicale vergadering het recht gegeven den aanstaanden dienaar te examineeren, en toestemming en machtiging te verleenen tot het predikambt.

Bij de beroeping en de zending der predikanten behoort er dus eene samenwerking te zijn tusschen de plaatselijke kerk en de classis. In de Schotsche kerken wordt het recht van de classis bijzonder streng geaccentueerd. Daar is het leidend beginsel, dat de verkiezing behoort bij de gemeentevergadering, maar onder de leiding van de classis of van eene commissie uit de classis. Geen enkele stap mag worden gedaan, tenzij een lid van de classis tegenwoordig is om leiding te geven. De keuze van een dienaar des Woords of van een ouderling is verder onderworpen aan de goedkeuring van de classis (presbytery), en wordt onveranderlijk gehandhaafd, tenzij wettige bezwaren worden ingebracht. Voorts heeft ook de indienststelling plaats onder leiding van den moderator der classis 2). Het kerkverband, dat in Schotland wel wat heel sterk op den voorgrond treedt, moet bij de beroeping en de toelating tot den dienst des Woords wel ter dege gehandhaafd worden, maar met behoud van de zelfstandigheid der plaatselijke kerk. De plaatselijke kerk mag niet een predikant in het ambt zetten zonder goedkeuring en medewerking van de classis en de deputaten der particuliere synode. De classis onderzoekt den beroepen dienaar, en laat hem toe


1) Bachiene, Kerkel. Geographie I. 121; II. 9; III. 7.
2) The Practice of the Free Church of Scotland, 1912, p. 121.

|150|

tot de ambtelijke bediening. De classis geeft, wanneer het peremptoir examen gunstig is verloopen, vergunning aan den geslaagde de ambtelijke bediening uit te richten. Zij geeft daartoe een opdracht van dezen inhoud: „Weshalve wij in den naam van onzen Heere Jezus Christus, volgens Gods Woord, de Formulieren van eenigheid en de aangenomen kerkenorde, u met volle vrijmoedigheid macht en last geven, om, na behoorlijke bevestiging het Evangelie te prediken, en al datgene te verrichten, wat tot het herders- en leeraarsambt behoort.” De toelating tot den dienst des Woords door de classis is dus gelijk aan het openen van een deur, welke toegang verschaft tot het huis, en door de bevestiging treedt de beroepene het huis binnen.

Wat de classis, de kerkeraad en de gemeente doen bij de instelling in het ambt, mag niet van elkander gescheiden worden. In een zeer bijzonder geval, wanneer het samenleven in het kerkverband niet mogelijk is, kan de kerkeraad zelf iemand in het ambt zetten, zonder medewerking van andere kerken. Maar in een geordend kerkelijk leven werkt de meerdere vergadering samen met den kerkeraad in de beroeping van een predikant. De kerkeraad en de gemeente roepen tot de bediening, maar alleen uit hen, die wettig door de kerken in meerdere vergadering beroepbaar verklaard zijn; de classis examineert en laat na welgeslaagd onderzoek toe tot den dienst; de gemeente approbeert en de beroepen leeraar wordt volgens de orde der kerken temidden van de vergaderde gemeente ingeleid in de ambtelijke bediening.

In bijzondere gevallen kan de classis alleen zenden.

Art. 4 der kerkenordening van 1618 bepaalde „dat de oplegging der handen zal mogen gedaan worden in de classicale vergadering aan den nieuwen gepromoveerden dienaar, die gezonden wordt in de kerken onder ’t kruis.” Zulk een dienaar had in de kerken onder het kruis geen vast verblijf, kon zich niet binden aan een plaatselijke kerk, en daarom was er van een roeping in een kerk onder het kruis geen sprake. Om die reden geschiedde, wijl de kerken niet wilden dat de zending en de bevestiging achterwege bleven, de zending en de handoplegging in de classicale vergadering.

