Drimmelen, L.C. van e.a. (2004)

(red.)
Kerk en recht [onderdelen]
Utrecht
Uitgeverij Lemma B.V.
2004

ISBN: 

90-5931-217-1

Overheid-Particulier Initiatief Reeks 4

Drimmelen, L.C. van e.a. (2004) Vw

5-6

|5|

Voorwoord

 

 

 

Kerk en recht.
Deze combinatie van begrippen is voor velen binnen en buiten de kerk een onmogelijke. Kan geloofsleven geregeld worden? Moet religie niet juist vrij zijn van elke vorm van wetgeving?
Hoe dan ook, vrijwel alle christelijke geloofsgemeenschappen in ons land hebben zich als kerken georganiseerd en zij hebben elk voor zich een kerkorde opgesteld. Bovendien hebben kerken te maken met de regels van het burgerlijk recht, zodra zij als rechtspersonen deelnemen aan het burgerrechtelijk rechtsverkeer. En in de derde plaats hebben kerken een eigen positie in de maatschappij en ten opzichte van de staat.
Op elk van deze drie aandachtsvelden komen beoefenaars van het kerkelijk recht en van het wereldlijk recht – ‘canonisten’ en ‘legisten’ – elkaar tegen. En dan blijkt nogal eens hoe de meesters ‘in de beide rechten’ sinds de Middeleeuwen uit elkaar zijn gegroeid en moeite hebben om elkaar te verstaan.

De bundel artikelen die u in uw hand heeft is gegroeid vanuit een serie colleges over kerk en recht, die sinds 1991 gezamenlijk verzorgd wordt door de juridische en de theologische faculteit van de Vrije Universiteit te Amsterdam. De bundel is een poging om de beide soorten juristen beter ‘on speaking terms’ te krijgen. Of dat gelukt is kunt u zelf beoordelen. Complicerend is dat in het boek zowel kerkjuristen als andere juristen met verschillende achtergronden aan het woord komen. In het boek wordt dan ook niet één specifieke opvatting over de verschillende onderwerpen verondersteld.

Geopend wordt met een verhandeling over kerkrecht/kerkelijk recht als theologisch (Van Drimmelen) en als juridisch vak (Van der Ploeg). Daarop aansluitend volgen in de rubriek ‘kerk, staat en maatschappij’ een artikel over kerkelijk recht en wereldlijk recht (Hallebeek) en een drietal bijdragen over de verhouding tussen kerk en staat: historisch (De Bruijn), bezien vanuit de mensenrechten (Vermeulen) en staatsrechtelijk (Sap).

|6|

Het deel over het ‘kerkelijk recht en burgerlijk recht’ bevat een bijdrage over deelname van kerkgenootschappen aan het burgerrechtelijk rechtsverkeer (Van der Ploeg), over de rechtspositie van priesters en predikanten (Van der Ploeg), over fusie en splitsing van kerkelijke rechtspersonen (Van Drimmelen, Van Kooten en Van der Ploeg) en over de burgerlijke rechter in kerkelijke conflicten (Oldenhuis en Santing-Wubs).
Het derde deel gaat over ‘kerkrecht in de praktijk’ en begint met een uiteenzetting over de verschillende systemen volgens welke de christelijke kerken zijn georganiseerd (Van Drimmelen) en over de bronnen van positief kerkrecht (Van Drimmelen). Vervolgens wordt aandacht geschonken aan de bevoegdheidsverdeling binnen enkele kerkgemeenschappen (Van der Ploeg, Meijers en Van Drimmelen), aan de organisatorische structuur van de rooms-katholieke parochie (Van der Helm) en de reformatorische gemeente (Van Drimmelen), aan het vermogensbeheer (Meijers, Van Drimmelen), aan de kerkelijke armenzorg (Van Drimmelen, Van Oosten) en aan de interne kerkelijke rechtspraak (Koffeman).

 

Achter in het boek zijn een trefwoordenregister en een jurisprudentieregister opgenomen.
Op deze wijze wordt geprobeerd een panorama te geven van de wereld van het kerkelijk recht met de bedoeling dat u er – ook al is het maar een beetje – de weg in kunt vinden.

 

Amsterdam, oktober 2003

 

L.C. van Drimmelen
T.J. van der Ploeg

Drimmelen, L.C. van e.a. (2004) Inh

|7|

Inhoud

 

 

 

1a Kerkrecht; een theologische benadering — 15
L.C. van Drimmelen

1a.1 Inleiding — 15
1a.2 Guter Jurist, böser Christ — 16
1a.3 Achtergrond van het kerkrecht — 17
1a.4 Kerkrecht als theologische én juridische discipline — 18
1a.5 Kerk in het Nederlands recht — 19
1a.6 Kerkrecht als exemplarisch recht — 20

1b Kerk en recht; een juridische benadering — 23
T.J. van der Ploeg

1b.1 Het begrip kerkrecht en het recht — 23
1b.2 De plaats van kerk en kerkrecht ten opzichte van het ‘positieve recht’ — 24
1b.3 Het kerkgenootschap als een bijzonder rechtspersoon — 25
1b.4 Een conflict tussen kerk en recht? — 25
1b.5 De taak van de staat en van de kerk — 26
1b.6 De basis voor de rechtspersoonlijkheid van de kerk — 26

 

Deel I Kerk, staat en maatschappij — 29

2 Kerkelijk recht en wereldlijk recht — 31
J. Hallebeek

2.1 Inleiding — 31
2.2 De Oude Kerk — 33
2.3 De Gregoriaanse kerkhervorming — 36

|8|

2.4 De leer van de kerk als societas perfecta — 37
2.5 Het regalisme — 38
2.6 De Reformatie — 42
2.7 De scheiding van kerk en staat en de vrijheid van godsdienst — 44
2.8 De huidige situatie — 45

3 Kerk en staat - historisch. De verhouding tussen kerk en staat in Nederland (1579–2003) — 49
J. de Bruijn

3.1 Inleiding — 49
3.2 De Republiek — 49
3.3 De Franse tijd — 53
3.4 Het Koninkrijk — 56
3.5 De periode vanaf 1848 — 58
3.6 De confessionele reactie — 60
3.7 De verzuiling — 63
3.8 De secularisatie — 65

4 Kerk en staat en de mensenrechten — 69
B.P. Vermeulen & M.J. Kanne

4.1 Inleiding — 69
4.2 De verhouding tussen kerk en staat: product van de godsdienstoorlogen — 69
4.3 Drie kerk/staat-modellen — 70
4.4 De ontwikkeling in Nederland — 72
4.5 De kerk als collectief, drager van de godsdienstvrijheid — 73
4.6 De vrijheid van godsdienst — 76
4.7 De beschermde uitingsvormen; interpretatieve terughoudendheid — 78
4.8 Collectieve godsverering — 80
4.9 Organisatievrijheid — 84
4.10 Samenhang met het gelijkheidsbeginsel: scheiding van kerk en staat — 87

|9|

5 Kerk en staat vanuit het staatsrecht. Meer respect voor de publieke dimensie van godsdienst — 93
J.W. Sap

5.1 Inleiding — 93
5.2 Scheiding tussen kerk en staat, historisch bezien — 95
5.3 De kerk in bredere zin — 98
5.4 Het geloof van de overheid — 101
5.5 Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging — 105
5.6 Beperkingen van de vrijheid — 108
5.7 Overheidsgebruiken — 112
5.8 God in de troonrede — 115
5.9 Conclusie — 117

 

Deel II Kerkelijk recht en burgerlijk recht — 121

6 De kerken in het privaatrecht — 123
T.J. van der Ploeg

6.1 Het kerkgenootschap als rechtspersoon en andere kerkelijke rechtspersonen — 123
6.2 Oprichting en kenbaarheid van een kerkelijke rechtspersoon — 127
6.3 Andere rechtsvormen voor religieuze organisaties — 129
6.4 Vertegenwoordiging — 132

7a Fusie en splitsing van kerkgenootschappen. Volgens het kerkelijk recht — 137
L.C. van Drimmelen

7a.1 Inleiding — 137
7a.2 Kerkelijke regelingen betreffende fusie, opheffing en splitsing — 140

|10|

7b Fusie en splitsing van kerkgenootschappen. Civielrechtelijke aspecten — 145
T. van Kooten & T.J. van der Ploeg

7b.1 Inleiding — 145
7b.2 Fusie — 146
7b.3 Splitsing van kerkgenootschappen — 147
7b.4 Kerkscheuring — 151
7b.5 Omzetting — 154
7b.6 Opheffing van gemeenten en parochies — 157

8 De rechtspositie van priesters, predikanten en andere voorgangers — 159
T.J. van der Ploeg

8.1 Inleiding — 159
8.2 Aanstelling — 160
8.3 Verkeert de voorganger in een gezagsverhouding? — 165
8.4 Het verschil tussen een arbeidsovereenkomst en een overeenkomst van opdracht — 167
8.5 De dubbele betrekkign tussen de voorganger en zijn godsdienstige organisatie — 168
8.6 De beëindiging van de rechtsverhouding met de voorganger — 171

9a Kerkelijke geschillen; de burgerlijke rechter en kerkelijke conflicten — 175
F.T. Oldenhuis

9a.1 Inleiding — 175
9a.2 ‘Arbeids’-conflicten tussen predikant en kerkgenootschap — 177
9a.3 Intern appelrecht als voorwaarde voor ontvankelijkheid — 181
9a.4 Foutief gedrag door of namens kerkgenootschappen en haar leden — 184
9a.5 Conclusie — 187

|11|

9b Kerkelijke geschillen; de burgerlijke rechter en geloofskwesties — 189
A.H. Santing-Wubs

9b.1 Inleiding — 189
9b.2 Kanttekeningen bij ‘Hasselt’ — 192
9b.3 Conclusie — 197

 

Deel III Kerkrecht in de praktijk — 199

10 Typen van kerkelijke organisatie — 201
L.C. van Drimmelen

10.1 Inleiding — 201
10.2 Hoofdlijnen — 202
10.3 Rubricering — 205
10.4 De drie typen in de praktijk — 206

11 Bronnen van positief kerkrecht — 215
L.C. van Drimmelen

11.1 Inleiding — 215
11.2 De rooms-katholieke kerk — 217
11.3 De Nederlands hervormde kerk — 221
11.4 De gereformeerde kerken in Nederland — 224
11.5 De protestantse kerk in Nederland — 226

12 De bevoegdheden van kerkelijke organen — 231
T.J. van der Ploeg, A.P.H. Meijers & L.C. van Drimmelen

12.1 Inleiding — 231
12.2 De rooms-katholieke hiërarchie — 234
12.3 Bevoegdheidsverdeling in de protestantse kerk in Nederland — 244
12.4 Burgerlijk rechtelijke kanttekening bij de kerkelijke organisatie — 251

|12|

13a De rooms-katholieke parochie — 255
A.J.M. van der Helm

13a.1 Inleiding — 255
13a.2 De parochie in het canonieke recht — 255
13a.3 korte ontstaansgeschiedenis van de parochie — 257
13a.4 Parochie en rechtspersoonlijkheid — 259
13a.5 De parochie in kerkelijk publiekrecht — 261
13a.6 De gemeenschap als constitutief element van de parochie — 262
13a.7 De oorsprong van het Algemeen Reglement — 264
13a.8 De pastoor als voorzitter van het bestuur — 265
13a.9 Het pastoraat en het beheer van de materiële goederen — 267
13a.10 Democratie in de parochie — 268
13a.11 Kracht aan de basis — 268

13b De reformatorische gemeente in juridisch en organisatorisch opzicht — 271
L.C. van Drimmelen

13b.1 Inleiding — 271
13b.2 De hervormde gemeente en de protestantse gemeente — 273
13b.3 De gereformeerde kerk — 276
13b.4 De vrije gemeente — 278

14a Het beheer van het vermogen van een rooms-katholieke parochie — 281
A.P.H. Meijers

14a.1 Het parochievermogen — 281
14a.2 Het canoniek vermogensrecht — 282
14a.3 Het parochiële vermogensbeheer — 283
14a.4 Het Algemeen Reglement — 284
14a.5 Conclusie — 286

|13|

14b Het beheer van het vermogen van een reformatorische gemeente — 289
L.C. van Drimmelen

14b.1 De materiële voorzieningen van de gemeente — 289
14b.2 Van kerkvoogd naar kerkrentmeester — 291
14b.3 Gereformeerde kerken en gereformeerde gemeenten — 297
14b.4 Vrije gemeente — 298

15 De kerkelijke armenzorg — 301
L.C. van Drimmelen & P. van Oosten

15.1 Het recht der armen — 301
15.2 De armen hebt gij altijd bij u — 303
15.3 Rentmeester der armen — 307
15.4 Het diaconaat, een hand van de kerk — 308

16 De kerkelijke rechtspraak — 315
L.J. Koffeman

16.1 Inleiding — 315
16.2 Presbyteriaal-synodaal stelsel — 316
16.3 Historisch perspectief — 316
16.4 Rechtspraak en rechtsbescherming — 318
16.5 Rechtspraak in de GKN — 319
16.6 Rechtspraak in de NHK — 325
16.7 Rechtspraak in de PKN — 329
16.7 Conclusie — 331

Lijst van afkortingen — 335

Jurisprudentieregister — 337

Zakenregister — 341

Over de auteurs — 353

Drimmelen, L.C. van e.a. (2004) 1a

15-22

|15|

1a Kerkrecht; een theologische benadering

L.C. van Drimmelen

 

 

1a.1 Inleiding

Op 27 september 1933 werd door de in Wittenberg samenkomende nationale synode van de Deutsche Evangelische Kirche dominee Ludwig Müller bij acclamatie gekozen tot Reichsbischof en primaat van de Duitse protestantse kerk. De verkiezing was een schijnvertoning. Adolf Hitler had tevoren zijn persoonlijke vertrouwensman in kerkelijke aangelegenheden bestemd om de leider te zijn van de bij uitstek Duitse nationale volkskerk, waarin geen plaats was voor Joden en waarin de Bijbelse verkondiging plaats moest maken voor een op de Duitse volksaard afgestemd christendom. In één keer werd de tot dan toe bestaande federatie van Landeskirchen omgezet in een centralistisch georganiseerde Reichskirche, geleid volgens het ‘Führer-prinzip’.

Deze ingreep van het nationaal-socialisme in het bestaan van de kerk bleef niet zonder reactie. Op instigatie van de Bonner hoogleraar in de theologie, Karl Barth kwam een tegenbeweging op gang, belichaamd in de Bekennende Kirche, die bijeenkwam in de eerste Bekenntnissynode, gehouden van 29 tot 31 mei 1934 te Barmen,1 alwaar de bekende Barmer Thesen werden aanvaard, met als strekking: — de uiterlijke gedaante van de kerk moet uitdrukking zijn van haar innerlijk wezen;
— de kerk is het lichaam van Christus; Christus is Heer en geen andere Führer mag in zijn plaats treden;
— er mag geen discrepantie zijn tussen de orde van de kerk en de belijdenis van de kerk;
— de kerk moet georganiseerd worden in overeenstemming met haar ‘Selbstverständnis’.2


1 Voor een verslag en de voorgeschiedenis van de synode te Barmen zie: G. Niemöller, Die erste Bekenntnissynode der Deutschen Evangelischen Kirche zu Barmen, Göttingen 1959.
2 De volledige tekst van de Barmer Thesen is te vinden in: W. Niesel (uitgever), Bekenntnisschriften und Kirchenordnungen der nach Gottes Wort reformierten Kirche, Zollikon-Zürich tweede druk z.j., p. 333-337.

|16|

Een zintuiglijk waarneembare kerk
De kerk bepaalt zelf haar organisatorische vorm. Die vorm kán die zijn van een vereniging of een stichting zijn maar ook allerlei andere mogelijkheden moeten open staan. Het is daarbij niet voldoende dat de kerk een vorm kiest waarin zij ongehinderd het doel van haar bestaan kan nastreven. De organisatorische gestalte van de kerk is niet iets bijkomstige. De zichtbare gestalte van de kerk is uitdrukking van wat de kerk omtrent zichzelf gelooft. Daarom is een schisma haast onvermijdelijk als men van mening verschilt over de leer omtrent de kerk zelf. Want verschillende opvattingen omtrent de kerk zelf hebben onvermijdelijk gevolgen voor de organisatie van de kerk. Andere godsdiensten zoals de Islam of het Hindoeïsme hebben daar minder last van, omdat die religies niet zo sterk als het Christendom geïnstitutionaliseerd zijn.3 De kerk, als gemeenschap van hen die Jezus Christus volgen, heeft naar haar eigen overtuiging een zintuiglijk waarneembare gestalte. Haar zichtbare gestalte is geen schijngestalte.4 Spiritualistische opvattingen omtrent de kerk hebben meestal onvoldoende oog voor de concreet tastbare zijde van de kerk. Tegen zulke opvattingen moet worden ingebracht dat niets menselijks de kerk vreemd is.
De kerk is op dezelfde wijze als andere organisaties een gemeenschap van mensen met een gemeenschappelijk doel die in een bepaalde verhouding staan tot elkaar en tot de organisatie.

 

1a.2 Guter Jurist, böser Christ

Is echter een gemeenschappelijke geloofsopvatting van de betrokkenen voldoende om een deugdelijk ‘juridisch verantwoord’ organisatorisch systeem mee te bouwen?
De Barmer Thesen zeggen eigenlijk niet veel meer dan de belijdenis ‘Jezus Christus is Heer’, en dat daarom machtsuitoefening van buiten over de kerk onaanvaardbaar is, maar deze belijdenis zegt nog niets concreets over de organisatorische structuur van de kerk. Luther was aanvankelijk zelfs van mening dat de kerk het wel zonder ordening kan stellen. Demonstratief verbrandde hij op 10 december van het jaar 1520 mét de pauselijke bul, waarin hem de excommunicatie werd aangezegd als hij zijn stellingen niet herriep, het Corpus Iuris Canonici. Hij wilde niet weten van een kerk waarin wetten de dienst uitmaken. Als elke kerkganger maar gehoorzaamt aan het Woord van God, zijn er in de


3 L.C. van Drimmelen, ‘De ware vrijheid luistert naar de wetten’, in: M.L. van Wijngaarden & K. Zwanepol (red.), Bevrijding en Vrijheid, afscheidsbundel S.E. Hof, Woerden 1998, p. 50-57.
4 H. Küng, Die Kirche, Freiburg-Basel-Wien 1976, p. 13-54.

|17|

kerk geen wetten en regels nodig. Kerkrecht is overbodig als het Woord maar op de juiste wijze wordt verkondigd. Luther had niet veel op met regelaars: ‘Guter Jurist, böser Christ’.5
Al zou de grootmeester op het gebied van het Romeinse en het Germaanse Recht, Rudolph Sohm (1841-1917) hem dat niet nazeggen, hij was wel van mening dat het woord ‘kerkrecht’ een contradictio in terminis is. ‘Das Kirchenrecht steht mit dem Wesen der Kirche in Widerspruch’. Want ‘Das Wesen der Kirche ist geistlich; das Wesen des Rechts ist weltlich’.6
Behalve door de kerkhistoricus Adolf von Harnack (1851-1930) is Sohm tegengesproken door de kerkjurist F.L. Rutgers (1836-1917, van 1880 tot 1910 hoogleraar aan de Vrije Universiteit), die zowel het kerkbegrip als het rechtsbegrip van Sohm aan de orde stelt.7 Sohm bedoelt met ‘geistlich’: immaterieel. Maar het geestelijk karakter van de kerk sluit haar tastbaarheid niet uit. Immers, de apostelen waren getuige van concrete heilsfeiten. Bovendien wordt de gemeente gevormd door mensen van vlees en bloed en is recht niet ‘weltlich’, aards in die zin dat het er alleen maar is om der zonde wil, maar vloeit recht voort uit de scheppingsopdracht aan de mens om in deze wereld te zorgen voor orde en vrede. Zo gezien is het recht ook een geestelijke aangelegenheid. De onverbrekelijke samenhang van de organisatorische zijde van de kerk met haar innerlijk wezen heeft gevolgen voor het recht van de kerk.

 

1a.3 Achtergrond van het kerkrecht

Aan het recht in het algemeen liggen metajuridische ideeën ten grondslag, waarvan men zich niet altijd even bewust hoeft te zijn. De rechtsfilosofie tracht antwoorden te geven op vragen als: waar komen rechtsregels vandaan? En waarom zouden we aan rechtsregels gehoor geven? In de praktijk zien we dat mensen zich aan die rechtsregels houden omdat de regels nu eenmaal zo zijn als ze zijn en het negeren van die regels tot een chaos zou leiden.8
In de kerk leeft ten aanzien van de regels van de kerkorde veel meer het idee dat de geldende regels ook behóren te zijn zoals ze zijn en dat andere regels


5 W. van ’t Spijker, De opvattingen van de Reformatoren, in: W. van ’t Spijker en L.C. van Drimmelen (red.), Inleiding tot de studie van het kerkrecht, Kampen 1992-2, p. 86-90.
6 R. Sohm, Kirchenrecht Band I, Leipzig 1892, p. 1.
7 F.L. Rutgers,Het kerkrecht in zoover het de kerk met het recht in verband brengt, rectorale oratie, Amsterdam 1894.
8 L.J. van Apeldoorn & J.C.M. Leyten, Inleiding tot de studie van het Nederlandse recht, Zwolle 1972-17, p. 356 e.v.

|18|

confessioneel niet goed door de beugel kunnen. Aan het kerkrecht ligt de rechtstheologie ten grondslag en de weg daarvandaan naar de concrete geldende kerkordeartikelen is voor een buitenstaander soms merkwaardig kort. Een dergelijke rechtstreekse verbinding tussen de rechtsfilosofie en de concrete artikelen van een wetboek zal men niet zó snel aanwijzen.
Hoe nauw de geloofsopvattingen verbonden zijn met de concreet aanwezige organisatorische structuur van de verschillende kerkgemeenschappen in ons land wordt uiteengezet in hoofdstuk 10 van dit boek.

 

1a.4 Kerkrecht als theologische én juridische discipline

De kerk is een gemeenschap van gelovigen. Zij staan als leden van één geloofsgemeenschap ook in een juridische verhouding tot elkaar; niets menselijks is de kerk vreemd. Het eigene van het kerkelijk recht ten opzichte van het wereldlijke recht is dat de inhoud ervan wordt bepaald door geloofsopvattingen. Daarom kan men zeggen dat het kerkrecht theologisch is naar zijn inhoud (materieel) en juridisch naar zijn vorm en methode (formeel),9 hoewel ook in de vorm en de methode het eigene van het kerkrecht keer op keer onmiskenbaar is.
Karakteristiek treedt dat aan den dag in het proces van rechtsvinding. Belangrijk daarin is naast de analyse van het zich voordoende geval de interpretatie van de daarvoor relevante rechtsregels. Systematische interpretatie zet een eventueel toe te passen regel in het grotere verband waar deze rechtsregel deel van uitmaakt. Door het grotere geheel van bij elkaar behorende regels onder één noemer te brengen kan de bedoeling van een wetsartikel duidelijker worden. In het kerkrecht grijpt men daarbij ook terug op de achterliggende confessioneel-theologische principes, ook als die niet in geschreven vorm in het bedoelde grotere geheel zijn opgenomen. Bij de uitleg en de toepassing van een kerkordeartikel weegt zo’n confessioneel-theologisch principe heel zwaar; het is zelfs in veel gevallen beslissend.
Een sprekend voorbeeld wordt geboden in de kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland. Zoals in hoofdstuk 11 uitvoeriger wordt uiteengezet onderscheiden we in deze kerkorde een kerkorde in engere zin en een veertiental daarvan afhangende ordinanties. In de kerkorde in engere zin worden in negentien met Romeinse cijfers genummerde  artikelen de hoofdlijnen van het bestel getrokken.
Het eerste artikel heeft het karakter van een preambule waarin de kerk zichzelf


9 K. Walf, Vragen rondom het nieuwe kerkelijk recht, Hilversum 1988, p. 15.

|19|

theologisch definieert. Daarin  wordt verwoord hoe de Protestantse Kerk in Nederland zichzelf ziet in relatie tot de Kerk van Christus, zoals die in de geloofsbelijdenis wordt genoemd: gestalte van de ene heilige apostolische en katholieke of algemene christelijke Kerk, tot Israël: delend in de aan Israël geschonken verwachting en onopgeefbaar met het volk Israël verbonden, tot het Koninkrijk van God: zich uitstrekkend naar de komst van het Koninkrijk van God, tot haar eigen geschiedenis: verbonden met de algemene christelijke Kerk, met de lutherse traditie en met de gereformeerde traditie, tot de andere christelijke kerkgemeenschappen: gestalte van de algemene christelijke Kerk (en niet: de gestalte of een gestalte van...) en tot de cultuur, de maatschappij, de staat, de wereld: betrokken in Gods toewending tot de wereld, oproepend tot vernieuwing van het leven in cultuur, maatschappij en staat, geroepen tot de bediening van de verzoening. Geen enkel lid van artikel I kan aangemerkt worden als een rechtsregel met rechtsgevolgen. Maar artikel I is wel fundamenteel voor de achttien andere artikelen en daarmee voor de veertien ordinanties die het dagelijkse leven en werken reguleren van de kerk en van de gemeenten die tot haar behoren.
Zo is ordinantie 5, over de eredienst, terug te voeren op artikel VII, waarin de hoofdlijnen met betrekking tot de kerkdiensten worden getrokken. Maar artikel VII is terug te voeren op lid 2 van artikel I: Levend uit Gods genade in Jezus Christus vervult de kerk de opdracht van haar Heer om het Woord te horen en te verkondigen. Ordinantie 5 kan niet uitgelegd worden zonder artikel VII, en artikel VII dient gelezen te worden in het licht van artikel I, lid 2.

 

1a.5 Kerken in het Nederlands recht

De wet pleegt een kerkgemeenschap aan te duiden als ‘kerkgenootschap’.
De term ‘kerkgenootschap’ is in gebruik sinds de periode van de Verlichting. Men beschouwde toen de kerk als een vereniging die tot stand komt door de vrijwillige aansluiting van haar leden (collegiale stelsel).
Er bestaat geen algemeen aanvaarde definitie van het begrip kerkgenootschap.10 Bekend is de definitie die is voorgesteld door W.J.A.J. Duynstee: een kerkgenootschap is een blijvende vereniging van personen, welke zich de gemeenschappelijke godsverering van haar leden, op de grondslag van gemeenschappelijke godsdienstige opvattingen, ten doel stelt.11 De Hoge Raad heeft zich in 1946 daar dicht bij aangesloten door te spreken van een kerkgenootschap, hetwelk zich de gemeenschappelijke godsverering van de leden, op


10 C. Asser & W.C.L. van der Grinten, ‘De rechtspersoon’, Zwolle 1997-8, p. 188.
11 W.J.A.J. Duynstee, Verspreide opstellen, Roermond/Maaseik 1963, p. 34.

|20|

grondslag van gemeenschappelijke godsdienstige opvattingen ten doel stelt. Het probleem dat opgeroepen wordt door een definitie is dat deze onvermijdelijk elementen zal bevatten die op hun beurt weer om definiëring vragen, zodat alleen maar een verschuiving van het probleem en geen oplossing wordt bereikt. Wat moeten we bij voorbeeld verstaan onder ‘gemeenschappelijke godsverering’ en wanneer kun je spreken van ‘gemeenschappelijke godsdienstige opvattingen’?
Vast staat dat in kerkelijke kring de tot nu toe gedane pogingen weinig bijval hebben gevonden. Ook de term kerkgenootschap wordt weinig op prijs gesteld. Afgezien van het feit dat de term kan slaan op zowel de landelijke organisatie van een kerkgemeenschap als op de plaatselijke verschijningsvorm daarvan, klinkt in het woord ‘genootschap’ weinig of niets mee van wat een kerkgemeenschap wil zijn. Daarom geeft men in kerkelijke kring de voorkeur aan de term ‘kerkgemeenschap’.12
Omdat de organisatie van de kerk een concretisering is van een bepaalde belijdenis en er in ons land vrijheid is om de eigen religie te belijden op grond van de vrijheid van godsdienst bemoeit de overheid zich niet met de organisatie van kerkgemeenschappen.13 De organisatorische vorm van een kerk is immers niet los te maken van de geloofsopvattingen van die kerk. Voor de vrijheid van de kerkgemeenschappen zich te organiseren naar eigen inzicht zie hoofdstuk 10 van dit boek.

 

1a.6 Kerkrecht als exemplarisch recht

De eigen aard van het kerkrecht dient niet gezocht te worden in de omstandigheid dat de interne kerkelijke organisatie niet door de Nederlandse wet wordt beheerst. De eigen aard is gegeven met de confessioneel-theologische grondslag van het kerkrecht. Dat strekt verder dan een reeks uitgangspunten. Het betreft ook de gestalte waarin het kerkrecht zich aandient.
Karl Barth beschrijft in zijn Kirchliche Dogmatik in het deel dat handelt over de verzoening hoe hij die gestalte ziet:14

Es ist diejenige Ordnung, die die Gemeinde von ihrem Grundrecht her, unabhängig von allem Staatskirchenrecht, in Gehorsam gegen ihren Herrn, selber zu finden, aufzurichten und zu handhaben hat.


12 A.J. Bronkhorst, in: Christelijke Encyclopedie, dl. IV, Kampen 1959-2 s.v. kerkgenootschap.
13 C. Asser & W.C.L. van der Grinten, De rechtspersoon, Zwolle 1997-8, p. 190 v.v.
14 Karl Barth, Kirchliche Dogmatik, Band IV/2, Zürich 1955, p. 765-824.

|21|

De kerk is een Christocratische broederschap. Daarom is kerkrecht Dienstordnung. De kerkorde regelt de dienst die door de leden van de gemeente elk met hun eigen taak in de kerk als het huis van de Heer heeft te verrichten. In de kerk is geen plas voor heerschappij van wie dan ook. Kerkrecht is liturgisches Recht. De gemeente heeft in de eredienst haar ‘distinkte Mitte’. Christus ontmoet zijn gemeente in de eredienst die wordt verricht door mensen. Daarom heeft de eredienst ordening nodig. Het kerkrecht is dan ook in de geschiedenis van de kerk uit de ordening van de eredienst voortgekomen. Het is lebendiges Recht. De Heer van de kerk leeft en zijn gemeenschap is een levende gemeenschap, een beweging naar de toekomst van de Heer. Daarom moet de ordening van die gemeenschap open staan voor verandering en vernieuwing. En kerkrecht is vorbildliches Recht.  Als Christocratische broederschap dient de kerk aan de wereld te laten zien dat er een orde mogelijk is die verder reikt dan het best haalbare in het streven naar recht en gerechtigheid. Zo herinnert de kerk de wereld ‘an das Recht des auf Erden in Jesus Christus schon aufgerichteten Reich Gottes’ en is zij geroepen om voor de haar omgevende mensheid te zijn ‘die Verheiszung seiner künftigen Offenbarung’. Zo is het recht van de kerk, omdat het ‘bekennendes Recht’ is, ten overstaan van de haar omgevende wereld Evangelium verkündigendes Recht.

 

Literatuur

Dekker-van Bijsterveld, S.C. den (1998) De verhouding tussen kerk en staat in het licht van de grondrechten, Zwolle.
Dingemans, G.J.D. (1987) Een huis om in te wonen, ’s-Gravenhage, p. 185-195.
Huysmans, R.G.W. (1993) Algemene normen van het wetboek van canoniek recht, Leuven.
Jansen, Joh. (1947) Handleiding gereformeerd kerkrecht, Kampen, p. 3-6.
Linde, G.P.L. van der (1965) Die grondbeginsels van die presbiteriale kerkregeringstelsel, Potchefstroom.
Nijkamp, M. (1991) De kerk op orde. Congregationalisme, de derde weg in de kerk van de toekomst, ’s-Gravenhage.
Spijker, W. van ’t & L.C. van Drimmelen (red.) (1992) Inleiding tot de studie van het kerkrecht, Kampen.
Vestdijk-van der Hoeven, A.C.M. (1991), Religieus recht en minderheden, Arnhem.
Witteveen, T.A.M. (1984) Overheid en nieuwe religieuze bewegingen, ’s-Gravenhage.
Werkboek voor predikanten in de Gereformeerde Kerken in Nederland, Zoetermeer (1996), waarin een onderdeel ‘Kerk en Godsdienst in Nederland’.

Drimmelen, L.C. van e.a. (2004) 1b

23-28

|23|

1b Kerk en recht; een juridische benadering

T.J. van der Ploeg

 

 

1b.1 Het begrip kerkrecht en het recht

In het voorafgaande is door Van Drimmelen het eigene van het kerkrecht beschreven. Hij laat zien dat de binnen de kerk geldende regelingen enerzijds sterk theologisch-ecclesiologisch gekleurd zijn maar anderzijds wel als recht moeten worden beschouwd. In dit hoofdstuk zal ik trachten aan te geven wat de juridische positie van de kerk en van het kerkrecht is vanuit juridisch oogpunt.
In de eerste plaats dient duidelijkheid te bestaan over de betekenis van ‘kerkrecht’. Met ‘kerkrecht’ wordt gedoeld op de binnen een bepaalde kerk geldende regels betreffende de bevoegdheden van de organen en de rechten en verplichtingen van de leden van de kerk.
Iedere kerk heeft haar eigen kerkrecht. Wanneer we het over het kerkrecht in verschillende kerken hebben, spreken we ook wel over het ‘kerkelijk recht’. In deze bundel is echter slechts een deel van de hoofdstukken van kerkelijkrechtelijke aard. Een ander deel betreft de positie van de kerk en het kerkrecht vanuit extern juridisch oogpunt. Het gaat dan om wat de verhouding is tussen het publiek recht, het privaatrecht en het sociaal recht enerzijds en de kerk en het kerkrecht anderzijds.
In de middeleeuwen had het kerkrecht van de Rooms-Katholieke Kerk in Europa een evenwaardige positie aan het recht van de wereldlijke overheid. Op de juridische faculteiten werd zowel het canonieke als het Romeinse recht onderwezen. Men werd na het halen van de examens meester in de rechten (dat wil zeggen in het Romeinse en canonieke recht), een term die tot op heden is blijven bestaan.

|24|

 

1b.2 De plaats van kerk en kerkrecht ten opzichte van het ‘positieve recht'

Er zijn vanuit het (positieve) recht twee duidelijke aanknopingspunten voor bemoeienis met de kerk en het kerkrecht. In de eerste plaats is dat de vrijheid van godsdienst die in de Grondwet en het Europees Verdrag ter bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM) gegarandeerd is. In de tweede plaats is het de vaststelling in boek 2 BW, art. 2 dat kerkgenootschappen en hun zelfstandige onderdelen en de lichamen waarin zij zijn verenigd rechtspersoon zijn. De Grondwet en het EVRM bieden in de eerste plaats houvast bij de ruimte die de kerken in het publiekrecht dienen te krijgen. Het genoemde artikel in het BW maakt de kerken deelnemers in het rechtsverkeer en geeft hen een eigen rechtssfeer. Deze feiten bepalen voor een groot deel de wijze waarop kerken en het kerkelijk recht in het burgerlijk recht en dus ook door de burgerlijke rechter worden benaderd.

Bij de confrontatie tussen theologen en juristen blijkt steeds weer de verschillende wijze van denken. Dat kan voor beide groepen verwarrend en verfrissend werken. Zo is het juridische begrip kerk of kerkgenootschap, zoals de wet (art. 2:2 BW) zegt, een begrip dat door uitwendige kenmerken wordt gekwalificeerd. Dat staat uiteraard in schrille tegenstelling tot het inhoudelijk  theologisch gekwalificeerde begrip in de theologie. De burgerlijke wetgever houdt zich, gezien de verschillende typen kerken1 verstandig, verre van de interne kant van de kerk.
Voor juristen is de inhoud van de godsdienstige boodschap van het kerkgenootschap in beginsel niet van belang voor de toepassing van regels. De vrijheid van godsdienst geldt voor alle godsdiensten. De mogelijke beperkingen, die aan de vrijheid van godsdienst kunnen worden gesteld, hebben niet te maken met haar al dan niet bestaande waarheidskarakter, maar met de bescherming van de goede zeden, de volksgezondheid en de openbare veiligheid. Art. 9 EVRM geeft dan ook een ruim omschreven vrijheid van godsdienst die slechts op enkele gronden kan worden beperkt.2
De rechter kan in sommige gevallen wel worden geroepen om te oordelen over geschillen met of binnen kerken. Aanknopingspunt hiervoor is art. 112 Gw en art. 6 EVRM. In genoemd artikel van het EVRM worden de beginselen van een behoorlijke procesgang geformuleerd die gelden bij het vaststellen van burgerlijke rechten en plichten. Dat betreft vermogensrechtelijke rechten en plichten


1 Zie hierna hoofdstuk 10 over de pluriformiteit van kerken.
2 Zie nader hoofdstuk 4 over kerk, staat en mensenrechten.

|25|

maar ook andere rechten en plichten waardoor het bestaan of de bestaansmogelijkheden van een burger3 worden bedreigd.4

 

1b.3 Het kerkgenootschap als een bijzonder rechtspersoon

Vanuit het publiekrecht is het de vraag of er reden is om de privaatrechtelijke5 rechtspersoon kerkgenootschap anders te behandelen dan andere privaatrechtelijke rechtspersonen, zoals verenigingen en stichtingen. Ook zij kunnen immers nobele, godsdienstige doelen nastreven.
In de periode tussen 1976 en 1992 was in art. 18 van boek 2 BW bepaald dat de artikelen uit boek 2 BW betreffende besluiten en vernietiging van besluiten niet golden voor kerkgenootschappen en genootschappen op een geestelijke grondslag.6 Dat is weer geschrapt, onder meer omdat dat laatste begrip niet duidelijk is — overigens geldt dat ook voor het begrip kerkgenootschap — en de rechter bij de toepassing van de regels van boek 2 BW rekening kan houden met het karakter van de organisatie. Men zou dan geneigd kunnen zijn te zeggen dat hetzelfde geldt voor kerkgenootschappen ten opzichte van de vereniging en de stichtingsbepaling. Dit gaat echter niet op, omdat in boek 2 BW, anders dan voor kerkgenootschappen, voor deze andere rechtspersoonssoorten wel inrichtingseisen gelden.

 

1b.4 Een conflict tussen kerk en recht?

Op zich onttrekt het ‘heilige’, de Godsverering, zich aan het recht. Godsverering veronderstelt een zich overgeven/onderworpen weten aan God, het hogere. De daarbij ‘van hogerhand’ gegeven regels zijn niet vergelijkbaar met de regels van mensen. Zo geredeneerd wordt de Godsverering niet bepaald door menselijke — publiek- of privaatrechtelijke en wellicht zelfs niet door kerkrechtelijke — regels. Wel zal als het goed is het ‘heilige’ het publieke


3 Het EVRM wordt in jurisprudentie en literatuur ook van toepassing geacht op rechtspersonen, zoals bijvoorbeeld kerkgenootschappen.
4 Zie hierna hoofdstuk 9a Kerkelijke geschillen; de burgerlijke rechter en kerkelijke conflicten en ook Santing-Wubs, Kerken in geding, prft. Groningen 2002, p. 91 e.v. en 106 e.v.
5 In sommige landen zijn kerkgenootschappen, althans de door de overheid erkende, rechtspersonen naar publiekrecht.
6 Zie Parl.Gesch. Maeijer-Schreurs, p. 19 e.v.

|26|

en private leven beïnvloeden.7 Het is duidelijk dat wanneer gelovigen zo ‘verticaal’ — zo alleen op God gericht — denken, zij zich in principe niet zullen inlaten met het gebruik van al dan niet kerkelijk recht. Wij menen echter dat wij ook in het godsdienstige mensen zijn die met anderen leven en delen. Dan zijn al heel gauw organisatorische en rechtsregels nodig. Heel ver gaat E.H. van Eikema homes, die vanuit de christelijke wijsbegeerte der wetsidee meent dat ondanks de bijzondere bestemmingsfunctie van de kerk in het geloofsaspect8 in het burgerlijk recht voor haar geen uitzonderingspositie dient te bestaan.9

 

1b.5 De taak van de staat en van de kerk

Juristen zullen, anders dan theologen blijkbaar,10 niet snel zeggen dat ‘kerk en staat’ kinderen van één vader zijn. Het recht van de kerk en het recht van de staat kan men weliswaar als twee rechtssferen zien, daarbij moet niet worden vergeten dat het recht van de staat daarbij de taak heeft om zorg te dragen voor integratie van de kerkelijke gemeenschap met haar regels in de maatschappij. Het is een overheidsrechter die bij conflicten met kerken en binnen kerken een oordeel kan vellen. Dat is de kerkelijke rechter niet gegeven voor ‘wereldlijke’ conflicten. Het is ook de overheid die de grenzen aangeeft waarbinnen de kerken kunnen opereren. Dat de overheid daarbij zelf aan bijvoorbeeld het EVRM is gebonden doet aan dit principe niet af.

 

1b.6 De basis voor de rechtspersoonlijkheid van de kerk

In dit verband is er ook een interessant discussiepunt tussen enerzijds canonisten, Rooms-katholieke juristen en theologen en anderzijds andere juristen over de rechtspersoonlijkheid van de kerkgenootschappen. Het is onmiskenbaar dat in de middeleeuwen Paus Innocentius IV (1243-1254) door de theologische


7 Zie Charles Correa, ‘The public, the private and the sacred’, in: Daedalus, fall 1989 themanummer ‘Another India’, p. 93 e.v.
8 E.H. van Eikema Hommes, Hoofdlijnen der rechtssociologie en de materiële indelingen van publiek- en privaatrecht, Zwolle 1975, p. 22.
9 E.H. van Eikema Hommes, De samengestelde grondbegrippen der rechtswetenschap, Zwolle 1976, p. 187-188.
10 L.C. van Drimmelen, in: W. van ’t Spijker en L.C. van Drimmelen, Inleiding tot de studie van het kerkrecht, Kampen 1992, p. 197-205.

|27|

voorstelling van de kerk als een ‘zedelijk’ lichaam met Christus aan het hoofd, waarover Christus en zijn aardse vertegenwoordigers voor wat betreft geloofszaken gezag uitoefenen, een eigen rechtssfeer voor de kerk creëerde. Hij schermde de kerk hiermee af van de wereldlijke macht voor wat betreft de zaken van het geloof. Op een bepaalde manier kan men zeggen dat toen de kerk en de wereld twee naast elkaar staande rijken vormden. De kerk heeft toen eigenlijk de erkenning van haar rechtspersoonlijkheid door de wereldlijke heerser afgedwongen.11 De kerk heeft bij de ontwikkeling van het begrip rechtspersoon zoals wij dat nu kennen dus een belangrijke rol gespeeld.
Betekent dit nu dat de wetgever, wanneer hij in boek 2 BW stelt dat kerkgenootschappen rechtspersoonlijkheid hebben, de rechtspersoonlijkheid van hen erkent — omdat zij deze van nature al hebben — of dat hij aan hen rechtspersoonlijkheid verleent? Over de theoretische grond voor het bestaan dan wel de toekenning van  rechtspersoonlijkheid zijn allerlei theorieën. Het idee dat de kerk rechtspersoonlijkheid als het ware van nature heeft, past in de ‘orgaan-theorie’ van Von Gierke. In deze theorie worden organisaties als sociale geestelijk lichamelijke eenheden beschouwd, die via haar organen willen en handelen en maatschappelijk op gelijke wijze optreden als individuen. Deze theorie heeft echter meer een sociologische dan een theologische basis. De andere theorieën veronderstellen een toekennen van rechtspersoonlijkheid door de soeverein.
In ons recht hebben we een gesloten systeem van rechtspersonen, waarbij in boek 2 BW de privaatrechtelijke rechtspersonen zijn vermeld waaruit door burgers en organisaties kan worden gekozen. Ook vóór 197612 werd de rechtspersoonlijkheid van kerkgenootschappen op grond van het gebruik/de traditie aangenomen.13 In boek 2 BW is dit voortgezet en in de wet opgenomen. Mijns inziens is en blijft de toekenning van rechtspersoonlijkheid een kwestie van opportuniteit. Er is geen natuurnoodzakelijkheid voor de wetgever of rechter (indien de wetgever dit niet zou doen) om aan kerkgenootschappen rechtspersoonlijkheid toe te kennen of hen als rechtspersonen te erkennen. Maatschappelijk kwam dat totnogtoe blijkbaar als het meest wenselijk voor. Of dat nog steeds zonder meer het geval is, waag ik te betwijfelen. Voor de leden van een geloofsgemeenschap en voor derden is tegenwoordig vaak onduidelijk of er sprake is van een kerkgenootschap. Bovendien is er geen duidelijkheid in


11 Niet ontkend kan worden dat een en ander zich wel op het grondgebied — en dus in principe binnen de rechtsmacht — van de wereldlijke heerser afspeelde.
12 In 1976 is boek 2 BW ingevoerd.
13 Zie Asser-Scholten, Personenrecht, 1929 zesde druk, p. 592 e.v. en Asser-v.d. Grinten-Maeijer II, 1997, p. 257 e.v.

|28|

de wet en hoeft er in het kerkelijk statuut geen duidelijkheid te zijn aangaande de vertegenwoordigingsbevoegdheid. Is het dan wel opportuun om deze vehikels zonder nadere eisen aan het rechtsverkeer mee te laten doen? Zoals uit hoofdstuk 6 hierna blijkt, heb ik daarbij grote vraagtekens.
Doet een dergelijke twijfel aan het feit of kerkgenootschappen zonder meer — dus van nature — als rechtspersoon dienen te worden erkend, tekort aan de in de theologie en canoniek recht aangehangen leer dat de kerk een geestelijke eenheid is, die toegang dient te krijgen tot het rechtsverkeer? Het lijkt mij niet. Het (wereldlijk) recht heeft in deze een eigen taak ter bescherming van het rechtsverkeer. Het kan — in beperkte mate — eisen stellen aan het optreden van kerken in het rechtsverkeer. Wanneer om de een of andere reden een kerk zich niet zou willen conformeren aan zulke beperkte eisen zou zij naar haar eigen recht en/of theologie nog net zo’n eenheid kunnen zijn. Dat heeft dan echter geen effect in het rechtsverkeer. Over gevolgen in het rechtsverkeer heeft de kerk en het kerkrecht nu eenmaal geen zeggenschap.

Drimmelen, L.C. van e.a. (2004) I.

|29|

Deel I

Kerk, staat en maatschappij

Drimmelen, L.C. van e.a. (2004) II.

|121|

Deel II

Kerkelijke recht en burgerlijk recht

Drimmelen, L.C. van e.a. (2004) 6

123-126

|123|

6 De kerken in het privaatrecht

T.J. van der Ploeg

 

 

6.1 Het kerkgenootschap1 als rechtspersoon en andere kerkelijke rechtspersonen

In dit hoofdstuk gaat het om de vraag in hoeverre kerkelijke gemeenschappen als rechtspersoon in het privaatrecht kunnen optreden en wat er geldt ten aanzien van hun vertegenwoordiging.

Om als godsdienstige gemeenschap in een bepaald land als rechtspersoon te kunnen bestaan, moet de gemeenschap voldoen aan de eisen die dat land daarvoor stelt. In West-Europa hebben kerkgenootschappen al sinds heel lang rechtspersoonlijkheid. Dat stamt reeds uit de Middeleeuwen toen de ongedeelde katholieke kerk het idee van het bestaan van een eigen rechtssfeer en rechtspersoonlijkheid (zedelijk lichaam) voor de kerk introduceerde om zich te beschermen tegen de macht van de wereldlijke heersers. In mijn visie is er echter geen sprake van een soort natuurlijk recht op rechtspersoonlijkheid voor godsdienstige organisaties.2

Voor het Nederlandse recht is in deze art. 2:2 BW bepalend. In dit artikel wordt als een categorie van rechtspersonen genoemd: de kerkgenootschappen, hun zelfstandige onderdelen en de lichamen waarin zij zijn verenigd. Deze categorie staat tussen de publiekrechtelijke rechtspersonen (art. 2:1 BW) en de privaatrechtelijke rechtspersonen, die verderop in boek 2 BW nader worden geregeld, zoals de vereniging, BV en de stichting (art. 2:3 BW). In ons recht is de kerk geen rechtspersoon van publieke aard; zij heeft geen openbaar gezag. Zij is dus van privaatrechtelijke aard, maar anders dan de in art. 2:3 BW genoemde rechtspersonen, bevat de wet geen formele oprichtings- dan wel bestaanseisen voor kerkelijke rechtspersonen, noch bevat zij materiële regels voor hen.


1 Het begrip ‘kerk’ heeft juridisch geen voldoende omlijning; vandaar dat het in de wet gehanteerde begrip ‘kerkgenootschap’ wordt gebruikt.
2 Ook het feit dat naar het recht binnen het kerkgenootschap rechtspersoonlijkheid bestaat, zoals dit voor de Rooms-Katholieke Kerk geldt, verschaft als zodanig nog geen rechtspersoonlijkheid naar burgerlijk recht, noch een claim op de erkenning daarvan.

|124|

De materiële kenmerken van een kerkgenootschap

Welke organisatie als kerkgenootschap kan worden beschouwd, is niet in de wet of in de parlementaire geschiedenis vastgelegd. Wel zijn er in de literatuur omschrijvingen gegeven die in de rechtspraak als steun hebben gediend. Graag wijs ik in dit verband op de omschrijving van J.M.M. Maeijer:

Een kerkgenootschap is een organisatie van aangeslotenen welke zich de gemeenschappelijke religieuze verering of bezinning3van de aangeslotenen op de grondslag van gemeenschappelijke godsdienstige opvattingen ten doel stelt en welke als zelfstandig kerkgenootschap en niet als onderdeel van een kerkgenootschap wil gelden.4

In deze omschrijving zitten enerzijds materiële elementen: er moet een groep gelovigen zijn, die een gemeenschappelijke religieuze overtuiging heeft en die zich in de organisatie richt op religieuze verering of bezinning. Een kerk kan niet commercie bedrijven.5 Anders zou deze rechtspersoonssoort heel aantrekkelijk zijn voor allerlei ondernemingen. De Satanskerk, die zich als kerk voordeed, maar in feite een commerciële onderneming was, werd dan ook niet als zodanig erkend door de Hoge Raad.6 Anderzijds is er een formeel element: de organisatie die aan de materiële criteria voldoet, moet ook zelf als kerk naar buiten willen optreden.

Ten aanzien van traditionele kerken bestaat geen twijfel over hun identiteit als kerkgenootschap. Voor religieuze gemeenschappen/kerken die nieuw ontstaan of uit het buitenland afkomstig zijn, is hun bestaan als kerkgenootschap soms wel aan twijfel onderhevig. Nu er geen officiële instantie is die de erkenning als kerkgenootschap kan geven, is het de rechter die dit zal moeten beoordelen.7 Religieuze groepen kiezen om aan de onzekerheid over hun bestaan als rechtspersoon te ontkomen nog wel eens de rechtsvormen vereniging of stichting (zie paragraaf 6.3 hierna). Dan is zij privaatrechtelijk gezien


3 Het element ‘religieuze beleving of bezinning’ is afkomstig uit een Nota van de minister van Justitie naar aanleiding van het eindverslag; zie Maeijer-Schreurs, Parlementaire geschiedenis vennootschaps- en rechtspersonenrecht, 1991, p. 24.
4 Asser-Van der Grinten-Maeijer II, De rechtspersoon, Deventer 1997, achtste druk, nr. 205 e.v. De eerste omschrijving die gezag kreeg was die van W.J.A.J. Duynstee in het preadvies voor de Broederschap van Candidaat-Notarissen, 1935, p. 15.
5 Zou de kerk met behulp van commercie meer inkomsten willen verwerven, dan zal zij bijvoorbeeld een BV kunnen oprichten.
6 HR 31 oktober 1986, NJ 1987, 173.
7 Zie bijv. Rb. Amsterdam 18 juni 1968, NJ 1969, 353 waarbij de onafhankelijke voortzetting van de orthodoxe Russische kerk als kerkgenootschap werd erkend.

|125|

echter geen kerkgenootschap, hoezeer zij daar maatschappelijk wel mee gelijk kan worden gesteld.

De organisatorische inrichting van kerkelijke/religieuze organisaties kan zeer verschillend zijn; zo is een gemeente die behoort tot de Gereformeerde Kerken in Nederland of tot de Unie van Baptistengemeenten zelf een kerkgenootschap, terwijl een gemeente die behoort tot de Nederlandse Hervormde Kerk zelfstandig onderdeel is van laatstgenoemde landelijke kerk.8

 

Rechtspersoonlijkheid van zelfstandig onderdelen van kerkgenootschappen en van lichamen waarin zij zijn verenigd

In art. 2 lid 1 BW wordt ook rechtspersoonlijkheid verleend aan ‘zelfstandige onderdelen’ van kerkgenootschappen. De wetgever heeft hier willen aansluiten bij de praktijk waarin plaatselijke gemeenten, parochies, kloosters, enzovoort, ook hun eigen bezittingen moesten kunnen hebben en beheren. De open formulering in de wet geeft de kerken de gelegenheid om voor allerlei doeleinden kerkelijke rechtspersonen (zelfstandige onderdelen) op te richten. De kerk dient dan wel in het ‘kerkelijk statuut’ de mogelijkheid van het bestaan van het desbetreffende zelfstandige onderdeel te regelen. Als de desbetreffende kerkelijke autoriteit aan een onderdeel niet de status van zelfstandig onderdeel heeft gegeven, dan heeft het die status niet en dus ook geen rechtspersoonlijkheid.9 Het is niet nodig dat het zelfstandige onderdeel zich richt op godsdienstige verering of bezinning. Het mag ook een organisatie met een charitatief doel zijn (zoals bijvoorbeeld de diaconie van een hervormde gemeente of de parochiële caritas-instelling van een rooms-katholieke parochie10 of een kerkelijk


8 Voor een boeiende maar in deze afwijkende benadering, die mijns inziens tezeer leunt op theologische en niet op kerkrechtelijke motivering: L. Hardenberg, Gemeente, kerk en kerkverband in de rechtspraak, WPNR 6467 (2001). Ook J.J.H. Post, Een sikkel in een vreemde oogst?, prft. vu 2003, p. 127 e.v., neemt op betwistbare gronden aan dat hervormde gemeenten geen zelfstandige onderdelen van de Nederlandse Hervormde Kerk zijn. Zie in verband met interpretatieproblemen die op dit vlak kunnen voorkomen, de benadering van de band tussen diverse joodse gemeenten en het Nederlands Israëlitisch Kerkgenootschap, door F.T. Oldenhuis, WPNR 5865 (1988) en in reactie hierop D.S. de Vries, WPNR 5983 (1990).
9 Zie HR 30 oktober 1987, NJ 1988, 392 m.nt. Ma. Ten onrechte anders Hof ’s-Gravenhage 18 september 1997, NJKort 1997, 76, waarin de rechter een Hervormde gemeente (Spannum), die door het kerkgenootschap (de Nederlandse Hervormde Kerk) was samengevoegd met een andere gemeente toch zelf rechtspersoonlijkheid toeschreef, omdat deze in haar omgeving als deelnemer aan het rechtsverkeer werd erkend (bijvoorbeeld in het kadaster).
10 Zie over de rechtspersoonlijkheid van de parochie en het armenbestuur (de parochiële caritas-instelling), V.A.M. van der Burght, WPNR 5473 (1979) en WPNR 5480 (1979) en G-R de Groot, WPNR 5480 (1979).

|126|

bejaardentehuis).11 Een interessante vraag, die ik niet durf te beantwoorden, is of voor het zijn van een zelfstandig onderdeel noodzakelijk is dat de zeggenschap berust bij kerkelijke ambtsdragers.12 Het is overigens aan de rechter om te bepalen of terecht wordt verondersteld dat er sprake is van een zelfstandig onderdeel. Een belangrijke aanwijzing hiervoor is dat in het desbetreffende kerkelijk statuut van het kerkgenootschap het onderdeel van de kerk als zelfstandig onderdeel of als rechtspersoon wordt gekwalificeerd. Wanneer bestuurlijk gezien er eigenlijk geen zelfstandigheid is, kan de rechter desalniettemin tot een ander oordeel komen dan het kerkelijk statuut aangeeft.

 

De kerken hebben door deze bepaling inzake zelfstandige onderdelen een in principe ongebreidelde vrijheid om rechtspersonen in het leven te roepen. Er worden geen formele eisen gesteld, anders dan dat het kerkelijk statuut het bestaan ervan erkent, en ook materieel zijn er geen specifieke vereisten. Een van de belangrijkste motieven om rechtspersonen op te richten is het afzonderen van vermogen voor bepaalde doelen teneinde dit vermogen te beschermen tegen crediteuren van de oprichter(s). Vanuit de organisatie en haar doeleinden bezien, is dit uiteraard een mooi streven; vanuit de crediteuren van de oprichter(s) bezien, kan dit heel ongewenst zijn. Risicospreiding kan ook een valide reden voor de oprichting van rechtspersonen zijn, maar de vraag is of kerken/kerkelijke rechtspersonen wel zo riskant bezig dienen te zijn. Er kunnen ook andere redenen zijn, zoals de wenselijkheid om op plaatselijk vlak zelfstandig te functioneren, die tot de redelijke behoefte aan eigen rechtspersoonlijkheid kunnen leiden.

De kerkgenootschappen nemen op dit moment een unieke plaats in ten aanzien van het in het leven roepen van rechtspersonen. Zij zijn de enigen die zonder dat de wet daaraan formele of materiële vereisten stelt rechtspersonen — uiteraard wel beperkt tot kerkelijke rechtspersonen — in het leven kunnen roepen. Wanneer de rijksoverheid een andere rechtspersoon dan vermeld in boek 2 BW wil oprichten, is een wet nodig — er is dan geen beperking tot bepaalde rechtspersoonsvormen. Voor de lagere overheden is er voor het deelnemen aan een privaatrechtelijke rechtspersoon toestemming van de provincie nodig. Voor de oprichting van privaatrechtelijke rechtspersonen door individuen en


11 Zie voor de parlementaire geschiedenis en verwijzing naar literatuur Rechtspersonen (losbladig), J.B. Huizink, art. 2, aant. 4.
12 Asser-Van der Grinten-Maeijer II, 1997 a.w., nr. 213, Huizink (art. 2, aant. 4, in: Rechtspersonen) en Pitlo-Löwensteyn, 1994, nr. 1.4 menen van wel; Hardenberg WPNR 5520 (1980) meent van niet.

|127|

andere privaatrechtelijke rechtspersonen bestaan formele eisen.13 Lagere overheden, andere rechtspersonen en individuen kunnen daarbij alleen de in de wet (voornamelijk boek 2 BW) geregelde rechtspersoonsvormen gebruiken.

 

Het bw verleent ook rechtspersoonlijkheid aan ‘lichamen waarin kerkgenootschappen zijn verenigd’. Deze regel is eerst in 1992 in de wet gekomen.14 Niet elk samenwerkingsverband lussen kerken (of hun zelfstandige onderdelen) geeft rechtspersoonlijkheid op grond van dit artikel. Kerken kunnen evenzeer contractueel of in de vorm van een vereniging samenwerken. Er is pas sprake van een ‘lichaam’, waarin zij zijn verenigd, wanneer er sprake is van een kerkelijk verband.15 Zelf zou ik hiervan willen spreken indien er sprake is van een voor het gehele verband geldende kerkorde of statuut. Dat kerkelijk verband kan meer of minder ‘zwaar’ zijn.16

 

6.2 Oprichting en kenbaarheid van een kerkelijke rechtspersoon

Als men naar geldend recht een kerkgenootschap wil oprichten, kan men niet een wettelijke regel vinden die de weg wijst. Vanuit de parlementaire geschiedenis, de literatuur en de jurisprudentie is wel min of meer duidelijk wanneer men zich kerkgenootschap zou mogen noemen. Zie hiervoor paragraaf 6.1. Hoewel in deze geen volstrekte zekerheid is te bieden, ben ik geneigd te zeggen dat voor de oprichting van een kerkgenootschap voldoende is dat er een zekere gemeenschappelijke geloofsinhoud aanwezig is in de godsdienstige gemeenschap, alsmede een regeling betreffende de godsdienstoefening, en de organisatorische inrichting van de groep als rechtspersoon, inclusief de bepaling van bevoegde vertegenwoordigers. Voor de zekerheid zou men bijvoorbeeld de oprichtingsakte en de organisatorische regeling ook vast kunnen laten leggen in een notariële akte.

De vraag is of hiermee voldoende bewijs van het bestaan als kerkgenootschap-rechtspersoon is geleverd. In het rechtsverkeer wordt soms van rechtspersonen


13 Dit geldt niet voor de informele vereniging (art. 2:30 BW).
14 Bij de Invoeringswet boeken 3, 5 en 6 BW, S. 1989, 541; vlg. Maeijer-Schreurs, Parlementaire geschiedenis rechtspersonen- en vennootschapsrecht, Alphen aan den Rijn 1991, p. 19.
15 Zie Maeijer-Schreurs, a.w. 1991, p. 19 en 21 en Oldenhuis WPNR 5865 (1988).
16 Zie over deze materie M. te Velde, ‘Kerkverband en rechtspersoonlijkheid’, p. 176-208 in: J.W. Maris, H.G.L Peels, H.J. Seldenhuis (red.) Om de kerk (opstellen aangeboden aan prof.dr. W. van 't Spijker) 1997.

|128|

gevraagd te tonen dat zij in het Handelsregister zijn ingeschreven, soms is voldoende dat er een notariële akte van oprichting wordt getoond. Het eerste is niet, het laatste eventueel wel voor kerkgenootschappen en hun zelfstandige onderdelen mogelijk. Men moet dan wel een notaris vinden die voldoende kennis van de juridische problematiek heeft en vertrouwen heeft in degenen die als oprichters van een kerkgenootschap voor hem verschijnen. Met name banken in verband met het openen van een bankrekening of het afsluiten van een lening en een notaris in verband met de overdracht van registergoederen verlangen zekerheid omtrent de rechtspersoonlijkheid. Ook stelt de wet dit soms als eis. Zie bijvoorbeeld de Wet identificatie bij financiële dienstverlening 1993 (S.1993, 704). Art. 3 lid 2 vorderde aanvankelijk als bewijsmiddel voor identificatie van Nederlandse rechtspersonen een uittreksel uit het Handelsregister, dan wel een akte die is opgemaakt door een notaris die in Nederland gevestigd is.17 Nu was deze identificatie niet nodig voor reeds bestaande rekeningen, waardoor verreweg de meeste kerkgenootschappen en andere kerkelijke rechtspersonen niet naar de notaris hoefden te gaan, maar voor het geval zij een nieuwe dienstverlening van een financiële instelling wensten, was de gang naar de notaris wel noodzakelijk. Bij wet van 2 november 2000 S. 2000, 484 is echter een nieuw artikel 3 lid 5 van de genoemde wet ingevoerd, waarbij een speciale regeling voor de identificatie van kerkgenootschappen, wordt geïntroduceerd. Er dient nu een verklaring van een overkoepelend orgaan of, wanneer dat er niet is, van vertegenwoordigers van het kerkgenootschap zelf te worden overgelegd met de noodzakelijke gegevens.18

 

Overigens heeft er tussen 1855 en 1988 krachtens de Wet op de Kerkgenootschappen bij het Ministerie van Justitie een lijst van kerkgenootschappen bestaan. Kerken dienden zich in die tijd aan te melden.19 De lijst had evenwel geen betekenis voor de rechtspersoonlijkheid en is mede afgeschaft omdat hij gezien het feit dat verplichte aanmelding niet in overeenstemming was met de


17 De vraag is of de wetgever hier gedacht heeft aan rechtspersonen die zich niet hebben ingeschreven, hoewel dat wel hun plicht zou zijn, of aan de vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid (?!) of ook aan rechtspersonen waarvoor geen inschrijvingsplicht bestaat, zoals kerkgenootschappen. Dan wordt op de notaris dus de plicht gelegd om te onderscheiden of er materieel sprake is van een kerkgenootschap.
18 Bij het ontwerpen van de wet van 1993 wilde de minister hier nog niet aan. Zie brief van R.K. Kerkgenootschap d.d. 5 januari 1994, antwoord Ministerie van Financiën van 4 februari 1994 en brief van 17 maart 1994 van het Interkerkelijk contact in overheidszaken (CIO).
19 Uit Rb. Amsterdam 21 maart 1985, KG 1985, 104 blijkt dat de Kerk van Satan zich in 1976 ook als kerkgenootschap had gemeld en op de lijst was geplaatst.

|129|

vrijheid van godsdienst. Het aantal religieuze organisaties steeg ten tijde van haar afschaffing echter behoorlijk.20 Een regeling waarmee hen juridisch een handreiking werd gedaan inzake rechtspersoonlijkheid zou wel passend geweest zijn, maar deze ontbrak. Hierdoor voelden veel nieuwe religieuze organisaties zich gedwongen om van de verenigings- of stichtingsvorm gebruik te maken.

Mijns inziens behoeft een verplichting tot inschrijving ingeval men rechtspersoonlijkheid als kerkgenootschap wenst niet op strijd met de vrijheid van godsdienst te stuiten. Voor de oprichting van een religieuze gemeenschap is dan op zich geen inschrijving verplicht; wil men echter rechtspersoonlijkheid, dan kan de organisatie als kerkgenootschap worden ingeschreven, waarbij het kerkelijk statuut en de vertegenwoordigingsbevoegde ‘bestuurders’ worden ingeschreven.21 De organisatie kan er ook voor kiezen stichting of vereniging te zijn. Dan valt zij onder de inschrijvingsbepalingen voor deze rechtsvormen.

 

6.3 Andere rechtsvormen voor religieuze organisaties

Doordat het niet mogelijk is om zich als kerkgenootschap in te schrijven en zich daarmee als kerkgenootschap en dus rechtspersoon te legitimeren, gaan vrij veel kerkelijke gemeenschappen/religieuze organisaties ertoe over om zich de rechtspersoonlijkheid van een vereniging of stichting aan te meten. Dit geldt voor nieuwe christelijke gemeenschappen, veelal van congregationalistische snit, en voor islamitische moskeegemeenschappen.22 De organisatie zal dan volledig aan de formele en materiële eisen van de desbetreffende rechtspersoonsvorm moeten voldoen.23 Behalve ingeval gebruik gemaakt wordt van de rechtsvorm vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid zal men naar de notaris moeten voor de oprichting en zal de vereniging of stichting worden ingeschreven in het handelsregister. Kiest men voor de vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid, dan is een notariële akte noch een inschrijving in het


20 Zie nader T.A.M. Witteveen, Overheid en nieuwe religieuze bewegingen, T.K. 1983-1984, nr. 16635, nr. 4.
21 Vergelijk T. van Kooten, Onbekend maakt onbemind; nut van registratie van kerkgenootschappen in een multiculturele samenleving, in: N.F. van Manen (red.). De multiculturele samenlevingen het recht, Nijmegen 2002, p. 309 e.v.
22 Zie N. Landman, Kerkgenootschap, stichting of vereniging; de juridische structuur van islamitische organisaties in Nederland, in: F.A. van Bakelen, Recht van de islam 8, 1991, p. 75 e.v.
23 Zie art. 2:26 en verder titel 2 boek 2 BW voor de vereniging en art.2:285 en verder titel 6 van boek 2 BW voor de stichting.

|130|

handelsregister vereist. Wel zijn dan de bestuurders hoofdelijk aansprakelijk voor de schulden van de vereniging. Bovendien kan zo’n vereniging geen onroerend goed verwerven en geen erfgenaam zijn. Deze vorm zal voor vele kerkelijke gemeenschappen daarom niet aantrekkelijk zijn.

Voor haar leden moge een in verenigings- of stichtingsvorm gegoten kerkelijke gemeenschap evenveel kerk zijn als een als kerkgenootschap bestaande organisatie, voor het recht is die gelijkheid er niet, althans maar in beperkte mate.24 Vanuit het grondrecht van de vrijheid van godsdienst gezien zijn de kerkgenootschappen en de in verenigings- of stichtingsvorm opgezette religieuze organisaties van gelijke orde. Voor het burgerlijk recht zijn zij echter ongelijk. Door te kiezen voor een burgerlijkrechtelijke vorm (vereniging of stichting) zijn zij onderworpen aan de regels betreffende de interne regeling en de externe verhoudingen zoals die in boek 2 BW zijn neergelegd. Wat betreft de vereniging is van belang dat deze een duidelijk democratische structuur dient te hebben, waarbij aan de algemene ledenvergadering dwingend bevoegdheden zijn gegeven. Er zijn wel statutair variaties aan te brengen, doch deze mogelijkheid is niet onbeperkt. Anders dan wanneer een organisatie als kerkgenootschap rechtspersoon is, is de organisatie in de vorm van vereniging dus niet geheel vrij in haar inrichting. Voor de stichting gelden minder inrichtingseisen, maar wel zal rekening dienen te worden gehouden met het ‘ledenverbod’. Naast het bestuur mogen er wel andere organen zijn, maar er mag niet een orgaan zijn dat qua bevoegdheden vergelijkbaar is met de algemene vergadering van de vereniging.

In elke vereniging of stichting dient een bestuur te zijn, dat ook werkelijk voldoende bevoegdheden moet hebben om te besturen. In de zaak van het bestuur van de stichting Islamitisch Sociaal Cultureel Centrum voor Flevoland tegen de stichting World Islamic Mission25 was het bestuur in belangrijke beslissingen afhankelijk van het bindend advies van de geestelijk leider van de stichting, die in Pakistan verbleef. Volgens de Hoge Raad kon deze statutaire regeling door de beugel en frustreerde deze niet zonder meer het bestuurlijk functioneren van de stichting. Bovendien stelden Hof en Hoge Raad dat de bindende adviezen van de geestelijk leider op zich onderworpen zijn aan de redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 en 2:15 BW. Alleen wanneer het geloofskwesties betreft, onthoudt de rechter zich van een oordeel. De Hoge Raad doet in feite iets dubbels: in de eerste plaats wordt aan de stichting in feite dezelfde


24 Zie T.J. van der Ploeg, Kan een kerkgenootschap ook een vereniging of stichting zijn?, in: Een heer hoeft niet alles alleen te doen. Afscheidsbundel voor prof.mr. A.J.O. Baron van Wassenaer van Catwijck, vakgroep privaatrecht VU 1993, p. 65-70.
25 HR 12 mei 2000, NJ 2000, 439 (World Islamic Mission).

|131|

organisatorische ruimte gegeven als aan een kerkgenootschap.26 Daar heb ik wel een probleem mee, omdat in het wettelijk systeem het bestuur van een stichting in principe autonoom is. In de tweede plaats wordt aangegeven dat de gedragingen en besluiten in het kader van de stichting (ook de bindende adviezen van de geestelijk leider uit Pakistan vallen binnen dit kader) zullen worden getoetst aan de (Nederlandse) redelijkheid en billijkheid. Het is de vraag wat dit laatste kan betekenen. Immers bij de toetsing van besluiten van rechtspersonen aan de redelijkheid en billijkheid ex art. 2:8 BW zijn de interne verhoudingen van de organisatie bepalend. Deze worden mee bepaald door het doel en de aard van de rechtspersoon. Het gaat om een marginale toetsing. De rechter kan derhalve niet stellen wat hij redelijk of billijk zou vinden — vanuit zijn Nederlandse visie — maar alleen tot vernietiging overgaan als geen redelijk denkend iemand het besluit van de geestelijk leider zou hebben kunnen nemen. De redelijkheid wordt hier dus sterk gekleurd door het godsdienstig karakter van de stichting.27 De geruststellende verwijzing naar de redelijkheid en billijkheid suggereert dus een grotere mogelijke doorwerking van de algemene maatschappelijke normen, dan systematisch juist zou zijn.

 

Andere rechtspersoonsvorm, deels andere juridische regels

De vrijheid van godsdienst, ook van godsdienstige organisaties dient gerespecteerd te worden. Daarom is aan de rechtspersoonsvorm kerkgenootschap in organisatorisch opzicht de volle vrijheid gegeven. De keuze voor de rechtsvorm vereniging of stichting is een keuze voor een burgerlijkrechtelijke rechtsvorm, waaraan organisatorische en andere regels zijn gekoppeld. Daaraan is een geloofsgemeenschap die zo'n rechtsvorm kiest ook onderworpen. Dat feitelijk de Nederlandse wetgever het voor religieuze organisaties moeilijk maakt om als zodanig rechtspersoonlijkheid te verwerven, is kwalijk, maar zou wat mij betreft vooral moeten leiden tot een verbetering op dit punt in plaats van het uitkleden van de regels voor stichtingen en verenigingen wanneer religieuze organisaties daarvan gebruik maken.

 

De regels over besluiten en nietigheid van besluiten, vertegenwoordiging (en ontbinding en vereffening) worden, ingeval de religieuze organisatie de verenigings- of stichtingsvorm aanneemt, ook beheerst door de bepalingen van boek 2 BW.


26 Zie instemmend M.J.G.C. Raaijmakers, in: Kerkgenootschap en stichting; iets over HR 12 mei 2000, RvdW 2000,121, A-T-D (Van Schilfgaardebundel), 2000, p. 351 e.v.
27 Zie Dijk-Van der Ploeg, Van vereniging en stichting, coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij, Deventer 2001, vierde druk, p. 88-89.

|132|

De regeling betreffende vertegenwoordiging van verenigingen en stichtingen is anders dan die voor kerken (zie paragraaf 6.4 hierna) en natuurlijke personen (mensen). De gewone regel voor vertegenwoordiging is grofweg dat de vertegenwoordiger (de gevolmachtigde) de vertegenwoordigde (volmachtgever) alleen kan binden door een rechtshandeling (bijvoorbeeld koop) aan een derde, wanneer hij binnen zijn volmacht blijft. Gaat hij buiten zijn boekje, dan is de vertegenwoordigde niet gebonden en is de onbevoegde vertegenwoordiger schadeplichtig tegenover de derde. Bij de in boek 2 BW geregelde rechtspersonen, zoals de vereniging en de stichting is de regeling betreffende vertegenwoordiging echter anders, gunstiger voor de derde.28 Als het bestuur of een of meer bestuurders die statutair bevoegd zijn verklaard tot vertegenwoordiging, de rechtspersoon vertegenwoordigen, is de rechtspersoon gebonden. Dit is gekoppeld aan de verplichting om de vertegenwoordigingsbevoegde bestuurders in het handelsregister in te schrijven. Wat is ingeschreven kan door de rechtspersoon aan derden, maar ook door derden aan de rechtspersoon worden tegengeworpen. Dat de vertegenwoordigers zich niet aan statutaire of reglementaire regels hebben gehouden betreffende goedkeuring door een ander orgaan, enzovoort, doet niet ter zake.29 Wellicht kunnen de bestuurders om die reden worden ontslagen; de gebondenheid van de rechtspersoon aan de derde blijft in stand.

 

Van de rechtsfiguren vereniging en stichting naar burgerlijk recht wordt ook gebruik gemaakt door leden of vrienden van kerkgenootschappen voor bijzondere doelen. Daarmee kunnen bijvoorbeeld extra middelen voor het kerkgenootschap worden vergaard.30

 

6.4 Vertegenwoordiging31

Zoals hiervoor reeds op enkele plaatsen naar voren kwam, geldt voor de vertegenwoordiging van kerkgenootschappen een sterk afwijkende regeling


28 Deze regeling is ingevoerd in Nederland voor alle in boek 2 BW geregelde rechtspersonen, hoewel de 1e Europese Vennootschapsrichtlijn deze regeling alleen verplicht stelde voor de NV.
29 Wanneer de derde in deze niet te goeder trouw is ligt het anders.
30 Zie Rb ’s-Hertogenbosch 31 mei 1985, NJ 1986, 413 (orgelfonds, vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid).
31 Zie ook LC. van Drimmelen, De vertegenwoordiging van kerkelijke rechtspersonen, in: Met recht verenigd (Dijkbundel), 1986, p. 159 e.v.

|133|

vergeleken met de andere privaatrechtelijke rechtspersonen. Er zijn op twee punten verschillen.

In de eerste plaats ten aanzien van de tot vertegenwoordiging bevoegden. Anders dan bij de in boek 2 BW geregelde rechtspersonen, is er bij kerkgenootschappen, hun onderdelen of de lichamen waarin zij zijn verenigd niet noodzakelijk één bestuur, dat tot vertegenwoordiging bevoegd is. In veel kerken is er niet zonder meer een bestuur — met vertegenwoordigingsbevoegdheid — aan te wijzen. De vertegenwoordigingsbevoegdheid wordt veelal aan een of twee functionarissen verleend voor met zoveel woorden aangegeven terreinen. Om een voorbeeld te geven. In de ordinanties van de Protestantse Kerk Nederland wordt de bevoegdheid tot vertegenwoordiging van de gemeente in vermogensrechtelijke zaken aan de voorzitter en secretaris van het college van kerkrentmeesters gegeven, in diaconale aangelegenheid berust die bevoegdheid bij de voorzitter en de secretaris van de diaconie32 terwijl de voorzitter en de scriba van de kerkenraad de gemeente in andere zaken vertegenwoordigen. Wanneer in een bepaalde transactie meerdere aangelegenheden een rol spelen, moeten dus de handtekeningen van alle ter zake doende vertegenwoordigers worden geplaatst.

Bij belangrijke beslissingen is er bovendien veelal ook een besluit van een orgaan noodzakelijk. Meestal van het orgaan waarvan de vertegenwoordigers deel uitmaken, maar soms ook, vooral bij contracten waarbij grote financiële belangen spelen, een goedkeurend besluit van een toezichthoudend orgaan van een bovenplaatselijk niveau.

Het tweede grote verschil is, dat al deze interne kerkelijke regelingen inzake de besluitvorming en vertegenwoordiging, hoewel zij niet gepubliceerd (kunnen) worden, naar buiten de bevoegdheid tot vertegenwoordiging bepalen. Indien door iemand namens een kerkelijke rechtspersoon een rechtshandeling wordt verricht, waarbij de kerkelijke regeling niet in acht is genomen — of terwijl hij niet meer de functie uitoefent op grond waarvan hij bevoegd zou zijn als vertegenwoordiger op te treden — dan kan de kerkelijke rechtspersoon aan de derde de vertegenwoordigingsonbevoegdheid van betrokkene tegenwerpen.

 

Een duidelijk voorbeeld van deze problematiek biedt Hof 's-Hertogenbosch 8 juli 1991, KG 1991, 368. Volgens het Algemeen Reglement voor het bestuur van een parochie van de Rooms-Katholieke Kerk in Nederland is voor de verkoop van onroerende zaken een schriftelijke machtiging van de bisschop


32 Dan wordt bovendien niet de gemeente maar de rechtspersoon diaconie vertegenwoordigd. Ingevolg Ord. 11-5 bestaat op plaatselijk vlak naast de rechtspersoon gemeente voor diakonale aangelegenheden de rechtspersoon diakonie.

|134|

nodig. Voorzitter-priester en secretaris van het bestuur van de parochie Stein-Kerensheide hebben zonder zo’n machtiging een woonhuis met erf, dat eigendom was van de parochie, verkocht aan Buurenstein. Deze wist niets af van een noodzakelijke machtiging van de bisschop. Het Hof overweegt:

(Buurenstein) kan zich er ook niet op beroepen, dat hij de bevoegdheidsbeperking en de onbevoegdheid van de parochie tot de litigieuze verkoop niet kende. Buurenstein heeft niet onderzocht, noch door zijn makelaar of notaris doen onderzoeken of de parochie bevoegd was. Toch had een dergelijk onderzoek in de rede gelegen, niet alleen omdat Buurenstein wist met een rechtspersoon van eigen aard te handelen, maar ook omdat bij verenigingen en stichtingen de Nederlandse wet in art. 44 en 219 boek 2 aan besturen de bevoegdheid tot verkoop van onroerend goed onthoudt, tenzij de statuten anders regelen. De vraag naar de bevoegdheid tot vervreemding door een verkoper-rechtspersoon is dus geenszins ongebruikelijk en mag door de koper niet gepasseerd worden.

De kerkelijke rechtspersoon is dan niet gebonden, tenzij deze tegenover de derde de schijn gewekt had dat betrokkene bevoegd optrad.33 Het is uiteraard wel mogelijk dat de kerkelijke rechtspersoon de transactie bekrachtigt.34 Daarvoor dient dan echter wel de juiste interne procedure te worden gevolgd.

 

Kan de wederpartij eventueel de onbevoegdheid van degenen die de kerkelijke rechtspersoon vertegenwoordigen aan die rechtspersoon tegenwerpen op grond dat de interne procedure niet correct is gevolgd?35 Volgens het algemeen burgerlijk recht kan iemand die met een onbevoegde vertegenwoordiger handelt en die dit weet of redelijkerwijs had kunnen weten, zich niet later om die reden aan de rechtshandeling onttrekken. Hij dient dan de onbevoegd vertegenwoordigde een termijn te gunnen waarbinnen hij kan bekrachtigen. Vindt geen geldige bekrachtiging plaats, dan is degene die met een onbevoegde vertegenwoordiger handelde weer vrij. Komt hij er later achter dat hij met een onbevoegde vertegenwoordiger handelde, dat kan hij aan de onbevoegde vertegenwoordiger, dan wel de onbevoegd vertegenwoordigde te kennen geven dat hij de rechtshandeling wegens het ontbreken van een volmacht als ongeldig


33 Zie art. 3:61 lid 2 BW.
34 Vergelijk HR 4 december 1970, NJ 1971, 111.
35 Vergelijk de curieuze zaak Hervormde gemeente Montfoort-P. de Kamper, pres. Rb. Utrecht 13 juli 1999, KG 1999, 262.

|135|

beschouwt. Zolang de wederpartij zo’n kennisgeving niet heeft gedaan, kan de onbevoegd vertegenwoordigde de handeling nog bekrachtigen.36

 

De interne regeling van de kerkelijke rechtspersoon kan aan derden worden tegengeworpen, terwijl die meestal niet algemeen bekend of eenvoudig kenbaar is. Deze situatie is voor hen niet aantrekkelijk. Wanneer dit ertoe zou leiden dat er met kerkelijke rechtspersonen geen contracten meer gesloten zouden worden, zou dat ook voor de kerk heel ongelukkig zijn. Nu kan de kerkelijke rechtspersoon vanwege de grondslag waarop hij staat, wel het vertrouwen krijgen van de crediteur; en vanwege haar grondslag is zij uiteraard ook gehouden om maatschappelijk zorgvuldig en betrouwbaar op te treden. Als hij later echter spijtig moet melden dat de interne procedure niet in acht is genomen en dat hij zich moet beroepen op de ongeldigheid van het contract, dan zal het vertrouwen en de goodwill wel verspeeld zijn. Het is derhalve aan te raden om in geval van optreden in het rechtsverkeer de interne regels omtrent besluitvorming en vertegenwoordiging aan de wederpartij te verstrekken, zodat deze bedacht kan zijn op de voorwaarden en om bewijs kan vragen of aan die voorwaarden is voldaan.37 Op deze wijze wordt de kerkelijke rechtspersoon ook een minder ondoorgrondelijke wederpartij.

 

In art. 3:61 lid 3 BW staat:

Indien een volgens wet of gebruik openbaar gemaakte volmacht beperkingen bevat, die zo ongebruikelijk zijn, dat de wederpartij ze daarin niet behoefde te verwachten, kunnen deze haar niet worden tegengeworpen, tenzij zij ze kende.

Het is denkbaar dat onder omstandigheden een interne kerkelijke regeling, die aan de bevoegdheid van de vertegenwoordigers van bijvoorbeeld een kerkelijke gemeente beperkingen oplegt, als zo ongebruikelijk wordt beschouwd, dat de beperkingen niet tegenover derden kunnen worden ingeroepen. Weliswaar dient een wederpartij van een kerkelijke rechtspersoon er op bedacht te zijn dat er speciale interne regelingen gelden, maar dat betekent niet dat hem onder alle omstandigheden kan worden tegengeworpen dat er geen bevoegdheid van de vertegenwoordiger was omdat de interne regels niet in acht waren genomen.


36 Zie voor een en ander art. 3:69 BW.
37 De kerkelijke rechtspersoon kan niet na het sluiten van het contract op voorwaarde dat de interne goedkeuring wordt verleend de condities gaan veranderen: Rb. Amsterdam 28 november 1991, KG 1992, 6.

|136|

Het is heel goed denkbaar dat de vertegenwoordiger van de kerkelijke rechtspersoon zelf niet op de hoogte was van de interne regelingen. In dit verband verwijs ik naar de jurisprudentie inzake onbevoegde vertegenwoordiging door publiekrechtelijke rechtspersonen.38

 

Het is ook de vraag of de kerkelijke rechtspersoon er altijd wel mee gebaat is, wanneer zijn beroep op onbevoegdheid van de vertegenwoordiger slaagt. Immers, dan zouden de vertegenwoordigers van de kerkelijke rechtspersoon door de wederpartij kunnen worden aangesproken tot betaling van schadevergoeding, althans wanneer de wederpartij bij het sluiten van de overeenkomst niet al had kunnen begrijpen dat de bevoegdheid van de vertegenwoordiger ontbrak. Zie art. 3:70 BW. Wanneer er sprake is van misverstanden en gebrek aan overzicht bij de vertegenwoordigende ambtsdragers — en wellicht ook van gebrekkige voorlichting vanuit de hogere kerkelijke organen — dan zou het in de verhouding tussen het kerkgenootschap (de kerkelijke rechtspersoon) en de desbetreffende ambtsdragers niet passend zijn de gevolgen van deze vertegenwoordigingsgebreken geheel voor rekening te laten komen van de ambtsdragers. De kerkelijke rechtspersoon zal in zo’n geval mijns inziens de door de wederpartij bij degenen die als vertegenwoordiger optraden, terecht geclaimde schade voor zijn rekening dienen te nemen.


38 Zie HR 27 januari 1984, NJ 1984, 545 (WCO-Koma) en P. van Schilfgaarde, Dijk-bundel, Gouda Quint 1986, p. 229 e.v.

Drimmelen, L.C. van e.a. (2004) 7a

137-143

|137|

7a Fusie en splitsing van kerkgenootschappen

Volgens het kerkelijk recht

L.C. van Drimmelen

 

 

7a.1 Inleiding

In dit hoofdstuk gaat het om meer dan fusie en splitsing. Ook oprichting, omzetting en opheffing passeren de revue. Hier en daar wordt kortheidshalve alleen over fusie en splitsing gesproken terwijl tevens aan oprichting, omzetting en opheffing gedacht moet worden.

Daarbij dient opgemerkt dat dit hoofdstuk niet alleen gaat over kerkgenootschappen, maar ook over zelfstandige onderdelen van kerkgenootschappen en lichamen waarin kerkgenootschappen zijn verenigd.

Het is niet eenvoudig scherp in beeld te krijgen hoe een en ander in zijn werk gaat. Niet alleen omdat de regels voor fusie en splitsing van rechtspersonen in het Burgerlijk Wetboek niet geschreven zijn voor kerkgenootschappen, maar ook omdat aan elke rechtshandeling in deze sfeer een besluit van een kerkelijk orgaan ten grondslag ligt en de daarbij behorende procedure in elke kerkgemeenschap weer anders verloopt.

Daarom worden hier de meest relevante bepalingen uit drie verschillende kerkordes met betrekking tot fusie en splitsing van kerkelijke rechtspersonen gegeven met zonodig een korte uitleg. Vervolgens wordt ingegaan op de burgerrechtelijke aspecten van deze procedures waarbij de vraag aan de orde komt of een besluit van een kerkelijk orgaan tot fusie of splitsing enzovoort van een kerkelijke rechtspersoon metterdaad ook het beoogde burgerrechtelijk effect heeft. Maar minstens zo intrigerend is de vraag hoe fusie en splitsing van een geloofsgemeenschap binnen geloofsgemeenschappen wordt beleefd. Met het beantwoorden van de laatste vraag begin ik.

|138|

Een schat in aarden vaten

De Kerk, waar Christus van spreekt1 en die wij noemen in de Apostolische Geloofsbelijdenis,2 treedt zintuiglijk waarneembaar aan den dag in de veelheid van christelijke geloofsgemeenschappen, kerken, parochies en gemeenten, die wij kunnen vinden in het telefoonboek.

Intussen gaat het allemaal om dezelfde kerk, het is één kerk, dé Kerk,3 de zichtbare verschijningsvorm van de Kerk van Christus, waarvan Hij de Opperherder is.4

Deze zintuiglijk waarneembare en door mensen van vlees en bloed gevormde kerk is een precarious organisation;5 de Heer van de Kerk heeft de schat van het Evangelie toevertrouwd aan aarden vaten.6

Deze Kerk maakt in de loop der eeuwen haar eigen geschiedenis door. Deze geschiedenis lijkt vooral een geschiedenis van strijd. Strijd tegen vervolging, tegen de verleiding van andere religies, tegen ketterij binnen de kerk, tegen onderlinge verdeeldheid en tegen geloofsafval.

Tegelijk is het een geschiedenis van uitbreiding en inkrimping, van bloei en verval, van het stichten van nieuwe gemeenten, van splitsing en scheuring, van elkaar vinden en samenvoeging en ook van opheffing van gemeenten vanwege secularisatie of gewoon naar aanleiding van demografische ontwikkelingen. En dat, zonder dat het als zodanig aan het voortbestaan van de Kerk en aan de eenheid in Christus afbreuk doet. Want deze eenheid wordt niet gemaakt door fusie en niet gebroken door splitsing en scheuring, maar door de wijze waarop de volgelingen van de éne Heer met elkaar omgaan.

 

Overzicht

Om een overzicht te krijgen over het onderwerp van dit hoofdstuk dienen de volgende onderscheidingen te worden gemaakt:
1 We hebben te maken met:
- Landelijke kerkgenootschappen, zoals de Rooms-Katholieke Kerkprovincie in Nederland, de Nederlandse Hervormde Kerk en de Protestantse Kerk in Nederland;


1 Mattheüs 16 vs 18.
2 Apostolische Geloofsbelijdenis, art. 9: Credo sanctam catholicam ecclesiam, Ik geloofde heilige Katholieke Kerk.
3 Hans Küng, Die Kirche, Freiburg 1968-4, p. 37-54.
4 Kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland, art. I, lid 1.
5 De titel van de dissertatie van Mady A. Thung, The Precarious Organisation, Den Haag 1976.
6 II Corinthiërs 4 vs 7.

|139|

- zelfstandige onderdelen van deze kerkgenootschappen, zoals Rooms-Katholieke parochies, hervormde gemeenten, gemeenten die behoren tot de Protestantse Kerk in Nederland, parochiële caritasinstellingen, de diaconieën van hervormde en protestantse gemeenten;
- kerkgenootschappen die slechts uit één gemeente bestaan, zoals gereformeerde kerken, vrije evangelische gemeenten, baptistengemeenten en andere vrije gemeenten;
- lichamen waarin de laatstgenoemde kerkgenootschappen zich hebben verenigd, zoals de Gereformeerde Kerken in Nederland, de Remonstrantse Broederschap, de Unie van Baptistengemeenten.
2 Al deze kerkelijke rechtspersonen hebben in hun geschiedenis te maken met:
- oprichting, vorming, instituering, stichting;
- deling, splitsing, afscheiding, scheuring;
- omvorming, verandering van structuur, omzetting;
- samengaan, samenvoeging, vereniging;
- opheffing, verdwijning, teniet gaan.

Bij al deze gebeurtenissen vallen de kerkrechtelijke en de civielrechtelijke realiteit niet steeds samen.

 

Elke christelijke geloofsgemeenschap leeft in de overtuiging dat haar begin ligt in de ene oorspronkelijke ongedeelde kerk waarover het Nieuwe Testament vertelt en dat zij zal blijven voortbestaan tot het einde der tijden. Daarom zijn oprichting en opheffing nooit ècht aan de orde. Fusie houdt volgens de definitie van art. 308 Boek 2 BW het verdwijnen van de fuserende rechtspersonen in en het ontstaan van één nieuwe rechtspersoon. Kerkrechtelijk worden in de verenigde kerk de zich verenigende kerken voortgezet.7

De zich verenigende kerken worden dus niet opgeheven en de verenigde kerk is niet iets nieuws. Wanneer paragraaf 2 van c. 515 CIC spreekt over oprichten, veranderen en opheffen van parochies worden fusie en splitsing niet vergeten, want oprichting van een nieuwe parochie is in wezen splitsing van een te grote parochie en opheffen van een parochie gebeurt door die samen te voegen met een andere parochie.

Bij het bestuderen van de kerkrechtelijke regels inzake fusie en splitsing van kerkelijke rechtspersonen hebben we dus niet alleen te maken met een andere realiteit maar ook met een andere gedachtegang en een andere terminologie. Dat moeten we bedenken als wij gaan bezien wat de verschillende kerkorden


7 Art. II, lid 1, PKO.

|140|

bepalen inzake het fuseren en splitsen van kerken, parochies, gemeenten, zelfstandige onderdelen en kerkverbanden.

 

7a.2 Kerkelijke regelingen betreffende fusie, opheffing en splitsing

In de eerste plaats geven wij hier de meest relevante bepaling uit de Codex Iuris Canonici van de Rooms-Katholieke Kerk weer, waaruit het episcopaal-hiërarchische karakter8 van deze kerk blijkt
CIC, c. 515, paragraaf 2:

2 Parochies oprichten, opheffen of deze veranderen, komt alleen aan de diocesane Bisschop toe, die geen parochies mag oprichten, opheffen of deze in belangrijke mate veranderen, tenzij na de priesterraad gehoord te hebben.

CIC, c. 373:

Alleen het hoogste gezag komt het toe particuliere Kerken op te richten; eenmaal opgericht zijnde, bezitten zij van rechtswege rechtspersoonlijkheid.

Voor het presbyteriaal-synodale kerktype bezien we de kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland. De belangrijkste bepalingen ter zake zijn:
PKO, Ord. 2-12-1, 2, 4:

1 Een protestantse gemeente wordt gevormd door vereniging van twee of meer tot de kerk behorende gemeenten, waarvan het gebied geheel of gedeeltelijk samenvalt.
2 Een besluit tot vereniging wordt genomen door de kerkenraden van de betrokken gemeenten, nadat de leden van de gemeenten daarin gekend en daarover gehoord zijn.
4 Vereniging van twee of meer gemeenten tot een protestantse gemeente kan alleen plaatsvinden met medewerking en goedvinden van de classicale vergadering
.


8 Zie over typen van kerkelijke organisatie, hoofdstuk 10.

|141|

PKO, Ord. 2-13-1:

1 De vorming van een nieuwe gemeente geschiedt — hetzij op verzoek van belanghebbende leden van de kerk, die in een bepaald gebied woonachtig zijn, hetzij op verzoek van een of meer kerkenraden van de betrokken gemeente — door de classicale vergadering.

PKO, Ord. 2-14-1:

1 Twee of meer aangrenzende gemeenten dan wel twee of meer gemeenten die in eenzelfde gebied gelegen zijn, waaronder ten minste een gemeente van bijzondere aard, kunnen — op verzoek van de kerkenraden van de betrokken gemeenten en nadat de leden van de betreffende gemeenten gelegenheid hebben gekregen hun oordeel kenbaar te maken — door de classicale vergadering worden samengevoegd tot een nieuwe gemeente.