Ook het uitzenden van dienaren des Woords naar het zendingsveld geschiedde oudtijds wel in de vergadering der classis. De Oost-Indische Compagnie wendde zich tot de classis of de kerkeraden, in ’t bijzonder tot die van Amsterdam en Walcheren, waar zij hare voornaamste kamers had, en deze behartigden de zaken der zending. In de classis Amsterdam geschiedde de beroeping en de uitzending van predikanten voor de zending door de classis zelve of ook door den kerkeraad van Amsterdam, aan wien de bevestiging werd opgedragen. In Zeeland geschiedde de examinatie, de bevestiging en de instrueering door de

|151|

classis, terwijl ook de classis Delft zelve beriep en uitzond. Voetius is van oordeel, dat de plaatselijke kerk ten volle bevoegd is de dienaren en dus ook de missionaire dienaren te zenden. De zending is naar haar wezen het recht der plaatselijke kerken. Maar ook meerdere kerken kunnen samenwerken op voet van gelijkheid. Practische overwegingen moeten beslissen of de zending geschiedt door de meerdere vergaderingen of door de kerkeraden. Niet alleen kunnen de kerken in meerdere vergaderingen samenwerken voor de regeling en de bestrijding der kosten van de zending, maar in bijzondere gevallen, vooral wanneer de plaatselijke kerken niet actief optreden, kan ook de zending en de handoplegging, naar den regel van het kerkverband, op eene meerdere vergadering geschieden. De beste methode is, dat eene plaatselijke kerk beroept en zendt, zij het al of niet met steun en medewerking van eene classis of provinciale synode.

Zeer gewichtig is de werkzaamheid der classis bij de beroeping en het ontslag der predikanten. De synode van Dordrecht (1574, Art. 16) besloot „dat gheen Dienaer wt de classe, daer hij in is, vertrecken en mach in eene andere kercke, sonder eerst van syner classe oorlof vercreghen te hebben.” De gewone orde was oudtijds, dat een dienaar des Woords, van zijne gemeente met toestemming van de classis losgemaakt, ook niet verder verbonden was aan de classis 1). De classis hechtte hare goedkeuring aan de handeling des kerkeraads en ver­leende daarna zelve ook de acte van ontslag. Zoo schreef de classis Neder-Veluwe naar de kerk van Steenwijk, dat de door haar beroepen predikant Joannes Vosculius wel wilde komen naar Steenwijk, maar dat de classis hem niet wilde laten gaan. De classis Harderwijk besloot in 1609, dat Ds à Méhen, die naar Delft beroepen was, nadat zij de redenen, door de kerk van Delft en van Harderwijk aangegeven, overwogen had, niet mocht gaan. Deze machtsoefening der classis bij de dimissie van predikanten is oudtijds wel eens zeer overdreven. Noodzakelijk echter is de approbatie van beroepingen door de classis, opdat de orde en het toezicht op de leer gehandhaafd blijve. Evenwel ligt de beslissing over het vertrek des dienaars niet bij de classis maar bij den dienaar zelf.

Evenals bij het vertrek van een predikant moet de classis ook optreden bij de intrede van den beroepen dienaar in zijn nieuwe standplaats. Vóór de bevestiging geschieden kan, moeten eerst door de classis, waaronder de roepende kerk behoort, de verschillende stukken: de beroepsbrief, de acte van ontslag, met al de vereischte getuigschriften aangaande belijdenis en wandel, zijn gezien en accoord bevonden.


1) Acta van Middelburg, Part. Vr. 14.

|152|

In de Schotsche kerken heeft de moderator van de classis de leiding bij beroeping, intrede en afscheid van den predikant, maar in de Gereformeerde kerken in Nederland houdt de classis alleen toezicht. Bij de verleening van het emeritaat evenwel moet de classis hare goedkeuring verleenen. De censuur over de kerkedienaren staat evenwel geheel aan de classis. Het recht van afzetting en rehabilitatie behoort daarom aan de classis, omdat de predikant mede door de classis in het ambt is gezet, en opdat alle willekeurige handelingen zoowel van de zijde des kerkeraads als van den predikant worden vermeden.

Het toezicht van de classis over de afzonderlijke kerken blijkt ook in het stellen van een reeks van vragen aan de afgevaardigden der kerken op de classicale vergaderingen. De synode van Emden stelde, in navolging van de kerkenorde van De Paltz en van de Oost-Friesche Coetus, dezen regel 1): „Nadat de president der classis het gebed zal hebben gedaan zal hy elk in ’t byzonder vragen, of zy consistoriale samenkomsten in haare kercken houden? of die kerkelyke straffe in haaren zwang gaat? of zy eenigen strijd hebben met eenige ketters? of zy eenigen twyffel hebben in eenig hoofdstuk der leere? of men zorg draagt voor de armen, en over de schoolen? of zy tot regeering der kerken der andere dienaren raad en hulp behoeven, en diergelyke dingen meer.” De praeses doorliep oudtijds in gevolge van deze bepaling in den regel de kerkenordening en vroeg zeer uitvoerig naar den toestand der kerken. Nadat de synode van Middelburg (1581) besloten had tot het aanstellen van kerkvisitatoren, en de kerkelijke toestand beter geregeld was, behoefde dit onderzoek op de classis niet meer zoo breed gehouden te worden. Toch blijft dit onderzoek nog steeds van groote beteekenis. De classis bezit het recht van onderzoek, en de afgevaardigden der kerken hebben de verplichting oprecht en openhartig op de gestelde vragen te antwoorden.