PKO, Ord. 2-20-1:

1 De gemeenten worden samengebracht in classes en de classes in regionale verbanden door de kleine synode.

PKO, Ord. 14-6-1, 2:

1 Wanneer de Protestantse Kerk in Nederland met een andere kerk in Nederland of daarbuiten, waarmee eenheid of verwantschap bestaat in geloof en kerkorde, tot vereniging wil komen, ontwerpt ze daartoe bij ordinantie vast te stellen regels en brengt ze de noodzakelijke wijzigingen in de ordinanties aan volgens het bepaalde in artikel XVII van de kerkorde.
2 Een besluit tot vereniging wordt, na vaststelling in eerste lezing door de generale synode, ter consideratie door de classicale vergaderingen aan de kerkenraden toegezonden. Na de behandeling van de consideraties van de classicale vergaderingen vindt in de generale synode de vaststelling in tweede lezing en de eindstemming plaats over het besluit tot vereniging.
Voor het besluit tot vereniging is bij de eindstemming een meerderheid vereist van ten minste tweederde van de uitgebrachte geldige stemmen
.

|142|

Kenmerkend voor deze regelingen is, dat de beslissing over fusie en splitsing van een zelfstandig onderdeel van de kerk wordt genomen door de naastvolgende meerdere vergadering. Dat is in het geval van fusie of splitsing van gemeenten de betreffende classicale vergadering en in het geval van fusie of splitsing van een classis de (kleine) synode.

Tevens valt op te merken dat de kerkorde van de protestantse kerken in Nederland regels kent met betrekking tot vereniging met andere kerken in Nederland of daarbuiten. De CIC kent een dergelijke regel niet omdat de Rooms-Katholieke Kerk de apostolische volheid heeft waarbij andere kerkformaties zich alleen maar kunnen aansluiten.

 

Ook de Gereformeerde Kerken in Nederland zijn van het presbyteriaal-synodale type, maar zij staan tegelijkertijd model voor al die kerkgemeenschappen die het woord ‘gereformeerd’ in hun naam dragen. Daarbij zijn in principe de plaatselijke gemeenten kerkgenootschappen en is het landelijk kerkverband een lichaam waarin de plaatselijke kerken zijn verenigd.9 Kenmerkend voor de procedure van fusie en splitsing enzovoort is dat de beslissing daarover wordt genomen door een orgaan van een betreffend kerkelijk lichaam zélf; de naast-volgende meerdere vergadering heeft alleen maar te bezien wat de gevolgen van de fusie of splitsing zijn voor andere plaatselijke kerken of voor andere (bovenplaatselijke) kerkelijke lichamen en of deze gevolgen aanvaardbaar zijn. De kerkorde heeft de materie als volgt geregeld:
GKO, art. 42:

1 Wanneer ter instituering van een kerk een kerkenraad wordt ingesteld, gebeurt dit niet dan met medewerking en goedvinden van de classis.
2 De kerkenraad is bevoegd te besluiten tot splitsing van de kerk, tot samenvoeging van de kerk met een of meer andere kerken of tot opheffing van de kerk. Hij zal een dergelijk besluit niet nemen zonder vooraf de gemeente erin gekend en er over gehoord te hebben.
3 Splitsing, samenvoeging en opheffing van kerken kunnen alleen plaatsvinden met medewerking en goedvinden van de classis
.

GKO, art. 49:

1 Het ressort van een classis wordt gevormd door ten minste zes in elkanders nabijheid gelegen kerken.


9 Zie hierover paragraaf 6.1.

|143|

2 Indien het aantal kerken meer dan twintig bedraagt, zal, en indien het meer dan twaalf bedraagt, kan, tot splitsing van het ressort van de classis worden overgegaan.10
3 Splitsing van het ressort van de classis en wijziging in zijn omvang kunnen niet tot stand komen zonder medewerking en goedvinden van de particuliere synode.

GKO, art. 53:

1 Het ressort van een particuliere synode wordt gevormd door de kerken van ten minste drie in elkanders nabijheid gelegen classes.
2 Indien het aantal classicale ressorten meer den zes bedraagt, kan tot splitsing van het ressort van een particuliere synode worden overgegaan.
3 Splitsing van het ressort van een particuliere synode en wijziging in zijn omvang kunnen niet tot stand komen zonder medewerking en goedvinden van de generale synode
.

GKO, art. 128, lid 1:

1 Met kerken en groepen van gereformeerde belijdenis en kerkregering in Nederland zullen betrekkingen aangeknoopt en onderhouden worden in het belang van herstel van de eenheid.

Statuten van kerkverbanden van het congregationeel-independente type worden voor dit hoofdstuk niet gebruikt, omdat het independente juist met zich meebrengt dat voor stichting, splitsing, samenvoeging en opheffing van gemeenten géén voorschriften worden gegeven door de landelijke kerkgemeenschap.


10 In de uitvoeringsbepalingen bij artikel 42 GKO wordt de volgende vuistregel gegeven: ‘Splitsing van de bestaande kerk verdient de voorkeur boven instituering van een nieuwe kerk wanneer het gaat om het uiteengaan van twee of meer ongeveer gelijke delen van de ongedeelde kerk. Samenvoeging van kerken verdient de voorkeur boven opheffing van een kerk wanneer het ledenbestand en het territoir van die kerk als gevolgd van de opheffing vrijwel geheel gevoegd zou worden bij één genabuurde kerk.’

Drimmelen, L.C. van e.a. (2004) 7b

145-158

|145|

7b Fusie en splitsing van kerkgenootschappen

Civielrechtelijke aspecten

T. van Kooten & T.J. van der Ploeg

 

 

7b.1 Inleiding

In dit hoofdstuk bezien wij de verschijnselen die Van Drimmelen in hoofdstuk 7a beschrijft vanuit civielrechtelijk oogpunt namelijk vorming, fusie, splitsing en optelling van kerkgenootschappen. Daarbij is het van belang om te constateren dat in de eerste plaats naar burgerlijk recht kerkgenootschappen, hun zelfstandige onderdelen en de lichamen waarin zij verenigd zijn rechtspersonen zijn en dat deze geregeerd worden door hun eigen statuut. Om die reden behandelen wij hierna bij de bespreking van fusie (paragraaf 7b.2) en splitsing (paragraaf 7b.3) eerst deze interne fusies. Vanuit het civielrecht bezien is van belang welke ruimte kerkgenootschappen hebben ten aanzien van hun zelfstandige onderdelen en welke civielrechtelijke effecten daaraan zijn verbonden.

Daarbuiten zijn kerkgenootschappen onderworpen aan het burgerlijk recht. Voor wat betreft boek 2 BW is daarbij bepaald dat overeenkomstige toepassing van de inleidende titel geoorloofd is (voor zover deze is te verenigen met hun statuut en met de aard van de onderlinge verhoudingen). De onderwerpen (juridische) fusie en (juridische) splitsing worden in boek 2 BW echter geregeld in titel 7. In de desbetreffende paragrafen komt deze problematiek van de fusie en splitsing van kerkgenootschappen (en dus niet die van zelfstandige onderdelen) dus in de tweede plaats aan bod.

In de tot nog toe genoemde verschijnselen is er sprake van rechtshandelingen door bevoegde kerkelijke organen. Wij zouden van kerkscheuring willen spreken, wanneer er zich feitelijk een splitsing in het kerkgenootschap voordoet zonder dat er sprake is van zo’n rechtshandeling. De civiele rechter heeft ten aanzien daarvan jurisprudentie ontwikkeld. Hij heeft daarbij noch aan kerkelijk recht noch aan het burgerlijk recht veel houvast (zie paragraaf 7b.4).

Boek 2 BW kent ook een omzettingsregeling waarbij de ene soort rechtspersoon met behoud van identiteit kan worden omgezet in een andere rechtspersoon. Deze lijkt ook op kerkgenootschappen toepasbaar te zijn (zie paragraaf 7b.5).

|146|

Ten slotte wordt bezien welke regels van het burgerlijk recht gelden voor de ontbinding van een kerkgenootschap (paragraaf 7b.6).

 

7b.2 Fusie

Samenvoeging (fusie) van zelfstandige onderdelen1

Wanneer overeenkomstig de orde van het kerkgenootschap2 gemeenten of parochies of andere zelfstandige onderdelen worden samengevoegd, zal in de eerste plaats voor het goed functioneren van de samengevoegde kerkelijke rechtspersoon (gemeente) een duidelijke regeling moeten zijn getroffen betreffende de samenstelling van de ambtelijke organen en andere commissies. Daarnaast is er het vermogensrechtelijke aspect van de samenvoeging. In de besluitvorming omtrent de samenvoeging is inbegrepen de bedoeling dat de schulden en bezittingen van de verdwijnende gemeente deel gaan uitmaken van het vermogen van de gemeente, die na de samenvoeging overblijft.3 De vraag is of dit ook naar burgerlijk recht op deze wijze mogelijk is, of dat overdracht van de bezittingen, cessie van de vorderingen en overdracht van schulden — als de schuldeiser instemt — nodig is. Hiervoor is geen rechtstreeks antwoord in het BW te vinden. Ons inziens is er echter alle reden om aan te nemen dat er bij de geschetste samenvoeging van gemeenten sprake is van overgang onder algemene titel, zodat overdracht niet meer op zijn plaats is.4 Argumenten daarvoor zijn enerzijds de bevoegdheid die artikel 2:2 BW aan kerkgenootschappen heeft gegeven om zelfstandige onderdelen te creëren en te doen verdwijnen en anderzijds de tekst van art. 3:80 BW van vóór 1998, waar stond wat men onder algemene titel verkreeg bij opvolging in het vermogen van een rechtspersoon die opgehouden heeft te bestaan. Deze zinsnede is vervangen door een expliciete verwijzing naar de regeling van de juridische fusie en splitsing in boek 2 BW, maar daarmee was niet bedoeld een werkelijke


1 Zie over het begrip zelfstandig onderdeel hoofdstuk 6 De kerken in het privaatrecht.
2 Hierbij kan eventueel een bestuur van een zelfstandig onderdeel overruled worden door een hoger orgaan afhankelijk van de kerkelijke regeling; zie Rb. Breda 12 december 2001, KG 2001, 41 inzake fusie van parochiële caritas-instellingen waarbij een onwillig bestuur werd ontslagen door de bisschop en vervangen door interimbestuurders.
3 Zie art. 14.1 Lutherse Algemene Ordening en Uitvoeringsbepalingen Gereformeerde KO ad art. 42, a.w., p. 165.
4 In de R.K.-Kerk gaat men hier ook van uit. Zie hierover P.M.M. Stassen, Fusie van parochies, in: A.P.H.Meijers, De parochie van de toekomst, Leuven 1998, met name de bijlagen met modellen, p. 209-223.

|147|

wijziging te bewerkstelligen. Het artikel 3:80 BW kan nu analogisch worden toegepast op deze kerkelijke fusie.5

 

Fusie van kerkgenootschappen

Wanneer het gaat om kerkgenootschappen die zelf willen fuseren, kan privaatrechtelijk niet worden teruggevallen op de bevoegdheid van kerkgenootschappen om onderdelen of lichamen waarin zij zijn verenigd te creëren en te doen verdwijnen. Het gaat nu om de vraag of kerkgenootschappen (in het spraakgebruik: kerken) de bevoegdheid hebben om een fusie te bewerken die juridisch het ontstaan van een nieuw kerkgenootschap en de overgang onder algemene titel van het vermogen van de oorspronkelijke kerken aan de fusiekerk tot gevolg heeft. We stuiten hier op het begrip juridische fusie. Onder (juridische) fusie verstaat de wet de rechtshandeling van twee of meer rechtspersonen waarbij een van deze het vermogen van de andere onder algemene titel verkrijgt of waarbij een nieuwe rechtspersoon die bij deze rechtshandeling door hen samen wordt opgericht, hun vermogen onder algemene titel verkrijgt.6

De wettelijke bepalingen inzake fusie (en splitsing) zijn op kerkgenootschappen niet van toepassing, omdat de wetgever dit heeft bepaald.7 De reden hiervoor is gelegen in het feit dat de wetgever vanwege de scheiding van kerk en staat, aan de kerkgenootschappen de vrijheid wilde laten om alles wat met de inrichting van het kerkgenootschap te maken heeft, buiten de dwingende regels van boek 2 BW te kunnen regelen.8 Wel kan een kerkgenootschap kiezen voor analoge toepassing van de fusieregeling. Binnen de grenzen van het Nederlandse dwingend (privaat)recht zijn kerkgenootschappen hierin dus vrij.

Hoe zou men zich de analogische toepassing van de wettelijke fusieregeling op kerkgenootschappen kunnen voorstellen? In de eerste plaats dient er per kerkgenootschap een orgaan te zijn dat beslist over de fusie. De in het ‘Samen op Weg’-proces betrokken kerkgenootschappen hebben in dit verband hun kerkorden op dit punt aangevuld. Zie Ord. 2, art. 13-17 HKO, art. 128 lid 4 GKO en art. 189.1 Lutherse AO. Expliciet is bepaald welk orgaan en onder welke voorwaarden hiertoe kan besluiten. Weliswaar mag worden aangenomen dat het tot statutenwijziging en ontbinding bevoegde orgaan in principe bevoegd is om ook tot fusie te besluiten, het lijkt verstandig om de besluitvorming inzake fusie zelf ook expliciet te regelen, wanneer een uitzicht op fusie bestaat. In elke


5 Vergelijk Maeijer-Schreurs, Parlementaire Geschiedenis rechtspersonen- en vennootschapsrecht 1991, p. 24-25 en 27. Hetzelfde geldt o.i. ook voor de kerkelijke splitsing.
6 Artikel 2:309 BW.
7 Artikel 2:2 lid 2 BW.
8 Kamerstukken T.K. 1987-1988, 17725, nr. 13, p. 9.

|148|

fuserende kerk zal dus een volgens de eigen regels geldig fusiebesluit moeten worden genomen. Daarin moet tevens ‘het kerkelijk statuut’ van de nieuwe gefuseerde kerk worden aangenomen.

 

De kerkelijke gemeenschap houdt door de fusie niet op; deze wordt uitgebreid. Theologisch gezien is het nieuwe kerkgenootschap een voortzetting van de oorspronkelijke kerken. Juridisch zijn de oorspronkelijke rechtspersonen (kerkgenootschappen) verdwenen.9

 

De juridische fusie geschiedt bij een notariële akte. Het lijkt verstandig dit op deze wijze ook in geval van een fusie van kerkgenootschappen te laten geschieden. In ieder geval zal er één fusiedocument moeten zijn, ondertekend door de bevoegde vertegenwoordigers van alle deelnemende kerkgenootschappen. Overigens zal een fusie van kerkgenootschappen met een verschillende structuur en regeling een uitgebreide overgangsregeling behoeven. Het is niet zo dat vanaf het moment van oprichting alleen de nieuwe kerkelijke regeling geldt.
De fusie van kerkgenootschappen bewerkt niet automatisch de fusie van de zelfstandige onderdelen. Of dit laatste gebeurt, hangt af van de inhoud van het fusiebesluit. Zo worden bij de fusie tot de Protestantse Kerken in Nederland de classes van de verschillende kerken, waarvan de grenzen in de periode voor de definitieve fusie gelijk zijn getrokken, wel gefuseerd, maar de plaatselijke gemeenten niet. Wel is het gevolg van de fusie van de kerkgenootschappen dat de zelfstandige kerkgenootschappen van de Gereformeerde Kerken in Nederland10 en de gemeenten die zelfstandige onderdelen zijn van de Nederlandse Hervormde kerk en de Evangelisch-Lutherse kerk — voorzover zij niet fuseren met die van de andere kerken — zelfstandig onderdeel worden van de gefuseerde kerk (PKN).11

De juridische fusieregeling in boek 2 BW (art. 2:309 BW e.v.) bevat een vrij uitgebreide regeling ter bescherming van schuldeisers. Ook deze geldt niet rechtstreeks bij de fusie van kerken. Maeijer wijst er echter terecht op dat ter wille van de bescherming van schuldeisers deze voor de fusie wel op de hoogte moeten worden gesteld, zodat zij met de fuserende kerkgenootschappen een regeling kunnen treffen.12


9 Vergelijk de plaatsvervanging wanneer een rechtspersoon door fusie of splitsing heeft opgehouden te bestaan, ingeval deze testamentair is bedacht, in art. 4:946 lid 3 BW.
10 Zie in dit verband ook de laatste alinea van paragraaf 7b.3 inzake omzetting.
11 Het verschil is dat zij na de fusie op landelijk niveau hun rechtspersoonlijkheid ontlenen aan de PKN.
12 Asser-Van der Grinten-Maeijer I (De rechtspersoon), 1997, nr. 219.

|149|

7b.3 Splitsing van kerkgenootschappen

Een punt waarover verwarring kan ontstaan is de vraag of splitsing van een kerkgenootschap hetzelfde is als scheuring van een kerkgenootschap. In beide gevallen is in de volksmond sprake van kerksplitsing. Immers, het voorheen ongedeelde kerkgenootschap bestaat nadien uit twee of meer geloofsgemeenschappen.

Ten behoeve van de overzichtelijkheid is het wijs om in deze discussie — naar analogie — de definities van de wetgever13 in aangepaste vorm te hanteren waarbij dus bij de splitsing in het algemeen14 eerst een tweedeling wordt gemaakt in zuivere splitsing en afsplitsing. Daarnaast bestaat dan de kerkscheuring.

Onder splitsing van een kerkgenootschap kan ten aanzien van de zuivere splitsing de rechtshandeling worden verstaan waarbij het vermogen van het kerkgenootschap — dan wel van een zelfstandig onderdeel — onder algemene titel en overeenkomstig de daaromtrent gemaakte afspraken wordt verkregen door twee of meer kerkgenootschappen en/of zelfstandige onderdelen van een kerkgenootschap. Het oude kerkgenootschap — dan wel zelfstandige onderdeel — gaat dus restloos op in twee of meer nieuwe kerkgenootschappen — dan wel zelfstandige onderdelen.

Onder afsplitsing wordt de rechtshandeling verstaan waarbij het vermogen van een onderdeel van een kerkgenootschap onder algemene titel en overeenkomstig de daaromtrent gemaakte afspraken wordt verkregen door een of meer andere bestaande en/of bij de splitsing op te richten kerkgenootschappen en/of zelfstandige onderdelen. Dat wil zeggen dat een onderdeel van een kerkgenootschap, bijvoorbeeld (een deel van) een kerkelijke gemeente zich mag losmaken van het kerkgenootschap of de gemeente waartoe het oorspronkelijk behoort en als zelfstandig kerkgenootschap of gemeente voortaan verder mag. In de bovenvermelde definities is telkens sprake van een rechtshandeling15 die erop is gericht te komen van één zelfstandig onderdeel of kerkgenootschap tot meerdere zelfstandige onderdelen althans waarbij meerdere zijn betrokken. Binnen het tot dan toe ongedeelde kerkgenootschap bestaat dus de wil daartoe en daartoe regelt men ook de gevolgen van die splitsing zoals de verdeling van het vermogen van het ongedeelde kerkgenootschap. Zo kan het voorkomen dat vanwege fundamentele verschillen van mening over de geloofsleer een kerkgenootschap besluit om — zoveel mogelijk in goed overleg — te komen tot een


13 Artikel 2:334a lid 2 en 3 BW.
14 In deze zin de ‘eigenlijke’ splitsing.
15 Artikel 3:33 BW definieert dit begrip als een op een rechtsgevolg gerichte wil die zich door een verklaring heeft geopenbaard.

|150|

(af)splitsing waarbij dus ook de geloofsgemeenschap wordt gedeeld in twee of meer geloofsgemeenschappen.16 Zolang men in staat is hierover afspraken te maken, kan men komen tot een zuivere splitsing of een afsplitsing. Dit kan zelfs in het statuut van het kerkgenootschap worden geregeld zoals bijvoorbeeld in de Nederlandse Hervormde Kerk.17 Deze kerk kent een regeling18 voor situaties waarbij binnen een hervormde gemeente een groep gemeenteleden behoefte heeft aan een andere prediking en catechese dan het merendeel van die gemeente, een aparte gemeente wordt gevormd. Via een ingewikkelde procedure en na bemoeienis van diverse bovenplaatselijke organen kan dan een zogenoemde ‘deelgemeente’ worden gevormd die ook rechtspersoonlijkheid heeft, dus ook met een apart college van kerkvoogden en eigen vermogen.

Daar waar sprake is van een (bijvoorbeeld landelijk georganiseerd) kerkgenootschap bestaande uit bijvoorbeeld plaatselijke gemeenten zijnde de zelfstandige onderdelen, kan zo’n kerkgenootschap dus voor die zelfstandige onderdelen een splitsingsregeling vaststellen. Het kerkgenootschap is daarin vrij voor zover de regeling niet in strijd is met het Nederlandse vermogensrecht. Zo mogen bij een dergelijke regeling de schuldeisers niet worden benadeeld.

 

Indien een (landelijk) kerkgenootschap met (plaatselijke) zelfstandige onderdelen als zodanig wenst te splitsen, zal goed moeten worden aangegeven — naast de verdeling van de landelijke goederen en schulden — welke zelfstandige onderdelen naar welk verkrijgend kerkgenootschap toegaan.

Lokale kerkgenootschappen zonder een (hecht) kerkverband kunnen zelf een splitsingsregeling treffen. Bij lokale kerkgenootschappen die zich hebben verenigd in een bovenlokaal lichaam, dat wil zeggen met een hecht kerkverband,19 kan men in de landelijke kerkorde een regeling opnemen.

Splitsing van een bovenlokaal lichaam is ook mogelijk mits afspraken zijn


16 Overigens is ons niet bekend dat er rechtspersonen, laat staan kerkgenootschappen van christelijke signatuur zijn, die in de eigen statuten/het eigen statuut een splitsingsregeling betreffende zichzelf hebben opgenomen.
17 Bijvoorbeeld Ord. 2-10b Hervormde Kerkorde betreffende de vorming van een zogenoemde ‘deelgemeente’.
18 Dit betreft een andere situatie dan wanneer een grote kerkelijke gemeente om praktische redenen wordt ingedeeld in wijken. In de hervormde kerkorde heeft een verdeling in ‘gewone’ wijkgemeenten namelijk niet de juridische consequentie dat dan ook meerdere rechtspersonen ontstaan (Ord. 16-6-1 HKO). Er blijft één hervormde gemeente bestaan met één centraal College van Kerkvoogden die de hervormde gemeente vertegenwoordigt in vermogensrechtelijke aangelegenheden. De goederen blijven ook op naam van die ene gemeente staan.
19 Zoals bij voorbeeld diverse kerkverbanden van gereformeerde signatuur. Zie bijvoorbeeld art. 42 GKO.

|151|

gemaakt over de verdeling van de bezittingen en schulden van dat bovenlokale lichaam en duidelijk is welke lokale kerkgenootschappen deel uitmaken van de verkrijgende bovenlokale lichamen.

Indien kerkgenootschappen, hun zelfstandige onderdelen en/of de lichamen waarin zij zijn verenigd een regeling treffen, kunnen zij tot splitsing komen. Dit alles geschiedt op basis van wederzijdse vrijwilligheid en consensus. De splitsing moet ook door de betrokkenen zijn beoogd.

 

7b.4 Kerkscheuring

Wij spreken van een kerkscheuring wanneer betrokkenen niet tot afspraken kunnen komen over de verdeling van het vermogen. Bij een kerkscheuring is geen sprake van een rechtshandeling waarbij de deling wordt beoogd. Bij een kerkscheuring kunnen partijen er niet in overleg uitkomen. Wanneer (een deel van) de leden van een gemeente, die zelfstandig onderdeel is van een kerkgenootschap, zich afscheidt(en) van het kerkgenootschap, zouden wij niet van kerkscheuring willen spreken, omdat formeel gezien het zelfstandig onderdeel als zodanig deel blijft uitmaken van het kerkgenootschap en de desbetreffende leden hun lidmaatschap daarvan beëindigen.20

Wel is er sprake van een kerkscheuring indien de meerderheid en de minderheid van de voorheen ongedeelde kerkgemeenschap zich niet samen meer als één kerkgemeenschap beschouwen maar als twee kerkelijke gemeenschappen.21 Twee benaderingen zijn mogelijk.22 De eerste benadering is de beantwoording van de vraag welke groep de voortzetting is van de oude kerk. Die voortzettende groep heeft uit dien hoofde recht op de eigendom van de goederen — in het bijzonder het kerkgebouw — van de voordien ongedeelde kerk. De vraag spitst zich juridisch gezien toe op het punt welke groep nu de wettige vertegenwoordiger is van de voordien ongedeelde kerk. In die situaties moet de rechter meestal de knoop doorhakken. Uit de jurisprudentie blijkt dat bij de beoordeling van deze vraag voor de burgerlijke rechter twee aspecten van belang zijn. Ten eerste mag hij binnen kerken de meerderheidsregel toepassen en ten tweede mag hij geen partij kiezen in geschillen van geloof en belijdenis (Hasselt-regel).


20 Een besluit tot afscheiding van een zelfstandig onderdeel als zodanig van het kerkgenootschap zal in het algemeen nietig zijn omdat het in strijd is met het kerkelijke statuut.
21 T.J. van der Ploeg, Fusie, federatie en splitsing van kerken en burgerlijk recht, in Kerk, recht en samenleving (Oldenhuis-bundel), Deventer 1997, p. 62.
22 Asser-Van der Grinten-Maeijer 2-II, 1997, nr. 218.

|152|

De tweede benadering is dat het oude kerkgenootschap door de scheuring wordt gesplitst in twee kerkgenootschappen die in de plaats van de oude kerk treden. De kerkelijke goederen behoren aan beide kerken in mede-eigendom toe tot een uiteindelijke scheiding en deling is gerealiseerd (Katwijk-regel).

 

Meerderheidsregel

In het arrest-Houwerzijl23 heeft de Hoge Raad bepaald dat ook bij kerkgenootschappen de meerderheidsregel kan worden toegepast: wat de meerderheid van het daartoe bevoegde orgaan van dat kerkgenootschap besluit, is geldig. Zelfs als besloten wordt tot uittreding uit het kerkverband, is dit geldig ondanks dat dit niet is geregeld in de kerkorde en strijdig is met een uitspraak van de synode. De vraag die zich hier voordoet is welk orgaan bevoegd is tot het nemen van een dergelijk besluit. In casu ging het om een gereformeerde kerk te Houwerzijl die deel uitmaakte van het kerkverband der Gereformeerde Kerken in Nederland. De generale synode24 stelde het bevoegde orgaan te zijn, terwijl de plaatselijke gereformeerde kerk meende dat dit de kerkenraad was. De Hoge Raad overwoog dat bij de gereformeerde kerken het synodaal verband geen wezenlijk onderdeel is van de gereformeerde kerk: het zwaartepunt ligt bij de plaatselijke kerk die ook kerkgenootschap is. Daarnaast was het kerkverband ooit op vrijwillige basis door de plaatselijke kerken aangegaan en stond het de plaatselijke kerk vrij om uit te treden.

Er mag dus worden uitgegaan van de soevereiniteit van de kerkenraad en losmaking van een gereformeerde kerk door haar kerkenraad uit het kerkverband om redenen van geloof en consciëntie is dan ook geoorloofd.25 De meerderheid van de kerkenraad beslist dus wie de voortzetting is van de oude kerk.

 

Hasselt-regel

Een kerkscheuring kan haar oorzaak vinden in bijvoorbeeld een verschil van inzicht over de organisatie en/of een geschil inzake geloof en belijdenis.

In het arrest-Hasselt26 is de positie van de burgerlijke rechter bij de beoordeling van een kerkscheuring in het laatste geval weergegeven. Die positie wordt bepaald door het beginsel van de scheiding van kerk en staat. Deze brengt met zich mee dat de overheid — dus ook de rechter — zich neutraal moet opstellen


23 HR 23 juli 1946, NJ 1947, 1.
24 Dat is de landelijke kerkvergadering.
25 Anders: HR 23 januari 1948, NJ 1948, 431 (Giessendam-Neder-Hardinxveld), waarin een dergelijk kerkenraadsbesluit ongeldig werd geacht, omdat de plaatselijke kerk zich wat de leer betreft, heeft te onderwerpen aan het gezag der synode (dit las het Hof in de kerkorde).
26 HR 15 februari 1957, NJ 1957, 201.

|153|

ten aanzien van godsdienstige aangelegenheden. De burgerlijke rechter mag dus geen partij kiezen inzake geschillen omtrent geloof en belijdenis. Hij mag dus niet zeggen dat bijvoorbeeld een kerkenraad een onjuiste visie heeft op de doop en daarmee ten onrechte een besluit neemt om zich los te maken uit het kerkverband. De burgerlijke rechter mag niet treden in de beoordeling van vragen omtrent geloof en belijdenis.

Hij mag slechts de kerkorde van het voordien ongedeelde kerkgenootschap als uitgangspunt nemen. Het bovenstaande noemt men wel de Hasseltregel.

Uit deze casus — het betrof wederom de kerkorde van de Gereformeerde Kerken in Nederland — kon de rechter de regel destilleren dat de kerkregering van de plaatselijke kerk was opgedragen aan de kerkenraad. Dat was in het gereformeerde kerkrecht het orgaan dat ten aanzien van de kerkelijke leer plaatselijk kon beslissen. Als die in meerderheid — dat meerderheidsbeginsel geldt ook binnen het gereformeerde kerkrecht — besluit tot losmaking op theologische gronden, dan moet de burgerlijke rechter dat respecteren. De minderheid heeft — tenzij sprake is van willekeur en kwade trouw — daarmee dus het nakijken, zelfs al zou die (theologisch) nog zo in haar recht staan en is de synode het met haar eens.

 

Katwijk-regel

In de jaren zeventig hanteerde de Hoge Raad een andere benadering: hij bepaalde in de zogenoemde Katwijk-arresten27 dat de kerkelijke goederen vanouds behorend aan de Gereformeerde Kerk Vrijgemaakt te Katwijk, aan de elkaar bestrijdende groepen in mede-eigendom toebehoorden. Een argument daarvoor is dat na de scheuring in feite twee kerkgenootschappen zouden zijn ontstaan waarin het oude, ongedeelde kerkgenootschap restloos is opgegaan. Het zou onbevredigend zijn indien de meerderheid zou beslissen welke daarvan als het oude kerkgenootschap moet worden beschouwd. De scheuring is dan een rechtsfeit waarbij bij beide groepen de wil aanwezig is en ook wordt uitgevoerd om als zelfstandig kerkgenootschap een eigen weg te gaan. Dit rechtsfeit brengt dan met zich mee dat de civiele rechten en verplichtingen van de oorspronkelijke kerk, tot de uiteindelijke verdeling, gemeenschappelijk aan beide groepen toebehoren. Op deze arresten is veel kritiek gekomen. Het vreemde aan deze benadering is namelijk dat de burgerlijke rechter dan toch het kerkelijk statuut terzijde schuift door dat niet onverkort als uitgangspunt te nemen. De soevereiniteit van de kerkenraad en zijn bevoegdheid om in leergeschillen bij meerderheid een beslissing te nemen over dat wat de juiste


27 HR 22 februari 1974 vervolgens Hof Amsterdam 4 april 1975 en HR 5 november 1976, NJ 1977, 219-221.

|154|

leer is, wordt niet door de burgerlijke rechter gerespecteerd. De Hoge Raad acht namelijk de geloofsopvattingen van beide groepen gelijkwaardig. De volgens het kerkelijk recht zich afscheidende groep behoudt dan — ondanks mogelijk forse leerstellige afwijkingen — toch rechten op de goederen van de oude kerk.

 

Boerakker

In een meer recente uitspraak van de rechtbank Groningen,28 namelijk de kwestie van de Gereformeerde Kerk te en van Boerakker, wordt weer teruggegrepen op de regel dat in beginsel het kerkelijk statuut zou moeten uitwijzen aan wie de kerkelijke goederen in eigendom toebehoren. Hierop wordt echter de uitzondering gemaakt dat, indien de kerkscheuring (nagenoeg) geheel is veroorzaakt door een verschil in geloofsopvatting en belijdenis, de Katwijk-regel moet worden toegepast. Daarmee wordt enigszins tegemoet gekomen aan de kritiek die in de literatuur op de Katwijk-regel was geuit.
Vergelijk in deze geest ook Rb. Zutphen 16 mei 2002, NJ 2003, 309 inzake VEG N.O. Veluwe tegen VEG Heerde. De groep die een nieuwe gemeente vormt, bestrijdt niet de geldigheid van de besluiten van de kerkenraad van de oude gemeente; er is bij de oude gemeente niet de wil om zich los te maken van degenen die de nieuwe gemeente hebben gevormd. De nieuwe gemeente heeft geen rechten ten aanzien van het vermogen van de oude gemeente.

 

7b.5 Omzetting

In de praktijk is er bij veel (grotere) kerkgenootschappen niet alleen sprake van een kerkgenootschap en zelfstandige onderdelen — en eventueel een lichaam waarin zij zijn verenigd — maar zijn er ook verenigingen en stichtingen die nauw aan de kerk verbonden zijn zonder deel uit te maken van de kerkelijke organisatie.29 Men kan denken aan een koorvereniging of een dienstencentrum. Dat deze destijds geen kerkelijke rechtspersoon zijn geworden, kan met kerkelijk beleid te maken hebben, maar er kunnen ook puur pragmatische redenen aan ten grondslag liggen. Om diezelfde pragmatische redenen zijn er


28 Rb Groningen 5 maart 1993, NJ 1994, 417.
29 Een kerkgenootschap kan ook in zijn eigen kerkorde plaats hebben voor verenigingen en stichtingen. Zie bijv. R.K.-kerk. De ‘kerkelijke verenigingen’ en ‘stichtingen’ ontlenen hun rechtspersoonlijkheid dan aan het kerkelijk statuut en zijn als zelfstandig onderdeel rechtspersoon.

|155|

geloofsgemeenschappen die niet de rechtsvorm kerkgenootschap hebben aangenomen, maar de rechtsvorm vereniging of stichting.30

Om allerlei redenen kan er behoefte bestaan om kerkelijke rechtspersonen tot burgerlijkrechtelijke rechtspersoon te maken of andersom. Voor burgerlijk-rechtelijke rechtspersonen bestaat in art. 2:18 BW de zogenaamde omzettingsregeling. Daarbij wordt de rechtspersoon van de ene soort (bijvoorbeeld vereniging) omgezet in een rechtspersoon van een andere soort (bijvoorbeeld stichting); de rechtspersoon behoudt echter zijn identiteit.31 Er vindt dus ook geen vermogensovergang plaats. Weliswaar is dit artikel niet rechtstreeks van toepassing op kerkgenootschappen, overeenkomstige toepassing is toegestaan32 en vindt ook plaats.33

 

Omzetting van een kerkelijke rechtspersoon in een burgerlijkrechtelijke rechtspersoon

In principe kan een kerkgenootschap zich omzetten in een burgerlijkrechtelijke rechtspersoon, zoals een vereniging of stichting, maar dit zal weinig voorkomen omdat het de interne vrijheid beperkt. Wel zou het op zijn plaats zijn wanneer het kerkgenootschap niet meer aan de materiële vereisten voor een kerkgenootschap voldoet. Op deze wijze behoudt de organisatie-rechtspersoon haar identiteit.

Vaker zal voorkomen dat er behoefte is om een zelfstandig onderdeel van een kerkgenootschap om te zetten in een vereniging of stichting. Daartoe zal er in de eerste plaats een besluit dienen te zijn van het orgaan dat in het desbetreffende zelfstandige onderdeel de hoogste zeggenschap heeft, bijvoorbeeld een kerkenraad in een gemeente. Ten aanzien van zelfstandige onderdelen in de Rooms-Katholieke Kerk, zal het veelal de bisschop zijn die hieraan zijn fiat dient te geven. Bij protestantse kerken zal het bij kerken van het congregationele type de gemeentevergadering zijn die daarover dient te beslissen. Bij kerken van het presbyteriaal-synodale type worden kerkenraad en classis er in gemengd. Bij de Nederlandse Hervormde Kerk zal de classicale vergadering het besluit nemen met instemming van de kerkenraad, bij de Gereformeerde Kerk is het de kerkenraad die beslist met medewerking en goedvinden van de


30 Zie hiervoor paragraaf 6.3.
31 Art. 2:18 lid 8 BW luidt: omzetting beëindigt het bestaan van de rechtspersoon niet.
32 Zie art. 2:2 lid 2, 2e zin BW.
33 Zie Rb. Zwolle 28 februari, JOR 2001, 121. Stichting Rooms-Katholiek Kerkhof wordt met machtiging Rb. omgezet; de naam stichting mag niet gehandhaafd vanwege verwarring van derden.

|156|

classis. Het gaat hier immers om het verdwijnen van het desbetreffende zelfstandige onderdeel uit de kerk.

Vervolgens — en dit geldt zowel ingeval van een omzetting van een kerkgenootschap als van een zelfstandig onderdeel ervan — dient dan aan alle vereisten voor de statuten van een vereniging of stichting voldaan te worden. De statuten maken deel uit van de notariële akte van omzetting.34 Indien er sprake is van een omzetting in een stichting, is ook nog de machtiging van de rechter vereist (art. 2:18 lid 4 BW).

 

Omzetting van een vereniging of stichting in een kerkelijke rechtspersoon

Bij omzetting van een vereniging of stichting in een kerkelijke rechtspersoon kan art. 2:18 BW eenvoudiger analoog worden toegepast. Negen tiende van de uitgebrachte stemmen op de ledenvergadering van de vereniging dient zich voor omzetting te hebben uitgesproken, dan wel de meerderheid op de vergadering van het stichtingsbestuur. Er moet een verklaring komen van het bestuur dat de rechtspersoon zich als zelfstandig onderdeel zal onderwerpen aan de desbetreffende kerkelijke regelingen.35 Ook kan de burgerlijkrechtelijke rechtspersoon niet zonder instemming van de bevoegde kerkelijke autoriteit deel gaan uitmaken van een kerkgenootschap. Dat zou in strijd zijn met de vrijheid van godsdienst en van vereniging.36 Voor omzetting van een stichting is ook nu weer een rechterlijke machtiging nodig.

Voor de omzetting van een vereniging of stichting in een zelfstandig onderdeel van een kerkgenootschap is onzes inziens steeds een notariële akte van omzetting verplicht, waarin is vastgelegd dat de noodzakelijke besluiten van de organen zijn genomen en bij de stichting de machtiging van de rechtbank is verkregen, alsmede dat de kerk waarvan de rechtspersoon zelfstandig onderdeel gaat worden instemt met deze ‘intrede’ en dat de rechtspersoon en zijn deelnemers zich onderwerpen aan het kerkelijk statuut.

 

Het is denkbaar dat een godsdienstige gemeenschap, die aanvankelijk de verenigings- of stichtingsvorm had aangenomen, later alsnog de rechtsvorm kerkgenootschap wil verwerven. Onzes inziens zal er ook dan een notaris bij te pas dienen te komen die de notariële akte van omzetting verlijdt. Wanneer het een stichting betreft, zal er ook een rechterlijke machtiging dienen te worden


34 Art. 2:18 lid 2 c.
35 Het maken van afzonderlijke statuten van een zelfstandig onderdeel van een kerkgenootschap is veelal overbodig.
36 Zie HR 30 oktober 1987, NJ 1988, 392.

|157|

verkregen. Het is dan aan de rechter om te beoordelen of er materieel sprake is van een kerkgenootschap.

 

Omzetting van de ene soort kerkelijke rechtspersoon in de andere

Het burgerlijk recht bemoeit zich niet met de interne organisatie van kerkgenootschappen. Zij mogen zelf bepalen welke zelfstandige onderdelen er zijn en in welke lichamen zij zijn verenigd. Het is afhankelijk van de kerkorde of een plaatselijke kerkgemeenschap als zelfstandig onderdeel (hervormd en luthers) of als kerkgenootschap (gereformeerd, maar ook baptist of vrij evangelisch) wordt beschouwd. In het kader van het SoW-proces zullen plaatselijke gereformeerde kerkgenootschappen straks zelfstandig onderdeel worden van de Protestantse Kerken in Nederland. Zij blijven daarmee rechtspersoon, maar raken een deel van hun vrijheid kwijt. Men zou dat ook als een vorm van omzetting kunnen zien. Ons lijkt dat evenwel niet zo zinvol: zij veranderen immers niet van soort rechtspersoon. Zij blijven kerkelijk rechtspersoon. Grote organisatorische wijzigingen in andere soorten rechtspersoon, zoals een vereniging of een NV, heten ook geen omzetting. Wel verandert voor de betrokken kerkelijke rechtspersonen een deel van hun rechten en verplichtingen. Juridisch is dat op zich geen probleem, indien zij hierin vrijwillig meedoen. Indien de kerkorde zo zou worden gewijzigd dat zelfstandige onderdelen zelfstandige kerkgenootschappen worden, zal inziens het bevoegd genomen besluit tot wijziging van de kerkorde voldoende zijn.

 

7b.6 Opheffing van gemeenten en parochies

Een kerkelijke gemeente kan qua aantal leden of in verband met de financiën zo weinig betekenen dat het niet zinvol is deze zelfstandig, als rechtspersoon, te laten voortbestaan. Verschil moet worden gemaakt tussen een gemeente die zelf kerkgenootschap is (bijvoorbeeld een vrije gemeente) en de situatie dat de gemeente zelfstandig onderdeel is van een kerkgenootschap (zoals bij de Protestantse Kerken in Nederland of een parochie van de Rooms-Katholieke Kerk).

Bij zelfstandige kerkgenootschappen kan als uitgangspunt gelden dat het orgaan dat tot statutenwijziging bevoegd is, ook tot opheffing (ontbinding) van het kerkgenootschap bevoegd is. In de kerkorde van de Gereformeerde Kerken in Nederland is bepaald dat de kerkenraad bevoegd is om dit besluit te nemen, zij het met goedkeuring en medewerking van de classis.37 Het besluit tot


37 Zie art. 42 GKN met Uitvoeringsbep. art. 42, p. 166.

|158|

opheffing van de gemeente zal veelal tevens de bestemming van het liquidatiesaldo inhouden.38 Omdat er bij opheffing geen opvolgende kerkelijke rechtspersoon is, zullen er vereffenaars moeten worden aangewezen die de vereffening van de rechtspersoon verzorgen. Zij dienen ook het liquidatiesaldo ter beschikking te stellen voor de bestemming die het orgaan dat tot opheffing heeft besloten heeft aangegeven. Heeft dit orgaan dat aan de vereffenaars overgelaten, dan zullen ze bij het vaststellen van de bestemming zoveel mogelijk een met de oorspronkelijke bestemming gelijke bestemming moeten zoeken. Doet zich een situatie voor waarbij het zelfstandig bestaan van een gemeente, die een zelfstandig onderdeel van een kerkgenootschap is, niet meer zinvol is, dan wordt over haar toekomst op bovenplaatselijk niveau beslist. Zo kan niet tot opheffing, maar wel bijvoorbeeld tot samenvoeging worden besloten. Bij de Protestantse Kerken in Nederland in wording zal een in die toestand verkerende gemeente worden samengevoegd met een andere gemeente door de classicale vergadering met goedkeuring van de generale synode.39 Zie hiervoor paragraaf 7b. 2.

Wel kunnen er andere zelfstandige onderdelen zijn, zoals kloosterorden enzovoort, waarvan samenvoeging met andersoortige zelfstandige onderdelen niet voorligt. In die gevallen zal ook een bovenplaatselijk orgaan het besluit nemen en kunnen door dit orgaan vereffenaars worden benoemd.

In bijvoorbeeld de Rooms-Katholieke Kerk kan een parochie worden opgeheven door de bisschop nadat deze de priesterraad heeft gehoord.40

Wanneer sprake is van opheffing van een kerkgenootschap of een zelfstandig onderdeel daarvan, dient bij de vereffening onzes inziens artikel 2:23b BW zoveel mogelijk analoog te worden toegepast, tenzij het kerkgenootschap zelf een regeling heeft getroffen. De Rooms-Katholieke Kerk is daarvan een voorbeeld. Zij regelt in haar statuut41 dat voor de vereffening en toedeling van het vermogen eerst moet worden gekeken naar de statuten en het recht van de op te heffen rechtspersoon. Indien die daarover niets regelen, vervalt het aan de onmiddellijk hogere rechtspersoon.


38 Zie Uitvoeringsbep. art. 42 GKO, punt 11.3.
39 Zie Ord. 2-14-2 PKN.
40 515 paragraaf 2 CIC en art. 18 Regl. R.-K. Kerkgenootschap in Nederland.
41 121-123 CIC en art. 18 Regl. R.-K. Kerkgenootschap in Nederland.

Drimmelen, L.C. van e.a. (2004) 8

159-174

|159|

8 De rechtspositie van priesters, predikanten en andere voorgangers

T.J. van der Ploeg

 

 

8.1 Inleiding

In godsdienstige gemeenschappen is vrijwel altijd een voorganger, priester, predikant of andere ‘geestelijke’ aanwezig, die zich in het bijzonder met de geloofsopbouw van de leden van de gemeente en met andere werkzaamheden die vanuit het geloof een bijzondere betekenis hebben, bezig houdt. In concreto valt te denken aan uitleg en verkondiging van de leer, het verrichten van liturgische handelingen, zoals doop en huwelijk, onderricht en toerusting, pastorale zorg en dergelijke.

In dit hoofdstuk wordt de rechtspositie behandeld van de voorganger,1 die op grond van een overeenkomst met het kerkgenootschap, dan wel het zelfstandig onderdeel (gemeente) van de kerk of de vereniging of stichting — in geval dit de rechtsvorm is van de geloofsgemeenschap waaraan hij leiding geeft — betaling ontvangt. Dit hoofdstuk betreft naast priesters en predikanten dus ook rabbijnen en imams.2

Niet aan de orde komt de rechtspositie van voorgangers die in dienst zijn van een niet-kerkelijke rechtspersoon zoals de overheid ingeval van een krijgsmachtpredikant, of bijvoorbeeld een particuliere stichting die een ziekenhuis in stand houdt in geval van een ziekenhuis-voorganger. Deze voorgangers hebben een arbeidsovereenkomst met de rechtspersoon waarvan de instelling


1 Met het woord ‘voorganger’ wordt gedoeld op degenen die in art. 2 lid 1 c BBA worden aangeduid als ‘personen die een geestelijk ambt bekleden.’ Vanuit het protestantse kerkrecht bezien is de term ‘geestelijke’ te zeer verweven met de Rooms-Katholieke Kerk. In de juridische literatuur wordt de term ‘geestelijke’ ook — in neutrale zin — gebruikt. In dit hoofdstuk worden de termen als equivalenten gebruikt.
2 Zie hierover F.A. van Bakelen, De status van de imam in het Nederlandse arbeidsrecht, in: F.A. van Bakelen, Recht van de islam 2, Groningen 1984, p. 45 e.v. Hij hanteert de ‘sociaal-realistische’ benadering en meent dat imams geen geestelijken zijn (p. 69). In de jurisprudentie wordt anders beslist.

|160|

uitgaat waarin ze werken. Hun kerkelijke positie (ingeval van christelijke voorgangers: hun ambt) ontlenen zij aan de geloofsgemeenschap, die hen ter beschikking van de niet-kerkelijke instantie stelt om daarin werkzaam te zijn.

 

8.2 Aanstelling

De positie van de voorganger in de geloofsgemeenschap waartoe hij behoort, hangt samen met de wijze waarop de geloofsgemeenschap is georganiseerd.3 Is er sprake van een episcopaal-hiërarchische kerk, zoals de Rooms-Katholieke Kerk, dan wordt de priester door de bisschop aangesteld. Deze plaatst hem bij een bepaalde parochie.4

Ingeval het om een presbyteriaal-synodale kerkgemeenschap gaat, wordt de predikant beroepen en aangesteld door de plaatselijke kerkenraad of een andere ambtelijke vergadering.

In congregationalistische kring, waarin zich ook veel geloofsgemeenschappen bevinden die de rechtsvorm vereniging of stichting hanteren, wordt de voorganger veelal aangesteld door de plaatselijke gemeenschap, in concreto vertegenwoordigd door de leden van het kerkgenootschap of de vereniging of stichting die het juridische kleed van de geloofsgemeenschap vormt.