De kerkenordening van de Gereformeerde kerken (art. 41) noemt slechts enkele beteekenisvolle stukken. Wanneer de classis het noodig keurt, mogen er wel meer vragen gedaan worden. Ook kan de classis in hare regeling deze vragen meer specialiseeren en nader uitwerken in verband met de bijzondere behoeften en omstandigheden. De laatste vraag, in art. 41 gesteld, is evenals de vragen, die van de zijde der gemeenten op de vergadering van de classis gebracht worden, daarop gericht dat de onderscheidene kerken elkander steunen en met raad en daad elkander bijstaan. De kerkeraden staan soms voor moeilijke ge­vallen, waarover het rechte licht ontbreekt, en daarom wenden zij zich tot de classis om advies. Noodzakelijk is het vragen van advies wanneer


1) Acta c. II. Art. 2.

|153|

de kerkeraad het noodig acht, dat een lid der gemeente onder de openbare censuur moet worden gesteld, gelijk Art. 76 der kerkenordening voorschrijft. Deze bepaling is niet gemaakt om inbreuk te maken op de autonomie der plaatselijke kerken — en zij maakt daarop ook geen inbreuk — maar zij dient om misbruik en verkeerde toepassing van de tucht te voorkomen, om het recht van de leden der kerk te verzekeren, om de gelijkheid in het toepassen van de tucht te bevorderen, en om meer waarborg te hebben, dat in de kerken naar den regel der H. Schrift gehandeld wordt. Het vragen van advies aan de classis beteekent niet, dat de classis een bepaald geval moet onderzoeken, evenals de kerkeraad deed, en om dan een uitspraak te doen, gelijk als de kerkeraad doen moet. De classis heeft de omstandigheden te hooren en nadat zij deze gehoord heeft, benevens de motieven, die de kerkeraad aanvoert, kan zij een raad geven. In geval van appèl evenwel kan het noodig zijn, dat de classis een onderzoek instelt naar de geheele zaak.

Tot de werkzaamheden der classis behoort ook de zorg voor de vacante kerken. Van de Reformatie af hebben de kerken deze verplichting verstaan, en hebben daarvoor de vacaturebeurten geregeld, welke regeling — voor zooveel zij uit de 17de en de 18de eeuw is — in de classicale handboekjes is opgenomen. In de kerkenordening werd daarvoor geene bepaling opgenomen, omdat deze regeling niet behoort tot het werk der synode, maar der classis. De grond, waarop die verplichting rust, ligt niet in een besluit der kerkelijke vergadering, maar in het kerkverband. De eenheid der kerk moet ook daarin blijken, dat de onderscheidene kerken elkander steunen en in geval van nood elkander helpen, en daartoe ook haren dienaar zoo nu en dan afstaan voor de bediening des Woords en der sacramenten. Al is het waar, dat een predikant geheel en uitsluitend aan zijne eigene plaatselijke kerk verbonden is, mag eene kerk niet zoo eigenlievend zijn, om haren dienaar geheel en al voor zich zelve te houden, maar zij heeft de roeping om hem zoo noodig ook eens aan een hulpbehoevende kerk ter leening af te staan.