Kerkgenootschappen, kerkverbanden of federaties van kerken hebben in het algemeen vrij uitgebreide regelingen met betrekking tot de voorwaarden voor de uitoefening van het geestelijk ambt, de toelagen of traktementen, de pensioenen en de gronden en procedures voor verwijdering uit het ambt, dan wel losmaking van een plaatselijke gemeente. Deze regels bepalen mede de rechtspositie van de voorganger. Een plaatselijke kerk/gemeente kan daar niet rechtsgeldig eenzijdig van afwijken.5

 

Bij de voorganger staat meestal de roeping voorop en zijn de financiële omstandigheden secundair. Het is dan aan de kerk/de geloofsgemeenschap om de betrokkene voldoende financiële zekerheid te bieden. Maar ook daar zijn grenzen aan. In kerkgenootschappen met een grote hoeveelheid gemeenten of


3 Zie hiervoor hoofdstuk 10 Typen van kerkelijke organisatie.
4 Zie nader over de positie van de rooms-katholieke priester: R.G.W. Huysmans, ‘De positie van de clerus in de nieuwe codex’, in: R. Torfs (red.), Het nieuwe kerkelijk recht; analyse van de Codex Iuris Canonici 1983, Leuven 1985, p. 193 e.v.
5 Vergelijk het Scheidsgerecht rechtspositieregeling voor medewerkers Gereformeerde Kerken in Nederland 28 december 1973, NJ 1974, 541 en Hof ’s-Gravenhage 29 mei 1963, NJ 1965, 246.

|161|

parochies kunnen de financiële risico’s gezamenlijk worden gedragen en kunnen er gezamenlijke voorzieningen worden getroffen terzake van ziekte, arbeidsongeschiktheid en pensionering. Bij kleinere kerkgenootschappen is dit niet goed mogelijk. Dan zal een voorganger indien zijn ambt al dan niet vrijwillig is beëindigd, een beroep moeten doen op de collectieve voorzieningen van de staat. In dat verband kan het voor hem6 veel verschil uitmaken of de rechtsverhouding met het kerkgenootschap7 als een ‘dienstbetrekking’ kan worden beschouwd. Voor de kerk is dit in verband met hogere financiële lasten (ziektewet, sociale verzekeringen) niet aantrekkelijk. De vraag is hoe dit burgerlijk-rechtelijk ligt en welke betekenis het desbetreffende kerkrecht in deze heeft.

 

Theologisch bezien heeft het iets heel plats om de verhouding van voorganger tot gemeente als een arbeidsovereenkomst te zien:

Zij krijgen geen salaris, geen soldij, ook geen honorarium als eerbewijs voor het vervullen van een erebaantje, evenmin een loon van een werkgever, als tegenprestatie voor het uitvoeren van diens opdrachten. Zij krijgen eenvoudig een onderhoudstoelage (deftig: traktement) van de kerk die hem of haar heeft beroepen. Want die wil hem of haar onderhouden, om haar het Woord te bedienen, en haar bij de les van Gods Koninkrijk te houden.8

In dit werk hebben voorgangers een eigen verantwoordelijkheid ten opzichte van het kerkgenootschap/de gemeente. Zij bekleden een kerkelijk ambt in de kerk, waarmee zij een overeenkomst sluiten. Aan de aanstelling als voorganger gaat veelal een uitgebreide opleiding van deze vooraf. De verdeling van de werktijd en van de werkzaamheden vindt meestal plaats in samenspraak met of in gehoorzaamheid aan de kerkelijke autoriteit door wie de betrokkene is aangesteld.

In beroepingsbrieven bij protestantse gemeenten wordt nogal eens uitdrukkelijk neergelegd dat er geen sprake is van een arbeidsovereenkomst.9 In het statuut van de Nederlands Hervormde Kerk wordt betreffende de predikant ‘ter verzekering van de vrijheid van het ambt van dienaar des Woords’ voor de


6 Onder ‘hem’ dient ook ‘haar’ te worden begrepen.
7 Dit geldt ook voor andere kerkelijke rechtspersonen en verenigingen of stichtingen door wie de voorganger was aangesteld.
8 Dr. A. Breukelaar in Trouw van 1 december 1999.
9 Zie bijvoorbeeld de beroepingsbrief in de Evangelische Broedergemeente, te kennen uit Rb. Utrecht 15 december 1999, NJ 2000, 494 en P. van den Heuvel, De kerkorde van de N-H. kerk.

|162|

(gewone) predikant een ‘predikantsplaats’ gevestigd, waaraan inkomsten en rechten zijn verbonden voor hem en zijn nabestaanden. Deze predikantsplaats wordt bij een gemeente gevestigd.10 Niettemin wordt er tussen de predikant en de desbetreffende gemeente een overeenkomst gesloten, waaruit de tussen hen geldende rechten en verplichtingen voortvloeien. De predikantsplaats, in het begin van de negentiende eeuw ingesteld om te bevorderen dat de van staatswege toegekende predikantstraktementen en weduwen- en wezengelden ook aan dat doel zouden worden besteed, fungeert heden ten dage als een instrument om het aantal predikanten in de kerk te relateren aan de behoefte en aan de financiële mogelijkheden. In het kerkelijk statuut van de PKN is de predikantsplaats als zodanig verdwenen. Wel wordt in Ord. 3-5-2 geformuleerd:

Bij het opstellen van de beroepsbrief wordt rekening gehouden met de vrijheid van het ambt van de predikant als dienaar des Woords. De inhoud en de strekking van de beroepsbrief mogen er dus niet toe leiden dat de predikant aan de kerkenraad of aan de gemeente ondergeschikt is.

In de regelingen van de Rooms-Katholieke Kerk wordt dit niet met zoveel woorden vermeld. De gezagsrelatie lijkt echter heel wel te passen bij de positie van de priester. In de Codex Iuris Canonici wordt van de priesters van de Rooms-Katholieke Kerk eerbied en gehoorzaamheid tegenover de bisschop geëist.11 Ook worden in de Codex de bevoegdheden en verplichtingen van de priesters uitgebreid beschreven: c. 521-534 CIC.12 Ze werken met de bisschop samen, maar in ondergeschiktheid.13 Deze is functioneel verplicht om de door hem gewijde priesters onder meer een inkomen te bezorgen. De priesters worden in dat kader door de bisschop in een of meer parochies benoemd. De parochie is op grond van het kerkelijke recht verplicht om de (reguliere) priester een bepaalde onderhoudsuitkering te geven. Er is in ieder geval geen arbeidsverhouding van de priester met de parochie, omdat hij gehoorzaamheid verschuldigd is aan de bisschop en er geen parochieorgaan is dat zeggenschap heeft over zijn werkzaamheden.14


10 Zie Ordinantie 13-8 H.K.O.
11 Zie noot Van Berckel onder HR 12 november 1963, NJ 1964, 205.
12 Zie hierover K. Walf, Einführung in das neue katholische Kirchenrecht, Benziger, Zürich 1984, p. 126 e.v. Zie ook de algemene bepalingen van de clerus in art. 273 e.v. CIC en Huysmans, a.w., p. 198.
13 Aldus Huysmans, p. 199.
14 Door A.P.H. Meijers worden in A.P.H. Meijers e.a., Op het snijvlak van civiel en canoniek recht, p. 23-24 de dienstverbanden met onder andere clerici als canonieke dienstverbanden aangeduid, die blijkbaar naar burgerlijk recht geen betekenis hebben.

|163|

Alvorens nader in te gaan op de burgerlijkrechtelijke rechtspositie van de voorganger ten opzichte van de rechtspersoon door wie zij zijn aangesteld, ga ik eerst na wat naar de huidige stand van zaken in het burgerlijk recht de eisen zijn voor het bestaan van een arbeidsverhouding.

 

Wanneer is er sprake van een arbeidsverhouding?

Voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst is het — gezien art. 7:610 BW — noodzakelijk dat er sprake is van:
- het verrichten van arbeid;
- het betalen van loon;
- een gezagsverhouding.
Indien een van deze elementen ontbreekt, is er geen arbeidsovereenkomst.

Wat betreft de aard van de arbeid is er naar burgerlijk recht geen beperking; als het maar gaat om activiteiten die voor anderen nut kunnen hebben. Ook geestelijke werkzaamheden vallen onder arbeid.15 Uiteraard gaat het er bij een arbeidsovereenkomst om dat het verrichten van arbeid verplicht is.

Bij het betalen van loon gaat het om een element dat de wederkerigheid van het arbeidscontract aangeeft. Er wordt voor de arbeid die wordt verricht betaald. Wanneer de betaling die wordt gedaan aan een voorganger voortvloeit uit de verplichting die de geloofsgemeenschap op zich heeft genomen om in het levensonderhoud van de voorganger te voorzien, zonder dat er verband bestaat tussen de omvang van de betaling en de omvang van de werkzaamheden, dan kan niet van betalen van loon worden gesproken. In andere gevallen is er wel sprake van betaling van loon, ook al wordt de betaling anders genoemd, bijvoorbeeld traktement, honorarium, kosten van levensonderhoud, enzovoort. Het gaat niet om de namen die men geeft aan de betaling, maar om de strekking.

Ten slotte het meest besproken element: het bestaan van een gezagsverhouding.


15 Ten onrechte wordt in de Richtlijnen van het aartsbisdom Utrecht 2002, p. 14 gesteld dat ‘arbeid van overwegend geestelijke aard’ niet als arbeid wordt gezien, omdat het van allerlei regels is uitgezonderd. Daarbij wordt verwezen naar het KB 24-12-1986, S. 655 art. 8 lid 1 (waarbij voor de Ziektewet, de Werkloosheidswet en de Sociale verzekeringswetten de arbeidsverhouding van iemand die arbeid van overwegend geestelijke aard verricht niet als een dienstbetrekking wordt beschouwd) en art. 2 onder c BBA (waarin personen die een geestelijk ambt bekleden worden uitgezonderd van de eis van toestemming van de Centrale organisatie Werk en Inkomen bij opzegging van de arbeidsverhouding). Deze bijzondere regelingen kunnen echter evenzeer worden gezien als een teken dat in principe deze verhoudingen naar burgerlijk recht wel als arbeidsverhoudingen worden gezien.

|164|

Voor een gezagsverhouding is het nodig dat de werkgever instructies kan geven aan de werknemer. Hij behoeft hem niet concreet te commanderen, maar hij zal de mogelijkheid moeten hebben om de werknemer op te roepen voor een bepaalde taak.16 Voor het bestaan van een gezagsverhouding is het geven van instructies niet doorslaggevend, maar het kúnnen geven ervan; zie HR 28 september 1983, NJ 1984, 92.17 In de praktijk waarin steeds meer hoogopgeleiden niet een zelfstandig beroep uitoefenen, maar in dienst treden van anderen, met name rechtspersonen, wordt het steeds lastiger om de ondergeschiktheid aan te wijzen. Veel werk wordt met een grote zelfstandigheid verricht. Wel is er controle achteraf en bestaat altijd de mogelijkheid om het contract te beëindigen. Zo is verklaarbaar dat bestuurders van een NV of BV, hoewel zij geen instructies behoeven aan te nemen van de algemene vergadering, naar burgerlijk recht wel als werknemer worden beschouwd. Voor het vaststellen van een gezagsverhouding is er dus geen vast criterium; wel moeten er in de rechtsverhouding sanctiemogelijkheden voor de ‘werkgever’ bestaan om de betrokkene ter verantwoording te roepen18 en eventueel te ontslaan. Door Brasz is in dit verband geopperd om een gezagsrelatie aan te nemen, wanneer er ten aanzien van de betrokkene een formele ontslagbevoegdheid bestaat.19 Niet steeds zal de grens tussen de overeenkomst van opdracht en de arbeidsovereenkomst met zekerheid zijn vast te stellen.20


16 Vergelijk H.A. Brasz in T.J. van der Ploeg en L.H. van den Heuvel, Ontslag van bestuurders van rechtspersonen, 1999, p. 149. Zie ook J.J. Trap, ArbeidsRecht 1998, p. 51. Vergelijk ook HR 17 juni 1994, NJ 1994, 757 nt. PAS, waarin opgenomen de uitspraak van de Rb. Utrecht dat sprake was van een arbeidsovereenkomst hoewel er ten aanzien van de geestelijke arbeid geen ondergeschiktheid was; die was er volgens de rechtbank in andere zaken (verlof, enzovoort) echter wel. De HR casseert dit niet.
17 Door Asser-Kortmann-De Leede, zevende druk, 1994, nr. 280 wordt aangenomen dat literatuur en jurisprudentie de ondergeschiktheid (het spiegelbeeld van gezagsverhouding) niet meer noodzakelijk wordt geacht. In recente literatuur wordt dit element wel in ere gehouden. Zie bijv. Van der Heijden-Van Slooten-Verhulp, Arbeidsrecht. Tekst en commentaar, tweede druk 2002, p. 7 (Verhulp).
18 Aldus C.F.M. Berkhout, p. 100 in T.J. van der Ploeg en L.H. van den Heuvel, a.w. 1999.
19 H.A. Brasz, p. 154 in T.J. van der Ploeg en L.H. van den Heuvel, a.w. 1999.
20 Vergelijk J.J. Trap, ArbeidsRecht 1998, p. 47 e.v. Dat de bedoeling van partijen een rol kan spelen, zoals Trap suggereert, is op zich waar, maar wanneer de rechtsverhouding materieel aan de kenmerken van een arbeidsovereenkomst voldoet is het een arbeidsovereenkomst, ondanks andere bedoeling van partijen.

|165|

8.3 Verkeert de voorganger in een gezagsverhouding?

Bovenstaande elementen beschouwend, is het duidelijk dat er geen algemene uitspraak is te doen over de rechtspositie van de voorganger. Algemeen gesteld zou er sprake zijn van een arbeidsverhouding wanneer de voorganger loon, althans een bijdrage voor het werk dat hij verricht, ontvangt van een kerkelijke rechtspersoon die ook ten opzichte van hem een gezagsverhouding heeft.

Volgens Maeijer21 zijn de kerkrechtelijke structuur en inrichting in samenhang met de benoeming of beroeping bepalend of de feitenrechter zal aannemen dat er een gezagsverhouding aanwezig is. Jacobs meent — instemmend zo lijkt het — in 1991 dat in de Nederlandse rechtspraak geestelijke ambten niet als arbeidsovereenkomst worden aangemerkt.22 Dit geldt inderdaad tot op heden voor voorgangers in dienst van reformatorische kerken. Zie Rb. Zwolle 16 maart 1966, NJ 1967, 178 en HR 14 juni 1991, NJ 1992, 173 HJS, TWS 1991, p. 297-298 nt. MGR (ds. Kruis-Chr. Geref. Kerk te ’s-Hertogenbosch). In het laatste geval was er geen toezicht — waaruit de gezagsverhouding zou kunnen blijken (TJvdP) — van de gemeente waaraan de predikant verbonden was, maar van de classis. Bovendien, zo stelt de HR, is de predikant voor het leven benoemd.

 

Door arbeidsrechtjuristen wordt het nogal eens als onheus beschouwd dat de kerk zich op haar eigen vrijheid beroept om mensen die financieel van haar afhankelijk zijn in een onbeschermde positie te brengen, terwijl zij materieel volledig vergelijkbaar zijn met werknemers. Volgens Rood23 in zijn commentaar op de laatst vermelde zaak (ds. Kruis) is het vreemd dat de Hoge Raad nog meent dat er geen arbeidsverhouding is. Hij verwijst daarbij naar Asser-Kortmann-De Leede, a.w. 1997, nr. 280 waar ook wordt aangegeven dat het begrip ‘gezagsverhouding’ niet zwaar behoeft te worden ingevuld. Hij stelt dat de beginselen van de vrijheid van godsdienst en de scheiding van kerk en staat toepassing van het arbeidsrecht op de geestelijke ook niet in de weg staan. Een kerkgenootschap kan zich zijns inziens niet op deze manier onttrekken aan het dwingende recht van de staat.

 

De teneur in de jurisprudentie van de laatste tijd lijkt om wel een arbeidsovereenkomst tussen de geestelijke en het kerkgenootschap aan te nemen, aldus


21 Asser-Van der Grinten-Maeijer II, De rechtspersoon, 1997, achtste druk, nr. 221.
22 A.T.J.M. Jacobs, De rechtspositie van geestelijken in het Nederlandse sociaal recht, in: H. Warnink, Rechtsbescherming in de kerk, Leuven 1991, p. 91-92.
23 M.G. Rood, noot onder HR 14 juni 1997, TWS 1991, p. 297-298.

|166|

C.C. Oberman.24 In HR 17 juni 1994, NJ 1994, 75725 heeft de HR uitgemaakt dat het feit dat terzake van de godsdienstige aspecten van de vervulling van het ambt de voorganger (in casu de imam) niet is onderworpen aan instructies, niet uitsluit dat met betrekking tot de overige aspecten van de contractuele relatie, zoals inzake werktijden en andere omstandigheden, sprake is van een arbeidsovereenkomst als bedoeld in art. 7:610 BW.

De vraag of er sprake is van een gezagsverhouding werd in de zaak Muler-Provinciaal Bestuur van de Europese Continentale provincie van de Broeder-Uniteit26 door de Rb. Utrecht27 positief beantwoord op grond van het feit dat er leiding en toezicht is op de gemeente en haar predikanten vanuit een Provinciaal Bestuur. In het bijzonder de bevoegdheid van dit Provinciaal Bestuur om de predikant te ontslaan wegens slecht presteren op het gebied van de godsdienstige taken wijst er op. Bovendien moet een predikant verantwoording afleggen aan het Provinciaal Bestuur.

Als voor het bestaan van een gezagsverhouding het toezicht op de voorganger en de mogelijkheid van ontslaan doorslaggevend zijn, hetgeen mij plausibel voorkomt, zal dunkt me bijna geen enkel kerkgenootschap er aan ontkomen dat er tussen haar, respectievelijk haar zelfstandige onderdelen en de bij hen werkzame voorgangers een gezagsverhouding bestaat. Immers, er zal altijd toezicht en de mogelijkheid tot ontslag28 (moeten) zijn, zo niet door de eigen gemeente dan wel door een bovenplaatselijk orgaan. De vraag is dan of, als er sprake is van een kerkgenootschap waarbij het opzicht en het nemen van maatregelen is toevertrouwd aan boven-plaatselijke kerkelijke instanties, men wel een gezagsverhouding met de plaatselijke gemeente — met wie immers de overeenkomst is gesloten — mag aannemen. Dat is mijns inziens inderdaad mogelijk. Volgens mij kan men in deze de boven-plaatselijke organen tevens als organen van de plaatselijke gemeente beschouwen, nu hun beslissingen — krachtens het kerkelijk statuut waaraan zowel de kerk als de predikant zijn


24 C.C. Oberman, Geestelijke ambtsdragers: gezagsverhouding en ontslagverbod, in: ArbeidsRecht 1999, p. 7 e.v. In 1966 nam de rechter dit niet aan: Rb. Zwolle 16 maart 1966, NJ 1967, 178.
25 TVVS 1994, p. 279 nt. NGR (Stichting Moskee al M.—Mohammed Zerbouhi).
26 Ten onrechte wordt door de rechtbank de Evangelische broedergemeente te Rotterdam als kerkgenootschap aangeduid, terwijl het klaarblijkelijk een zelfstandig onderdeel is. Vergelijk hoofdstuk 6.
27 Rb. Utrecht 15 december 1999, NJ 2000, 494.
28 Hiermee worden alle vormen van onvrijwillige beëindiging van de band met de voorganger bedoeld.

|167|

gebonden — directe rechtsgevolgen heeft voor de verhouding tussen predikant en gemeente.29

Alleen wanneer in de verhouding tussen de voorganger en de godsdienstige gemeenschap geen zeggenschap is over de werkzaamheden van de voorganger — afgezien van de geestelijk-inhoudelijke kant — en/of er geen kerkelijk toezicht is met sanctiemiddelen ten aanzien van hem, zal men niet van arbeidsverhouding kunnen spreken.

 

8.4 Het verschil tussen een arbeidsovereenkomst en een overeenkomst van opdracht

Wanneer er geen sprake is van een arbeidsovereenkomst, zal er normaal gesproken een overeenkomst van opdracht zijn tussen de plaatselijke kerk en de voorganger (zie art. 7:400 BW). Ook dan hebben partijen verplichtingen tegenover elkaar.30

Is er bijvoorbeeld tussen een moskeevereniging of -stichting en een imam geen arbeidsverhouding, maar wordt hem slechts ruimte geboden om zijn religieuze werkzaamheden te verrichten ten behoeve van de gelovigen die naar de moskee komen, dan kan er eventueel sprake zijn van enerzijds verhuur van ruimte en anderzijds het verrichten van religieuze werkzaamheden op basis van een opdrachtovereenkomst met de moskeevereniging of -stichting. Door het bestuur van de vereniging of stichting kan dan wel de band met de imam worden verbroken, maar dan is er geen sprake van arbeidsrechtelijk ontslag. Indien er geen sprake is van een arbeidsverhouding, valt betrokkene voor de toepassing van allerlei wetten in een andere categorie: zelfstandige. Dit maakt met name uit op het terrein van de belastingen; daarnaast zijn dan ook allerlei algemene regelingen voor werknemers niet van toepassing zoals de Ziektewet, de WAO,31 de Wet minimumloon en de Arbeidsomstandighedenwet. Arbeid van geestelijk/godsdienstige aard vormt sinds CRVB 28 juni 1977, RSV 1977, 313 echter wel een arbeidsovereenkomst waarvoor de sociale verzekeringswetten gelden.32 De desbetreffende rechters beoordelen niet per se op basis van het burgerlijk recht of er sprake is van een dienstbetrekking; het oordeel wordt mede bepaald door het doel van de specifieke wet. Zo oordeelde de CRVB 17 februari


29 Dit geldt ook voor toezicht op imams door hogere islamitische autoriteiten.
30 Vergelijk J.J. Trap, Arbeidsrecht 1998, p. 47 e.v., ‘De opdrachtnemer’.
31 Voor zelfstandigen is er de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen.
32 Aan deze uitspraak wordt gerefereerd in HR 17 juni 1994, NJ 1994, 757 p. 3621 ter adstructie van het karaktervan arbeidsovereenkomst.

|168|

1989, AB 1989, 475 m. nt. Sinninghe Damsté dat voor de Ziektewet een imam geen dienstbetrekking had, omdat hij niet gehouden was aan aanwijzingen en geen verantwoording schuldig was en het geestelijk element overheerste, terwijl dezelfde Centrale Raad Van Beroep op 19 april 1989, AB 1989, 476 nt. Sinninghe Damsté, gezien de onderlinge verhoudingen tussen imam en de moskeevereniging wel een dienstbetrekking aannam. Het betrof hier het recht op kinderbijslag dat afgeleid wordt van het onder de loonbelasting vallen.33 Voor de pensioenregelingen maakt het niet uit of er al dan niet sprake is van een arbeidsovereenkomst. Deze zijn in arbeidsverhoudingen niet verplicht en niet alleen mogelijk ten aanzien van werknemers.34

 

Het is overigens niet zo dat voorgangers die geacht worden een arbeidsverhouding te hebben met hun godsdienstige gemeenschap, in alle opzichten met andere werknemers worden gelijkgesteld. In verband met de godsdienstvrijheid is in art. 2 van het Buitengewoon besluit arbeidsverhoudingen dit besluit, volgens welke bij ontslag van een werknemer de Centrale organisatie voor Werk en Inkomen toestemming dient te geven (art. 6), niet van toepassing verklaard op personen die een geestelijk ambt bekleden.

Oldenhuis35 ziet als nadeel van de visie dat de verhouding tussen predikant (voorganger) en gemeente (kerkelijke rechtspersoon) een arbeidsverhouding is, dat er dan een discrepantie zou zijn tussen de specifiek kerkelijke schorsings- en afzettingsgronden en de door de wet voor ontslag genoemde gronden. In de paragraaf hierna zal ik hier nader op in gaan.

Daarnaast stelt hij, dat als een arbeidsverhouding moet worden aangenomen, de dwingende wetsbepalingen buiten toepassing moeten worden gelaten voorzover deze niet zijn te verenigen met de regeling in het kerkelijk statuut. Ook dit zal ik in de volgende paragraaf bespreken.

 

8.5 De dubbele betrekking tussen de voorganger en zijn godsdienstige organisatie

In het bovenstaande is al op verschillende plaatsen aangegeven dat het kerkelijk recht en het arbeidsrecht rechtsregels van een verschillende orde zijn. In


33 De conclusie van F.T. Oldenhuis, Brunner-bundel, p. 308 nt. 9 uit deze uitspraken dat arbeidsovereenkomst en kerkelijk statuut niet samen gaan, kan ik niet delen.
34 E. Lutjens, in, T.J. van der Ploeg en LH. van den Heuvel, a.w. 1999, p. 177.
35 Zie hoofdstuk 9a hierna, noot 16, verwijzend naar zijn bijdrage aan de Brunner-bundel, p. 309.

|169|

de (rechts)positie van de voorganger komen zij echter samen. De vraag is dan of deze regels met elkaar in conflict kunnen komen. Oldenhuis gaat hiervan uit en kiest dan voor voorrang van de kerkelijke regels. Hieronder wil ik bezien of zich inderdaad zo’n conflict voordoet en of dan aan de kerkelijke regels voorrang moet worden gegeven. Het gaat er dan uiteindelijk om of de kerkgenootschappen, anders dan andere (rechts)personen, op grond van de hun in art. 2:2 BW en de Grondwet gegeven vrijheid, zich mogen onttrekken aan de gelding van het arbeidsrecht. Men zal immers wel tot een aanvaardbare oplossing moeten komen die past bij het gegeven dat het eigen statuut blijkens art. 2:2 lid 2 BW moet wijken voor dwingend recht.36.37

Het dubbele karakter zit er in ieder geval vanaf het begin in. Het bekleden van het ambt van voorganger (priester/predikant) begint met een wijding/bevestiging van de betrokkene voor een bepaalde kerkelijke gemeenschap.38 De wijding of bevestiging geschiedt weliswaar bij een bepaalde kerkelijke rechtspersoon, maar heeft een gelding binnen het gehele kerkgenootschap/kerkverband. In het hierna volgende ga ik uit van het bestaan van een arbeidsovereenkomst om te bezien of dit problemen oplevert. Op het moment dat de voorganger de overeenkomst aangaat met een (kerkelijke) rechtspersoon, ontstaat naast de kerkrechtelijke band een arbeidsrechtelijke band. Als in de jurisprudentie ervan wordt uitgegaan dat een predikant voor het leven wordt benoemd,39 berust dit in feite op een misverstand. Een predikant ontvangt zijn status voor het leven, maar bij een bepaalde gemeente wordt hij voor onbepaalde tijd benoemd. Hij kan met inachtneming van daarvoor in de kerk geldende regels na enige tijd weer elders een beroep40 aannemen. Zelfs kan, indien de verhoudingen ernstig verstoord raken of betrokkene disfunctioneert of misstappen begaat, op verzoek van de kerkenraad of op eigen verzoek de band worden verbroken.41 Ook kan hij tijdelijk, zonder het predikantschap bij een gemeente uit te oefenen, de status van predikant behouden.


36 Zie over de betekenis van ‘dwingend recht’ Parl. Gesch. Vaststellingswet 1961, p. 71 e.v. en Parl. Gesch. Aanpassingswet BW (Invoering boeken 3, 5 en 6), 1991, p. 120 e.v. en A.H. Santing-Wubs, Kerken in geding, prft. Groningen 2002, p. 33-51.
37 Zie M.G. Rood noot onder HR 14 juni 1991, TVVS 1991, p. 297 e.v.
38 De mogelijkheid om gewijd of bevestigd te kunnen worden is veelal afhankelijk van het behaald hebben van een of meer in het kerkelijk statuut voorgeschreven examens.
39 Bijv. HR 14 juni 1991, NJ 1992, 173 HJS; TVVS 1991, p. 297 e.v. nt. M.G. (ds. Kruis-Chr. Geref. Kerk te ’s-Hertogenbosch).
40 Thans geschiedt dit in de grote protestantse kerken door de kerkenraad, maar vroeger ook soms door anderen, zoals collatoren en floreengerechtigden; vergelijk J.C. van Loon, Het Algemeen Reglement van 1816, prft. 1942 en P. Estié, De stichting van een kerkgenootschap, prft. uva 1982.
41 Zie HKO Ord. 13-30, Ord. n-6-7, Ord. 11-14; GKO art. 18.

|170|

Voor de goede orde, in verband met de verplichtingen van werkgever en werknemer ten opzichte van elkaar, herhaal ik dat de arbeidsrechtelijke ‘gezagsrelatie’ niets toe en afdoet aan de geestelijke vrijheid of onvrijheid van de voorganger. Die hangt af van het kerkelijk recht van het desbetreffende kerkgenootschap. Het is niet in strijd met de godsdienstvrijheid wanneer een kerkgenootschap strikte regels stelt omtrent de geloofsinhoud en de overdracht daarvan en sancties stelt op overschrijding van de aangegeven grenzen. Wanneer naar kerkelijk recht echter de geestelijke vrijheid van de voorganger om zich alleen afhankelijk te weten van de Allerhoogste hoog in het vaandel staat, doet dat niets af van het feit dat er sprake is van een arbeidsverhouding.

 

De verhouding tussen de voorganger en de kerkelijke rechtspersoon waaraan hij is verbonden, heeft dus een tweeledig karakter. Enerzijds is er een kerkrechtelijke band met de kerkelijke rechtspersoon, die beheerst wordt door het kerkelijk statuut, anderzijds is er een arbeidsovereenkomst die wordt beheerst door het BW (boek 7 titel 10).42

Wat behelzen die bepalingen uit het BW? Dat betreft betaling van loon, vakantie en verlof, gelijke behandeling van mannen en vrouwen, bijzondere bedingen, verplichtingen van de werkgever, verplichtingen van de werknemer, rechten van de werknemer bij overgang van een onderneming en einde van de arbeidsovereenkomst.

De meeste bepalingen vormen geen probleem voor de verhouding tussen voorganger en kerkgenootschap, hetzij omdat zij gewoon toegepast kunnen worden hetzij omdat de geregelde problematiek zich niet voordoet. Een uitzondering vormt de regeling over gelijke behandeling van mannen en vrouwen, omdat in deze de vrijheid van godsdienst sterker wordt geacht dan het recht op gelijke behandeling.43 Ook de toepassing van de bepalingen betreffende de overgang van een onderneming (art. 7:662 e.v. BW) doet zich niet licht voor. Dat zou hooguit kunnen ingeval van juridische splitsing en opheffing (zie hoofdstuk 7b). Overgang van de kerkelijke onderneming ten gevolge van verkoop, verhuur, verpachting of vruchtgebruik (zie art. 7:662 lid b BW) laat zich niet denken.

Het meest problematisch zou de toepassing van de bepalingen over het einde


42 Iets vergelijkbaars geldt overigens voor bestuurders van rechtspersonen; zie T.J. van der Ploeg en G.J. Groeneveld, in: T.J. van der Ploeg en LH. van den Heuvel, Ontslag van bestuurders van rechtspersonen, 1999, p. 1 e.v. Hier lopen rechtspersonenrecht en arbeidsrecht naast elkaar.
43 Zie art. 3b Algemene Wet Gelijke Behandeling en art. 5 Wet gelijke behandeling mannen en vrouwen.

|171|

van de arbeidsovereenkomst op de overeenkomst met de voorganger kunnen zijn.

 

8.6 De beëindiging van de rechtsverhouding met de voorganger

De verhouding tussen een voorganger en de geloofsgemeenschap waaraan hij is verbonden is een precaire. De predikant is meestal in veel opzichten vrij in zijn benadering en in zijn activiteiten, maar hij is voor een goed functioneren ervan afhankelijk of hij bij de gemeente ‘aanslaat’. Dat wil niet zeggen dat hij de gemeente naar de mond praat, dat past iemand die het Woord brengt niet, maar wel dat hij overkomt als iemand die vanuit de gemeente bezien relevant bezig is. Als dat niet het geval is, zal er veelal de behoefte bestaan — in ieder geval bij de gemeente — om uit elkaar te gaan. In verschillende kerken zijn omtrent het einde van de samenwerking uitgebreide regelingen getroffen waardoor de belangen van de gemeente en van de predikant worden gewaarborgd.

In het algemeen zullen godsdienstige opvattingen geen criterium zijn voor de beoordeling van iemands werkzaamheden. Bij de beoordeling van een predikant of een andere persoon met een geestelijk ambt kan dit echter wel de doorslag geven.44

 

Van belang is in de eerste plaats dat bij het ontslag van de voorganger de interne procedure die daarvoor in het kerkgenootschap geldt, wordt gevolgd. Bij veel kerken zijn er procedures waarin ter bescherming van de voorganger maar ook van de kerkelijke gemeenschap alleen na zorgvuldige besluitvorming door kerkelijke organen een voorganger kan worden ‘losgemaakt’ van de kerkelijke gemeenschap waaraan hij verbonden is of van het kerkgenootschap en/of het kerkverband als geheel.45 Indien de interne procedure niet in acht is genomen, kan het desbetreffende besluit nietig worden verklaard.46 Ook als formeel de interne procedure wel gevolgd is, kan die besluitvorming wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid worden vernietigd.47


44 Vergelijk HR 30 mei 1986, NJ 1986, 702.
45 Zie over de regels hieromtrent in de Rooms-Katholieke Kerk: R.G.W. Huysmans, De positie van de clerus in de nieuwe codex, in: R. Torfs, Het nieuwe kerkelijk recht, Leuven 1985, p. 190 e.v., m.n. p. 202-203. Vergelijk Ord. 3-20 en 21 en Ord. 10-7 t/m 12 PKN.
46 Vergelijk pres. Rb Groningen 21-12-1990, KG 1991, 90.
47 Zie Asser-Van der Grinten-Maeijer, achtste druk 1997, nr. 216.

|172|

De wereldlijke rechter heeft in principe echter geen zeggenschap in de kerkrechtelijke aspecten van het predikantschap/priesterschap.48 Hij kan niet de besluitvorming door de bevoegde kerkelijke organen vervangen. Wel kan hij, ondanks de nietigverklaring van een ontslag, de schorsing van de predikant in stand laten vanwege de verstoorde verhoudingen.49

 

Aangenomen dat er sprake is van een arbeidsverhouding, is de vraag welke regels uit het arbeidsrechtelijk ontslagrecht aan de orde kunnen komen.

Volgens art. 7:667 BW eindigt de arbeidsverhouding van rechtswege wanneer deze voor een bepaalde tijd is overeengekomen. Ook deze situaties komen in de verhouding tussen voorganger en kerkelijke rechtspersoon voor.50 Naar mag worden aangenomen is het burgerlijkrechtelijk effect van de afloop van de afgesproken periode ook bedoeld in de verhouding tussen kerkelijke rechtspersoon en voorganger.

Voor arbeidsverhoudingen voor onbepaalde tijd geldt dat de werkgever en de werknemer deze kunnen opzeggen, waarbij de werkgever zwaardere verplichtingen heeft. Op zich lijkt mij het niet bezwaarlijk om ook bij voorgangers deze voorwaarden in acht te nemen. Het betekent wel dat bij de eventuele opzegging van het dienstverband aan de voorganger de wettelijke termijnen in acht moeten worden genomen.

 

Onder bepaalde omstandigheden, genoemd in art. 7:670 BW, geldt een opzegverbod voor de werkgever. Het lijkt niet onredelijk dit ook ten opzichte van voorgangers te doen gelden.

De werkgever kan de arbeidsovereenkomst onverwijld opzeggen om een dringende reden; zie art. 7:677 en 7:678 BW. Het gaat hier om zulke evidente misstanden, dat toepassing ervan redelijk lijkt in geval het voorgangers betreft. De werkgever is overigens niet verplicht om de arbeidsovereenkomst hiervoor op te zeggen. In hoeverre dit wangedrag van de voorganger ook kerkrechtelijke repercussies heeft, hangt af van de kerkelijke regeling en haar toepassing. Bij kennelijk onredelijke beëindiging van de arbeidsverhouding kan de werknemer schadevergoeding krijgen (art. 7:681 BW).51 Ook daarvan is toepassing bij ‘ontslag’ van een voorganger niet onredelijk. Anders ligt het mijns inziens


48 Ten onrechte anders Rb. Dordrecht 11 april 1985, KG 1985, 160 met vervolg in Hof ’s-Gravenhage 24 april 1987, KG 1987, 290 en Rb. Dordrecht 15 november 1991, KG 1991, 411.
49 Zie Rb. Groningen 21-12-1990, NJ 1991, 90.
50 Vergelijk voor de Rooms-Katholieke Kerk R.W.G. Huysmans, a.w. Leuven 1985, p. 202-203. Voor de PKN Ord. 3-18.
51 Pres. Rb. Breda 3 februari 1987, KG 1987, 103.

|173|

echter bij de toepassing van art. 7:682 BW. Als de werkgever schadeplichtig is omdat hij de opzegtermijnen niet in acht heeft genomen, of omdat hij kennelijk onredelijk de arbeidsovereenkomst heeft beëindigd, dan kan de rechter de werkgever tot herstel van de arbeidsovereenkomst (dienstbetrekking) veroordelen. Vanwege het feit dat de voorganger niet alleen een arbeidsovereenkomst heeft, maar ook tegelijk een kerkrechtelijke positie die afhankelijk is van besluiten door bevoegde kerkelijke organen, en het hebben van een arbeidsovereenkomst voor de voorganger gekoppeld is aan zijn kerkrechtelijke positie, acht ik herstel van de arbeidsovereenkomst door de rechter niet gepast.52 Er zijn andere dubbele rechtsverhoudingen, met name die tussen vereniging, coöperatie, NV of BV en hun bestuurders, waar de wet met zoveel woorden herstel in de dienstbetrekking heeft uitgesloten.53 Dat heeft met de vertrouwensband die er tussen de bestuurders en de leden/aandeelhouders moet zijn te maken. Een dergelijke vertrouwensband is er zeker ook tussen voorganger en kerkelijke rechtspersoon. A.G. Koopmans stelt54 dat er geen inmenging in kerkelijke aangelegenheden hoeft te zijn bij toepassing van artikel (thans) 7:682 BW omdat herstel van de dienstbetrekking kan worden afgekocht (zie lid 3). Dat kost dan altijd nog geld. Ik geef er de voorkeur aan schadevergoeding te baseren op art. 7:681 BW. Toepassing van 7:682 BW acht ik ongepast, ook al kan er afkoop plaatsvinden.

Vanwege de bijzondere vertrouwensband tussen kerkelijke rechtspersoon en voorganger en de vrijheid van godsdienst is ook in art. 2 sub c van het Buitengewoon besluit arbeidsverhoudingen dit besluit niet van toepassing verklaard op personen die een geestelijk ambt bekleden.55 Voor de opzegging van de arbeidsverhouding met de voorganger is dus niet voorafgaande toestemming van de Centrale organisatie Werk en Inkomen nodig.

 

Uit het voorafgaande moge blijken dat mijns inziens de toepassing van het arbeidsrecht op de rechtsverhouding met de voorganger, mits met erkenning van het mede kerkrechtelijk karakter van de rechtsverhouding, nauwelijks problemen behoeft op te leveren. Dat wettelijk het herstel van de arbeidsverhouding door de rechter niet is uitgesloten, zou tot onwenselijke uitspraken kunnen


52 HR 17 juni 1994, NJ 1994, 757 r.o. 3-4 suggereert dat deze regel geen problemen hoeft op te leveren, omdat de functionele relatie direct kan worden beëindigd. A.G. Koopmans stelt in deze zaak dat altijd nog ontbinding door de kantonrechter open staat. Beide opties lijken mij minder aantrekkelijk.
53 Zie art. 2:37 lid 6, 2:134 lid 3 en 2:244 lid 3 BW.
54 Conclusie voorafgaand aan de uitspraak van de Hoge Raad in HR 17 juni 1994, NJ 1994, 757.
55 Vergelijk noot 15 hiervoor.

|174|

leiden, doch naast de parallel met de bestuurders van rechtspersonen kan eventueel de vrijheid van godsdienst nog als argument worden gebruikt tegen de toepassing hiervan door de rechter.56


56 Vergelijk HR 30 mei 1986, NJ 1986, 702 betreffende een imam. De niet toepasselijkheid van het BBA op deze werd hier mede gebaseerd op de vrijheid van godsdienst.

Drimmelen, L.C. van e.a. (2004) 9a

175-187

|175|

9a Kerkelijke geschillen; de burgerlijke rechter en kerkelijke conflicten

F.T. Oldenhuis

 

 

9a.1 Inleiding

Bij inschakeling van de burgerlijke rechter door kerkgenootschappen denkt men in de eerste plaats aan die gevallen waarbij de burgerlijke rechter ‘te hulp’ wordt geroepen om een uitspraak te doen over de eigendom van de kerkelijke goederen na een kerkscheuring. Beziet men de periode 1850-1950 dan is een groot aantal van de uitspraken van de burgerlijke rechter, die verband houden met kerkelijke conflicten in dat kader te plaatsen.1


1 Voor een inventarisatie wordt verwezen naar F.T. Oldenhuis, Rechtsvinding van de burgerlijke rechter in kerkelijke conflicten, Groningen 1977 en zeer uitvoerig: A.H. Santing-Wubs, Kerken in geding. De burgerlijke rechter en kerkelijke geschillen, diss. Groningen 2002; in het bijzonder de in hoofdstuk 7 gegeven inventarisatie.
Kort samengevat kan over genoemde periode het volgende worden opgemerkt. Aanvankelijk werd de burgerlijke rechter geroepen een oordeel te geven over de rechtsgeldigheid van het Algemeen Reglement voor het Bestuur der Hervormde Kerk in het Koningrijk der Nederlanden (1816). Centraal stond daarbij de vraag of plaatselijke gemeenten die in de periode 1838 tot en met 1886 uit het verband van de Nederlandsche Hervormde Kerk waren getreden, met succes aanspraak konden maken op de kerkelijke goederen. Die vraag werd door de rechtspraak in ontkennende zin beantwoord (HR 2 januari 1846, W.674). Weliswaar was ieder lidmaat volkomen bevoegd zich vrijwillig af te scheiden; diezelfde bevoegdheid moest evenwel worden ontzegd aan de plaatselijke gemeenten. Zij werden geacht voor altijd deel uit te maken ‘van het organisch geheel, de Nederlandse Hervormde Kerk’ (Rb. Utrecht 2 april 1890, W 5883). De plaatselijke gemeenten, die waren voortgekomen uit De Afscheiding (1834) en De Doleantie (1886) verenigden zich in 1892 tot de Gereformeerde Kerken in Nederland. Wat betreft de structuur van hun kerkorde grepen zij rechtstreeks terug naar de Dordtse Kerkenordening van 1618.
Nadat binnen de Gereformeerde Kerken in Nederland zich in 1944 een scheuring voltrok (De Vrijmaking}, werd de burgerlijke rechter opnieuw geroepen om de vraag te beantwoorden of een plaatselijke gemeente zich kan afsplitsen van het verband van kerken en met succes aanspraak kan maken op de kerkelijke goederen. Nu diende die vraag te worden beantwoord op basis van de kerkorde van de Gereformeerde Kerken in Nederland. In een reeks uitspraken ➝

|176|

Wie de uitspraken van de burgerlijke rechter op het snijvlak van kerk en recht van de afgelopen dertig jaar overziet, zal de associatie met ‘kerkscheuring en mede-eigendom’ minder snel maken. Ten aanzien van twistpunten van zeer uiteenlopende aard die op het kerkelijk erf ontstonden, werd de hulp van de burgerlijke rechter ingeroepen. Die ontwikkeling past in het algemene beeld van een verjuridiseerde samenleving. Dat proces heeft zich in het bijzonder vanaf de jaren tachtig van de twintigste eeuw in hoog tempo voltrokken. De justitiabele wendt zich veel sneller dan vijftig jaar geleden tot de burgerlijke rechter, indien hem onrecht wordt aangedaan. Die trend gaat ook kerken niet ongemerkt voorbij. Kerkleden blijken in dat opzicht kinderen van hun tijd te zijn. Bij de gevarieerdheid van vorderingen die voor het forum van de burgerlijke rechter worden gebracht denke men bijvoorbeeld aan vorderingen tot vernietiging van genomen besluiten,2 tot ‘rectificatie’ van een uitgesproken gebed3 of van gedane uitlatingen.4 Voorts aan vorderingen tot herstel van het dienstverband en/of doorbetaling van loon.5 In zaken waarbij sprake is van (seksueel)


➝ oordeelde de Hoge Raad dat de plaatselijke kerk, indien zij zich daartoe uit geloofsovertuiging verplicht achtte ‘kan treden uit en blijven bestaan los van het Synodale Verband, waartoe zij tevoren behoorde’ (hr 23 januari 1948, nj 1948, 432 (scheuring Geref. kerk Vleuten/De Meern)).
Indien de betrokken kerkenraad dat besluit neemt omdat hij van oordeel is, dat het verband van kerken is afgeweken van de gemeenschappelijk vastgelegde grondslag, rijst de vraag in hoeverre de burgerlijke rechter het uittredingsbesluit kan toetsen. Dat die toetsing in dat geval niet meer dan een marginale toetsing kan zijn, werd door de Hoge Raad in een reeks arresten verwoord (onder andere HR 15 februari 1957, N] 1957, 201 (scheuring Geref. Kerk Hasselt)). Het in dat verband door de gerechtshoven en in navolging daarvan door de Hoge Raad zelfgemaakte onderscheid tussen enerzijds ‘vragen van geloof en overtuiging’ in welk geval — daargelaten gevallen van willekeur en kwader trouw — ‘verder niets te onderzoeken overbleef’ en anderzijds andere vragen — ook wel aangeduid als ‘rechtsvragen‘ — is tot op heden voorwerp van aanhoudend debat in de literatuur. Ik verwijs daarvoor naar de bijdrage van A.H. Santing-Wubs in hoofdstuk 9b.
2 Hof Arnhem 14 sept. 1993, rolnr. 92/142 (niet gepubliceerd) (tuchtmaatregel jegens gemeentelid Geref. Gemeente); Pres. Rb. Dordrecht 5 maart 1996, KG 1996, 127 (tuchtmaatregel jegens gemeentelid Geref. Kerk vrijgemaakt); Pres. Rb. Groningen 22 november 1995, KG 1996, 18 (tuchtmaatregel jegens gemeentelid Gemeenschap van Gelovigen).
3 Pres Rb. Arnhem 24 februari 1989, KG 1989, 114 (Uitschrijving dooplid Christelijke Gereformeerde Kerk te Ede).
4 Hof ’s-Hertogenbosch 17 januari 1989 (niet gepubliceerd) rol nr. 588/87/HC (zaak ds. Kruis); zie uitvoeriger daarover: F.T. Oldenhuis, Kerkgenootschappen en privaatrecht, kanttekeningen bij ‘de zaak Kruis’, in: Opstellen aangeboden aan prof.mr. C.J.H. Brunner, Deventer 1994, p. 303 e.v.; zie verder: HR 5 juni 1987, NJ 1988 702 (EAA) (uitlating echtpaar Goeree).
5 HR 14 juni 1991, NJ 1992, 173 HJS; TVVS 1991, p. 297 e.v. nt. M.G. (ds. Kruis- Chr. Geref. Kerk te ’s-Hertogenbosch).

|177|

misbruik kan men voorts denken aan de vordering tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade.6
Die ontwikkeling is des te opmerkelijker als men let op de grote mate van vrijheid die de overheid aan de kerkgenootschappen hier te lande heeft gegeven om op betrekkelijk autonome wijze uitwerking te geven aan de interne regelgeving. Ondanks die autonomie en het feit dat het merendeel van de kerkgenootschappen van de gegeven vrijheid gebruik heeft gemaakt, is de hulp van de burgerlijke rechter kennelijk onontbeerlijk! Dat kan het gevolg zijn van het feit dat de interne regelgeving onvolledig is ten aanzien van de oplossing van interne conflicten. Het is ook mogelijk dat de interne beroepsgang niet of nog niet voldoet aan de eisen die men heden ten dage aan een goede procesgang stelt. In dat geval is de kans groot dat de interne rechtsgang onvoldoende draagkracht bezit om zich aan het eindoordeel van de beroepsinstantie te conformeren. Een beroep op de burgerlijke rechter als restrechter komt dan snel in beeld.

In het hiernavolgende wil ik voor wat betreft enkele deelonderwerpen de bemoeienis van de burgerlijke rechter in het spanningsveld van kerk en privaatrecht nader inzichtelijk maken. Ik beperk me tot een drietal (deel)onderwerpen:
— het rechterlijk ingrijpen in arbeidsconflicten tussen predikant en kerkgenootschap (paragraaf 9a.2);
— het rechterlijk oordeel over het door het kerkgenootschap gevoerde verweer dat de eisende partij niet-ontvankelijk is vanwege het onbenut laten van de interne beroepsinstantie(s) (paragraaf 9a.3);
— het rechterlijk oordeel ter zake van door kerkgenootschappen en haar leden gedane uitlatingen of mededelingen, als zijnde in strijd met de eisen van maatschappelijke zorgvuldigheid (paragraaf 9a.4).

 

9a.2 ‘Arbeids’-conflicten tussen predikant en kerkgenootschap

In de oudere civiele rechtspraak en literatuur werd in het algemeen de rechtsverhouding tussen predikant en kerkgenootschap niet als een arbeidsovereenkomst gekwalificeerd. Men beschouwde de rechtsverhouding op grond van het


6 Zeer illustratief in dit verband is: Corr. Bruxelles, 9 avril 1998, JT 1998, p. 530 e.v., Bruxelles (12 Ch) 25 sept. 1998, JT 1998, p. 712 e.v.; zie voorts: Corr. Dendermonde, 10 juni 1998, TBBR 1998, p, 339 e.v. Wat betreft een strafrechtelijke procedure inzake seksueel misbruik: zie Rb. Dordrecht 26 nov. 1998, 11/005100-98 (niet gepubl.).

|178|

kerkelijk statuut als een overeenkomst ‘sui generis’ (van een eigen aard).7 Dat geldt evenzeer voor degene die een geestelijk ambt bekleedt in de Rooms-Katholieke Kerk. Ik signaleerde evenwel in mijn bijdrage in de Brunner-bundel (1994)8 dat de laatste decennia een tendens waarneembaar is om de rechtsverhouding van de werkzaamheden van geestelijke en godsdienstige aard niet aan het dwingende arbeidsrecht te onttrekken. Het betrof onder meer de rechtsverhouding van een pastorale medewerker9 en een ziekenhuispredikant.10 De CRVB overwoog:

De aanvaarding van goddelijk gezag behoeft de aanvaarding van menselijk gezag als waarvan sprake is bij een arbeidsovereenkomst niet uit te sluiten.

Ten aanzien van de rechtspositie van de predikant die verbonden is aan een kerkgenootschap, hield de rechtspraak vast aan de ‘sui generis’-constructie. Ik wijs op de rechtspraak van de CRVB met betrekking tot een doopsgezinde predikant,11 met betrekking tot een islamitische voorganger,12 alsook naar de rechtspraak van de Hoge Raad met betrekking tot een predikant van de Christelijk Gereformeerde Kerken. Ik doel daarbij op de zaak ‘ds. Kruis’.13
In laatstgenoemde zaak volgde de Hoge Raad het door de rechtbank geformuleerde uitgangspunt dat: 

uiterste terughoudendheid geboden is bij het toepasselijk verklaren van regelingen van materieel burgerlijk recht op de rechtsverhoudingen tussen verschillende organen en onderdelen van een kerkgenootschap.

De Hoge Raad bevestigde de door de rechtbank getrokken conclusie, namelijk dat op grond van de bepalingen van de betreffende kerkorde, niet kon worden aangenomen dat het betrokken kerkgenootschap gezag over ds. Kruis uitoefende


7 T. Koopmans, De begrippen werkman, arbeider en werknemer, Alphen aan den Rijn 1962. Asser-Kortmann-De Leede-Thunnissen, Bijzondere overeenkomsten, deel III, Deventer 1997, nr. 280.
8 F.T. Oldenhuis, Brunnerbundel, p. 303 e.v.
9 CRVB 28 juni 1977, RSV 1977, 309.
10 CRVB 28 juni 1977, RSV 1977, 313.
11 CRVB 6 december 1977, RSV 1978, 181.
12 CRVB 17 februari 1989, AB 1989, 475 m.n. Sinnighe Damsté. Zie verder: HR 30 mei 1986, NJ 1986, 702 (Asrikh-Islamitische Vereniging). Anders: HR 17 juni 1994, NJ 1994, 757 (Stichting Moskee al M. — Mohammed Zerbouhi).
13 HR 14 juni 1991, NJ 1992, 173 HJS; TVVS 1991, p. 297 e.v. nt. M.G. (ds. Kruis-Chr. Ceref. Kerk te ’s-Hertogenbosch).

|179|

in de zin van art. 7A:I637a bw (oud) e.v. In de motivering van de rechtbank — het wordt nadien in het arrest van de Hoge Raad herhaald — worden drie aspecten geaccentueerd:

Met name de omstandigheid dat Kruis als predikant voor het leven benoemd, geacht werd tucht uit te oefenen over zijn gemeente, die ingeval van aan de gemeente onwelgevallig functioneren van Kruis geen zelfstandige bevoegdheid had tot opzegging van de rechtsverhouding staat het aannemen van een gezagsverhouding als bedoeld in genoemd artikel in de weg (curs. f.t.o.).

Wat de problematiek van ‘interne’ en ‘externe’ werking betreft, werd in het cassatiemiddel gesteld, dat de betrokken kerkorde uitsluitend de interne rechtsbetrekkingen regelde en geen betrekking kon hebben op de contractuele relatie, die primair zou worden beheerst door het rechtspersonenrecht en het overeenkomstenrecht. Uit het voorgaande werd reeds duidelijk dat de Hoge Raad dat standpunt verwierp. Opmerkelijk is dat kerkgenootschappen in hun kerkerden of de daarop gebaseerde uitvoeringsbepalingen, het ‘sui generis’-karakter van de specifieke rechtsbetrekking tussen predikant en kerkgenootschap veelal niet nader uitwerken. Dat geldt in het bijzonder voor het merendeel van de kerk-orden van de kleinere kerkgenootschappen op het protestantse erf, die geheel of nagenoeg geheel de Dordtse Kerkenordening van 1619 volgen. Dat feit mag opmerkelijk genoemd worden. Juist bij kerkgenootschappen die stellen dat het onverenigbaar met het eigen kerkrecht is om de rechtsverhouding tussen kerkgenootschap en predikant als een arbeidsovereenkomst aan te merken, zou men mogen verwachten dat de vermogensrechtelijke aspecten in de rechtsbetrekking tussen kerk en predikant, zowel op hoofdzaken als op onderdelen, nauwkeurig worden uitgewerkt. In mijn adviespraktijk van de afgelopen jaren constateerde ik met zekere regelmaat dat die uitwerking ook in de zogenaamde ‘beroepingsbrief’ niet plaatsvond.14
De positie van de predikant — hij is de zwakkere partij — verdient naar mijn oordeel betere bescherming. Ik zeg dat mede gelet op het feit dat het kerkgenootschap zelf veelal een zeer sterke positie inneemt. Dat de rechtsverhouding tussen kerkgenootschap en predikant niet als een arbeidsovereenkomst moet worden gekwalificeerd, laat onverlet dat er sprake is van een door het


14 In die zin ook: P.T. Pel, De rechtspositie van de predikant, in: Rechtspositie en traktement van de predikant, uitgave van het GMV, Zwolle 1991, p. 10 e.v. Pel wees erop dat de rechter veel waarde toekent aan de beroep(ing)sbrief en dat het om die reden goed zou zijn dat nader kerk(recht)elijk uit te werken (p. 35).

|180|

vermogensrecht beheerste rechtsverhouding. Gelet op de ongelijke positie van beide partijen, zal de rechter de beginselen van zwaarwegend dwingend recht, waaraan ook kerkgenootschappen en hun onderdelen gebonden zijn,15 (art. 2:2 BW) extensief dienen te hanteren;16 dit zowel op het gebied van het contractenrecht, als op het gebied van het onrechtmatige daadsrecht. (Voor de rechtspositie van de pastores in de Rooms-Katholieke Kerk geldt dat overigens in niet mindere mate.)
Rb. Zwolle I februari 2002, kg 70866/KG ZA 01-466 vormt een goed voorbeeld waarin de bescherming door de rechter van de zwakke rechtspositie van de predikant tot uitdrukking komt. In casu betwistte de predikant de rechtsgeldigheid van de schorsing die hem door de classis was opgelegd. Enerzijds overwoog de president in kort geding dat hem als uitgangspunt bij de beoordeling van het geschil grote terughoudendheid past. Anderzijds stelde hij zich op het standpunt dat bij de totstandkoming van het schorsingsbesluit essentiële rechtsbeginselen ‘van een behoorlijke rechtsgang zoals een genoegzame mate van hoor en wederhoor’ zijn veronachtzaamd en het besluit in wezen als ‘willekeur moet worden bestempeld en daarmee als onrechtmatig jegens ds. De Boer moet worden beschouwd’ (r.o.2.10-13). De schorsing van de betrokken


15 Zie daarover uitvoeriger mijn bijdrage aan het CRBS-congres: Religie, cultuur en het recht van de overheid, CRBS-reeks, deel 5, Den Haag 2002, p. 37 e.v., i.h.b. p. 40 e.v.
16 Een fraai voorbeeld is reeds te vinden in: Rb. Winschoten 18 november 1925. NJ 1925, p. 1288. Het betrof een ontslagen predikant van de Vrije Evangelische Gemeente die schadevergoeding van de gemeente eiste vanwege een ‘onmiddellijke eenzijdige verbreking’ van de overeenkomst. De rechtbank ‘bezweek’ niet voor de verleiding de overeenkomst als een arbeidsovereenkomst te kwalificeren, maar overwoog mijns inziens terecht dat de ‘onderhavige rechtsverhouding’ … ‘met die uit arbeidsovereenkomst (een) niet te ontkennen gelijkenis vertoont’.
Vervolgens overwoog de rechtbank dat er ‘feiten denkbaar zouden zijn welke een onmiddellijke eenzijdige verbreking naar analogie van het voor de arbeidsovereenkomst bepaalde, zoude(n) rechtvaardigen’.
Uiteindelijk concludeerde de rechtbank dat die feiten zodanig zijn dat deze ‘zelfs te zamen genomen’ ‘zeker niet van zooveel gewicht zijn te achten dat een onmiddellijk ontslag zonder eenige tegemoetkoming daarvan het gevolg kon zijn’.
In de Brunner-bundel, a.w., p. 309, heb ik erop gewezen dat indien men de rechtsverhouding tussen kerkgenootschap en predikant als een arbeidsovereenkomst zou kwalificeren, daarmee het gevaar dreigt dat er een discrepantie ontstaat tussen de specifieke schorsings- en afzettingsgronden en de door de wet genoemde ontslaggronden.
Naar mijn oordeel is die situatie ongewenst. Aldus ontstaat — om de redenering van de rechtbank ’s-Hertogenbosch in de zaak ds. Kruis te citeren, te kennen uit het in noot 13 geciteerde arrest — licht het gevaar dat de burgerlijke rechter  ingrijpt in en een oordeel geeft over de leerstellingen die aan het eigen statuut van het kerkgenootschap ten grondslag hebben gelegen. ➝

|181|

predikant werd dan ook opgeheven zodat hij zijn werk weer kon hervatten. Expliciet overwoog de president dat de twist tussen partijen geen betrekking had op aspecten van leerstellige aard. Het door de predikant gevraagde verbod om tot verdere besluitvorming te geraken aangaande zijn rechtspositie, werd door de president afgewezen; de bevoegde organen zijn vrij om met in achtneming van een behoorlijke procesgang daaromtrent te besluiten. Daarmee bleef het primaat van de kerkelijke besluitvorming gehandhaafd! Naar mijn oordeel heeft de burgerlijk rechter hier een goed evenwicht tussen beider belangen gevonden. Uit het zojuist besproken vonnis blijkt dat de wijze van toetsing in het bijzonder de gehanteerde procedures betreft en niet zo zeer de inhoud van het gehanteerde beleid.

 

9a.3 Intern appelrecht als voorwaarde voor ontvankelijkheid

In de Brunner-bundel (1994) besteedde ik aandacht aan de vraag of het benutten van de interne appelmogelijkheid een voorwaarde vormt om de burgerlijke rechter als restrechter te kunnen inschakelen. Moet, zo stelde ik in genoemd


➝ Zou men niettemin in uitzonderingsgevallen — bijvoorbeeld in het geval waarin een gezagsverhouding tussen kerkgenootschap en predikant manifest in het statuut tot uitdrukking wordt gebracht — die rechtsverhouding als een arbeidsovereenkomst aanmerken, dan pleit ik ervoor ook in dat geval bepaalde onderdelen van het dwingend arbeidsrecht buiten toepassing te laten, ‘voorzover zij zich niet verenigen met de regeling zoals in het betrokken kerkelijk statuut is neergelegd’.
Eenzelfde benadering valt bijvoorbeeld op het gebied van het huurrecht waar te nemen bij het beëindigen van de bewoning van een door de werkgever ter beschikking gestelde dienstwoning, terwijl het bestaan van een huurovereenkomst niet kan worden ontkend. Vgl. HR 4 juni 1976, NJ 1977, 40 (PZ) waarin de Hoge Raad de cumulatieleer tot uitgangspunt nam en vervolgens bepaalde onderdelen van het huurrecht, zoals de huuropzeggingsregels buiten toepassing liet.
In mijn annotatie onder Pres. Rb. Roermond 7 augustus 1986, Prg 2615, heb ik een dergelijke oplossing in het belangenconflict tussen partijen sterk aanbevolen. Art. 6:215 BW wijst in eenzelfde richting. Naar mijn oordeel kan die methode ook op het terrein van het kerkrecht en het privaatrecht vruchten afwerpen. Men bereikt daarmee dat bepaalde onderdelen van dwingend recht die wél verenigbaar zijn met het betrokken statuut wel kunnen worden toegepast. Een alles-of-nietsbenadering kan op die wijze worden vermeden. Vergelijk voor een iets andere benadering T.J. van der Ploeg, hoofdstuk 8.5 en 8.6 hiervoor.
Zie voor een recente uitspraak, waarin het bestaan van een arbeidsovereenkomst tussen kerkgenootschap en predikant werd aangenomen: Rb. Utrecht 15 december 1999, NJ 2000, 494 (Mulder — Provinciaal Bestuur van de Europese Continentale Provincie van de Broeder-Uniteit).

|182|

opstel, de eiser die de interne appelmogelijkheid niet benut en meteen de burgerlijke rechter inschakelt, in die civiele procedure in eerste instantie niet-ontvankelijk worden verklaard?
Die vraag werd — zij het met de nodige uitzonderingen die ik hier onbesproken laat — bevestigend beantwoord. Als uitgangspunt dient naar mijn oordeel te gelden, dat indien binnen het kerkgenootschap een deugdelijk omschreven appelprocedure bestaat die door de eiser kan worden benut, het betrokken kerklid eerst die interne mogelijkheid behoort te benutten. Zolang die weg openstaat doet de bodemrechter er verstandig aan eiser niet-ontvankelijk te verklaren.17
De zojuist verdedigde lijn werd bevestigd in de procedure die thans binnen de Nederlandse Hervormde Kerk met betrekking tot de rechtspositie van de zogenaamde ‘Oud Toezicht’- en ‘Vrij Beheer’-gemeenten, aanhangig is. In die procedure betwistte een deel van de hervormde gemeenten de wijziging van de kerkorde, zoals die in 1991 — in het kader van het SOW-fusieproces — had plaatsgevonden. Gevorderd werd dat de rechter de wijziging nietig verklaart, althans vernietigt, althans deze wijziging jegens hen onverbindend verklaart. De Nederlandse Hervormde Kerk (voortaan: de Kerk) stelde zich — met verwijzing naar Ordinantie nr. 19 van de betrokken kerkorde, waarbij de beslechting van geschillen is opgedragen aan de Generale Commissie voor behandeling van bezwaren en geschillen (GCBG) — op het standpunt dat de burgerlijke rechter onbevoegd is om van het geschil kennis te nemen. Rb ’s-Gravenhage achtte, gelet op de ‘niet strikt kerkrechtelijk aard van het geschil’ dat verweer ongegrond en meende met een beroep op art. 17 Gw., dat de burgerlijke rechter bevoegd was. Er bestond, aldus de rechtbank, geen formele gehoudenheid om het onderhavige geschil eerst aan de GCBG voor te leggen.18 Het hof vernietigde dan ook het vonnis van de rechtbank. Het hof oordeelde dat het de gemeenten niet vrijstond om buiten de voor de kerk geldende geschillenregeling zich rechtstreeks tot de burgerlijke rechter te wenden. Dat betekende niet, aldus het hof dat de burgerlijke rechter buitenspel werd gezet. Hij zou alsnog in een latere fase kunnen worden ingeschakeld.19 Het onderscheid dat de rechtbank maakte tussen geschillen van louter kerkrechtelijke aard en geschillen waarbij tevens een vermogensrechtelijk aspect meespeelt, werd door het hof eveneens


17 In die zin ook Santing-Wubs, diss, hoofdstuk 6 nr. 3.1.
18 Rb. ’s-Gravenhage 29 november 1995, rolnr. 92/6878 (Hervormde gemeente Aarlanderveen c.s. — Nederlandse Hervormde Kerk). Naar mijn oordeel hanteerde de rechtbank in deze zaak een onjuist uitgangspunt. Er bestond geen gegronde reden de interne rechtsgang onbenut te laten.
19 Hof ’s-Gravenhage 18 september 1997, NJKort 1997, 76.

|183|

— mijns inziens terecht — verworpen. Ook bij kwesties van vermogensrechtelijke aard is de interne appelweg naar mijn oordeel primair de aangewezen weg.

De boeiende vraag die overblijft is deze: wat is het karakter van de toetsing van de burgerlijke rechter nadat appellant de interne appelweg ten einde toe heeft bewandeld en alsnog de burgerlijke rechter inschakelt? Naar mijn oordeel dient als uitgangspunt te gelden dat slechts een marginale toetsing resteert. Blijkt dat het betrokken kerkgenootschap in strijd heeft gehandeld met haar eigen regels dan zal uiteraard die toetsing in volle omvang geschieden. Eenzelfde aanpak valt waar te nemen in de civiele procedure die de ‘Oud Toezicht’- en ‘Vrij Beheer’-gemeenten, nadat zij de interne beroepsprocedure hadden doorlopen, tegen de Nederlandse Hervormde Kerk aanspanden. De rechtbank ’s-Gravenhage20 overwoog dat zij het geschil in volle omvang diende te beoordelen. Uit de interne beroepsregeling bleek niet ondubbelzinnig dat:

de beslissingen van die commissie voor de Gemeenten bindend en onaantastbaar zijn (met het gevolg dat de bevoegdheid om een daarvoor in aanmerking komend geschil aan de burgerlijke rechter voor te leggen, aldus sterk wordt ingekort).

In appel stelde het hof ’s-Gravenhage21 de marginale toetsing voorop en verwierp de door de rechtbank gecreëerde ruimte voor een toetsing in volle omvang. Daarbij overwoog het hof dat de door de Generale Commissie gegeven beslissing de partijen bij dat geschil bindt op de wijze als bedoeld in art. 7:904 lid 1 BW.22 Een dergelijke beslissing kan dan ook slechts worden aangetast op de gronden die in die bepaling zijn aangegeven, aldus het hof (r.o. 8).
Het betoog van de kerk dat er binnen dat beperkte toetsingskader van de burgerlijke rechter uitsluitend plaats is voor een oordeel over de beslissing van de kerkelijke rechter en geen plaats meer is voor een oordeel over de geldigheid van de aan die beslissing ten grondslag liggende besluiten, werd evenwel door het hof verworpen (r.o.12).
Ik wijs er nog op, dat het antwoord op de vraag op welke wijze de interne beroepsregeling binnen de kring van de aangeslotenen tot stand is gekomen


20 Rb. ’s-Gravenhage 12 april 2000, rolnr. 99/2487, gepubliceerd op Rechtspraak.nl; LJN. Nr. AA 7602 (Hervormde gemeente Aarlanderveen c.s. — De Nederlandse Hervormde Kerk).
21 Hof ’s-Gravenhage 7 maart 2002, rolnr 99/2487, gepubliceerd op Rechtspraak.nl; nr. AE 1907 (Hervormde gemeente Aarlanderveen c.s. — De Nederlandse Hervormde Kerk).
22 Het hof laat zich niet uit over de wijze waarop de kerkelijke uitspraak nu precies moet worden gekwalificeerd; wel geeft zij aan dat titel 15 van Boek 7 (Vaststellingsovereenkomst) in het bijzonder artikel 7:904 BW daarop moet worden toegepast.

|184|

met deze materie nauw samenhangt. De rechtbank ’s-Gravenhage — zojuist aangehaald — doelde daar reeds op. Naarmate de band met de kring der aangeslotenen, die deel uitmaken van het kerkgenootschap, losser is, zal de restrechter niet alleen minder snel geneigd zijn de uitspraak van de interne beroepsinstantie slechts marginaal te toetsten, maar te verwachten is zelfs dat hij aan het welbewust onbenut laten van de interne beroepsgang geen gevolgen verbindt. De problematiek die ik hier en passant aansnijd is een zeer lastige en vraagt nadere doordenking, die het bestek van dit hoofdstuk te buiten gaat. Ik moge volstaan met verwijzing naar de rechtspraak met betrekking tot de beroepscommissies in het bijzonder onderwijs, een aangrenzende materie die voor het hier behandelde onderwerp van groot belang is.23

 

9a.4 Foutief gedrag door of namens kerkgenootschappen en haar leden

Kerkgenootschappen zijn vrij in het bepalen van hun statuut ‘voorzover niet in strijd met de wet’. Bestaat er voor het kerkgenootschap autonomie op het gebied van het aansprakelijkheidsrecht? Als uitgangspunt geldt dat ook kerkgenootschappen gebonden zijn aan de regels zoals geformuleerd in titel 6.3 BW. Ten opzichte van ‘derden’ bestaat dan ook geen vrijheid van die regels af te wijken. Indien het kerkgebouw in de zin van art. 6:174 BW als gebrekkige opstal


23 Illustratief in dit verband zijn de uitspraken van de Hoge Raad met betrekking tot de interne beroepsinstanties op het gebied van het bijzonder onderwijs: HR 31 mei 1996, NJ 1996, 693 (PAS) (Amghane-Vereniging Departement Eindhoven der Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen)). Het feit dat de onderwijskracht zich vrijwillig tot de commissie had gewend en het feit dat in een aanhangsel bij de akte van benoeming op de beroepsgang werd gewezen, vormde onvoldoende reden de beslissing als een bindend advies te zien. De burgerlijke rechter kon het geschil in volle omvang toetsen. In HR 9 november 2001, NJ 2001, 692 (Ontslagen docent-Stichting Hogeschool Brabant) werd die lijn bevestigd en werd overwogen dat de ontslagen leerkracht niet eerst de interne beroepsgang behoefde te volgen, maar zich direct tot de burgerlijke rechter kon wenden.
Naar aanleiding van de eerstgenoemde uitspraak heeft D.A.C. Slump, ‘De geldigheid van besluiten genomen door kerkelijke organen’, in: Kerk, recht en samenleving, Deventer 1997, p. 67 e.v., opgemerkt dat de rechtspraak weliswaar betekenis hecht aan het bestaan van de interne beroepsgang, maar dat een verplichting om die interne rechtsgang te volgen alvorens naar de rechter te stappen op straffe van niet-ontvankelijkheid of onbevoegdheid niet uit de rechtspraak kan worden afgeleid (p. 77). Zoals in het voorgaande is uiteengezet heeft de burgerlijke rechter daaromtrent in een aantal na 1997 gewezen uitspraken op het kerkelijk erf, anders beslist en de interne beroepsgang wél als een verplichte rechtsgang aangemerkt.

|185|

schade veroorzaakt, dan zal het slachtoffer zijn aanspraak tegen het kerkgenootschap als bezitter van het gebouw kunnen geldend maken (de vereenzelvigingsgedachte).
Begaat een functionaris van een kerkgenootschap een onrechtmatige daad, waardoor derden schade lijden, dan zal het kerkgenootschap — in het geval de daad van de functionaris heeft te gelden als een daad van het kerkgenootschap, de schade moeten vergoeden. In de regel zal de daad tevens gelden als foutief van de betrokken functionaris zelf. Men denke aan het geval dat een predikant mededelingen over een gemeentelid doet, die in de gegeven omstandigheid onbetamelijk zijn.
Veelal staat de aansprakelijkheid van de betrokken functionaris zelfs voorop. Bijvoorbeeld in de situatie, waarin een lid van een kerkelijke gemeente schade lijdt, tengevolge van het feit dat de predikant (seksueel) misbruik maakt van het door het gemeentelid aan hem geschonken vertrouwen en door de misstap van de predikant psychisch letsel oploopt. De daad zal dan naar mijn oordeel niet als een eigen daad van het kerkgenootschap hebben te gelden. Voor de vereenzelvigingsgedachte is hier geen plaats. Ik laat eventuele kwalitatieve aansprakelijkheid van het kerkgenootschap op basis van art. 6:170 BW in het kader van dit hoofdstuk onbesproken. Ik volsta hier met de opmerking dat een predikant in het algemeen niet als een ondergeschikte dient te worden aangemerkt. Indien het kerkgenootschap het verweer zou voeren dat bepalingen van de kerkorde de toepassing van het aansprakelijkheidsrecht aan nadere voorwaarden binden, zoals bijvoorbeeld tot gevallen van opzet of bewuste roekeloosheid of anderszins beperken, dan zal dat verweer naar mijn oordeel veelal stranden. Dat het betrokken kerklid zelf deel uitmaakt van het kerkgenootschap en de bepalingen van de kerkorde — met inbegrip van de geformuleerde beperkingen — heeft geaccepteerd, doet aan dat oordeel mijns inziens niet af.
De gelding van de ‘zorgvuldigheidsnorm’ in de onderlinge verhoudingen behoeft evenwel nog nadere toelichting. Ik stelde in een eerdere publicatie24 dat kerkleden ook binnen het kerkverband gebonden zijn aan afd. 6.3 van het bw. Wel maakte ik daarbij onderscheid tussen gedragingen die naar binnen zijn gericht en gedragingen die meer naar buiten zijn gericht.
Dat onderscheid, zo constateer ik, wordt ook in de rechtspraak gemaakt. Illustratief is Pres. Rb. Groningen 22 nov. 1995, KG 1996, 18. Het betrof het volgende geval. Een door het bestuur van de vergadering van gelovigen getroffen tuchtmaatregel werd door de betrokkene voor het forum van de burgerlijke rechter aangevochten. Bij zijn oordeel over de rechtsgeldigheid van de maatregel kwam het zojuist gemaakte onderscheid op treffende wijze naar voren. De


24 Zie noot 4.

|186|

president maakte wat de wijze van toetsing betreft onderscheid tussen het feit dat het bestuur derden over de getroffen maatregel had ingelicht en dat de maatregel aan de betrokkene zelf was opgelegd.
Ten aanzien van de externe werking liet de president zijn terughoudende aanpak varen:

De noodzaak tot terughoudende, marginale toetsing door de wereldlijke rechter van het handelen van een kerkgenootschap is veel minder aanwezig, wanneer het handelen niet de eigen godsdienstbeoefening en de verdere interne gang van zaken betreft, doch zich naar buiten richt door aan derden mededelingen te doen die voor het betrokken lid van de kerk schade kunnen opleveren.

Is daarmee het interne handelen aan de zorgvuldigheidsnorm onttrokken? Neen; maar bij de invulling van de zorgvuldigheidsnorm ter zake van intern gedrag spelen kerkelijke gebruiken en eigen regels een belangrijke rol. De zorgvuldigheidsnorm binnen de kerk kan dan anders zijn dan daarbuiten. Ik denk daarbij aan de wijze waarop in een kerkdienst afkondigingen worden gedaan in het geval van tuchtmaatregelen. Blokkering daarvan door de betrokkene met een beroep op het recht op bescherming van zijn privé-leven, zal dan ook niet slagen. De huisstijl van het kerkgenootschap kan ertoe leiden dat geconcludeerd moet worden dat het omslagpunt waarop de zorgvuldigheidsnorm is geschonden, niet spoedig zal zijn bereikt. Hof ’s-Hertogenbosch 2 december 1998, TvG 1999/31, p. 238 e.v., vormt een fraaie illustratie van het feit dat het omslagpunt wél werd bereikt. Het betrof een procedure voor de kerkelijke rechtbank ter zake van het ongeldig verklaren van een huwelijk. Centraal daarbij stond de vraag of — achteraf — kon worden vastgesteld, dat aan de zijde van de vrouw psychische belemmeringen aanwezig waren om de wezenlijke verplichtingen van het huwelijk op zich te nemen. De kerkelijke rechtbank deed daaromtrent in bevestigende zin een uitspraak, met verwijzing naar een psychiatrisch rapport. Vast staat dat het door de psychiater opgestelde rapport zonder medeweten van de vrouw in kwestie was geconcipieerd en zonder dat de betrokken psychiater de vrouw ooit had gezien! Het hof oordeelde de betrokken handelwijze van het bisdom en de psychiater onrechtmatig. Uit de zojuist genoemd uitspraak blijkt, dat het onderscheid extern en intern ook nog onderlinge gradaties kent. Hoezeer de zojuist genoemde zaak mijns inziens een interne aangelegenheid betrof, het heeft eveneens externe aspecten. Dat het hof minder marginaal toetste dan de rechtbank in eerste instantie deed, acht ik dan ook juist. Bedacht dient te worden dat het onderscheid dat ik maakte slechts een handvat is in het kader van de rechtsvinding en niet meer dan dat,

|187|

bedoeld om het evenwicht tussen enerzijds vrijheid van belijden en de daarmee verbandhoudende organisatievrijheid en anderzijds de vrijheid om als samenleving regels te stellen die het gedrag tussen burgers reguleren, te bewaren.
Uit het voorgaande blijkt opnieuw hoezeer het accent van de toetsing door de burgerlijke rechter ligt op de procedurele aspecten en niet zo zeer op de inhoud.

 

9a.5 Conclusie

In het voorgaande kwam op een aantal deelterreinen op het kerkelijke erf de burgerlijke rechter in beeld. Dat de burgerlijke rechter tot een oordeel wordt geroepen ter zake van kerkelijke conflicten heeft hier te lande een lange historie. Dat is niet verwonderlijk in een land dat reeds lang een tolerantietraditie kent.
Uit die rechtspraak blijkt dat de rechter vóórdat hij zijn oordeel geeft, bereid en in staat is zich te verdiepen in het statuut van het kerkgenootschap dat in geding is. Temidden van een veelheid van uiteenlopende beginselen en uitgangspunten zal hij het recht moeten vinden.
In deze tijd levert het terrein van kerk en recht, waarin een veelheid van rechtsbeginselen zich zo nadrukkelijk manifesteert, voor de onderzoeker een veelkleurig veld van onderzoek op.
Er is ook op dit gebied naar het woord van Prediker geen einde aan ‘het maken van veel boeken’. Over de ‘afmatting van het lichaam’ zullen we in dit verband maar zwijgen.

Drimmelen, L.C. van e.a. (2004) 9b

189-197

|189|

9b Kerkelijke geschillen; de burgerlijke rechter en geloofskwesties

A.H. Santing-Wubs

 

 

9b.1 Inleiding

Het zal geen verbazing wekken dat kerkelijke geschillen te maken kunnen hebben met verschil van inzicht op het gebied van het geloof. De burgerlijke rechter zal zich echter over geloofskwesties niet uitlaten. Van Lennep zei hierover reeds in 1909:

Slechts het geloofsoog kan uitmaken of eene verandering in de belijdenis van eenen Kerk verkeerd dan wel noodzakelijk is. Op het gebied van het recht hebben wij dezen factor dan ook in het geheel niet in aanmerking te nemen, maar slechts te onderzoeken of formeel, voor het uiterlijke, wijziging in overeenstemming is met de daaromtrent geldende bepalingen. Voor het recht geldt niet de vraag: ‘Is de verandering overeenkomstig Gods wil?’, maar: ‘Strijdt de wijziging niet met eenig wettelijk of statutair voorschrift?’ Bij elk kerkgenootschap zal men hieromtrent tot eene verschillende beslissing kunnen komen.1


1 L.H. van Lennep, De rechtskracht van de verordeningen der christelijke kerkgenootschappen, diss. Leiden, Haarlem 1909, p. 201. Vgl. B.P. Vermeulen, Artikel 6, in: A.K. Koekkoek (red.), De Grondwet. Een systematisch en artikelsgewijs commentaar, Deventer 2000, p. 97. Vermeulen heeft het daar over ‘interpretatieve terughoudendheid’: de gelovige geeft in beginsel zélf aan hoe hij (het belijden van) zijn geloof dient in te vullen, dit is niet aan buitenstaanders (waaronder de burgerlijke rechter).

|190|

In de jurisprudentie zien we het standpunt dat de burgerlijke rechter zich niet uitspreekt over geloofskwesties herhaaldelijk terugkomen.2 In dit verband is de uitspraak van de Hoge Raad inzake de kerkscheuring binnen de Gereformeerde Kerk van Hasselt bekend geworden.3

De casus luidt als volgt: de meerderheid van de kerkenraad van de Gereformeerde Kerk van Hasselt heeft het besluit genomen uit het synodale verband te treden. De kerk die binnen het synodale verband van de Gereformeerde Kerken is gebleven, stelt dat degenen die zijn uitgetreden een nieuwe kerk vormen. De Gereformeerde Kerk (synodaal) vordert derhalve in rechte ontruiming van het kerk- en schoolgebouw door de uitgetreden groep, te weten de Gereformeerde Kerk (vrijgemaakt). Laatstgenoemde kerk stelt echter dat zij de voortzetting is van de oorspronkelijke Gereformeerde Kerk en daarmee eigenares van genoemde gebouwen.

De rechtbank ontzegt eiseres (Gereformeerde Kerk synodaal) de vordering, waarop deze in hoger beroep gaat.

In een van de grieven wordt aangevoerd, dat de rechtbank heeft miskend dat er een theologische gebondenheid van de plaatselijke gemeente bestaat: de Gereformeerde Kerken vormen volgens de Gereformeerde Kerk (synodaal) een


2 Zonder hier uitputtend te zijn, verwijs ik in dit verband naar de volgende uitspraken: Rb. Maastricht 30 mei 1930, NJ 1930, p. 1499 (ontslagen priester); Hof ’s-Gravenhage 31 oktober 1938, NJ 1939, 201 (scheuring Oud Gereformeerde Gemeente Scheveningen); Pres. Rb. Maastricht 20 oktober 1945, NJ 1944/45, 746 (scheuring Gereformeerde Kerk Maastricht); Hof Amsterdam 15 november 1945, NJ 1946, 157 (scheuring Gereformeerde Kerk Krommenie); HR 23 januari 1948, NJ 1948, 432 (scheuring Gereformeerde Kerk Vleuten-De Meern); Hof Amsterdam 24 juni 1948, NJ 1948, 569 (scheuring Gereformeerde Kerk Eemdijk); Hof Arnhem 10 januari 1950, NJ 1950, 539 (scheuring Gereformeerde Kerk Daarlerveen); HR 15 februari 1957, NJ 1957, 201 (scheuring Gereformeerde Kerk Hasselt); Hof ’s-Gravenhage 28 november 1958, NJ 1960, 7 (scheuring Gereformeerde Gemeente Berkenwoude); Pres. Rb. Haarlem 17 februari 1989, KG 1989, 134 (joods-kerkelijke echtscheiding); Hof ’s-Hertogenbosch 22 december 1989, NJ 1990, 487 (beëindiging beheer moskee); Rb. Groningen 5 maart 1993, NJ 1994, 417 (scheuring Gereformeerde Kerk Boerakker); HR 20 oktober 1995, NJ 1996, 330 (EAA) (Van Asseldonk c.s./Bisschop Ter Schure); Pres. Rb. Zwolle 10 december 1998, KG nr. 43562/KG ZA 98-416 en 43564/KG ZA 98-417, ongepubliceerd (geschil moskee Zwolle); HR 12 mei 2000, NJ 2000, 439 (World Islamic Mission).
3 HR 15 februari 1957, NJ 1957, 201 (scheuring Gereformeerde Kerk Hasselt). Zie over dit arrest o.a.: L. Roeleveld, Gereformeerde kerken in het privaatrecht, Zeist 1958, p. 9 e.v.; Oldenhuis, Rechtsvinding, p. 56 e.v.; H.J. van Eikema Hommes, De transcendentaal-empirische methode, haar betekenis voor de juridische vakwetenschappen, in: Ars Aequi 28 (1979) n, p. 91/727; J.W. van Ee, ‘Kerkelijke conflicten en de Katwijk- en Hasseltregel’, WPNR 6245 (1996), p. 827-833.

|191|

theologisch geheel welke in stand wordt gehouden door gezamenlijk overleg op synodaal niveau over theologische geschilpunten. De plaatselijke kerk zou gebonden zijn aan de uitspraken van de synode daarover. Wanneer de plaatselijke kerkenraad van mening is dat er sprake is van een valse leer en zich vervolgens uit die theologische eenheid losmaakt, is er volgens appellante sprake van kerkverandering.

Het hof acht het nodig dat er omtrent deze problematiek duidelijkheid wordt verschaft door deskundigen. Volgens de ingeschakelde deskundigen is uittreding uit het verband in beginsel mogelijk: er bestaat slechts een beperkte theologische gebondenheid van de plaatselijke kerk aan het verband. Het hof neemt dit oordeel over.

De deskundigen hadden tevens het ‘gevoelen geuit’ dat een vermoeden ten voordele van het verband behoorde te worden erkend bij de vraag of een kerkenraad van een plaatselijke kerk slechts tot losmaking bevoegd kon worden geacht. In die zin, dat die kerkenraad alleen bevoegd was tot losmaking wanneer deze aantoonde dat het verband inderdaad van de grondslag was afgeweken of de kerkorde had geschonden.

Het hof meent echter dat de burgerlijke rechter niet in alle gevallen bevoegd zal zijn om zich over de zaak uit te spreken:

- dat echter naar het oordeel van het Hof dit vermoeden voor de burgerlijke rechter alleen dan kan worden ingeroepen, wanneer het aan deze vrij staat over de vraag, waaromtrent pp. van mening verschillen, een oordeel uit te spreken en voor de betrokken kerkenraad dus in beginsel de mogelijkheid bestaat het vermoeden te ontzenuwen, zoals het geval kan zijn bij een beweerdelijke schending van de Kerken-orde (romein ahsw);
- dat het vermoeden derhalve in rechte niet van kracht kan zijn in die gevallen, waarin het, gelijk ten deze, gaat om de vraag, of het Verband van de geestelijke grondslagen van de gemeenschap, t.w. de Drie Formulieren van Enigheid, is afgeweken, aangezien de beantwoording van deze vraag — behoudens in gevallen van willekeur of kwade trouw — niet ter kennisneming staat van de burgerlijke rechter, wie het niet vrijstaat over dogmatische en theologische twistvragen te oordelen (romein ahsw).

Allereerst overweegt het hof hier dat de burgerlijke rechter vrij is om zich uit te spreken over een gestelde schending van de kerkorde. Voorts zien we dat dat niet het geval is wanneer het gaat om dogmatische en theologische kwesties, behoudens wanneer er sprake is van willekeur of kwade trouw.

|192|

Het hof komt tot de conclusie dat de kerkenraad van de plaatselijke kerk bevoegd is onder omstandigheden een besluit tot uittreding uit het synodale verband te nemen, tenzij er hierbij sprake is van willekeur of kwade trouw. Het hof overweegt dat dat laatste niet is aangevoerd door appellante en bekrachtigt het vonnis van de rechtbank.

De Gereformeerde Kerk (synodaal) gaat in cassatie. Zij voert onder andere aan, dat het hof wél tot taak had om te onderzoeken of het verband van de geestelijke grondslagen van de gemeenschap was afgeweken. De Hoge Raad overweegt echter onder verwijzing naar de artikelen 181 t/m 183 van de Grondwet4 en artikel 1 van de Wet op de kerkgenootschappen:

...dat de burgerlijke rechter geen partij mag kiezen in op het terrein dier gezindten rijzende geschillen omtrent geloof en belijdenis en met name ook niet, al behoort de beslissing over prejudiciële geschilpunten in het algemeen tot zijn taak, zijn uitspraak omtrent enig rechtspunt afhankelijk mag stellen van zijn oordeel met betrekking tot theologische leerstellingen, omtrent welker juistheid, onjuistheid of gewicht aldaar verdeeldheid bestaat.

Het cassatieberoep wordt vervolgens verworpen.

 

9b.2 Kanttekeningen bij ‘Hasselt’

Hoewel het hierboven behandelde arrest op het eerste gezicht de heldere regel lijkt te geven dat de burgerlijke rechter zich niet uitlaat over geloofskwesties, valt daarbij toch wel een kanttekening te plaatsen. Het is niet eenvoudig om hier duidelijke grenzen te trekken: wanneer is er sprake van ‘dogmatische en theologische twistvragen’?

Roeleveld5 benadrukt dat het gaat om ‘zuivere geloofskwesties’. Hij leidt uit het Hasselt-arrest af dat de burgerlijke rechter zich niet dient uit te spreken over


4 De artikelen 181 t/m 183 Grondwet luidden:
Ieder belijdt zijn godsdienstige meningen met volkomen vrijheid, behoudens de bescherming der maatschappij en harer leden tegen de overtreding der strafwet.
Aan alle kerkgenootschappen in het Rijk wordt gelijke bescherming verleend.
De belijders der onderscheidene godsdiensten genieten allen dezelfde burgerlijke en burgerschapsrechten, en hebben gelijke aanspraak op het bekleden van waardigheden, ambten en bedieningen.’
5 Roeleveld, a.w., p. 10.

|193|

zuivere geloofsvragen. Direct volgt daarop de nuancering dat een absolute scheiding tussen recht en geloof niet mogelijk is: de ‘sferen’ overlappen elkaar. Roeleveld wil de burgerlijke rechter naar aanleiding van het Hasselt-arrest niet al te snel buiten spel zetten: hij stelt dat indien een gereformeerde synode een leeruitspraak doet die regelrecht in strijd komt met de voor ieder duidelijke woorden van de Nederlandse Geloofsbelijdenis,6 de rechter deze uitspraak voor nietig zal moeten houden.

Dit kan mijns inziens niet als uitgangspunt dienen. Geen van de kerken ontkomt er uiteindelijk aan dat in een periode van jaren, decennia of zelfs eeuwen bepaalde inzichten over de interpretatie van de Bijbel en daarmee ook dogma’s veranderen. Van de burgerlijke rechter kan men onmogelijk verwachten dat deze een oordeel velt over de vraag wanneer er in dat verband een (uiterste) grens is overschreden. Overigens zij opgemerkt dat in het Hasselt-arrest het hof — en mijns inziens ook terecht — nu juist van oordeel is dat het géén uitspraak mag doen over de vraag of het kerkverband van de zgn. ‘drie formulieren van enigheid’ is afgeweken, behalve wanneer er sprake zou zijn van ‘willekeur of kwade trouw’.

Oldenhuis meent dat het onderscheid tussen rechtsvragen en geloofsvragen niet juist is, omdat naar zijn opvatting geloofsvragen uit kunnen groeien tot rechtsvragen, die de burgerlijke rechter kan beoordelen aan de hand van het kerkrecht.7

Van Ee, die zich tegen genoemde opvattingen van Roeleveld en Oldenhuis keert,8 maakt onderscheid tussen enerzijds vragen betreffende de juridische organisatie (dus rechtsvragen) waarover de burgerlijke rechter kan oordelen, en


6 Roeleveld ziet de Nederlandse Geloofsbelijdenis als kerkrecht. (De Nederlandse geloofsbelijdenis behoort tot de zgn. ‘drie formulieren van enigheid’, die door diverse — maar niet alle — protestantse kerkgenootschappen worden onderschreven. De overige twee formulieren zijn de Heidelbergse Catechismus en de Dordtse leerregels.) Hij staaft deze bewering door te verwijzen naar art. 53 van de kerkorde (Gereformeerde Kerk vrijgemaakt) waarin onder andere de ‘drie formulieren van enigheid’ als bindend worden verklaard (Roeleveld, a.w., p. 10 en 15-16). Op zich is dat laatste mijns inziens geen reden om de formulieren zelf tot het kerkrecht te rekenen. In deze formulieren wordt een uitleg gegeven van de Bijbel, er is ooit systematisch in vastgelegd wat men (formeel) gelooft. (Vgl. het Rapport voor de generale synode van de Nederlandse Hervormde Kerk ‘Om de eenheid en heelheid van de kerk’ van 16 maart 2001, p. 13, waarin wordt betoogd dat de belijdenisgeschriften niet fungeren als juridisch statuut.)
7 F.T. Oldenhuis, Rechtsvinding van de burgerlijke rechter in kerkelijke conflicten, Groningen 1977, p. 64 en 73.
8 Van Ee, a.w., p. 830-831.

|194|

anderzijds geloofsvragen waarover deze niet kan oordelen.9 Dit onderscheid is niet nieuw: in het Hasselt-arrest werd het ook gemaakt.

Volgens Van Ee bestaat het gevaar dat partijen hun conflict als zijnde een godsdienstige kwestie presenteren, zodat het geschil ‘juridisch onbeheersbaar’ wordt gemaakt.10 Dit probleem zou niet bestaan indien een geloofsvraag door het kerkgenootschap wordt geformuleerd als rechtsregel.11

Mijns inziens is het onaanvaardbaar en onjuist dat een kerkgenootschap, wil het er zeker van zijn dat de (door de leden) aangehangen geloofsstandpunten worden gerespecteerd door de rechter, deze als rechtsregels zou moeten opnemen in het statuut.

In de praktijk zal dit overigens lang niet altijd mogelijk zijn: niet alle geloofsinzichten laten zich als rechtsregel formuleren. Bovendien meen ik dat het statuut niet bedoeld is om allerlei geloofswaarheden in op te nemen: het uitgangspunt dient te zijn dat er in het statuut ‘bepalingen van inrichting en bestuur’ worden opgenomen.12 Een ander groot nadeel dat dit zou meebrengen


9 Van Ee, a.w., p. 830 en 832. Van Ee gaat in dit artikel tevens in tegen het standpunt van Oldenhuis over conflicten rond geloofsvragen die kunnen leiden tot een kerkscheuring. Oldenhuis stelt daaromtrent: ‘Indien de rechter de rechtsvragen die partijen verdeeld houden — wie de voortzetting van de ongedeelde kerk is en aan wie derhalve de kerkelijke goederen behoren — niet kan beoordelen zonder te treden in een beoordeling van de geloofsvragen, dan is het niet juist dat de rechter bij de oplossing van de rechtsvraag gebruik maakt van de zogenaamde meerderheidsregel en de vertegenwoordigingsgedachte, die daaraan ten grondslag ligt. Indien de aloude ongedeelde kerk in twee groepen uiteen is gevallen om zuivere geloofskwesties, terwijl beide groepen pretenderen de voortzetting te zijn van de ongedeelde kerk, behoren de kerkelijke goederen in dat geval aan beide en moeten worden verdeeld naar verhouding van het ledental, waaruit beide groepen bestaan ten tijde van de kerkbreuk.’ (Oldenhuis, a.w., p. 73-74). Van Ee ziet niet in waarom bij aanspraken op de kerkelijke goederen na een scheuring het statuut de doorslag geeft als geloofsvragen uitgroeien tot rechtsvragen, en waarom bij echte geloofskwesties verdeling geboden is (Van Ee, a.w., p. 831).
10 Van Ee, a.w., p. 830. Deze veronderstelling wordt overigens niet gestaafd door de beschikbare jurisprudentie. Zie bijv. HR 22 februari 1974, NJ 1977, 219 en HR 5 november 1976, NJ 1977, 221, (GJS) (Katwijker arrest). Partijen hadden kunnen stellen dat het om een geloofskwestie ging, maar dat is niet gebeurd: men had belang bij een rechterlijke uitspraak omdat men het niet eens kon worden over een verdeling van de kerkelijke goederen. Zie ook Diepenhorst, NJB 1978 nr. 28, p. 583: ‘(...) het ‘bodemgeschil’ betreft slag op slag geloofsvragen (...)’
11 Van Ee, a.w., p. 829 en 830. Als voorbeeld haalt de schrijver hier c. 1024 van de CIC aan, waarin wordt bepaald dat alleen gedoopte mannen als priester kunnen worden gewijd.
12 Zoals destijds aangeduid in art. 1 van de Wet op de kerkgenootschappen 1853.

|195|

is, dat het de helderheid van het statuut bepaald niet ten goede zal komen.13

Het ligt zonder meer voor de hand, dat de burgerlijke rechter altijd zal proberen het probleem ‘juridisch beheersbaar’ te maken door aanknopingspunten te zoeken bij het statuut.