De classis regelt de vacaturebeurten, maar legt dezen dienst niet aan de vacante kerken op. De classis zorgt niet zelve voor de diensten in eene vacante kerk, daarbij doende wat des kerkeraads is, maar het is en blijft uitsluitend de roeping des kerkeraads eener vacante kerk om voor den dienst des Woords en der sacramenten te zorgen, zoodat indien de kerkeraad bij machte is zelf geheel voor de bediening des Woords en der sacramenten te zorgen, zonder hulp der classis, hij niet verplicht is de vervulling van de vacaturediensten van de classis te vragen. In het afgetrokkene kan men dan ook wel zeggen, dat de kerkeraad eerst zelf moet trachten in de behoeften voor den dienst te

|154|

voorzien, doch in den regel is de plaatselijke kerk daartoe niet in staat. Een kerkeraad zou zich ook wel met leesdienst of met een oefenaar kunnen behelpen, maar dit is voor de stichting eener kerk niet wenschelijk. De kerkeraad is verplicht te zorgen, dat zooveel mogelijk de geregelde bediening des Woords in de gemeente plaats heeft, en wijl dit in den regel in eene vacature niet kan zonder de hulp der classicale kerken, is eene classicale regeling der beurten een vereischte. De kerkeraad is er dus niet toe verplicht in het geval, dat hij buiten de classis om genoegzaam hulp van buiten kan verkrijgen, steun van de classis te vragen, maar hij is er wel toe verplicht, indien hij zonder dezen steun de gemeente, meer dan noodig is, van den eigenlijken dienst des Woords zou moeten verstoken laten. En de classis heeft er op toe te zien, dat de kerkeraad zoo goed mogelijk zorgt voor de geregelde bediening des Woords en de sacramenten 1).

Is een predikant wel gerechtigd voor het waarnemen van een vacaturedienst een honorarium aan te nemen. Men zou kunnen zeggen, dat de kerkeraad zijn eigen dienaar voor een Zondag of voor een dienst afstaat aan een naburige gemeente, en dat dus een predikant, die door zijn eigen gemeente gesalarieerd wordt, geen aanspraak mag maken op het ontvangen van een honorarium voor het verrichten van een dienst in eene andere kerk. In sommige buitenlandsche kerken is het geen gebruik zulk een dienst in een vacante kerk te honoreeren. Men vergoedt daar alleen de reiskosten. Doch hiertegen is als bezwaar aan te voeren, dat eene vacante kerk niet zoo licht hulp van buiten kan ontvangen. En in de tweede plaats zou, indien eene vacante kerk zonder eenige vergoeding de hulp der classicale predikanten kon ontvangen, de offervaardigheid in die kerk licht verminderen, terwijl in de derde plaats het geval zich zou kunnen voordoen, dat eene vacante kerk niet zou zorgen zoo spoedig mogelijk de ledige plaats te vervullen. Ook is wel de gedachte uitgesproken, dat de gelden voor de vacaturediensten in de kas der kerk, die zijne dienaar afstond, zouden moeten worden ge­stort, en dat deze kerk dan de vrije beschikking had over de bestemming dier gelden. Doch ook hiertegen zou als bezwaar gelden dat de kerk, die zijn dienaar afstond, hetgeen als honorarium gegeven werd toch wel aan zijn predikant zou afstaan, of zoo zij dit niet deed, dit niet tot het welzijn der vacante kerk zou dienen, daar misschien de bereidheid tot hulp verzwakken zou. Nu is het waar, dat een predikant geen loondienaar mag zijn. Maar wijl de tractementen in den regel niet overvloedig zijn, is het voor menig predikant, vooral wanneer hij een talrijk gezin heeft te onderhouden, niet onwelkom een bijverdienste


1) Rutgers, De Heraut, No. 883, 889.

|155|

te ontvangen. Daarom is het, vooral wijl het geen beginsel raakt, meer aan te bevelen den bestaanden toestand, dat een predikant voor het vervullen van een vacaturedienst een honorarium ontvangt, zoo te laten, en de inkomsten van een predikant, voortvloeiend uit een vergoeding voor een vacaturedienst, niet te beknibbelen.

Een eigenaardige regeling geldt in dezen in de Ned. Hervormde kerk. De pastorie-goederen, dienende tot onderhoud van den pastor, staan rechtstreeks onder het beheer van een predikant, of, diens plaats vacant zijnde, onder dat van den Ring, die optreedt als pastor loci door den consulent. Een vast gedeelte daarvan is bestemd voor de waarneming der vacaturediensten.