Voor de gevallen waarin door de burgerlijke rechter vastgesteld moet worden óf het daadwerkelijk om een geloofskwestie gaat, komt Van Ee met de oplossing van de marginale toetsing:

Een gepretendeerde vraag van geloof of belijdenis kan niet als zodanig worden aangemerkt tenzij het ten enenmale ondenkbaar is dat een redelijke rechter haar niet als een vraag van geloof of belijdenis aanmerkt.14

Ik wijs erop, dat hier de marginale toetsing vanuit een ‘negatief’ uitgangspunt wordt verwoord. Van Ee merkt zelf dan ook al op dat een dergelijke marginale toetsing het kerkgenootschap een kleine speelruimte geeft. Hij meent dat dat terecht is ‘omdat uit godsdienstwetenschappelijk oogpunt vrijwel alles als godsdienstig fenomeen kan worden beschouwd’.15

Mijns inziens biedt dat echter niet voldoende reden om, in geval van een kerkelijk geschil, bij voorbaat de ruimte — met name de vrijheid van godsdienst — van kerkgenootschappen te beperken. Derhalve meen ik dat hier wel een marginale toetsing kan worden toegepast, maar dat de formulering van Van Ee aldus dient te worden gewijzigd:


13 Aan het eind van zijn artikel noemt Van Ee ook zelf het belang van een helder geformuleerd statuut dat niet gelardeerd is met theologische uitspraken (Van Ee, a.w., p. 832-833). Op p. 829 merkt Van Ee overigens terecht al op: ‘Een kerkelijk statuut, geformuleerd en geïnterpreteerd als religieuze tekst is dan ook niet geschikt voor zijn taak. Het statuut is een juridische tekst en de achterliggende religieuze en theologische noties veranderen dat niet, ondanks de vaak aanwezige theologische legitimering.’
14 Van Ee, a.w., p. 832. De schrijver verwijst in dit verband naar het arrest HR 19 januari 1962, NJ 1962, 107 (processieverbod Geertruidenberg), waarin door de Hoge Raad wordt overwogen dat hier niet gesteld kan worden dat de grondwetgever van 1848 heeft gekozen voor een maatstaf (te weten een beperking van de vrijheid van openbare godsdienstoefening buiten gebouwen en besloten plaatsen tot die plaatselijke gemeenten waar deze destijds gebruikelijk en toegelaten waren) ‘waarvan onvoorstelbaar zou moeten heten dat deze door een redelijk wetgever die gesteld wordt voor de noodzaak het houden van dergelijke godsdienstoefeningen ter bescherming van de openbare orde te beperken, gedaan zou kunnen worden (...)’.
15 Van Ee, a.w., p. 832. Het is natuurlijk de vraag of de burgerlijke rechter per definitie dat ‘godsdienstwetenschappelijk oogpunt’ heeft te volgen.

|196|

een in verband met een kerkelijk geschil gepretendeerde vraag van geloof of belijdenis wordt als zodanig aangemerkt, tenzij het ten enenmale ondenkbaar is dat een redelijke rechter haar als vraag van geloof of belijdenis aanmerkt.

De rechter zal evenwel beginnen met het toetsen aan de hand van andere aanknopingspunten. Een voorbeeld daarvan zien we in een zaak waarin een onder tucht gesteld gemeentelid de tuchtmaatregelen aanvecht voor de burgerlijke rechter.16 Het hof overweegt:

De Gereformeerde Gemeente voert met juistheid aan dat de vraag of onderhavige tuchtmaatregelen al dan niet terecht zijn genomen, beoordeeld dient te worden aan de hand van binnen het betreffende kerkgenootschap aangehangen godsdienstige opvattingen en normen. Naar het voorlopig oordeel van het hof sluit dit evenwel niet uit dat de burgerlijke rechter in een geschil waarin de eiser vraagt om in een burgerlijk recht beschermd te worden, toetst of bij dergelijke besluiten van kerkgenootschappen geen sprake is van willekeur of kwade trouw dan wel of de regels ten aanzien van de wijze van totstandkoming van besluiten niet zijn geschonden.

De burgerlijke rechter dient zich bij de toetsing niet direct te richten op eventuele geloofskwesties die bij het geschil een rol spelen, maar zal eerst moeten kijken naar hetgeen hij wél kan toetsen. Op het moment dat de zaak zover is ‘afgepeld’ dat hij uiteindelijk op een geloofskwestie stuit, dient de rechter zich daar niet over uit te spreken.17

Bij ‘hetgeen hij wél kan toetsen’, ligt — mede op grond van art. 2:2 lid 2 BW — het statuut het meest voor de hand.18 In dit artikel wordt immers bepaald dat kerkgenootschappen worden geregeerd door hun eigen statuut, voorzover dit niet in strijd is met de wet.19 Aangenomen mag worden, dat organen van


16 Hof Arnhem 14 september 1993, rolnr. 92/142 KG, ongepubliceerd (tuchtmaatregel gemeentelid Gereformeerde Gemeente).
17 Zie in gelijke zin: G.J. Scholten, Kerkscheuring en kerksplitsing, in: red. H. Franken e.a., Ad Personam (Enschedé-bundel), Zwolle 1981, p. 307-308.
18 Zie ook het standpunt van het hof in het hiervoor behandelde Hasselt-arrest.
19 Zie over ‘strijd met de wet’ ook: A.H. Santing-Wubs, Kerken in geding, diss. Groningen, ’s-Gravenhage 2002, p. 33-52.

|197|

rechtspersonen, dus ook kerkgenootschappen, zich ten minste dienen te houden aan de bepalingen van hun eigen statuut.20

 

9b.3 Conclusie

De burgerlijke rechter laat zich niet uit over geloofskwesties. In welke mate die in een concreet geval het geschil beheersen, is op het eerste gezicht niet altijd duidelijk.

Als uitgangspunten zou ik willen hanteren dat de burgerlijke rechter bij een kerkelijk geschil allereerst toetst aan de hand van het statuut: in beginsel moet dat dermate helder zijn geformuleerd dat dit uitkomst kan bieden. Dit statuut mag, zoals reeds opgemerkt, niet in strijd zijn met de wet.

Voorts kan de wijze van totstandkoming van besluiten (c.q. uitspraken) aan fundamentele beginselen worden getoetst.21

Betreft het een beleidskwestie — waarbij het kerkelijk orgaan een discretionaire bevoegdheid heeft — dan dient de burgerlijke rechter marginaal te toetsen.

Gaat het geschil over de uitleg van Bijbel of belijdenisgeschriften, dus om de invulling van het geloof, dan moet de rechter zich daaromtrent van een oordeel onthouden.

Is dat laatste niet geheel duidelijk, dan kan marginale toetsing óf het hier in casu om een (gestelde) geloofskwestie gaat, een hulpmiddel zijn.


20 Zie bijv. H.J. van Eikema Hommes, Hoofdlijnen der rechtssociologie en de materiële indelingen van publiek- en privaatrecht, Zwolle 1983, p. 101; vgl. G.J. Wiarda, Drie typen van rechtsvinding, Deventer 1999, p. 97. Zie uitgebreider over aanknopingspunten voor de toetsing: Santing-Wubs, a.w., p. 195-231.
21 Hieronder worden in dit verband bijvoorbeeld fundamentele beginselen van procesrecht en normen van redelijkheid en billijkheid begrepen.

Drimmelen, L.C. van e.a. (2004) III.

Deel III

Kerkrecht in de praktijk

Drimmelen, L.C. van e.a. (2004) 10

201-214

|201|

10 Typen van kerkelijke organisatie

L.C. van Drimmelen

 

 

10.1 Inleiding

Voor het begrijpen van de concrete organisatorische verschijningsvorm van een kerkgemeenschap is kennis van de visie die de desbetreffende kerkgemeenschap op zichzelf heeft onontbeerlijk. De organisatorische vorm van een kerk vloeit voort uit de leer van de kerk en met name uit het hoofdstuk daarvan dat betrekking heeft op de kerk als gemeenschap van gelovigen (de ecclesiologie). Elke kerkorde is confessioneel bepaald.

De in Nederland voorkomende kerkgemeenschappen kunnen, wat hun organisatorische structuur betreft, globaal ingedeeld worden in drie groepen.1 Elke groep heeft gemeenschappelijke kenmerken, die worden aangeduid met een tweeledige term, waarvan de eerste helft iets zegt over de plaatselijke verschijningsvorm van de kerkgemeenschap en de tweede over de landelijke organisatie.

Deze termen zijn:
- episcopaal-hiërarchisch;
- presbyteriaal-synodaal;
- congregationeel-independent.

 

Eerst worden van elk van de drie genoemde systemen de principiële hoofdlijnen geschetst.

Aan de orde komen daarbij de positie van het ambt als leidinggevende instantie in de geloofsgemeenschap en de wijze van functioneren van het ambt, vervolgens de verhouding van de plaatselijke gemeente tot de landelijke kerkgemeenschap en ten slotte de verhouding van de kerk tot de staat. Daarna worden de drie genoemde typen afzonderlijk meer in concreto beschreven.


1 D. Nauta, Typen van structuur der kerk, in: W. van 't Spijker en L.C. van Drimmelen (red.), Inleiding tot de studie van het kerkrecht, Kampen 1992-2, p. 149-158; P. van den Heuvel, De hervormde kerkorde, Zoetermeer 2001-2, p. 28-34.

|202|

10.2 Hoofdlijnen

Gemeenschappelijk is de overtuiging dat het Christus is, die als Hoofd van de Kerk de kerk regeert door zijn Woord en Geest. Dit is het principe van de christocratie. Maar hoe de christocratie gerealiseerd wordt, daarover lopen de meningen uiteen.

De aanhangers van het episcopale systeem zeggen dat Christus de kerk regeert door middel van de apostelen en hun opvolgers, de bisschoppen, die op bijzondere wijze en in bijzondere mate de gave van de Geest ontvangen. De aanhangers van het congregationele systeem zeggen dat Christus zijn wil en weg bekend maakt aan ieder die in Hem gelooft, aan de leden van zijn gemeente, die daarom samen het beleid bepalen en de belangrijkste beslissingen nemen. En de aanhangers van het presbyteriale systeem zeggen dat de bekwaamheid om te besturen gegeven is aan die gemeenteleden die als ambtsdragers de taak krijgen om leiding te geven aan de gemeente en deze taak uitsluitend gezamenlijk uitoefenen.

Dit heeft tot gevolg dat in een episcopale kerk de leer-, regeer- en tuchtmacht wordt uitgeoefend door de bisschop (de episcopus), dat deze macht in een presbyteriale kerk wordt uitgeoefend door de vergadering van ambtsdragers (het presbyterium) en in een congregationele kerk door de gelovigen tezamen in de vergadering van gemeenteleden (de congregatio).

 

Een tweede punt waarin de drie kerkfamilies zich van elkaar onderscheiden heeft betrekking op de vraag hoe de plaatselijke gemeente zich verhoudt tot de nationale (en in bepaalde gevallen de internationale) kerkgemeenschap waartoe die gemeente behoort.

Het hiërarchische systeem gaat uit van de eenheid van de gehele nationale (of internationale) kerkgemeenschap met absolute zeggenschap vanuit de top van de organisatie over de lagere onderdelen, zoals de parochie. Het independente systeem gaat uit van de plaatselijke gemeente als volledige openbaring van de Kerk van Christus en van de onafhankelijkheid van de gemeenten ten opzichte van elkaar en van een eventuele bovenplaatselijke organisatie. Het synodale systeem ziet zowel de plaatselijke gemeente als de landelijke kerkgemeenschap als gestalte van de Kerk van Christus, zij het op verschillende schaal. En zoals de kerkenraad — het presbyterium — als vergadering van ambtsdragers leiding geeft aan de plaatselijke gemeente, zo geeft de synode als vergadering van ambtsdragers leiding aan de landelijke kerk.

 

Een derde punt waarop de drie kerktypen zich van elkaar onderscheiden heeft betrekking op de verhouding tussen kerk en staat. Het episcopaal-hiërarchische

|203|

systeem maakt de staat in principe ondergeschikt aan de kerk (subsidiariteit). Het congregationeel-independente systeem houdt zich aan een volstrekte scheiding tussen kerk en staat als behorende tot twee werkelijkheden (‘twee rijken’-leer). Het presbyteriaal-synodale systeem gaat weliswaar uit van de scheiding van kerk en staat (soevereiniteit in eigen kring) maar plaatst hen vervolgens in correlatie tot elkaar: kerk en staat zijn niet van elkaar afhankelijk maar wel voor elkaar verantwoordelijk.

 

Episcopaal-hiërarchisch

In het episcopaal-hiërarchische systeem is de aanwezigheid van ambtsdragers beslissend voor het bestaan van de geloofsgemeenschap. Er is geen gemeente zonder ambt en waar het ambt is, daar is de gemeente (ubi episcopus ibi ecclesia). De gemeente wordt door het ambt geconstitueerd.

De leiding van de gemeenschap is eenhoofdig. In de plaatselijke geloofsgemeenschap, de parochie, ligt de bestuursbevoegdheid in eerste instantie in handen van de pastoor, de priester. Alleen in financiële aangelegenheden deelt — althans in Nederland — de pastoor de bestuursbevoegdheid met het kerkbestuur, ook wel het parochiebestuur genaamd.

In het grotere verband ligt alle bestuursbevoegdheid in handen van de bisschop. Niettemin wordt de bisschop omringd door adviserende organen die, voordat bepaalde beslissingen genomen worden, geraadpleegd dienen te worden.

De verhouding tussen de priester en de bisschop is hiërarchisch. Ook al is het minder juist om te zeggen, dat de parochie onderdeel is van het bisdom en de pastoor zetbaas van de bisschop, de bisschop is wel de herder van alle gelovigen in zijn diocees en de benoeming van alle functionarissen in de parochie ligt in zijn handen.

De verhouding tussen de kerkgemeenschap en de staat is in het episcopale systeem in de praktijk veelal die van symbiose. Ook bij een scheiding van kerk en staat is het zo dat bij voorkeur het regime van de staat en het regime van de kerk elkaar complementeren. Dat is overigens, door de godsdienstige samenstelling van de Nederlandse bevolking, in ons land minder duidelijk dan in andere landen.

 

Congregationeel-independent

Het congregationeel-independente systeem laat het tegenbeeld zien van het episcopaal-hiërarchische. De aanwezigheid van het ambt is niet constitutief voor het bestaan van de geloofsgemeenschap. Waar de gelovigen zijn, daar is de gemeente. In de meeste congregationele gemeenten in ons land is er, naar presbyteriaal voorbeeld, een kerkenraad met voorgangers, ouderlingen

|204|

en diakenen, maar andere gemeenten hebben een comité of dagelijks bestuur. Alle bestuursbevoegdheid ligt bij de vergadering van gemeenteleden (de congregatie). Het systeem is consequent democratisch. De voorgangers worden door de gelovigen gekozen, zij ontvangen van hen hun mandaat en zij kunnen door de gemeentevergadering worden afgezet.

De gemeenten zijn ten opzichte van elkaar onafhankelijk (independent). Ter behartiging van gemeenschappelijke belangen, zoals het werk van de zending en de opleiding van voorgangers, zijn er regionale en landelijke bijeenkomsten van vertegenwoordigers van de gemeenten. De besluiten van deze vergaderingen zijn voor een gemeente pas van kracht als de gemeentevergadering deze besluiten heeft geratificeerd. De gemeente is op zich compleet kerk.

Er is een consequente scheiding van kerk en staat. De gemeente bemoeit zich niet met het staatkundige en maatschappelijke leven en er wordt geen bemoeienis van de wereldlijke overheid met het leven en werken van de gemeente geduld.

 

Presbyteriaal-synodaal

Het presbyteriaal-synodale systeem neemt ten opzichte van de beide andere systemen een tussenpositie in. Het heeft iets tweeslachtigs en het is daarom moeilijk te doorzien.

Evenals bij het congregationele systeem worden de ambtsdragers gekozen door de gemeente, maar eenmaal gekozen en in het ambt bevestigd hebben de ambtsdragers een ten opzichte van de gemeente onafhankelijke positie. Tegelijk is — evenals bij het episcopale systeem — het ambt constitutief voor de gemeente. Er is geen gemeente zonder ambt maar er is ook geen ambt zonder (de) gemeente.

Een gemeente heeft een of meer predikanten, een aantal ouderlingen en een aantal diakenen. De ambtsdragers vormen samen de kerkenraad. De kerkenraad is de vergadering van alle ambtsdragers van de gemeente. Evenals in het episcopale systeem geeft het ambt leiding aan de gemeente, maar deze leiding is principieel meerhoofdig. De onderscheiden ambtsdragers oefenen hun taak uit op gezag van de vergadering van alle ambtsdragers, de kerkenraad (het presbyterium).

De bestuursbevoegdheid ligt in handen van de kerkenraad zoals die in de parochie ligt bij de pastoor en in een congregationele gemeente bij de vergadering van gemeenteleden. De ambtsdragers kunnen niet door de gemeenteleden worden afgezet.

Voor het leiding geven aan de kerkgemeenschap in grotere verbanden zijn er synodale vergaderingen, bestaande uit afgevaardigde ambtsdragers. Deze synodale vergaderingen zijn de classis (in de Nederlandse Hervormde Kerk en

|205|

in de Protestantse Kerk in Nederland: de classicale vergadering), de particuliere synode (in de Nederlandse Hervormde Kerk: de provinciale kerkvergadering) en de (landelijke) generale synode. Ten opzichte van de kerkenraad worden deze synodale vergaderingen aangeduid als ‘meerdere vergaderingen’ niet omdat zij hiërarchisch boven de kerkenraad staan maar omdat er meer plaatselijke gemeenten bij betrokken zijn. Het systeem is principieel niet-hiërarchisch. De meerdere vergaderingen worden samengesteld uit afgevaardigden vanuit de ‘mindere vergaderingen’; de particuliere synode (provinciale kerkvergadering) en de generale synode worden samengesteld door getrapte verkiezing: de kerkenraden wijzen de leden van de classicale vergadering aan en de classicale vergaderingen wijzen de leden van de particuliere synode, de provinciale kerkvergadering en de generale synode aan. De door de mindere vergaderingen afgevaardigde ambtsdragers zitten in de meerdere vergadering, waarvan zij deel uitmaken, zonder last of ruggespraak. Het is alsof de afvaardigende mindere vergaderingen in hun geheel in de meerdere vergadering aanwezig zijn. Daarom zijn de besluiten van een meerdere vergadering bindend voor de mindere vergaderingen die in de betreffende meerdere vergadering vertegenwoordigd zijn. Dat deze besluitend bindend zijn betekent dat de besluiten niet door de kerkenraden behoeven te worden geratificeerd, zoals in het independente systeem. Dat is kenmerkend voor het synodale systeem. Synodale kerkgemeenschappen zijn principieel niet-hiërarchisch en niet-independent.

Voor de verhouding tot de wereldlijke overheid wordt uitgegaan van de scheiding van kerk en staat. Maar dat betekent niet dat kerk en staat geen boodschap aan elkaar hebben. Op allerlei terreinen wordt met de burgerlijke overheid samengewerkt (bijvoorbeeld armenzorg). Indien nodig wordt voor bepaalde kerkelijke activiteiten subsidie van de wereldlijke overheid aanvaard, bij voorbeeld voor kerkbouw of voor bepaalde takken van zielszorg. En in voorkomende gevallen richt de kerk zich tot de wereldlijke overheid met boodschappen of verklaringen inzake politieke en maatschappelijke vraagstukken.

 

10.3 Rubricering

Aan geen van de in Nederland voorkomende kerkgemeenschappen kan een van de drie genoemde systemen zonder reserve worden toegeschreven. Van de episcopaal-hiërarchische kerkgemeenschappen in Nederland is de Rooms-Katholieke Kerk de bekendste. Maar bijzonder voor haar is dat enerzijds het hiërarchische patroon compleet is, doordat het hoogste gezag in de kerk in handen ligt van één persoon, de paus van Rome, die boven de bisschoppen staat. Anderzijds zijn — althans in Nederland — de parochianen tot op zekere hoogte

|206|

betrokken bij het bestuur van de parochie doordat zij als leken zitting hebben in het parochie- of kerk-bestuur. De eenhoofdige leiding wordt terzijde gestaan door adviserende organen, die in bepaalde gevallen gehoord moeten worden voordat de bisschop of de pastoor een beslissing neemt.

Van de presbyteriaal-synodaal georganiseerde kerkgemeenschappen zijn de grootste de Nederlandse Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken in Nederland; deze twee kerkgemeenschappen zijn met de Evangelisch-Lutherse Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden ‘Samen-op-Weg’ naar de Protestantse Kerk in Nederland, eveneens een kerkgemeenschap van het presbyteriaal-synodale type.

Over de drie zojuist genoemde dogmatische uitgangspunten wordt in hervormde en gereformeerde kring niet geheel gelijk gedacht, hetgeen tot uiting komt in de namen van deze kerkgemeenschappen (Nederlandse Hervormde Kerk en Gereformeerde Kerken in Nederland) en in haar kerkorden. In de kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland zijn de meningsverschillen overbrugd. Ook de andere kerkgemeenschappen die het woord gereformeerd in haar naam dragen zijn van het presbyteriaal-synodale type.

Tot het congregationeel-independente type behoren alle kerkgemeenschappen die het woord gemeenten in het meervoud in haar naam hebben, behalve als daar het woord gereformeerd bij staat. Voorbeelden zijn de Bond van Vrije Evangelische Gemeenten, de Unie van Baptistengemeenten en de Broederschap van Pinkstergemeenten.

De congregationeel-independente kerkgemeenschappen in Nederland zijn alle klein van omvang en onderling vertonen zij welhaast alle variaties die er op het congregationeel-independente thema denkbaar zijn. Zo komt het voor dat een congregationele gemeente een kerkenraad heeft die belangrijker is dan je in een congregationele gemeente zou verwachten. Ook komt het voor dat congregationele gemeenten samen een zodanig vast verband vormen, dat zij niet geheel als independent aangemerkt kunnen worden.

 

10.4 De drie typen in de praktijk

Aan de hand van een concreet voorbeeld wordt nu zichtbaar gemaakt hoe de uitgangspunten die ten grondslag liggen aan de zojuist beschreven systemen doorwerken in de praktijk.

Achtereenvolgens komen aan de orde de geboorte van een rooms-katholieke parochie, een hervormde gemeente, een protestantse gemeente (= een gemeente die behoort tot de Protestantse Kerk in Nederland), een gereformeerde kerk en een vrije gemeente.

|207|

Er wordt telkens antwoord gegeven op vragen als: wie neemt het initiatief, met welke instanties heeft de initiatiefnemer te maken, welke voorbereidende maatregelen dienen te worden getroffen, door welke handeling komt de nieuwe parochie of gemeente tot stand en wat moet er na de totstandkoming nog gebeuren om de actie te voltooien. Ten slotte wordt aandacht gegeven aan de burgerrechtelijke aspecten.

Daarbij wordt de terminologie gehanteerd die in de betreffende kerkelijke regelingen wordt gebezigd. De komende onderdelen van deze uiteenzetting dragen daarom als titel:
- de oprichting van een rooms-katholieke parochie;
- de vorming van een hervormde gemeente;
- de vorming van een protestantse gemeente;
- de instituering van een gereformeerde kerk;
- de stichting van een vrije gemeente.

 

Het verschil in terminologie is niet toevallig. Daarin wordt tot uitdrukking gebracht het verschil in visie op de gemeente bij de leden daarvan en bij de kerkgemeenschap waartoe de parochie of gemeente behoort. Om die reden wordt elk onderdeel van deze bijdrage begonnen met het verwoorden van de idee, die ten grondslag ligt aan het tot stand komen van een nieuwe geloofsgemeenschap ter plaatse.

 

De oprichting van een rooms-katholieke parochie

(Zie c. 515 Codex Iuris Canonici.)

Een parochie wordt opgericht door de bisschop tot wiens diocees de op te richten parochie zal behoren. Hij is immers als herder de eerstverantwoordelijke voor de pastorale zorg aan de katholieken binnen zijn werkgebied.

De relatie van het bisdom tot de daartoe behorende parochies is zodanig, dat het de bisschop is, die ervoor heeft te zorgen dat er overal voldoende parochies zijn om de gelovigen in samen te brengen. Toch heeft een parochie een eigen bestaan en een eigen verantwoordelijkheid. Een parochie is meer dan een onderafdeling of een dependance van het bisdom.

 

Niettemin ligt het initiatief tot het oprichten van een parochie in handen van de bisschop. Maar uiteraard doet hij het niet alleen en niet zonder aanleiding. Aanleiding tot het oprichten van een parochie kan gelegen zijn in het verzoek van een aantal in elkaars omgeving wonende gelovigen, in het advies van in de

|208|

omgeving aanwezige parochies of van in de omgeving werkende pastoors, of gewoon in door de bisschop en zijn staf zelf gesignaleerde ontwikkelingen op demografisch gebied.

Voor de bisschop overgaat tot het oprichten van een parochie, dient hij de priesterraad van zijn bisdom te raadplegen. Aan de orde komt in ieder geval de vraag of de nieuwe parochie als zelfstandige eenheid levensvatbaar zal zijn. De inspraak van de priesterraad is niet beslissend, maar zij kan ook niet zomaar worden genegeerd.

 

Besluit de bisschop tot het oprichten van een parochie, dan neemt hij een aantal voorbereidende maatregelen. Zo moet worden vastgesteld welk geografisch gebied tot de parochie zal behoren. De in dat gebied woonachtige katholieken worden geregistreerd in het ledenregister van de parochie-in-wording. Er dient een pastoor te worden benoemd, evenals een parochie- of kerkbestuur. Ook dient de parochie-in-wording voorzien te worden van voldoende financiële middelen voor kerkbouw en de verdere faciliteiten tot opbouw van het leven en functioneren van de parochie. Ten slotte dient bepaald te worden vanaf welk moment de parochie er is.

In principe is met het besluit van de bisschop het bestaan van de parochie vanaf de in het besluit genoemde datum evenwel een feit.

 

De vorming van een hervormde gemeente en een protestantse gemeente

(Zie Ordinantie 2 artikel 4 HKO en Ordinantie 2 artikel 13 kerkorde PKO.)

Een nieuwe gemeente komt tot stand doordat de kerk daar, waar dat wenselijk is, leden van de kerk bijeen brengt in een gemeente en zorg draagt voor de vorming van een kerkenraad.

Een nieuwe hervormde gemeente wordt gevormd door het breed moderamen van de classicale vergadering. Maar dat gebeurt in de regel op verzoek. Meestal gaat het verzoek uit van kerkleden, die gezamenlijk contact opnemen met de kerkenraad of kerkenraden van de gemeente of gemeenten, waartoe zij volgens de kerkelijke indeling behoren. Voor het gemak gaan we ervan uit, dat de betrokken kerkleden allen behoren tot één hervormde gemeente en we dus te maken hebben met één kerkenraad. Het kan ook zijn dat het initiatief uitgaat van deze kerkenraad, die daarvoor contact opneemt met de gemeenteleden die tot de nieuwe gemeente zullen behoren.

Vervolgens wenden de belanghebbende kerkleden of de betrokken kerkenraad zich tot het breed moderamen (bestuur met toegevoegde leden) van de classicale

|209|

vergadering, waaronder de nieuw te vormen gemeente zal gaan behoren, met een verzoek over te gaan tot de vorming van een nieuwe gemeente. Dat verzoek gaat vergezeld van een weldoordachte opzet waaruit blijkt hoe men zich een nieuwe geografische indeling van de classis in gemeenten had gedacht, uit hoeveel leden de nieuw te vormen gemeente zal bestaan, op welke wijze de nieuwe gemeente denkt te voorzien in de financiering van kerkgebouw, lokaliteiten en pastorale zorg en de ‘erfenis’, die de nieuwe gemeente mee denkt te krijgen van de gemeente waartoe de leden van de nieuw te vormen gemeente tot dan toe behoren.

 

Het breed moderamen van de classicale vergadering gaat vervolgens over tot raadpleging van de belanghebbende kerkleden en de kerkenraden van de gemeenten, die door wijziging van de geografische indeling van de classis met de vorming van de nieuwe gemeente te maken hebben. Tevens vergewist het breed moderamen zich van de levensvatbaarheid van de nieuw te vormen gemeente, onder meer door te bezien of de nieuw te vormen gemeente in staat is een kerkenraad te vormen waarin ten minste drie ouderlingen, drie diakenen en drie ouderlingen-kerkvoogd zitting hebben.

Als dit onderzoek een positief resultaat oplevert, gaat het breed moderamen van de classicale vergadering over tot het vaststellen van de grenzen van de nieuwe gemeente, het vestigen van een predikantsplaats bij de nieuwe gemeente en het aanwijzen van een consulent. Door een daartoe strekkende besluit van het breed moderamen van de classicale vergadering komt de nieuwe gemeente op de in het besluit genoemde datum tot stand. Het breed moderamen van de classicale vergadering organiseert de verkiezing en bevestiging van de ambtsdragers. Zolang de verkiezing en bevestiging van ambtsdragers nog niet heeft plaatsgevonden fungeert het breed moderamen van de classicale vergadering als kerkenraad.

Het breed moderamen van de classicale vergadering zorgt ten slotte voor een bericht aan de generale synode van de Nederlandse Hervormde Kerk, de provinciale kerkvergadering en de burgerlijke overheid, dat er een nieuwe hervormde gemeente is gevormd.

 

De vorming van een protestantse gemeente verloopt globaal op dezelfde wijze, met dien verstande dat in de plaats van het breed moderamen van de classicale vergadering de classicale vergadering zelfde nieuwe gemeente vormt. Belanghebbende kerkleden dienen het verzoek tot vorming van een nieuwe gemeente altijd eerst in bij de kerkenraad van de gemeente waartoe zij behoren. Dat kan één kerkenraad zijn, maar het kunnen er ook meer zijn. De aldus betrokken kerkenraad dient vervolgens het verzoek in bij de classicale vergadering

|210|

van de classis waartoe de gemeente waarvan hij de kerkenraad is, behoort. Deze kerkenraad kan ook zelf het initiatief nemen en het verzoek, na raadpleging van de betrokken kerkleden, uit eigen beweging indienen bij de classicale vergadering.

 

De classicale vergadering wint vervolgens advies in bij de kerkenraden van de gemeenten waarvoor de vorming van de nieuwe gemeente gevolgen heeft, met name door de wijziging van de indeling van de classis in gemeenten. Zij vraagt ook de mening van de betrokken gemeenteleden.

Heeft de classicale vergadering zich vergewist van de levensvatbaarheid van de nieuw te vormen gemeente, waar bij het met name gaat om de vraag of deze gemeente in staat is een volledige kerkenraad te vormen en de kerkordelijk bepaalde taken van een gemeente te verrichten, dan neemt de classicale vergadering het besluit tot de vorming van de nieuwe gemeente. De vestiging van een predikantsplaats blijft achterwege, omdat de protestantse gemeenten niet het systeem van predikantsplaatsen kennen.

Met het desbetreffende besluit van de classicale vergadering is de nieuwe gemeente totstandgekomen op de datum die in het besluit wordt genoemd.

 

De instituering van een gereformeerde kerk

(Zie artikel 42 lid 1 van de Gereformeerde kerkorde met uitvoeringsbepalingen.)

Als ergens een nieuwe gereformeerde kerk wordt geïnstitueerd, wordt de stichtingshandeling verricht door de kerkenraad van de kerk waartoe de leden van de te stichten kerk tot dan toe behoren (de ‘moederkerk’) of door de kerkenraad van de daartoe door de classis aangewezen naburige kerk; deze kerkenraad brengt de ter plaatse woonachtige leden van de te stichten kerk bijeen in een gemeente en draagt zorg voor de vorming van een kerkenraad van de nieuwe kerk.

Wanneer gemeenteleden wensen dat in hun woonplaats een gereformeerde kerk wordt geïnstitueerd, wenden zij zich tot de kerkenraad van de kerk waarvan zij lid zijn, met de wens om een nieuwe gereformeerde kerk te institueren en een verzoek om medewerking daaraan. Het kan ook zijn dat een kerkenraad het wenselijk vindt, dat er in het gebied van de kerk waaraan hij leiding geeft een nieuwe gereformeerde kerk wordt geïnstitueerd. In dat geval raadpleegt de kerkenraad eerst de betrokken gemeenteleden.

In het eerste geval wenden de gemeenteleden zich tot de classis, binnen het ressort waarvan de nieuwe kerk zal worden geïnstitueerd, met het verzoek om

|211|

goedvinden van en medewerking aan het institueren van een nieuwe gereformeerde kerk. In het tweede geval doet de kerkenraad dat.

 

De classis onderzoekt of voor het institueren van de nieuwe kerk goede gronden aanwezig zijn, of deze kerk levensvatbaar is en of de levensvatbaarheid van bestaande naburige gereformeerde kerken niet in gevaar komt door de instituering van een nieuwe kerk. Na goedkeuring verleend te hebben aan het institueren van de nieuwe kerk, wijst de classis een kerk binnen haar ressort aan, om bijzondere medewerking te verlenen; dat kan de kerk zijn waartoe de betrokken gemeenteleden behoren en waarvan de betrokken kerkenraad de kerkenraad is.

De kerkenraad van de aangewezen kerk zet een voorlopige ledenadministratie voor de te institueren kerk op. Hij roept de stemgerechtigde leden van de nieuwe kerk bijeen voor de verkiezing van — ten minste drie — ambtsdragers. Daarna belegt de kerkenraad een kerkdienst, waarin de gekozen ambtsdragers worden bevestigd in het ambt. Ook wijst hij een predikant aan die de gekozen ambtsdragers in het ambt zal bevestigen. Ten slotte zet de kerkenraad een definitieve ledenadministratie op. Met de bevestiging van de gekozen ambtsdragers in het ambt is de instituering van de nieuwe gereformeerde kerk een feit.

De kerkenraad van de nieuwe kerk doet van de instituering bericht aan de classis waaronder de kerk zal ressorteren en aan het bestuur van de burgerlijke gemeente in het gebied waarvan de kerk zich bevindt.

 

De vorming van een nieuwe gereformeerde kerk kan ook totstandkomen door splitsing van een bestaande gereformeerde kerk. In dat geval neemt de kerkenraad van een gereformeerde kerk, na raadpleging van de gemeenteleden, een besluit tot splitsing van de kerk in twee (of meer) kerken. Vervolgens wendt de kerkenraad zich tot de classis met het verzoek om goedvinden van en medewerking aan de splitsing van de kerk. De classis onderzoekt of de uit de splitsing voortkomende kerken levensvatbaar zijn en of de levensvatbaarheid van de naburige kerken niet in gevaar komt door de splitsing.

Na instemming van de classis stelt de kerkenraad het tijdstip van de splitsing vast evenals de verdeling van de bezittingen, rechten en plichten van de ongedeelde kerk over de uit de splitsing voortkomende kerken. Eveneens stelt de kerkenraad vast welke kerk de burgerrechtelijke voortzetting zal zijn van de ongedeelde kerk en regelt hij de overdracht van onroerende zaken door de kerk, die de burgerrechtelijke voortzetting is van de ongedeelde kerk, aan de andere uit de splitsing voortgekomen kerk(en). Dit geschiedt bij notariële akte. Na de splitsing zijn de ambtsdragers van de ongedeelde kerk, zonder nieuwe

|212|

bevestiging, voor de periode waarvoor ze zijn benoemd ambtsdrager van de uit de splitsing voortgekomen kerk waarvan zij lid zijn; voor de splitsing wordt ervoor gezorgd dat de kerkenraad van elke uit de splitsing voortgekomen kerk bestaat uit ten minste drie leden.

De kerkenraad van elke uit de splitsing voortgekomen kerk doet van het bestaan van deze kerk mededeling aan de classis, waaronder de kerk zal ressorteren en aan het bestuur van de burgerlijke gemeente binnen het gebied waarvan de kerk zich bevindt.

 

De stichting van een vrije gemeente

(Zie artikel 6, lid 2 Statuten Bond van Vrije Evangelische Gemeenten.)

Een vrije gemeente ontstaat doordat de leden van de te stichten gemeente zich aaneen voegen tot een gemeente.

Het initiatief tot het stichten van een gemeente gaat altijd uit van de belanghebbende gemeenteleden. Die komen bijeen en spreken met elkaar af over te gaan tot de stichting van een gemeente. In dezelfde bijeenkomst kunnen zij uit hun midden een voorlopige leiding aanwijzen.

Het komt voor dat er een omweg wordt bewandeld. Men gaat dan eerst over tot het oprichten van een (burgerrechtelijke) vereniging. Dat gebeurt bij notariële akte. Het voordeel is dat men op deze wijze een rechtspersoonlijkheid bezittende organisatie heeft, die in staat is rechtshandelingen te verrichten en eventueel een kerkgebouw in eigendom te hebben. Het doel van de vereniging is dan het stichten van een gemeente.

Ter voorbereiding van het stichten van de gemeente zet de voorlopige leiding van de gemeente-in-wording of het bestuur van de genoemde vereniging een ledenadministratie op. Zo kan er een vergadering van gemeenteleden worden belegd, waarin de gemeenteleden uit hun midden de leden van een leidinggevend orgaan aanwijzen.

Een bijzonderheid is, dat niet elke vrije gemeente een kerkenraad kent. Als de gemeente al een leidinggevend orgaan kent, dat wordt aangeduid als kerkenraad, gaat het in geen enkel geval om een kerkenraad, die dezelfde positie in de gemeente heeft als de kerkenraad van een hervormde gemeente of van een gereformeerde kerk. De kerkenraad van een vrije gemeente lijkt meer op het bestuur van een vereniging; de leden van het bestuur worden benoemd en eventueel afgezet door de vergadering van gemeenteleden.

Vervolgens belegt de voorlopige leiding van de gemeente-in-wording of het bestuur van de vereniging een kerkdienst/samenkomst van de gemeente, waarin de leden van het leidinggevend orgaan/de kerkenraad worden geïnstalleerd.

|213|

Deze installatie gebeurt eventueel onder leiding van een door de voorlopige leiding van de gemeente-in-wording of het bestuur van de vereniging daartoe uitgenodigde voorganger van een andere gemeente, die behoort tot de bond of unie van gemeenten waarbij de nieuwe gemeente zich wil aansluiten. Hiermee heeft de nieuwe gemeente haar eerste stap gezet en is haar bestaan een feit.

De kerkenraad/het leidinggevend orgaan van de nieuwe gemeente meldt de gemeente aan bij de bond of de unie van gemeenten waarbij de nieuwe gemeente zich wil aansluiten. Om als zodanig aanvaard te worden door de bond of unie is meestal een aanbeveling van twee of meer andere gemeenten die lid zijn van de bond of unie, nodig. De bond of unie van gemeenten waarbij de nieuwe gemeente zich wil aansluiten, beslist in haar bonds- of unievergadering over de toelating van de nieuwe gemeente tot de bond of unie.

De kerkenraad/het leidinggevend orgaan van de nieuwe gemeente doet veelal van het bestaan van de gemeente mededeling aan het bestuur van de burgerlijke gemeente binnen het gebied waarvan de gemeente haar vestiging heeft.

 

Burgerrechtelijke aspecten

(Zie artikel 2 Boek 2 Burgerlijk Wetboek.)

Een nieuwe parochie of gemeente heeft ook materiële voorzieningen nodig om als geloofsgemeenschap te kunnen functioneren. Te denken is aan een plaats van samenkomst voor de kerkdiensten en aan vergaderaccommodatie voor vorming en toerusting van de parochianen of gemeenteleden en voor het houden van vergaderingen. Ook moeten er contracten kunnen worden gesloten met verhuurders van zalen en met personeel zoals schoonmakers, kosters, beheerders, organisten, opbouwwerkers, kerkelijk werkers, enzovoort.

Het is denkbaar dat de landelijke kerkgemeenschap daar tijdelijk in voorziet. Een bisdom of de hervormde kerk zou een startende parochie of gemeente financieel op de been kunnen helpen. Bij gereformeerde kerken en gemeenten en bij vrije gemeenten ligt dat, gezien de structuur van het kerkverband, niet in de rede. Is de nieuwe gereformeerde kerk te beschouwen als een afsplitsing van een bestaande gereformeerde kerk, dan wordt wel eens een ‘bruidsschat’ in de vorm van een geldbedrag of een reeds ter plaatse aanwezige lokaliteit die toebehoort aan de ‘moederkerk’, meegegeven. Dat gebeurt echter niet vanzelfsprekend, omdat de afsplitsing voor de moederkerk een verlies aan leden en dus ook een verlies aan financiële draagkracht voor het eigen kerkelijke leven van de moederkerk met zich meebrengt.

 

Wil een nieuwe parochie of gemeente op eigen benen staan, dan zal zij zelf moeten kunnen zorgen voor de — voor het leven van de parochie of gemeente — nodige faciliteiten.

|214|

Een voorwaarde daarvoor is het hebben van rechtspersoonlijkheid. Daar is met het realiseren van de parochie of gemeente automatisch in voorzien. Een rooms-katholieke parochie, een hervormde gemeente en een protestantse gemeente hebben rechtspersoonlijkheid als zelfstandig onderdeel van een landelijk kerkgenootschap. Gereformeerde kerken en vrije gemeenten zijn zelf kerkgenootschap en hebben als zodanig rechtspersoonlijkheid. Daartoe moet duidelijk zijn, dat het gaat om een geloofsgemeenschap die bestaat uit personen met een gemeenschappelijke religieuze overtuiging en met het doel gezamenlijk God te dienen in religieuze samenkomsten en in andere activiteiten en die ook als zodanig een kerkgenootschap wil zijn. Daarvoor is geen oprichting bij notariële acte of inschrijving bij een Kamer van Koophandel nodig.

Drimmelen, L.C. van e.a. (2004) 11

215-229

|215|

11 Bronnen van positief kerkrecht

L.C. van Drimmelen

 

 

11.1 Inleiding

Voor de bestudering en toepassing van het positieve kerkrecht is bekendheid met de rechtsbronnen noodzakelijk.

We bezien de bronnen van het eigen recht van de Rooms-Katholieke Kerk in Nederland (RKK), van de Nederlandse Hervormde Kerk (NHK), van de Gereformeerde Kerken in Nederland (GKN) en van de Protestantse Kerk in Nederland (PKN). Weliswaar is het recht van de laatstgenoemde kerk nog geen positief recht omdat deze kerk ‘in aanbouw’ is, maar ter wille van de actualiteit, wordt het recht van de PKN toch in het overzicht betrokken.

 

Het totaal aan bronnen is tamelijk complex. Dat komt omdat we te maken hebben met geheel verschillend georganiseerde kerkgemeenschappen die ook nog eens een eigen systematiek hebben in de opzet van de kerkorde, in de ordening van de stof en in het tot stand komen van de regels en voorschriften. Daarom geven we in dit overzicht niet alleen aandacht aan de documenten waarin de geschreven rechtsregels te vinden zijn (in het kerkrecht: ‘rechtscognitieve’ of materiële rechtsbronnen), maar ook aan de instanties die de bevoegdheid hebben rechtsregels met een algemene geldigheid uit te vaardigen (in het kerkrecht: ‘rechtsproductieve’ of formele rechtsbronnen).

Het noemen van de instanties met wetgevende bevoegdheid levert weer een volgend probleem op. We kunnen namelijk op het gebied van het kerkelijk recht niet altijd onbevangen uitgaan van het in de achttiende eeuw ontwikkelde idee van scheiding tussen wetgevende, rechtsprekende en uitvoerende macht.

Voor het rooms-katholieke en het gereformeerde kerkrecht zou dat in zekere zin ook anachronistisch zijn. Het op dit moment in de RKK en in de GKN geldende geschreven recht is weliswaar geformuleerd in de twintigste eeuw (de Codex Iuris Canonici is ingevoerd in 1983 en de huidige Gereformeerde kerkorde in 1959) maar de organisatorische inrichting van de betrokken

|216|

kerkgemeenschappen stamt uit een tijd van voor de achttiende eeuw en deze organisaties zijn tot op de dag van vandaag niet fundamenteel veranderd. We kunnen daarin de drie genoemde machten wel onderscheiden, maar zij zijn zowel in de RKK als in de GKN principieel in één hand.

Alleen de Nederlandse Hervormde Kerk en de Protestantse Kerk in Nederland kennen een constitutionele bevoegdheidsverdeling en een onafhankelijke rechtspraak, zij het dat de rechtspraak door een rechtsprekend college wordt uitgeoefend op gezag van de ambtelijke vergadering die het heeft benoemd.

 

De achtergrond van het niet of niet consequent scheiden van de wetgevende, de rechtsprekende en de uitvoerende macht is de betekenis die in de verschillende kerkgemeenschappen wordt toegekend aan het geestelijk ambt.

De positie en functie van het ambt is in de onderscheiden kerkgemeenschappen niet gelijk. De achtergrond daarvan is weer de verschillende visies die men in de onderscheiden kerkgemeenschappen heeft op de kerk en de organisatorische structuur daarvan. Een overzicht daarvan is te vinden in hoofdstuk 10 in deze bundel. Maar een fundamentele overeenkomst in de ambtsopvatting van de episcopaal-hiërarchisch en die van de presbyteriaal-synodaal georganiseerde kerkgemeenschappen is, dat het ambt gezien wordt als een instelling van Christus, die door het ambt zijn kerk regeert, hetzij dat die ambtsuitoefening unipersonaal hetzij dat die collegiaal uitgeoefend wordt. En het is niet aanvaardbaar, dat de uitoefening van die ambtsmacht door een scheiding van machten, waardoor de wetgevende, de rechtsprekende en de uitvoerende macht een zekere onafhankelijkheid van elkaar krijgen, gerelativeerd wordt, bijvoorbeeld door het optreden van onafhankelijke rechters of door beheerders van het vermogen van een parochie of gemeente met bij attributie toegekende bevoegdheden.

Het in één hand zijn van de wetgevende, rechtsprekende en uitvoerende bevoegdheid brengt meer dan eens met zich mee, dat we in de documenten, waarin rechtsregels te vinden zijn, met name in documenten van lagere orde, wetgeving en uitvoering van die wetgeving in de vorm van rechterlijke beslissingen en bestuursmaatregelen naast en door elkaar tegen kunnen komen. Dat moet altijd in het achterhoofd gehouden worden, ook als in dit overzicht de interne kerkelijke rechtspraak (zie hoofdstuk 16 in deze bundel) en het bestuur (zie hoofdstuk 12 in deze bundel) verder buiten beschouwing worden gelaten.

|217|

11.2 De Rooms-Katholieke Kerk

Hoofdlijnen

We trekken eerst enkele hoofdlijnen.

1 Er wordt wel onderscheid gemaakt tussen wetgevende, rechtsprekende en uitvoerende macht, maar er is geen scheiding (c. 135, paragraaf 1 CIC): ‘Bestuursmacht (potestas regiminis) wordt onderscheiden in wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht.’

2 Tot de bestuursmacht, die krachtens goddelijke instelling in de Kerk bestaat en die ook jurisdictiemacht (potestas iurisdictionis) genoemd wordt, zijn volgens de voorschriften van het recht bekwaam, zij die ‘een heilige wijding ontvangen hebben.’ (c. 129, paragraaf 1) Tn de uitoefening van deze macht kunnen christengelovigen en -leken meewerken (possunt cooperari in exercitio) volgens het recht.' (c. 129, paragraaf 2).
Aan deze bepalingen ligt ten grondslag het idee van het vicariaat, de plaatsbekleding. Christus is het Hoofd en de Herder van de Kerk. De paus en de bisschoppen bekleden de aan hen toevertrouwde volle bestuursmacht als plaatsvervangers van Christus en de apostelen.

3 Deze bestuursmacht kan unipersonaal of collegiaal worden uitgeoefend. Unipersonaal in de persoon van de paus of de bisschoppen in hun diocees, collegiaal bij voorbeeld in bisschoppencolleges en bisschoppenconferenties.

De Bisschop van de Kerk van Rome, in wie het door de Heer alleen aan Petrus, de eerste van de Apostelen verleende en aan diens opvolgers over te dragen ambt voortbestaat, is het hoofd van het Bisschoppencollege, Plaatsbekleder van Christus en Herder van de gehele Kerk hier op aarde; daarom bezit hij krachtens zijn ambt de hoogste, volledige, onmiddellijke en universele gewone macht in de Kerk, die hij altijd vrij kan uitoefenen. (c. 331)

Het Bisschoppencollege, waarvan het hoofd de Paus is en waarvan de leden de Bisschoppen zijn krachtens hun sacramentele wijding en de hiërarchische gemeenschap met het hoofd en de leden van het College, en waarin het apostolisch corps bestendig voortduurt, is, samen met zijn hoofd en nooit zonder zijn hoofd, ook subject van de hoogste en volledige macht over de gehele Kerk. (c. 336)

Aan de diocesane Bisschop komt in het hem toevertrouwde bisdom alle gewone, eigen en onmiddellijke macht toe, die voor de uitoefening van

|218|

zijn herderlijke taak vereist is, uitgezonderd zaken die door het recht of door een decreet van de Paus aan het hoogste of een ander kerkelijk gezag voorbehouden zijn. (c. 381, paragraaf 1)

Het komt de diocesane Bisschop toe de hem toevertrouwde particuliere Kerk met wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht te besturen, volgens het recht. (c. 391, paragraaf 1)

4 Er wordt onderscheid gemaakt tussen universeel en particulier recht. Universeel recht geldt in de gehele kerk; particulier recht alleen in het bisdom, waarvoor het bestemd is. Particulier recht dient in overeenstemming te zijn met het universele recht. Het is op de keper beschouwd een op het bisdom toegesneden nadere uitwerking en invulling van en toevoeging aan het universele recht (praeter, non contra). Het particuliere recht is dus ondergeschikt aan het universele recht.

 

Rechtsproductieve bronnen/rechtsvormende instanties

Voor de universele kerk is de paus de eerste wetgever (c. 331; c. 333, paragraaf 1). Daarnaast moet genoemd worden het bisschoppencollege, hetzij dat het bijeen is in een oecumenisch concilie (c. 337, paragraaf 1), hetzij door een op andere wijze gezamenlijk optreden (c. 337, paragraaf 2). Deze bevoegdheid komt niet in mindering op die van de paus. Het bisschoppencollege geeft adviezen (propositiones); de uiteindelijke beslissing wordt genomen door de paus.

In de derde plaats is er de bisschoppensynode, een vergadering van daartoe aangewezen bisschoppen uit de verschillende gebieden van de wereld (c. 342; c. 345). De bisschoppensynode is een adviserend lichaam, maar zij heeft beslissende bevoegdheid in gevallen dat de paus die bevoegdheid heeft verleend, waarna de paus de door de synode genomen beslissing kan bekrachtigen (c. 343)-

 

Wetgevende bevoegdheid over een particuliere kerk, die meestal gelijk staat aan een bisdom (c. 368), komt toe aan de diocesane bisschop (c. 391, paragraaf 1). Gaat het om regelgeving voor een aantal bisdommen tezamen, bij voorbeeld de gezamenlijke bisdommen in één land als Nederland, dan is tot wetgeving bevoegd het particulier concilie (c. 445). In het particulier concilie hebben zitting: de bisschoppen van de betrokken bisdommen, de bisschoppen-coadjutor, de hulpbisschoppen en de titulaire bisschoppen die in het gebied van het particulier concilie een kerkelijke opdracht hebben (c. 443, paragraaf 1). Wetgevende bevoegdheid voor de betrokken bisdommen tezamen heeft ook de bisschoppenconferentie (c. 455, paragraaf 1-4). Dit is de vergadering van

|219|

bisschoppen, bisschoppen-coadjutor, hulpbisschoppen en titulaire bisschoppen uit één kerkprovincie onder leiding van een aartsbisschop of metropoliet (c. 450, paragraaf 1). Ten slotte is er nog de bijzondere bisschoppensynode voor een bepaald gebied (c. 345) voor gevallen waarin de paus wetgevende bevoegdheid heeft gegeven (c. 343); de beslissingen daarvan kunnen dan door de paus worden bekrachtigd.

 

Voor kloosterlijke verbanden zijn het de kapittels die wetgevende bevoegdheid hebben (c. 596, paragraaf 1-3). Het gaat dan om interne regels voor de kloosterlijke verbanden. Deze regelgeving is te vergelijken met het interne recht van verenigingen.

 

Rechtscognitieve bronnen

Voordat een overzicht gegeven kan worden van de in de RKK geldige kerkorde moet eerst het volgende worden opgemerkt. De kerkordelijke regels kunnen we tegenkomen in twee vormen, die van een wet (lex) en die van een algemeen decreet (decretum generale). Over het algemeen is een decreet een voorschrift dat dient ter verduidelijking of aanvulling van een wet. Een decreet kan een opstap zijn naar een nieuwe wet met algemene geldigheid. Algemene decreten, die voldoen aan de normen, neergelegd in de cc. 7 tot en met 22, hebben kracht van wet (c. 29).

Het is dus zaak om bij het lezen van een decreet na te gaan, of het een decreet is dat valt onder de norm van c. 29 of een ander decreet.

We stuiten hier weer op de moeilijkheid, dat de wetgevende en de uitvoerende macht in één hand zijn, waarbij het niet altijd duidelijk is met wat voor document men te maken heeft. In een juridisch bestuurlijk stuk staat soms ineens een leerstellige opmerking. Bovendien lopen vaak wetgeving en uitvoering door elkaar heen.

Een daaruit voortvloeiend probleem is op welke wijze eventueel gewenste correctie op een beslissing mogelijk is.

 

Universeel recht

1 Het kerkelijk leven van de gehele Rooms-Katholieke Kerk wordt geordend door de Codex Iuris Canonici (CIC), het Wetboek van Canoniek Recht. De Codex is gepromulgeerd op 25 januari 1983 en heeft kracht van wet sinds 27 november 1983. De taal van de CIC is Latijn. Er is een Nederlandse uitgave met op de linkerpagina de Latijnse tekst en op de rechterpagina de Nederlandse vertaling daarvan. De Latijnse tekst is authentiek, ook al is de vertaling geautoriseerd door de Belgische en Nederlandse bisschoppenconferenties. Men mag zich dus in de discussie over de betekenis en strekking

|220|

van een canon niet beroepen op de vertaling. De uitgave met vertaling in het Nederlands is verschenen te Brussel en Hilversum in 1987.
Voor 1983 was de voornaamste rechtsbron de Codex Iuris Canonici van 1917, en voor 1917 het Corpus Iuris Canonici, gevormd in de hoge en de late Middeleeuwen. 

2 Bijzondere door de paus uitgevaardigde wetten kennen we als apostolische constitutie (constitutio apostolica) of als motu proprio. Het verschil is, dat een apostolische constitutie gewoonlijk een meer algemene strekking heeft en dat een motu proprio betrekking heeft op een speciale persoonlijke of incidentele situatie.
Deze bijzondere wetten worden gepubliceerd in de Acta Apostolicae Sedis (AAS). Een vertaling daarvan in het Nederlands wordt gepubliceerd in Kerkelijke Documentatie, het publicatieorgaan van de Rooms-Katholieke Kerk in Nederland.

 

Particulier recht

De Nederlandse bisschoppenconferentie heeft een reeks regelingen vastgesteld, bekend als ‘Regelingen RK Kerkgenootschap in Nederland’, uitgegeven door het Secretariaat Rooms-katholiek Kerkgenootschap in Nederland (SRKK) te Utrecht. In die reeks bevinden zich onder meer Algemeen Reglement voor het bestuur van een parochie van de Rooms-Katholieke Kerk in Nederland (nr. 3), Algemeen Reglement voor het bestuur van een (inter)parochiële caritas-instelling in de Nederlandse Rooms-Katholieke Kerkprovincie (nr. 8), Algemene bepalingen voor kerkelijke rechtspersonen en katholieke burgerlijke rechtspersonen in de Rooms-Katholieke Kerkprovincie in Nederland (nr. n). De beslissingen van wetgevende aard van de afzonderlijke bisschoppen worden gepubliceerd in de Analecta, het officiële publicatieorgaan van een bisdom.

 

Naast de wet kent het CIC de gewoonte als bron van recht; de gewoonte wordt genormeerd door de cc. 23 tot en met 28. Een gewoonte kan nooit in strijd zijn met het canonieke recht maar zij kan het canonieke recht wel aanvullen (praeter legem sed non contra legem) en verduidelijken. ‘De gewoonte is de beste uitlegster van wetten’ (c. 27). Maar om van een gewoonte te kunnen spreken dient deze te functioneren in een gemeenschap die bekwaam is om een wet te ontvangen en dient zij binnen die gemeenschap als een geldige rechtsregel te worden ervaren (c. 25). Een gewoonte moet wel gedurende geruime tijd (dertig jaar) onderhouden zijn, wil zij inbreuk kunnen maken op het geldende canonieke recht (c. 26).

|221|

11.3 De Nederlandse Hervormde Kerk

Hoofdlijnen

1 Fundamenteel voor het kerkrecht van de reformatorische kerken is het priesterschap van alle gelovigen.
Dat betekent in de eerste plaats dat wie Jezus Christus aanvaardt als Heer en Heiland niet de bemiddeling van een priester nodig heeft om tot God te komen. Daardoor is er geen plaats voor een onderscheid tussen geestelijkheid/clerus en leken. Iedereen in de kerk is gelijk. Maar het betekent ook dat iedereen op eigen wijze verantwoordelijk is voor de goede gang van zaken in de kerk.

2 Dat wil niet zeggen dat er geen leiding wordt gegeven. Dat iedereen op eigen wijze verantwoordelijk is, houdt in dat de onderscheidenheid van gaven van de Geest uitgewerkt wordt in een verdeling van verantwoordelijkheid. De gemeente herkent wie de gave heeft van het leiding kunnen geven. Daarom wordt de leiding van de gemeente door de gemeente uit de leden van de gemeente gekozen en door bevestiging in het ambt geplaatst. Alleen predikanten kunnen ‘van buiten’ komen, maar zij kunnen pas worden bevestigd tot voorganger van de gemeente, nadat zij daar lid van zijn geworden. Want zoals er geen gemeente is zonder ambtsdragers, zo is er ook geen ambtsdrager zonder gemeente. Wie een bovenplaatselijke functie bekleedt wordt geacht in dienst te staan van een aantal gemeenten gezamenlijk.

3 Vanwege de verscheidenheid aan gaven en de verscheidenheid in werk worden in de vormgeving van het ambt drie ambten onderscheiden, dat van de predikant, dat van de ouderling en dat van de diaken. Tezamen vormen zij de kerkenraad. De kerkenraad is de vergadering van alle ambtsdragers van de gemeente, want het ambt wordt uitsluitend collegiaal uitgeoefend.

4 Zo wordt vormgegeven aan de christocratie. Christus is Heer van de Kerk. En in de regering van zijn Kerk maakt Hij gebruik van de dienst van mensen, de ambtsdragers. Daarom kan men zeggen dat de ambtsdragers in hun ambtelijke optreden Christus representeren: zij spreken zijn Woord. Maar er is geen sprake van representatie in de zin van plaatsbekleding of vicariaat.

5 Typisch hervormd is, dat de leden van de gemeente ‘mitsdien’ lid zijn van de landelijke kerk. Daarmee is de landelijke kerk niet minder gestalte van de Kerk van Christus dan de plaatselijke gemeente. En aan die kerk wordt leiding gegeven door de generale synode zoals de kerkenraad leiding geeft aan de gemeente. Daardoor is het in de Nederlandse Hervormde Kerk mogelijk als ambtsdrager verbonden te zijn aan ‘de kerk als geheel’ (‘standplaats bij de kerk’). Zodoende wordt in de Nederlandse Hervormde Kerk

|222|

meer gewicht gegeven aan de landelijke kerk en haar organisatie dan in de andere reformatorische kerken. De (plaatselijke) hervormde gemeenten worden gezien als zelfstandige onderdelen van het landelijke kerkgenootschap (artikel 2 Boek 2 BW).
De plaatselijke gemeenten zijn samengevoegd tot classes; de gemeenten en classes zijn samengevoegd tot kerkprovincies (Ord. 1-32-1 HKO (= Ordinantie 1, artikel 32, lid 1 van de kerkorde der Nederlandse Hervormde Kerk)).

6 De Nederlandse Hervormde Kerk onderscheidt zich bovendien van de andere reformatorische kerken door toepassing van het idee van de scheiding van machten in die zin dat er recht gesproken wordt door instanties die over hun uitspraken geen verantwoording hoeven af te leggen aan een instantie die bekleed is met wetgevende en uitvoerende macht.

 

Rechtsproductieve bronnen/rechtsvormende instanties

De bevoegdheid tot het stellen van regels met geldigheid voor de gehele kerk, ook in haar onderdelen zoals de gemeenten, berust bij de generale synode (art. V, lid 2; artikel XXVII en XXVIII van de Kerkorde der Nederlandse Hervormde Kerk). De generale synode (GS) is samengesteld uit door de classicale vergaderingen afgevaardigde ambtsdragers (Ord. 2-10-1).

Daarnaast is er de synodus contracta (Ord. 1-13), gevormd door een selectie uit de leden van de GS (Ord. 1-13-1) aan wie de GS een deel van haar taak, ook op het gebied van regelgeving, kan toevertrouwen.

De bevoegdheid om regels te stellen die gelden in een kerkprovincie ligt bij de provinciale kerkvergadering (PKV; art. V.6 KO; Ord. 1-7, 8, 9); de bevoegdheid om regels te stellen die gelden voor een classis ligt bij de classicale vergadering (CV; art. V.6 KO; Ord. 1-4, 5, 6).

Zowel de GS als de PKV en de CV hebben behalve een moderamen ook een breed moderamen (Ord. 1-22), maar de brede moderamina hebben geen regelgevende bevoegdheid (Ord. 1-22-2).

De bevoegdheid tot het stellen van regels voor de plaatselijke gemeente ligt bij de kerkenraad (art. V.2 KO; Ord. 1-2-1). De kerkenraad wordt gevormd door alle ambtsdragers van de gemeente (Ord. 1-1-1).

 

Rechtscognitieve bronnen

In de teksten komen we twee uitdrukkingen tegen die betrekking hebben op het gecodificeerde recht van de NHK, namelijk ‘orde der kerk’ en ‘kerkorde’. Orde der kerk is de aanduiding van alle voorschriften met een niet-incidentele werking, ongeacht welke met wetgevende bevoegdheid beklede instantie het voorschrift heeft gegeven, van de kerkorde in engere zin tot de door een kerkenraad vastgestelde huishoudelijke regeling voor huiscatechese.

|223|

De term ‘kerkorde’ wordt in de wandeling meestal gebruikt voor de inhoud van de losbladige uitgave van de kerkorde in engere zin, de ordinanties en de overgangsbepalingen bij de kerkorde en de ordinanties. De term wordt echter technisch gebruikt voor de uit dertig — met Romeinse cijfers genummerde — artikelen bestaande kerkorde, vaak aangeduid als ‘kerkorde in engere zin’ of de ‘Romeinse artikelen’.

 

Er is in de hervormde orde der kerk een hiërarchie van regels. Het gewicht ervan valt af te lezen uit de procedure die voor vaststelling of wijziging is bepaald (art. XXVII en XXVIII HKO). De kerkorde in engere zin is het moeilijkst te wijzigen. De wijziging dient eerst door de generale synode in eerste lezing te worden vastgesteld. Daarna vindt raadpleging van de classicale vergaderingen en via deze van de kerkenraden plaats (consideraties). Na behandeling van de consideraties vindt de definitieve vaststelling plaats in een vergadering van de generale synode in dubbele samenstelling.

Ook wijzigingen in de ordinanties vinden plaats door de generale synode door vaststelling in eerste en tweede lezing met daartussen een consideratieronde, maar voor de vaststelling in tweede lezing hoeft de synode niet in dubbele samenstelling bijeen te komen. Hetzelfde geldt voor de overgangsbepalingen. Alle overige regelingen worden in één keer door de bevoegde instantie vastgesteld.

Een lagere regeling kan een hogere regeling wel aanvullen (praeter) maar zij mag niet in strijd zijn met een hogere regeling (non contra).

 

Het kerkelijk leven van de Nederlandse Hervormde Kerk wordt in de eerste plaats geregeld door de kerkorde in engere zin. Zij bestaat uit dertig — met Romeinse cijfers genummerde — artikelen. Deze kerkorde is ingevoerd op 1 mei 1951 ter vervanging van het door koning Willem I in 1816 aan de Hervormde Kerk in het Koningrijk der Nederlanden opgelegde en in 1852 grondig gewijzigde Algemeen Reglement.

Naast de kerkorde zijn er een twintigtal ordinanties. Een ordinantie is te beschouwen als een op de praktijk van het kerkelijk leven toegespitste uitwerking van een artikel uit de kerkorde in engere zin. Ordinanties zijn te vergelijken met de bij de Nederlandse grondwet behorende organieke wetten. Zij kwamen in 1951 in de plaats van de bij het Algemeen Reglement van 1816 en 1852 behorende reglementen met een bepaald onderwerp.

Vervolgens is er een slinkend aantal overgangsbepalingen, nodig toen in 1951 van het regime van het Algemeen Reglement overgegaan werd naar de vigerende kerkorde met ordinanties.

De kerkorde, de ordinanties en de overgangsbepalingen zijn gepubliceerd in

|224|

een losbladige uitgave, uitgegeven door het Boekencentrum te Zoetermeer.

Ten slotte is er een aantal generale regelingen over heel speciale onderwerpen (zoals de salariëring van predikanten, de rechtspositie van kosters, de voorwaarden voor het in het leven roepen van een stichting door een kerkelijke instantie enzovoort). De generale regelingen zijn ook uitgegeven door het Boekencentrum te Zoetermeer in een afzonderlijke (losbladige) band. Tot de generale regelingen behoort ook het gecodificeerde overgangsrecht dat betrekking heeft op het proces van eenwording van de Nederlandse Hervormde Kerk met de Gereformeerde Kerken in Nederland (GKN) en de Evangelisch-Lutherse Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden (ELK) dat bekend staat onder de naam ‘Tussenorde’. Het bijzondere van de Tussenorde is, dat die weliswaar nergens inbreuk maakt op de kerkorde in engere zin, maar wel op de ordinanties. Daarom diende voor de totstandkoming en de wijziging van de Tussenorde dezelfde procedure gevolgd te worden als die voor wijzigingen in de ordinanties (Ord. 20-13-1). Omdat de Tussenorde behoort tot de generale regelingen is zij opgenomen in de zo-even genoemde bundel generale regelingen. De Tussenorde is echter ook los verkrijgbaar bij het Landelijk Dienstencentrum (LDC) van de SoW-kerken te Utrecht.

Besluiten van de generale synode, ook die welke betrekking hebben op regelgeving, worden gepubliceerd in Kerkinformatie, maandblad uitgegeven door het LDC Utrecht.

Voor de kerkprovincies, de classes en de gemeenten worden regelingen gegeven door de bevoegde provinciale kerkvergadering, classicale vergadering of kerkenraad. Zij worden gepubliceerd in diverse regionale of plaatselijke kerkbladen. (Ord. 1-3-5)

In de kerkorde, de ordinanties en de overgangsbepalingen wordt nergens gesproken over gewoonten. Gewoonterecht wordt in de hervormde kerkorde niet erkend. Maar dat wil; niet zeggen dat gewoonterecht niet bestaat en dat zowel kerkleden als kerkelijke instanties zich op geen enkel punt naar gewoonte gedragen.

 

11.4 De Gereformeerde Kerken in Nederland

Hoofdlijnen

1 Ook voor het gereformeerde kerkrecht zijn zowel het priesterschap van alle gelovigen als de christocratie fundamenteel. Christus regeert zijn Kerk door zowel zijn Woord als zijn Geest.
Vergeleken met de hervormde opstelling, is er in het gereformeerde kerkrecht meer ruimte voor de verantwoordelijkheid van de gemeenteleden.

|225|

Ook al is er binnen een (plaatselijke) gereformeerde kerk geen plaats voor een ledenvergadering als orgaan van de kerk, de kerkenraad is gehouden in belangrijke aangelegenheden de leden van de gemeente te informeren en te horen (art. 43, lid 1 van de Gereformeerde kerkorde (GKO)).

2 Kenmerkend voor het gereformeerde kerkrecht is ook het consequent denken vanuit de plaatselijke kerk. Elke plaatselijke kerk is op zich kerkgenootschap in de zin van artikel 2 Boek 2 BW. Deze kerkgenootschappen sluiten zich aaneen in classicale en particulier-synodale verbanden en ten slotte in het verband van de Gereformeerde Kerken in Nederland (GKN). Daarom kan men als gereformeerde slechts lid zijn van een plaatselijke kerk. Er bestaat niet zoiets als lidmaatschap van de Gereformeerde Kerken in Nederland.
Het op het oog federatieve karakter van het kerkverband betekent echter niet, dat een besluit van de synode voor een plaatselijke kerk eerst rechtskracht heeft als het door de kerkenraad is geratificeerd. Het verband is synodaal, hetgeen betekent, dat besluiten van de classis, van de particuliere synode en van de generale synode voor de plaatselijke kerken bindend zijn, zonder dat de kerkenraad zich daar nog eens over hoeft uit te spreken.

3 Het gehele (landelijke) kerkverband is opgebouwd volgens een patroon dat in de zestiende eeuw is ontwikkeld en uiteindelijk vastgelegd in de kerkorde, die in 1619 werd vastgesteld door de nationale synode van Dordrecht, 1618-1619. De huidige Gereformeerde kerkorde is niet anders dan een grondige herziening van de Dordtse kerkorde. Vandaar dat het gereformeerde kerkrecht geen scheiding kent van wetgevende, rechtsprekende en uitvoerende macht.

 

Rechtsproductieve bronnen/rechtsvormende instanties

Bevoegd tot wetgeving zijn de ambtelijke vergaderingen. Dat zijn voor de plaatselijke gemeente de kerkenraad (art. 27.2, artt. 35-43 GKO), voor de in een classis samenkomende kerken de classis (art. 27.2, artt 49-52 GKO), voor de in een particuliere synode samenkomende kerken en classes de particuliere synode (PS; art. 27.2, artt. 53-57 GKO) en voor het hele kerkverband de generale synode (GS) (art. 27.2, artt. 62-65 GKO).

Een classis wordt gevormd door de afgevaardigden van de bijeenkomende kerkenraden; de PS en de GS worden gevormd door afgevaardigden van de bijeenkomende classes. Gerekend vanuit de kerkenraad zijn de classis, de PS en de GS ‘meerdere’ vergaderingen, niet omdat zij meer macht hebben, maar omdat er in aantal meer plaatselijke kerken bij betrokken zijn. Voor de GS zijn de PS, de classis en de kerkenraad dus ‘mindere’ vergaderingen. En voor een classis is de kerkenraad een mindere vergadering, maar de PS een meerdere vergadering.

|226|

Een deel van het werk van de GS wordt gedaan door haar breed moderamen (art. 63 GKO).

 

Rechtscognitieve bronnen

Het leven en werken van de Gereformeerde Kerken in Nederland wordt geordend door de kerkorde van de Gereformeerde Kerken in Nederland. Deze kerkorde is een ingrijpende herziening van de Dordtse kerkorde van 1619. Bij deze kerkorde behoort een corpus van ‘uitvoeringsbepalingen’. Uitvoeringsbepalingen zijn in wezen besluiten van de GS ter uitwerking en uitvoering van de verschillende artikelen van de kerkorde. De term ‘uitvoeringsbepaling’ is dubbelzinnig. Het is niet altijd duidelijk of een uitvoeringsbepaling bedoeld is als voorschrift met een algemene geldigheid in het hele kerkverband of als een besluit tot uitvoering van iets wat in de kerkorde is voorgeschreven. Hier wreekt zich dat niet goed onderscheiden wordt tussen wetgeving en bestuur.

De kerkorde wordt met de uitvoeringsbepalingen tweejaarlijks uitgegeven in een paperback door uitgeverij Kok te Kampen.

De Tussenorde, regelingen voor het proces van eenwording van de GKN met de NHK en de ELK is als afzonderlijke uitgave te verkrijgen bij het LDC te Utrecht.

Voor de ressorten van de particuliere synoden en classes en voor de plaatselijke kerken zijn er regelingen, vastgesteld door de betrokken particuliere synode, classis of kerkenraad voor het leven en werken van de desbetreffende kerken in particulier synodaal verband, classicaal verband of ter plaatse. Zij mogen niet in strijd zijn met de GKO.

 

Vanwege de geringe omvang van het gecodificeerde gereformeerde kerkrecht geschiedt er verhoudingsgewijs veel naar gewoonte. Hoewel de kerkorde niet over gewoonterecht spreekt wordt het wel algemeen aanvaard en gevolgd. Een beroep op een gedurende langere tijd in brede kring gevolgde gewoonte wordt gehonoreerd. Het gewoonterecht fungeert in de gereformeerde kerkgemeenschap op een wijze die vergaande overeenkomst vertoont met het fungeren van de gewoonte in het seculiere Nederlandse recht.

 

11.5 De Protestantse Kerk in Nederland

In de Protestantse Kerk in Nederland komen drie tradities samen: de hervormde, de gereformeerde en de evangelisch-lutherse.

Het evangelisch-lutherse denken over de Kerk begint bij het Woord van God, dat de wereld uit het niets tevoorschijn riep, dat doden tot leven wekt en dat

|227|

zondaars rechtvaardig maakt. Dat Woord wordt zintuiglijk waarneembaar gemaakt in de openbare bediening van Woord en Sacrament als hoorbare en tastbare gestalte van het Evangelie. Tot deze dienst is de kerk geroepen. Op grond van het priesterschap van alle gelovigen is dat de verantwoordelijkheid van allen.

Maar omdat niet allen tegelijk kunnen prediken en dopen enzovoort oefenen de gelovigen hun verantwoordelijkheid uit door mensen uit hun midden in het openbare ambt van Woord en Sacrament te stellen. Alle andere diensten zijn assistentie bij de openbare bediening van Woord en Sacrament; ouderlingen, diakenen, kerkmusici, kerkrentmeesters, kosters enzovoort verlenen ‘bijstand in het openbare ambt van Woord en Sacrament’.

De calvinistische reformatie voegde daar aan toe, dat de heiliging van het leven in het verlengde van de rechtvaardiging van de zondaar ligt. Daarom volgt op de bediening van Woord en Sacrament de vraag naar de gehoorzaamheid aan en de navolging van Christus. Om die reden zijn er in de calvinistische traditie — behalve predikanten als predikers — ouderlingen als opzieners en diakenen als voorgangers in de dienst van barmhartigheid en gerechtigheid.

Het verschil in de hervormde en de gereformeerde uitwerking daarvan is, dat in de hervormde traditie meer accent gelegd wordt op de christocratie en op de ambtelijke leiding van de kerk in het werk van de synode en de andere ambtelijke vergaderingen en dat in de gereformeerde traditie meer accent gelegd wordt op het priesterschap van de gelovigen, waardoor er in het gereformeerde bestel meer ruimte is voor de verantwoordelijkheid en de betrokkenheid van de kerkleden.

Een en ander resulteert in een evangelisch-lutherse nadruk op de predikant tegenover de kerkenraad, een hervormde nadruk op de kerkenraad tegenover de gemeenteleden en een gereformeerde nadruk op het mondige gemeentelid tegenover de kerkenraad en de predikant.

De kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland (hierna: PKO, protestantse kerkorde) is een synthese van deze drie tradities, een samenspel van de voorrang van het Woord, de zeggenschap van Christus en de mondigheid van de gelovige of, zo men wil, een samenspel van het gemeentelid, de kerkenraad en de predikant.

 

Hoofdlijnen

1 De kerk is schepping van het Woord (creatura Verbi) en tegelijk de ruimte waarin het Woord klinkt en het platform waarvandaan het Woord de wereld in gaat. De gehele organisatie van de kerk moet erop gericht zijn, dat het Woord tot zijn recht komt. De kerkorde is niets anders dan de troon waarop de Woord-Koning zetelt (art. I.2, PKO).

|228|

2 Jezus Christus is het Hoofd van de Kerk en geen enkele andere macht of kracht van binnen of van buiten de kerk is bevoegd in de kerk enige zeggenschap uit te oefenen (uit de Verklaring van Barmen, 1934; art. I.5 PKO).

3 Alle leden van de gemeente zijn geroepen en gerechtigd hun door de Heilige Geest geschonken gaven aan te wenden tot vervulling van de opdracht die Christus aan de gemeente geeft (art. IV.2, PKO).

4 Tot een gemeente — en daarmee tot de verenigde kerk — behoren zij van wie de inlijving in de gemeenschap van de Kerk is bekrachtigd door de heilige doop (art. III.2, PKO).

5 De verenigde kerk bestaat uit al de gemeenten, te weten de verenigde gemeenten, de hervormde gemeenten, de gereformeerde kerken en de evangelisch-lutherse gemeenten (art. II.2, PKO).

6 Om de gemeente bij het heil te bepalen en bij haar roeping in de wereld te bewaren is van Christuswege het openbare ambt van Woord en Sacrament gegeven. Met het oog op deze dienst onderscheidt de kerk het ambt van predikant, het ambt van ouderling, het ambt van diaken alsmede andere diensten in kerk en gemeente (art. V.1, PKO).

7 Opdat niet het ene ambt over het andere, de ene ambtsdrager over de andere, noch de ene gemeente over de andere heerse, maar alles wordt gericht op de gehoorzaamheid aan Christus, het Hoofd van de Kerk, is de leiding van de kerk toevertrouwd aan ambtelijke vergaderingen (art. VI.1, PKO).

8 Er is voorzien in onafhankelijke interne rechtspraak, maar de wetgevende en de uitvoerende macht zijn (evenals nu in zowel de NHK, de GKN als de ELK) in één hand.

 

Rechtsproductieve bronnen/rechtsvormende instanties

De bevoegdheid tot het stellen van regels met geldigheid voor de gehele kerk, ook in haar onderdelen, zoals de gemeenten, berust bij de generale synode (GS) (art. VI, lid 2, 3, 4; Ord. 4-20, 21, 22; art. XVII en XVIII PKO). De generale synode (GS) is samengesteld uit door de classicale vergaderingen afgevaardigde ambtsdragers (Ord. 4-20-1).

Daarnaast is er de kleine synode (KS) (Ord. 4-22-4, 5), gevormd door een selectie uit de leden van de GS (Ord. 4-22-4) aan wie de GS een deel van haar taak, ook op het gebied van regelgeving, kan toevertrouwen.

Er is geen ambtelijke vergadering tussen de generale synode en de classicale vergaderingen (de hervormde PKV en de gereformeerde PS). De bevoegdheid om regels te stellen die gelden voor een classis ligt bij de classicale vergadering (CV) (art. VI, lid 2, 3, 4; Ord. 4-10,11-12). De classicale vergadering is samengesteld uit door de kerkenraden afgevaardigde ambtsdragers (Ord. 4-10-1).

|229|

De CV heeft behalve een moderamen ook een breed moderamen (BM-CV) (Ord. 4-12-4, 5), maar het breed moderamen heeft geen regelgevende bevoegdheid (Ord. 4-12-5).

De bevoegdheid tot het stellen van regels voor de plaatselijke gemeente ligt bij de kerkenraad (art. VI.2, 3, 4; Ord. 4-4, 5, 6). De kerkenraad wordt gevormd door alle ambtsdragers van de gemeente (Ord. 4-4-2).

 

Rechtscognitieve bronnen

Het leven en werken van de gehele kerk wordt geordend door de kerkorde, bestaande uit 19 met Romeinse cijfers genummerd artikelen. Daarin staan de fundamentele bepalingen voor het leven en werken van de kerk. De wijziging daarvan is gebonden aan een procedure die wordt beschreven in art. XVIII PKO.

De kerkorde wordt uitgewerkt in een veertiental ordinanties. De wijziging daarvan wordt beschreven in art. XVII PKO. Daarnaast zijn er een aantal overgangsbepalingen. En ten slotte is er een aantal voor de hele kerk geldende generale regelingen.

Regelingen die het leven en werken van de classis ordenen worden vastgesteld door de classicale vergadering. Zij mogen niet in strijd zijn met het door de generale synode bepaalde.

Regelingen die het leven en werken van de plaatselijke gemeente ordenen worden vastgesteld door de kerkenraad (Ord. 4-5-2). Deze regelingen mogen niet in strijd zijn met door de generale synode vastgestelde regelingen (Ord. 4-5-2). Voor bepaalde aangelegenheden dient de kerkenraad vooraf de gemeente erin te kennen en er over te horen (Ord. 4-6-8).

Drimmelen, L.C. van e.a. (2004) 12

231-253

|231|

12 De bevoegdheden van kerkelijke organen

T.J. van der Ploeg, A.P.H. Meijers & L.C. van Drimmelen1

 

 

12.1 Inleiding

Kerkgenootschappen zijn niet alleen rechtspersonen, zij zijn ook organisaties. Welke organen er zijn en welke bevoegdheden zij hebben, is afhankelijk van het desbetreffende kerkelijke statuut. Anders dan bij de in Boek 2 BW geregelde privaatrechtelijke rechtspersonen schrijft de wet niet voor welke organen er in een kerk in elk geval dienen te zijn. Iedere kerk kan vanuit haar eigen theologische grondslag en haar traditie de organisatorische inrichting van de kerk bepalen.

Zoals door Van Drimmelen in hoofdstuk 10 is beschreven, zijn er drie basistypen, die juridisch als volgt zijn te vertalen:
- Een episcopaal-hiërarchische structuur, bijvoorbeeld in de Rooms-Katholieke Kerk, waarbij het volledige gezag berust bij de hoogste kerkelijke autoriteit — de paus. De macht van de bisschop ontleent deze aan zijn ambt. Overigens is de bisschop wel ondergeschikt aan de paus. De ambten — en organen — binnen het ambtsterrein van een bisschop, staan onder bisschoppelijk gezag.
- Een presbyteriaal-synodale structuur, bijvoorbeeld in de Nederlandse Hervormde Kerk, waarbij op plaatselijk niveau de noodzakelijke bevoegdheden zijn toebedeeld aan ambtsdragers die gezamenlijk organen vormen. Op bovenplaatselijk vlak zijn er zogenaamde ‘meerdere vergaderingen’, die echter niet hiërarchisch boven de plaatselijke organen staan. Landelijk is er een synode, die onder andere bevoegd is wijzigingen in de organisatie aan te brengen. Daarmee is zij nog niet het hoogste orgaan in de zin dat zij zich met de uitoefening van de bevoegdheden door andere organen kan bemoeien.


1 T.J. van der Ploeg is verantwoordelijk voor de paragrafen 12.1 en 12.4, A.P.H. Meijers voor paragraaf 12.2 over de organisatie van de RKK en L.C. van Drimmelen voor paragraaf 12.3 over de organisatie van de PKN.

|232|

- Een congregationeel-independente structuur, zoals bijvoorbeeld in de pinksterkerken, waarbij op plaatselijk vlak de gemeentevergadering de hoogste macht heeft. Bevoegdheden van bovenplaatselijke organen berusten op delegatie van onderaf.

 

Iedere kerk heeft zijn eigen terminologie om de verhoudingen tussen de organen aan te duiden. Toch lijkt het, ook voor het begrip van buitenstaanders (bijvoorbeeld rechters), zinvol om met enige in het Nederlandse recht gangbare onderscheidingen in dit verband rekening te houden. Het is niet alleen zinvol, het is ook noodzakelijk om verwarring te voorkomen en daarmee onjuiste uitspraken. De kerken dienen ook te beseffen dat ze weliswaar hun geheel eigen rechtssfeer hebben, maar dat dit niet wegneemt dat zo nodig de burgerlijke rechter er bij geroepen kan worden, die vertrouwd is met burgerlijkrechtelijke categorieën, maar van wie niet verwacht kan worden dat hij zich in de diepten van kerkrechtelijke finesses geheel thuis voelt.

 

Zie in dit verband de formulering van de Rb. Maastricht2 ten aanzien van een geschil tussen een bisdom en een zelfstandig onderdeel (= rechtspersoon), te weten een Armbestuur:

Mede op grond van deze kwalificatie (namelijk het zijn van zelfstandig onderdeel en derhalve rechtspersoon sui generis) wordt de interne verhouding van het Armbestuur beheerst door de statuten en overigens door het Nederlandse verenigingsrecht (TJ.vdPl.) en het kerkelijk recht, dat in deze de status heeft van een privaatrechtelijke regeling.

Nadat in paragraaf 12.1.2 de begrippen die ten aanzien van bevoegdheidstoedeling gebruikelijk zijn, in hun juridische context zijn geplaatst, wordt in paragraaf 12.2 de verdeling van bevoegdheden, zoals die in de hiërarchische Rooms-Katholieke Kerk geldt, door A.P.H. Meijers uiteengezet. In paragraaf 12.3 wordt door L.C. van Drimmelen de verdeling van bevoegdheden in de presbyteriaal-synodale Protestantse Kerk in Nederland beschreven. Ten slotte maakt T.J. van der Ploeg in paragraaf 12.4. nog enkele kanttekeningen vanuit burgerlijkrechtelijk perspectief. Het wordt uit de paragrafen 12.2 en 12.3 duidelijk dat in kerkelijke organisaties vaak geheel eigen structuren en begrippen worden gebruikt. Zolang de besluiten van de kerkelijke organisaties worden beoordeeld door een rechtsprekende instantie die door de kerk zelf is opgezet, is er geen probleem met het verstaan en toepassen van de eigen kerkelijke


2 Rb. Maastricht 19 september 1991, NJ 1992, 490.

|233|

regeling. Dit kan anders worden wanneer kerkelijke besluiten aan de burgerlijke rechter worden voorgelegd.3 Op een of andere wijze zullen dan de kerkelijke besluiten moeten kunnen worden ondergebracht in de privaatrechtelijke categorieën die de burgerlijke rechter hanteert.

 

Bestuurlijke verhoudingen algemeen: attributie, mandaat en delegatie

De standaardisatie van benamingen van de verhoudingen in het organisatierecht is afkomstig uit de Rooms-Katholieke Kerk en uit het staats- en bestuursrecht. Ik bepaal mij hier vooral tot de geldende terminologie.

In het bestuursrecht wordt onderscheid gemaakt tussen attributie, mandaat en delegatie. In kerkelijke kringen wordt nogal eens bestuursrechtelijk geredeneerd. Vanuit de geschiedenis (vanouds is de staat dan wel het openbaar bestuur hiërarchisch, evenals de Rooms-Katholieke Kerk) en vanuit haar functioneren in territoriale gemeenschappen is dit niet onbegrijpelijk. Naar Nederlands recht is dit echter niet correct, omdat kerken niet tot het openbaar bestuur behoren4 en het kerkelijk recht geen publiek recht is.

Van attributie is sprake wanneer een bevoegdheid wettelijk aan een orgaan wordt toebedeeld. In privaatrechtelijke, dus ook kerkelijke organisatorische verhoudingen, vindt de toedeling van bevoegdheden uiteraard niet in de wet plaats, maar in de statuten van de rechtspersoon, respectievelijk het kerkelijk statuut. Zij gelden binnen de rechtspersoon ook als wet.

Van delegatie is volgens het bestuursrecht sprake indien het delegerend orgaan zijn bevoegdheden overdraagt aan een ander orgaan. Het laatste orgaan wordt dan geheel zelf verantwoordelijk. Volgens het bestuursrecht kan delegatie slechts als de wet dit toestaat. De bevoegdheid kan na delegatie niet meer worden uitgeoefend door de delegant, maar dat orgaan kan wel de delegatie intrekken.5 In de statuten van een privaatrechtelijke rechtspersoon (het kerkelijk statuut) kan ten aanzien van specifieke bevoegdheden aan het orgaan waaraan de bevoegdheid wordt toebedeeld worden bepaald dat deze kan worden gedelegeerd aan een bepaald in de statuten vermeld orgaan. De statuten of het delegerend orgaan kunnen daaraan nadere voorwaarden stellen. De instantie aan wie een bevoegdheid is gedelegeerd is daarmee zelf orgaan.

Wanneer een orgaan een bevoegdheid heeft krachtens mandaat, is de gemandateerde eigenlijk slechts uitvoerder van de mandaatgever. Hij neemt besluiten in naam van de mandaatgever. De mandaatgever kan instructies verlenen en te


3 Zie nader hoofdstuk 9a, Kerkelijke geschillen; de burgerlijke rechter en kerkelijke conflicten, hierover.
4 In andere landen in Noord-Europa behoren de ‘erkende’ kerken soms wel tot de publiekrechtelijke sfeer.
5 Zie afdeling 10.1.2 Algemene wet bestuursrecht.

|234|

allen tijde het mandaat intrekken. Bovendien blijft de mandaatgever bevoegd om zelfde bevoegdheid uit te oefenen.6

Een tussenoplossing is dat men de toedeling van de bevoegdheden aan het ‘andere’ orgaan vorm geeft in een reglement. Men is vrij te bepalen wie dat reglement kan wijzigen. Dan is er weliswaar geen sprake van delegatie maar van mandaat. Het bijzondere is dan dat het mandaat niet zo maar kan worden ingetrokken, maar dat dit een besluit vergt van het tot reglementswijziging bevoegde orgaan. Formeel zou het mandaatverlenende orgaan nog wel de desbetreffende bevoegdheid kunnen uitoefenen, maar normaal gesproken zou dit — nu het reglementair aan het andere orgaan is verleend — in strijd met de redelijkheid en billijkheid zijn. In dat verband is de vraag welke kerkelijke regelingen gelijk te stellen zijn met statuten en welke met reglementen. Dit speelt vooral in protestantse kerken. Wij zijn geneigd de kerkorde en de ordinanties gezamenlijk gelijk te stellen met de ‘statuten’ van de in Boek 2 BW geregelde rechtspersonen. Andere kerkelijke regelingen zouden dan gelijk te stellen zijn met reglementen, tenzij zij onder dezelfde voorwaarden en door hetzelfde orgaan worden vastgesteld als ‘ordinanties’.

 

12.2 De rooms-katholieke hiërarchie

Inleiding

De Rooms-Katholieke Kerk kent een grote verscheidenheid van ambten en functies: kardinaal, officiaal, kanunnik, metropoliet, kanselier, aartspriester, enzovoort. Deze hebben niet alleen eigen benamingen, maar hebben ook specifieke kenmerken wat betreft taken en bevoegdheden, benoeming en ontslag en zelfs ook wat ambtskleding betreft. Deze ambten en functies staan in een hiërarchische verhouding tot elkaar. Dit onderdeel beschrijft de hoofdlijnen van de bestuursstructuur van de Rooms-Katholieke Kerk.7 De Rooms-Katholieke Kerk wordt primair ambtelijk bestuurd, dat wil zeggen de kerkelijke


6 Zie afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht.
7 Daarmee wordt alleen een bepaald aspect van de katholieke geloofsgemeenschap beschreven. De canonieke traditie kent van oudsher het onderscheid tussen ordo en jurisdictie. De ordo heeft de sacramentele opbouw van de kerk op het oog; de jurisdictie betreft het bestuur van de R.-K. Kerk. Ordo en jurisdictie staan in samenhang tot elkaar.
Tweede Vaticaans Concilie, Dogmatische Constitutie over de Kerk, Lumen gentium, n. 8 (www.katholieknederland.nl). De Duitse kerkjurist Klaus Mörsdorf heeft zich met deze thematiek beziggehouden. Zie: K. Mörsdorf, Schriften zum Kanonischen Recht, III. Hiërarchische Struktur der Kirche (W. Aymans e.a. (ed.)), Paderborn 1989, p. 171-240.

|235|

bestuursmacht komt aan bepaalde ambtsdragers toe (met name de paus en diocesane bisschoppen). Van daaruit krijgt de gemeenschappelijke oftewel de synodale structuur van de kerk gestalte; dat wil zeggen het kerkelijk bestuur zoals dat in vergaderingen wordt behartigd (onder meer op concilies en synodes). In de Rooms-Katholieke Kerk steunt de synodale structuur op de ambtelijke structuur.

 

Het recht van de Rooms-Katholieke Kerk oftewel het canoniek recht is in kerkelijke wetboeken geregeld. De Codex Iuris Canonici van 1983 bevat de kerkelijke wetgeving van de Latijnse (oorspronkelijk: westerse) ritus. De Codex Canonum Ecclesiarum Orientalium van 1990 bevat de kerkelijke wetgeving van de Oosters-Katholieke Kerken. De rechtstaal is het Latijn. De wetboeken zijn door de paus vastgesteld. Na afsluiting van het Tweede Vaticaans concilie is geprobeerd om voor de Rooms-Katholieke Kerk een grondwet (Lex Ecclesiae Fundamentalis) te formuleren. Dit is uiteindelijk mislukt.8

Dit onderdeel beperkt zich tot de weergave van de kerkstructuur van de Latijnse ritus.9 Verreweg de meerderheid van de Nederlandse katholieken zijn van de Latijnse ritus. Voor de Rooms-Katholieke Kerk in Nederland hebben de bisschoppen het Reglement voor het Rooms-katholiek Kerkgenootschap vastgesteld met daarin een weergave van de structuur en inrichting van de Nederlandse Kerkprovincie. Dit reglement hangt nog met de inmiddels ingetrokken Wet op de kerkgenootschappen samen, die kerkgenootschappen verplichtte hun organisatie aan de Nederlandse regering kenbaar te maken. De laatste versie van het reglement dateert van 1996.10


8 Voor de tekst en een Nederlandse vertaling van de Codex van de Latijnse kerk: Wetboek van Canoniek Recht, Latijns-Nederlandse uitgave, (i.o.v. de Belgische en Nederlandse Bisschoppenconferentie), Baarn, Gooi en Sticht, 1996 p. 859. Voor de tekst en een Engelse vertaling van de Codex van de Oosters-Katholieke Kerken: Code of Canons of the Eastern Churches, Latin-English edition (Canon Law Society of America), Washington 1992 (785). Voor de ontwerpen van de kerkelijke constitutie (alleen Latijn): Synopsis Lex Ecclesiae Fundamentalis, Boelens, O.G.M, (ed.), Leuven, 2001 p. 161. Over de kerkelijke constitutie: O.G.M. Boelens, De ‘Lex Ecclesiae Fundamentalis’ een gemiste kans of een kansloze misser?, Utrecht 2001, p. 361.
9 Voor een uitgebreide beschrijving, zie het Duitstalige commentaar op de Latijnse Codex: Handbuch des katholischen Kirchenrechts (j. Listl, H. Schmitz (ed.)), Regensburg, Pustet 1999 p. 1459.
10 Regelingen R.-K. Kerkgenootschap in Nederland, nr 13, Reglement voor het R.-K. Kerkgenootschap, Utrecht 1996 (20) (www.canoniekrecht.nl onder particulier recht).

|236|

Het canoniek recht geldt wereldwijd onafhankelijk van het wereldlijk recht.11 Het canoniek recht is een eigen rechtssfeer met niet alleen specifieke regelingen voor de kerkelijke ambten en de kerkelijke organen, maar het canoniek recht kent ook een eigen rechtspersonenrecht, dat publieke en private kerkelijke rechtspersonen onderscheidt, en eigen regelingen voor bevoegdheidsverlening (onder meer door ambt en delegatie) en besluitvorming (collegiale handeling, verkiezing). Alhoewel de terminologie dikwijls met die van het wereldlijk recht correspondeert, ontlenen de kerkelijke rechtsfiguren hun specifieke betekenis aan het canoniek recht. Wanneer een kerkelijk geschil aan de burgerlijke rechter wordt voorgelegd, zal deze in beginsel het canoniek recht als eigen statuut van het Rooms-Katholieke Kerkgenootschap toepassen en in dat perspectief de kerkelijke zaak als een burgerlijk geschil interpreteren en beslechten.12

 

De huidige kerkelijke wetgeving is gevoelig voor de oecumene, en houdt rekening met de disciplines en kerkordes van andere kerken en kerkelijke gemeenschappen.13 Bij de beschrijving van de organisatie van de Rooms-Katholieke Kerk wordt expliciet het aspect van de oecumene betrokken.