In de laatste vergadering vóór de particuliere synode heeft de classis, behalve de gewone werkzaamheden nog tot taak de verkiezing van de afgevaardigden ter particuliere synode en het bespreken en het doorzenden van de voorstellen naar de synode. Het is niet gewenscht deze afgevaardigden naar toerbeurt aan te wijzen in plaats van door stemming. Immers niet alle predikanten en ouderlingen zijn geschikt om de kerken ter synode te representeeren. Zij kunnen wel zeer geschikt zijn voor hun ambtelijk werk, maar niet altoos geschikt voor de behandeling van gewichtige kwesties van kerkregeering. Dit blijkt vooral duidelijk wanneer, zooals dit op de synode van Dordrecht het geval was, diep ingrijpende kwesties der belijdenis moeten behandeld. Om die reden is het aan te bevelen, dat de meest bekwame en ervarene broeders afgevaardigd worden.

g. Aan het einde der classicale vergadering wordt een censura morum gehouden over degenen, die iets strafwaardigs in de vergaderingen gedaan hebben. Niet alleen oefent dus de classicale vergadering tucht over hen, die, volgens ingebrachte klachten, in leer of leven zich hebben misgaan, maar ook over hen, die in de vergadering iets strafwaardigs hebben bedreven. Het is noodig, dat het verkeerde, dat is misdreven, naar eisch van Gods Woord wordt bestraft, dat alle ban worde uit den weg geruimd, opdat de leden der vergadering als broeders kunnen scheiden, en verwacht mag worden dat de arbeid der vergadering onder Gods zegen tot welzijn der kerken kan dienen.

Wanneer nu de werkzaamheden zijn beëindigd, worden de acta der vergadering gelezen, opdat kan worden geconstateerd, dat de besluiten in den juisten vorm zijn opgeteekend. Daarna wordt de vergadering met dankzegging gesloten.

h. Een integreerend deel van de classicale vergadering was oudtijds de classicale maaltijd. Interessante bijdragen kan men hierover vinden bij Bachiene, Kerkelijke Geographie; Schotel, De Openbare eeredienst; Dr S. Cuperus, Kerkelijk leven in Friesland; Groninger Volks-Almanak

|156|

van 1843; Acker en Stratingh, Bijdragen voor de Gesch. en Oudheidk. van Groningen; Vos, Amstels Kerkelijk leven, bl. 278, enz. De classicale maaltijd werd in sommige classen door de leden betaald, in andere uit de kas der classis. De regeering gaf den wijn. Uit de rekeningen blijkt dat de maaltijd zelf niet overdadig was, maar dat er wel eens veel bier en wijn gebruikt werd. Werd in Amsterdam niet bijzonder veel wijn gebruikt, voor 170 gulden per jaar, in andere classen was men gewoon nog al ruim gebruik te maken van den drank. In de classicale ver­gadering den 25 Sept. 1665 te Appingedam werd vastgesteld, dat ieder tegenwoordige broeder „voor de Cost niet meer sal gehouden zyn te betalen als acht st., en 5 voor bier. Edoch tempore visitationis, dewyle men dan lautius behoort getracteert te worden, voor de Cost 12 st., sonder dat yemant in een ander camer sal mogen drincken.” „De absenten sullen elcke vergaderinge 12 st. voor de verteeringe, en 6 st. voor de absentie als breucke den Fisco classis betalen.” De Friesche classes waren om hare maaltijden berucht. Dit zou niet het geval geweest zijn, ware men in het drinken even sober geweest als in het eten. „Maar door een overvloedig gebruik van alcoholica zijn de maaltijden dikwijls ontaard in dronkemanspartijen. Vooral na gehouden examen, goedgekeurd beroep en verleende dimissie ging het vaak lustig toe, en kwam het tot grove uitspattingen. Door snarenspel werd, tot groote ergernisse van veelen, soms de feestvreugde verhoogd. Van „groote verteringe, lasterlyck slempen en ergerlycke excessen” bij die gelegenheden wordt in classicale synodale acten herhaaldelijk gewag gemaakt. En het moest heel bont toegaan, eer de censor morum het geval ter sprake bracht.” Wel maakten de classes zelf soms strakke bepalingen omtrent de hoeveelheid wijn, die gedronken mocht worden, maar deze voorschriften droegen meer het karakter van bezuinigingsmaatregelen dan van pogingen om uitspattingen te voorkomen 1). Een treffend voorbeeld hoe het toeging op den classicalen of den zwarten maaltijd levert de beschrijving van wat Ds S. van Velzen wedervoer op de classicale vergadering van Dokkum 2). Gelukkig behooren deze dingen tot de geschiedenis.


1) Cuperus, Kerkelijk leven in Friesland, bl. 62.
2) Offic. stukken, 1863, II. 177-181.