 

De Rooms-Katholieke Kerk als geheel

Paus en bisschoppen

De Rooms-Katholieke Kerk is niet een wereldwijde amorfe gemeenschap van katholieke gelovigen. De Rooms-Katholieke Kerk is de onderlinge verbondenheid van particuliere kerken, waarin en waaruit de katholieke kerk bestaat. Deze kerk wordt door paus en bisschoppen bestuurd. Paus en bisschoppen zijn in hiërarchische gemeenschap collegiaal met elkaar verbonden. Dit gezag brengt de apostoliciteit van het kerkelijk bestuur tot uitdrukking. De paus als opvolger van Petrus en de bisschoppen als opvolgers van de apostelen zijn, zoals Petrus en de apostelen, collegiaal met elkaar verbonden, en hebben tot taak om de kerk te besturen. De paus bestuurt krachtens zijn ambt; de bisschoppen besturen als leden van het bisschoppencollege. Beide zijn zij dragers van de volledige en hoogste bestuursmacht binnen de universele kerk.


11 Maar het canoniek recht verhoudt zich wel tot het wereldlijk recht, A.P.H. Meijers, in: WPNR 132(2001) n. 6456, 755-761.
12 Zie: Ktg. Amsterdam, 27 augustus 1975, NJ 1975/516; Hof ’s-Hertogenbosch, 8 juli 1991, NJ 1992/89.
13 Zo geldt voor de communicatio in sacris, dat de bisschop en de bisschoppenconferentie dit (voor zover bevoegd) algemeen kunnen regelen na overleg evenwel met het gezag van de niet-R.-K. Kerk of gemeenschap (c. 844 paragraaf 5 CIC 1983).

|237|

De paus is als bisschop van Rome de herder van de universele kerk. Zijn bevoegdheden betreffen het kerkelijk leergezag (authentiek magisterium) en het kerkelijk bestuur (wetgeving, uitvoering, rechtspraak). Zijn ambtelijke taken worden in het kerkelijk wetboek niet gepreciseerd, zij het, dat het de taak van de paus is om de bisschoppelijke macht binnen de particuliere kerken te versterken en te beschermen. Het kerkelijk wetboek accentueert de pauselijke primaatsmacht. De paus bezit de hoogste macht en heeft de voorrang van bestuurlijke macht binnen de Rooms-Katholieke Kerk. Tegen een pauselijke beslissing staat geen beroep open, ook niet bij een oecumenisch concilie. Maar de paus staat niet boven de kerk. Het huidige wetboek benadrukt, dat de paus bij de vervulling van zijn ambt in gemeenschap met de andere bisschoppen en met de gehele kerk verbonden is.

In het kerkelijk bestuur wordt de paus door kardinalen bijgestaan. Kardinalen worden door de paus gecreëerd. Zij dienen — in de regel — de bisschopswijding te hebben ontvangen. Bij vacatie van het pausambt is het kardinalencollege bevoegd om een nieuwe paus te kiezen. Verder bekleden de kardinalen functies binnen de Romeinse Curie. In zogenaamde consistories komen ze in opdracht van de paus bijeen om onder zijn voorzitterschap over kerkelijke aangelegenheden te beraadslagen. Aldus staan de kardinalen de paus in zijn dagelijkse zorg voor de gehele kerk bij.

De Romeinse Curie (ook Apostolische Stoel of Heilige Stoel genaamd) behartigt op gezag van de paus bepaalde kerkelijke aangelegenheden. De Curie bestaat uit het staatssecretariaat, congregaties, rechtbanken en andere gremia. Het staatssecretariaat is het centrale orgaan. De congregaties dragen verantwoordelijkheid voor bepaalde kerkelijke terreinen en belangen (zoals de geloofsleer, de liturgie, de clerici, de bisschoppen, enzovoort). De kerkelijke rechtbanken beslechten geschillen (Apostolische Penitentiarie, Apostolische Signatuur, Romeinse Rota). De structuur en werkwijze van de Romeinse Curie is in een speciale kerkelijke wet geregeld.14

De Apostolische Stoel, waarvan de paus deel uitmaakt, behartigt de wereldwijde oecumene.15 In het bijzonder gebeurt dit door de pauselijke raad voor de eenheid van de christenen, die een onderdeel is van de Romeinse Curie.


14 Apostolische Constitutie voor de Romeinse Curie, Pastor Bonus. Deze werd door Paus Johannes Paulus II op 28 juni 1988 vastgesteld (Nederlandse vertaling: www.canoniek-recht.nl).
15 CIC, c. 755 - paragraaf 1. Het komt in de eerste plaats toe aan het gehele bisschoppencollege en aan de Apostolische Stoel om de oecumenische beweging bij de katholieken ter harte te nemen en te leiden, waarvan het doel het herstel is van de eenheid onder alle christenen, die de Kerk krachtens de wil van Christus verplicht is te bevorderen.

|238|

Het bisschoppencollege

Het bisschoppencollege is de hiërarchische gemeenschap in collegiale verbondenheid van paus en bisschoppen. De paus is het hoofd van het bisschoppencollege. Het bisschoppencollege oefent leergezag en bestuursmacht binnen de universele kerk uit.

Dit gebeurt op plechtige wijze in een oecumenisch concilie. Alleen de paus kan een oecumenisch concilie bijeenroepen, verplaatsen, opschorten of ontbinden. De paus stelt de agenda en de werkwijze van een concilie vast. De conciliebesluiten worden door de paus tezamen met de andere concilievaders goedgekeurd. De paus bevestigt de besluiten, die weer op zijn gezag afgekondigd worden.

Naast de leden van het bisschoppencollege kunnen voor een oecumenisch concilie ook andere personen worden uitgenodigd.16 Zo waren op het Tweede Vaticaans Concilie niet-katholieke gelovigen als waarnemers aanwezig.

Het bisschoppencollege kan ook op andere wijze — verspreid over de wereld — collegiaal handelen. Als het bisschoppencollege buiten een oecumenisch concilie handelt, dan gebeurt dit op initiatief van de paus of wordt dit door hem vrij aanvaard. Ook deze besluiten behoeven pauselijke bevestiging en afkondiging. Het is een bijzondere taak van het bisschoppencollege om de katholieke oecumene te behartigen en te bevorderen.17

 

De paus dient het verder ook mogelijk te maken, dat het bisschoppencollege op andere wijzen zijn collegiale verantwoordelijkheid voor de gehele kerk vervult. Zo is de bisschoppensynode een vergadering van bisschoppen, die de collegiale verbondenheid van paus en bisschoppen accentueert. Op synodevergaderingen bespreken een aantal bisschoppen, die uit de gehele wereld afkomstig zijn, bepaalde kerkelijke aangelegenheden en formuleren ten aanzien daarvan hun wensen. De belangrijkste taak van de synode is om de paus te adviseren op de terreinen van geloof, zeden en kerkelijke discipline. De synode staat onder gezag van de paus, die (onder meer) de vergadering bijeenroept, de agenda ervan vaststelt en die de synode sluit. De synode kent gewone, buitengewone en bijzondere vergaderingen. Gewone synodes vinden met een zekere regelmaat plaats. Op buitengewone synodes komen dringende zaken die de universele kerk aangaan aan de orde. Op bijzondere synodes worden aangelegenheden van een bepaalde regio besproken. Zo vond voor de Rooms-Katholieke


16 CIC, c. 339 - paragraaf 2. Naar een oecumenisch concilie kunnen bovendien enkele anderen die niet met de bisschoppelijke waardigheid bekleed zijn, geroepen worden door het hoogste gezag van de Kerk, waaraan het toekomt hun aandeel in het concilie te bepalen.
17 Zie noot 15.

|239|

Kerk in Nederland in januari 1980 te Rome een bijzondere synode plaats. De paus betrekt bisschoppen ook individueel in het bestuur van de gehele kerk, door hen functies binnen de Romeinse Curie toe te vertrouwen. Ook daarmee komt de collegiale verbondenheid van paus en bisschoppen tot uitdrukking.

 

Duidelijk is, dat het bestuur van de Rooms-Katholieke Kerk primair een ambtelijk karakter heeft. Het is de paus die krachtens zijn primaatschap de ambtelijke (voorrang van) macht over de gehele kerk heeft. Vanuit het pausambt wordt het synodale bestuur van de kerk effectief. Het is de paus die in grote mate bepaalt, op welke wijze het kerkelijk bestuur door de bisschoppen in collegiale verbondenheid wordt uitgeoefend. Het is weliswaar de paus die hierover besluit, maar hij is krachtens zijn ambt gehouden om het collegiale bestuur van bisschoppen mogelijk te maken.

 

De particuliere kerk

De Rooms-Katholieke Kerk is de verbondenheid van particuliere kerken. Het bisdom is daar de reguliere en eminente vorm van: een deel van het volk Gods met een bisschop als herder verzameld rondom evangelie en eucharistie.18 Het bisdom wordt door de diocesane bisschop in samenwerking met zijn presbyterium (de priesters) bestuurd. Een bisdom wordt naar de stad genoemd waar de bisschop zetelt, en omvat — doorgaans — de katholieken die binnen een bepaald gebied wonen. Het bisdom wordt door het hoogste kerkelijk gezag opgericht. Gewoonlijk gebeurt dit door de paus, die in de regel ook de bisschoppen benoemt.

 

Bisschop

De diocesane bisschop geniet in zijn bisdom eigen kerkelijke bestuursmacht. De bisschoppelijke macht is niet van het pauselijk gezag afgeleid. Hoewel de paus de voorrang van macht heeft en in die zin de bisdommen onder pauselijk gezag staan, dient de paus de eigen bestuursmacht van de diocesane bisschop te respecteren en — waar nodig — te beschermen.19

De diocesane bisschop is de herder van het hem toevertrouwde bisdom. Zijn herderlijke taak omvat binnen het bisdom kerkelijk leergezag (authentiek magisterium) en kerkelijk bestuur (wetgeving, uitvoering, rechtspraak). Het is de taak van de bisschop om de inachtneming van de kerkelijke discipline te


18 Naast het bisdom worden nog de territoriale prelatuur, de territoriale abdij, het apostolisch vicariaat en de apostolische prefectuur als particuliere kerken onderscheiden.
19 Zie cc. 333 paragraaf 1 en 381 paragraaf 1 CIC.

|240|

bewaken. Mede met het oog hierop dient de bisschop het bisdom te visiteren. Iedere vijfjaar doet de diocesane bisschop over de toestand van het bisdom verslag aan de paus. Dit wordt bij het vijfjaarlijkse ad limina-bezoek van de bisschoppen aan Rome besproken.

Steunend op uitspraken van het Tweede Vaticaans Concilie wordt de pastorale zorgtaak van de bisschop geaccentueerd. Zijn pastorale zorg beperkt zich niet alleen tot de katholieken, maar de bisschop heeft een zorgtaak jegens allen. De diocesane bisschop moet zich ook voor de oecumene inzetten.20

Naast de diocesane bisschop kunnen voor het bisdom een bisschop-coadjutor of hulpbisschoppen worden benoemd. De bisschop-coadiutor heeft recht van opvolging. Wanneer omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan de diocesane bisschop een hulpbisschop gegeven worden met bijzondere bevoegdheden. De bisschop-coadjutor en de gegeven hulpbisschop worden als vicaris-generaal aangesteld. Hulpbisschoppen kunnen ook op verzoek van de diocesane bisschop worden benoemd. Deze dienen als vicaris-generaal of ten minste als bisschoppelijk vicaris te worden aangesteld (zie hieronder).

 

Diocesane Curie

De Diocesane Curie staat de bisschop in het bestuur van het bisdom bij. Het komt de bisschop toe, om personen in de Curie te benoemen.

Tot de Curie behoren de vicarissen, waarvoor priesters worden benoemd. Aldus wordt in het bisdom de wetgevende, uitvoerende en rechtelijke macht functioneel onderscheiden. De wetgevende macht oefent de bisschop zelf uit. De vicaris-generaal en de bisschoppelijk vicarissen beschikken over uitvoerende macht. De vicaris-generaal wordt voor het gehele bisdom benoemd; de bisschoppelijk vicarissen worden voor een bepaalde regio of voor specifieke taken benoemd. Zo kan de zorg voor de oecumene op bijzondere wijze aan een bisschoppelijk vicaris zijn toevertrouwd. De gerechtsvicaris (ook wel officiaal genoemd) oefent de rechtelijke macht uit.

De kanselier en andere notarissen zijn verantwoordelijk voor het redigeren, verzenden en bewaren van officiële akten. Voor de kerkelijke rechtbank (oftewel het officialaat) worden rechters en andere functionarissen benoemd.

De econoom en de raad voor economische aangelegenheden staan de bisschop bij het beheer van het kerkelijk vermogen met raad en daad terzijde.


20 CIC, c. 383 - paragraaf 3 — Jegens de broeders die niet in volledige gemeenschap met de Katholieke Kerk zijn, dient hij zich met menselijkheid en liefde te gedragen en hij dient ook het oecumenisme, zoals de Kerk dit verstaat, te behartigen.

|241|

Andere gremia

Naast de diocesane Curie zijn er nog gremia die de bisschop vooral met advies bijstaan.

De bisschop kan een diocesane synode bijeenroepen. De diocesane synode is een vergadering, waarin onder leiding van de bisschop in vrij overleg kerkelijke aangelegenheden aan de orde zijn. Het is een belangrijk instituut voor het bespreken en ontwikkelen van het beleid van het bisdom. Op een synode kan particuliere wetgeving worden voorbereid. De synode is raadgevend, de bisschop beslist. Aan een diocesane synode nemen naast de diocesane bisschop (en, indien benoemd, de bisschop coadjutor en de hulpbisschoppen) priesters en andere gelovigen deel. De bisschop kan ook bedienaren en gelovigen van andere kerken of kerkelijke gemeenschappen als waarnemer uitnodigen.21

Ieder bisdom heeft een priesterraad. De priesterraad vertegenwoordigt het presbyterium (alle priesters in het bisdom) en is als het ware de senaat van de bisschop. De raad omvat priesters die qualitate qua lid zijn, verder priesters die door de bisschop zijn benoemd, en priesters die door de priesters uit hun midden gekozen zijn. De priesterraad is een adviserend orgaan, waaraan de bisschop leiding geeft, en dat hij voor belangrijke diocesane aangelegenheden moet consulteren. Zo moet de bisschop het advies van de priesterraad inwinnen bij de oprichting, opheffing of innovatie van een parochie. Ook ten aanzien van de sluiting van een kerkgebouw heeft de priesterraad adviesrecht.22

Voor bepaalde besluiten behoeft de diocesane bisschop de instemming of het advies van het consultorencollege. In de Nederlandse Kerkprovincie worden de taken van het consultorencollege door het diocesaan kapittel waargenomen. Het kapittel is een college van priesters, dat vooral een liturgische functie heeft, maar waaraan ook bepaalde diocesane taken kunnen zijn toevertrouwd.23

De Pastorale Raad — ten slotte — is facultatief. Waar de bisschop dit raadzaam acht, kan hij een pastorale raad instellen. De pastorale raad bestaat uit gelovigen: dat wil zeggen clerici, religieuzen en vooral lekengelovigen. Het is een afspiegeling van de diocesane geloofsgemeenschap. De Pastorale Raad staat onder bisschoppelijke leiding en beraadslaagt en adviseert inzake het pastoraat. Deze raad kan praktische besluiten voorstellen.


21 CIC, c. 464 paragraaf 3 — De diocesane bisschop kan, indien hij dit geschikt vindt, als waarnemers enkele bedienaren of leden van andere kerken of kerkelijke gemeenschappen die niet in volledige gemeenschap met de Katholieke Kerk zijn, voor de diocesane synode uitnodigen.
22 Zie cc. 515 paragraaf 2, 1222 paragraaf 2 CIC.
23 Zie Decreet nr. 6, Regelingen R.K. Kerkgenootschap in Nederland, nr. 5, Toepassingsbesluiten bij de Codex Iuris Canonici, Utrecht 1989 (www.canoniekrecht.nl onder particulier recht).

|242|

Pastoor en deken

De bisschop is verplicht om het bisdom in parochies in te delen. De parochie omvat in de regel de katholieke geloofsgemeenschap van een bepaald gebied. De bisschop vertrouwt de pastorale zorg van een parochie aan een priester toe, die als eigen ambtelijk herder de parochie onder bisschoppelijk gezag bestuurt. De parochieherder wordt in Nederland ‘pastoor’ genoemd: voor de parochie zie hoofdstuk 13a De rooms-katholieke parochie in juridisch en organisatorisch opzicht.

Naburige parochies kunnen in een dekenaat gegroepeerd worden. De Nederlandse bisdommen zijn in dekenaten ingedeeld. Het dekenaat is een vanuit de parochies afgeleide structuur, waar overleg plaatsvindt en initiatieven worden genomen met het oog op het pastoraat. Het dekenaat is ook een belangrijke schakel in het contact tussen bisdom en parochie. De deken (ook wel buitenvicaris of aartspriester genoemd) is de priester die aan het hoofd van een dekenaat staat.

 

Samenvatting

Het bisdom wordt door de diocesane bisschop in samenwerking met zijn presbyterium geleid. De bestuurlijke verantwoordelijkheid van het presbyterium komt tot uitdrukking, doordat de bisschop priesters als vicaris, deken of pastoor aanstelt, en priesters in de priesterraad en in het kapittel verantwoordelijkheid voor het bisdom dragen.

Ook het bisdom wordt in eerste instantie ambtelijk geleid, dat wil zeggen door de bisschop en zijn vicarissen en ook door de pastoors en de dekens. Het synodale bestuur van het bisdom krijgt in de diocesane synode, de priesterraad en de pastorale raad gestalte. Deze staan onder leiding van de diocesane bisschop en hebben vooral adviserende bevoegdheid.

 

Kerkprovincie, bisschoppenconferentie en particulier concilie

Tussen bisdom en universele kerk kent de Rooms-Katholieke Kerk nog bestuurslagen, waar bisschoppen gemeenschappelijk pastorale aangelegenheden van de kerk behartigen. De bestuurslagen dragen ook zorg voor de oecumene.24


24 CIC, c. 755 paragraaf 2. Eveneens komt het toe aan de bisschoppen en, volgens het recht, aan de bisschoppenconferenties om deze eenheid (onder alle christenen, zie paragraaf 1) te bevorderen en, naar gelang van de verschillende noden of gelegenheden, praktische normen te geven, rekening houdend met de voorschriften die door het hoogste gezag van de Kerk uitgevaardigd zijn.

|243|

Een kerkprovincie is het verband van meerdere naburige bisdommen. De Nederlandse bisdommen zijn in de Nederlandse Kerkprovincie met elkaar verbonden. De metropoliet (oftewel de aartsbisschop) staat aan het hoofd van een kerkprovincie. Zijn bevoegdheden zijn echter beperkt. Hij dient het geloof en de discipline van de aangesloten (zogenaamde suffragane) bisdommen te bewaken en hij presideert over een provinciaal concilie.

De bisschoppenconferentie is een groepering van bisschoppen van (doorgaans) een nationale staat. De bisschoppenconferentie is een gestalte van bisschoppelijke collegialiteit. De conferentie wordt geregeerd door het eigen statuut.25

Van oudsher zijn de particuliere concilies voor de Rooms-Katholieke Kerk van eminent belang. Op particuliere concilies worden de pastorale aangelegenheden van een bepaald gebied gemeenschappelijk behartigd. Een provinciaal concilie is een particulier concilie van een kerkprovincie; een plenair concilie is een particulier concilie van een bisschoppenconferentie. Op particuliere concilies kunnen christenen van andere kerken of kerkelijke gemeenschappen als gast worden uitgenodigd.26 Zo vond in de jaren 1968-1970 te Noordwijkerhout het Pastoraal Concilie van de Nederlandse Kerkprovincie plaats, waar vertegenwoordigers, afgevaardigden en waarnemers van andere kerkgenootschappen aanwezig waren.27

 

Deze aparte bestuurslagen hebben een synodaal karakter, voor zover beraadslagingen en besluitvorming binnen vergaderingen plaatsvindt.

 

Rechtspersoonlijkheid

De Nederlandse Kerkprovincie, de Bisschoppenconferentie van Nederland, de bisdommen, de dekenaten en de parochies zijn naar canoniek recht publieke rechtspersonen. Hun rechtspersoonlijkheid wordt ingevolge art. 2:2 BW als kerkgenootschap en de zelfstandige onderdelen ervan naar Nederlands burgerlijk recht erkend.


25 Regelingen R.-K. Kerkgenootschap in Nederland, nr.1, Statuten BK en uitvoeringsreglement, Utrecht 1987, p. 28 (www.canoniekrecht.nl onder particulier recht).
26 CIC, c. 443 paragraaf 6. Voor particuliere concilies kunnen, indien dit (...) nuttig is, ook anderen als gasten uitgenodigd worden.
27 Op dit concilie werd een rapport over de oecumene besproken, zie: Pastoraal Concilie van Nederlandse Kerkprovincie, 7/Zesde en laatste plenaire vergadering, Amersfoort 1970, in het bijzonder p. 47-91. 127-142, 194-233.

|244|

12.3 Bevoegdheidsverdeling in de Protestantse Kerk in Nederland

Inleiding

De vraag naar de bevoegdheid in een reformatorische kerkgemeenschap, de verdeling daarvan over de verschillende kerkelijke organen en de uitoefening van bevoegdheid door deze organen is terug te leiden tot de vraag: wie heeft het in de kerk voor het zeggen? Het klassieke reformatorische antwoord is: in de kerk is er maar één die het voor het zeggen heeft: Christus, door zijn Woord en Geest. Dit christocratisch principe is in de kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland in het zogenaamde non dominatio-artikel zo verwoord.28

Opdat niet het ene ambt over het andere, de ene ambtsdrager over de andere, noch de ene gemeente over de andere heerste, maar alles wordt gericht op de gehoorzaamheid aan Christus, het Hoofd van de kerk, is de leiding in de kerk toevertrouwd aan ambtelijke vergaderingen.

Dit geeft meteen antwoord op de vraag op, hóe deze christocratie in de dagelijkse werkelijkheid wordt gerealiseerd.

 

De kerk heeft in haar midden mensen die een bijzondere dienst vervullen, het in opdracht van de Koning van de kerk leiding geven aan de gemeente. Deze mensen worden ambtsdragers genoemd. Ambt moet in deze context opgevat worden als dienst. In dienst van Christus dient de ambtsdrager de kerk door leiding te geven aan het leven en werken van de gemeente. Daartoe is de ambtsdrager bekleed met bevoegdheid.

Wat die bevoegdheid inhoudt, hoe en aan wie die bevoegdheid wordt toebedeeld en hoe die bevoegdheid dient te worden uitgeoefend wordt beschreven in de kerkorde.

Om deze uiteenzetting niet al te ingewikkeld te maken wordt de kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland als voorbeeld genomen. Deze kerkorde is er een van het presbyteriaal-synodale type.29

Daarmee is al heel wat gezegd. Het is zinvol om te bezien om welke bevoegdheden het precies gaat, hoe deze bevoegdheden worden toebedeeld en welke instanties we in de PKN als bevoegde organen tegenkomen.


28 Art. VI, lid 1 PKO.
29 Zie hoofdstuk 10 Typen van kerkelijke organisaties.

|245|

De bevoegdheid

In de kerk onderscheiden we in de ambtelijke bevoegdheid tussen de potestas docendi, de bevoegdheid om leeruitspraken te doen en de confessie van de kerk vast te stellen, de potestas regiminis, de bevoegdheid om regels te stellen voor het kerkelijk leven en de bevoegdheid om te besturen (in de kerk heet dat: ‘leiding geven’), en de potestas disciplinae, de bevoegdheid om recht te spreken.30

Presbyteriaal-synodaal betekent dat de bevoegdheid om de leer van de kerk te formuleren, de bevoegdheid om leiding te geven en de bevoegdheid om recht te spreken door de kerkorde wordt toebedeeld aan de ambtsdragers. Maar presbyteriaal-synodaal betekent tevens, dat alle ambtelijke bevoegdheid uitsluitend collegiaal31 wordt uitgeoefend in ambtelijke vergaderingen zoals de kerkenraad (het presbyterium) en de synode. Ook al wordt een kerkdienst geleid door een predikant, niettemin is de gehele kerkenraad verantwoordelijk voor alles wat er in de kerkdienst gebeurt; dit wordt tot uitdrukking gebracht in de handdruk die de ouderling van dienst voorafgaande aan en in aansluiting op de kerkdienst aan de predikant geeft.32

Niettemin kunnen bepaalde bevoegdheden worden gedelegeerd aan colleges of commissies waarin ook niet-ambtsdragers zitting hebben. Maar deze colleges en commissies werken altijd onder verantwoordelijkheid van een ambtelijke vergadering. Een gemandateerde bevoegdheid kan door iedereen worden uitgeoefend, zelfs door personen die geen lid van de kerk zijn (bijvoorbeeld een makelaar). De enige bevoegdheid die rechtstreeks wordt geattribueerd aan niet-ambtsdragers maar aan alle stemgerechtigde leden van de gemeente is de bevoegdheid tot verkiezing van ambtsdragers. Dat betekent echter niet dat de samenstelling van een ambtelijke vergadering wordt overgelaten aan de gemeenteleden, want de roeping tot het ambt (de benoeming) gebeurt door de ambtelijke vergadering.

 

De ambtelijke vergaderingen

De PKN kent vier ambtelijke vergaderingen.33

De kerkenraad34 (het presbyterium) is de ambtelijke vergadering die leiding


30 Joh. Jansen, Korte Verklaring van de Kerkorde, Kampen 1952-3, p. 166. Erik Wolf, Ordnung der Kirche, Frankfurt am Main 1961, p. 651 e.v. noemt ook de potestas clavium, uitgeoefend in de prediking en de bediening van de sacramenten.
31 Art. VI, lid 1 PKO; Ord. 4-1-2; zie ook Ord. 3-8-1.
32 L.C. van Drimmelen, De handdruk van de ouderling van dienst, in: Ouderlingenblad, Kampen, 68e jrg nr. 796 p. 4 e.v.
33 Art. VI, lid 2 en 4, PKO.
34 Ord. 4-6 tot en met 8, PKO.

|246|

geeft aan het leven en werken van de plaatselijke gemeente. Het is de vergadering van alle ambtsdragers van de gemeente. Alleen ambtsdragers kunnen lid zijn van de kerkenraad.

De classicale vergadering35 geeft leiding aan het leven en werken van de classis, een per regio gegroepeerd aantal plaatselijke gemeenten. De classis geeft gestalte aan de verantwoordelijkheid van de gemeenten voor elkaar en voor de gehele kerk, alsmede aan de verantwoordelijkheid van de kerk voor de gemeenten.

De evangelisch-lutherse synode36 geeft leiding aan het leven en werken van de evangelisch-lutherse gemeenten tezamen en draagt zorg voor het bewaren en aan de gehele kerk dienstbaar maken van de lutherse traditie.

De generale synode37 geeft leiding aan het leven en werken van de kerk in haar geheel.

Gezien vanuit de kerkenraad worden de classicale vergadering, de evangelisch-lutherse synode en de generale synode aangeduid als meerdere vergadering.38 Dat is geen kwalitatieve maar een kwantitatieve aanduiding. Het woord ‘meerder’ geeft aan dat bij het werk van de meerdere vergadering een groter aantal plaatselijke gemeenten betrokken is. De generale synode is dus de ‘meeste vergadering’, omdat bij het werk van de synode alle plaatselijke gemeenten betrokken zijn.

Gezien vanuit de generale synode zijn de andere ambtelijke vergaderingen mindere vergaderingen omdat bij het werk daarvan minder plaatselijke gemeenten betrokken zijn. De kerkenraad van de plaatselijke gemeente is dan de ‘minste vergadering’, maar niet de minst belangrijke, integendeel. Want de samenstelling van de meerdere vergaderingen wordt opgebouwd vanuit de kerkenraden.

De classicale vergadering wordt gevormd door afgevaardigde ambtsdragers van de kerkenraden van de tot de classis behorende gemeenten. En de generale synode wordt gevormd door de ambtsdragers die worden afgevaardigd door de classicale vergaderingen en de afgevaardigden van de evangelisch-lutherse synode. De evangelisch-lutherse synode wordt samengesteld door verkiezing door alle evangelisch-lutherse leden van de kerk.39

Er is geen hiërarchische verhouding tussen de genoemde ambtelijke vergaderingen onderling. De onderlinge verhouding wordt bepaald door de in de kerkorde


35 Ord. 4-13 tot en met 15.
36 Ord. 4-21 tot en met 23.
37 Ord. 4-24 tot en met 26.
38 Ord. 4-3-1. Joh. Jansen, a.w. p. 144, 145.
39 art. VI, lid 3, PKO.

|247|

vastgelegde verdeling van bevoegdheden over de verschillende ambtelijke vergaderingen. Als vuistregel kan gezien worden, dat in een meerdere vergadering niet wordt behandeld wat niet in een mindere vergadering kan worden afgedaan. Dit is niet hetzelfde als subsidiariteit, omdat subsidiariteit uitgaat van een hiërarchische verhouding waarbij het hogere aan het lagere overlaat wat door het lagere zelf kan worden behartigd. In het presbyteriaal-synodale systeem is er geen hoger of lager, maar wel een constitutionele bevoegdheidsverdeling.

De bevoegdheid van de meerdere vergaderingen kan worden aangeduid met de termen potestas derivata en potestas cumulata.40 ‘Derivata’ betekent niet dat het gezag van de meerdere vergaderingen afgeleid wordt van de bevoegdheid van de kerkenraden, maar dat het aan de meerdere ambtelijke vergadering door Christus verleend is. ‘Cumulata’ betekent, dat in een meerdere vergadering niet alle ambtsdragers uit de classis of uit de gehele kerk aan de vergadering deelnemen, maar dat in de meerdere vergadering de ambtsmacht van de betrokken mindere vergaderingen als het ware wordt opgehoopt en ingedikt. Beide duidingen brengen met zich mee, dat een besluit van een meerdere vergadering voor de betrokken mindere vergaderingen bindend is en niet door die mindere vergaderingen hoeft te worden geratificeerd, zoals het geval is in independente kerkgemeenschappen.

Alle ambtelijke vergaderingen zijn bevoegd tot het doen van leeruitspraken, tot regelgeving en tot bestuur, voorzover die bevoegdheid niet is beperkt door de kerkorde. Voor de rechtspraak is er een afzonderlijke regeling.41

 

Andere organen

Elke ambtelijke vergadering kan zich laten bijstaan door organen van bijstand.42 De organen van bijstand zijn te onderscheiden in colleges en commissies. Het verschil tussen een college en een commissie is, dat de aanstelling van een college door de kerkorde wordt voorgeschreven en dat de kerkorde ook de bevoegdheden van elk college vaststelt. De formulering is wel zo, dat de betrokken ambtelijke vergadering bepaalde taken aan het betreffende college toevertrouwt, zodat men zou kunnen denken aan delegatie, maar het verplichte


40 Joh. Jansen, a.w. p. 167. In de gereformeerde variant op het presbyteriaal-synodale systeem, wordt de ambtsmacht van de meerdere vergaderingen niet alleen geduid als derivata en cumulata maar ook als delegata. De kerkenraden delegeren een deel van de kerkenraadsbevoegdheid aan de classis. Ook dan zijn de besluiten van de meerdere vergaderingen bindend voor de in haar bijeenkomende mindere vergaderingen.
41 Zie hoofdstuk 16 De kerkelijke rechtspraak.
42 Art. VI, lid 8, PKO.

|248|

karakter van dit toevertrouwen van taken maakt dat de betrokken ambtelijke vergadering de delegatie niet ongedaan kan maken, en dan lijkt deze toebedeling van bevoegdheid toch weer op attributie.

Kenmerkend voor een college is verder, dat het aan de ambtelijke vergadering die de leden van het college benoemt wel verantwoording moet afleggen met betrekking tot de werkwijze maar niet met betrekking tot de inhoud van een genomen beslissing. Zo hoeft een college van diakenen aan de kerkenraad geen verantwoording af te leggen met betrekking tot de individuele hulp die het heeft geboden. En zo behoeft een college voor de behandeling van bezwaren en geschillen niet te vertellen waarom het een geschil op een bepaalde wijze heeft beslecht.

Een generale synode kent naast een aantal colleges als organen van bijstand ook raden, die dezelfde positie hebben als een college.

Een commissie is geheel ondergeschikt aan de ambtelijke vergadering die de commissie benoemt. Een commissie werkt in opdracht van, onder verantwoordelijkheid van en in verantwoording aan deze ambtelijke vergadering.

 

De tot de PKN behorende plaatselijke gemeente kent behalve de kerkenraad de volgende organen:
- het college van kerkrentmeesters voor het beheer van het niet-diaconale vermogen van de gemeente;43
- het college van diakenen ten behoeve van het diaconale werk van de gemeente en voor het beheer van het diaconale vermogen.44

Beide colleges worden genoemd in de kerkorde van de PKN.45

De zorg voor de financiële zaken van de gemeente berust hij de kerkenraad, die de verzorging van deze zaken toevertrouwt aan het college van diakenen, voorzover het betreft het beheren van de diaconale zaken en aan (...) het college van kerkrentmeesters (...) voorzover het betreft het beheren van de andere financiële zaken van de gemeente.

In ieder geval is het zo, dat de bestuursbevoegdheid van de kerkenraad, als het gaat om het beheer van de financiële zaken van de gemeente, beperkt is doordat ook de beide genoemde colleges een bij hun opdracht passende bevoegdheid


43 Zie hoofdstuk 14b Het vermogensbeheer.
44 Zie hoofdstuk 15 De Kerkelijke Armenzorg.
45 Art. XIII, lid 1.

|249|

hebben. Weliswaar stelt de kerkenraad het beleidsplan en de financiële jaarstukken vast, maar de genoemde colleges hebben een belangrijke inbreng bij het opstellen daarvan, en de kerkenraad kan geen wijziging in een eenmaal vastgestelde begroting aanbrengen zonder de instemming van het betrokken college.46

De bestuursbevoegdheid van de kerkenraad wordt ook nog op een andere manier beperkt: in Ordinantie 4 wordt bepaald dat een aantal beslissingen door de kerkenraad slechts genomen mogen worden nadat hij de leden van de gemeente terzake heeft geïnformeerd en er over gehoord.47

De kerkenraad kan zich met het oog op bepaalde activiteiten laten bijstaan door commissies, die aan de kerkenraad ondergeschikt zijn.

Ten slotte dient er aan herinnerd te worden, dat de stemgerechtigde leden van de gemeente de bevoegdheid hebben de ambtsdragers te kiezen.48 Bovendien kunnen zij na de benoeming van een gekozen ambtsdrager door de kerkenraad en vóór diens bevestiging tegen de bevestiging bezwaar maken.49

 

In Ordinantie 4 wordt een variant op de presbyteriale structuur van de gemeente mogelijk gemaakt: de kerkenraad met werkgroepen.50

Deze structuur komt hier op neer, dat binnen de kerkenraad onderscheid gemaakt wordt tussen de grote en de kleine kerkenraad. In dat geval vertrouwt de kerkenraad een deel van zijn taken toe aan werkgroepen. Dit is duidelijk een geval van delegatie. Er vindt een in lid 7 van het genoemde artikel omschreven verdeling van taken en bevoegdheden plaats over de grote kerkenraad, de kleine kerkenraad en de werkgroepen. De gedachte in deze is dat bij het overdragen van verantwoordelijkheid ook het toedelen van bevoegdheid hoort. De verdeling vindt echter plaats door middel van een plaatselijke regeling, die door de kerkenraad wordt vastgesteld. Zo is te verantwoorden, dat ook niet-ambtsdragers betrokken zijn bij de inrichting van het kerkelijk leven ter plaatse.

 

De classis kent naast de classicale vergadering de volgende organen.

In de eerste plaats het breed moderamen51 van de classicale vergadering (afgekort: BM-CV).


46 Ord. 11-2-7a; Ord. 11-2-10; Ord. 11-3-43; Ord. 11-3-8.
47 Ord. 4-8-7.
48 Ord. 3-1-2.
49 Ord. 3-4-9, 10; Ord. 3-6-8 t/m 10.
50 Ord. 4-10.
51 Ord. 4-16-5, 6.

|250|

Aan dit breed moderamen, in zekere zin een indikking van de classicale vergadering zelf, worden met name coördinerende en administratieve taken toevertrouwd. Ook is het breed moderamen belast met alles wat te maken heeft met de komst in en het vertrek uit de classis van predikanten. Ten slotte is het het breed moderamen dat kan ingrijpen in de gang van zaken in een plaatselijke gemeente als daar moeilijkheden ontstaan die niet binnen die gemeente zelf kunnen worden opgelost.

Een ander orgaan binnen de classis is het ringverband.52 Een ringverband is een samenwerkingsorgaan van een aantal in spiritueel opzicht gelijkgestemde gemeenten binnen de classis. Tot de bevoegdheden van een ringverband behoort met name het treffen van voorzieningen in geval van een predikantsvacature binnen een bij het ringverband aangesloten gemeente.

Ten slotte is als orgaan van de classis te beschouwen de algemene classicale vergadering53 (afgekort: ACV). De algemene classicale vergadering is een samenwerkingsorgaan van een aantal classes ten behoeve van de vormgeving van het werk van het regionaal dienstencentrum54 (RDC, een instelling die ondersteuning biedt aan plaatselijke gemeenten in de vorm van vorming en toerusting) en voor de benoeming van de leden van een aantal regionaal werkende colleges: de visitatiebehandeling voor de behandeling van beheerszaken, voor het opzicht en voor de behandeling van bezwaren en geschillen.55

Het regionale college voor de behandeling van beheerszaken56 is betrokken bij het beheer van de financiële aangelegenheden van de plaatselijke gemeenten en de classes in het gebied van de algemene classicale vergadering.

De classicale vergadering kan zich laten bijstaan door commissies.57 Eén daarvan is de financiële commissie van de classicale vergadering.58

 

Evenals de classicale vergadering kent de evangelisch-lutherse synode een breed moderamen, synodale commissie genaamd. De taken en bevoegdheden van de synodale commissie worden haar door de evangelisch-lutherse synode gedelegeerd.59

Ook de evangelisch-lutherse synode kan zich laten bijstaan door commissies.60


52 Ord. 4-17.
53 Ord. 4-19.
54 Ord. 4-19-8.
55 Ord. 4-20-1.
56 Zie hoofdstuk 14b Het vermogensbeheer.
57 Ord. 4-15-7.
58 Ord. 11-12.
59 Ord. 4-24-4, 5.
60 Ord. 4-24-6.

|251|

Het breed moderamen van de generale synode wordt aangeduid als kleine synode.61 Het is de vertaling van synodus contracta, een indikking van de generale synode. De bevoegdheid van de kleine synode is een gedelegeerde bevoegdheid.62

De generale synode kent als organen van bijstand raden, colleges en commissies.63

De raden hebben ten opzichte van de generale synode een adviserende of uitvoerende taak.

Er zijn generale colleges voor de visitatie, voor de behandeling van beheerszaken, voor de toelating tot het ambt van predikant, voor de ambtsontheffing, voor de kerkorde, voor het opzicht en voor de behandeling van bezwaren en geschillen. De bevoegdheden van deze colleges worden door de kerkorde vastgesteld. Ten slotte wordt de generale synode bijgestaan door commissies,64 belast met het verrichten van taken namens de generale synode.

 

De ambtelijke vergaderingen en hun vaste of tijdelijke organen van bijstand worden in de kerkorde aangeduid als kerkelijk lichaam.65

Een kerkelijk lichaam is een orgaan dat bepaalde, geattribueerde of gedelegeerde bevoegdheden bezit en op grond daarvan besluiten kan nemen. Tegen deze besluiten kan door belanghebbende personen of organen in de kerk bezwaar gemaakt worden bij het regionale of het generale college voor de behandeling van bezwaren en geschillen.66 Maar een kerkelijk lichaam kan ook zelf een beroep doen op het regionale of generale college. Dat betekent dat een kerkelijk lichaam partij kan zijn in een geding voor de kerkelijke rechter. De term ‘kerkelijk lichaam’ wordt gebezigd om bepaalde regels die van toepassing zijn op alle kerkelijke organen eenvoudiger te kunnen formuleren.

 

12.4 Burgerlijkrechtelijke kanttekening bij de kerkelijke organisatie

Het begrip orgaan

Vanuit het privaatrechtelijk rechtspersonenrecht gezien is er sprake van een orgaan wanneer de betreffende instantie krachtens de statuten (of de wet) met


61 Ord. 4-27-4, 5.
62 Ord. 4-27-4, 5.
63 Ord. 4-28.
64 Ord. 4-28-6.
65 Ord. 4-4-1.
66 Ord. 12-3-1; Ord. 12-4-1.

|252|

een nader omschreven taak is belast en aan wie omtrent de taakuitoefening eigen beslissingsbevoegdheid is toegekend.67 In de kerk wordt niet zonder meer met ditzelfde begrip orgaan gewerkt. In de PKN-ordinanties bijvoorbeeld worden alle ambtelijke vergaderingen, colleges, commissies, enzovoort, die krachtens een ordinantie, generale regeling of overgangsbepaling bestaan, kerkelijke lichamen genoemd.68 Uit hun bevoegdheden zal moeten worden afgeleid of deze lichamen ook organen in de zin van het rechtspersonenrecht zijn. Het feit dat een instantie orgaan is betekent overigens niet dat zij geen verantwoording dient af te leggen. Dat doet echter aan de autonomie van het orgaan niet af; wel kunnen achteraf op basis van de afgelegde verantwoording degenen die deel uitmaken van het orgaan worden ontslagen.

Vanuit het rechtspersonenrecht bezien is het verschil tussen een orgaan van de kerk en een zelfstandig onderdeel69 daarvan niet zo duidelijk. Immers ook een orgaan heeft een zekere zelfstandigheid. Er is echter eerst sprake van een zelfstandig onderdeel wanneer het gaat om een orgaan of een samenstel van organen dat niet alleen intern zelfstandigheid heeft maar ook bevoegd is onder eigen naam naar buiten op te treden.

Naast de organen kunnen er op basis van de statuten of reglementen allerlei andere commissies, enzovoort, bestaan, die dus wel deel uitmaken van de organisatie van de rechtspersoon, maar doordat zij eigen beslissingsbevoegdheid missen, geen orgaan kunnen worden genoemd. Leden van commissies enzovoort die geen orgaan zijn, zijn overigens wel gehouden aan de in art. 2:8 BW genoemde redelijkheid en billijkheid. Dergelijke commissies kunnen in de praktijk ook beslissingen nemen die voor anderen in de organisatie consequenties hebben. De vraag is wat die betrokkenen dan kunnen doen indien die beslissing van de commissie voor hen nadelig is. De eerste stap die zij kunnen zetten is een beroep doen op het orgaan, onder welks vlag de commissie haar werk doet. Deze heeft immers de verantwoordelijkheid voor hetgeen de commissie uitvoert. Het desbetreffende orgaan kan de beslissing van de commissie overrulen. Indien het orgaan geen volgens de betrokkene bevredigend besluit neemt, kan deze eventueel het besluit ter vernietiging aan de rechter voordragen. Zolang er nog een interne rechtsgang is, zal de rechter zich overigens niet ontvankelijk verklaren. Tot zover het algemene rechtspersonenrecht.

Zoals uit de regelingen van de RKK en van de PKN blijkt, is er voorzien in interne procedures teneinde geschillen in deze op te lossen.


67 Zie Dijk-Van der Ploeg, 2002, vierde druk, paragraaf 5.2.
68 Zie Ord. 4-4-1 PKO.
69 Zie paragraaf 6.1.

|253|

Conclusie

Een belangrijk gegeven bij de organisatie van een kerk, is dat deze op een bepaalde theologische basis rust, zoals uit het beschrevene in de paragrafen hiervoor moge blijken.

In de rooms-katholieke organisatie lopen de bevoegdheden duidelijk van boven naar beneden en zijn rechtspersonen en organen duidelijk gekoppeld.

In de protestantse (presbyteriaal-synodale) organisatie bestaat die hiërarchie niet; integendeel: enerzijds is de gemeente vanouds de basis van de organisatie en zijn de bovenplaatselijke organen (ambtelijke vergaderingen) alleen bevoegd tot datgene wat bovenplaatselijk is. Anderzijds zijn echter die gemeenten zelfstandige onderdelen van het kerkgenootschap als geheel. Daarbij wordt in ieder geval het bestaan van die gemeente als rechtspersoon weer afhankelijk van de erkenning als zodanig volgens de door de generale synode vastgelegde kerkorde. In deze kerkelijke organisatie worden de bevoegdheden niet zozeer aan organen van de kerkelijke rechtspersonen toebedeeld, als wel worden enerzijds bevoegdheden aan organen toebedeeld en anderzijds op de verschillende niveaus rechtspersonen gecreëerd.

Indien men ten aanzien van een besluit van een kerkelijk orgaan een beroep wil doen op de burgerlijke rechter, is de rechtspersoon bevoegd die voor het desbetreffende werkterrein of voor het geografische gebied ten aanzien waarvan het orgaan bevoegd is, is ingesteld. Niet het orgaan maar de rechtspersoon, vertegenwoordigd door de bevoegde vertegenwoordigers is dan procespartij. De uitkomst bindt die rechtspersoon en daarmee het desbetreffende orgaan.

Drimmelen, L.C. van e.a. (2004) 16

315-333

|315|

16 De kerkelijke rechtspraak

L.J. Koffeman

 

 

16.1 Inleiding

Elke kerk heeft haar eigen stelsel van kerkelijke rechtspraak. In deze bijdrage concentreer ik mij op de kerkelijke rechtspraak in drie protestantse kerken die in een verenigingsproces betrokken zijn. Het zijn: de Gereformeerde Kerken in Nederland (GKN) en de Nederlandse Hervormde Kerk (NHK) die beiden deel uitmaken van de gereformeerde of calvinistische traditie, alsmede de veel kleinere Evangelisch-Lutherse Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden (ELK).

Samen staan zij bekend als de ‘Samen op Weg-kerken’. Zij hopen zich per 1 mei 2004 te verenigen tot één kerk met de naam 'Protestantse Kerk in Nederland’ (PKN). Inmiddels hebben de SoW-kerken reeds één gezamenlijke bovenplaatselijke dienstenorganisatie, gevestigd in het Landelijk Dienstencentrum (LDC) te Utrecht. Inmiddels werd door de drie kerken een ontwerp-kerkorde vastgesteld, terwijl definitieve besluitvorming over de laatste bijbehorende ontwerp-ordinanties (voortaan samen: PKO), in het voorjaar van 2003 plaats vond.

 

In dit hoofdstuk geef ik eerst enige oriënterende informatie over het kerkrechtelijk systeem van de drie kerken, welke informatie aansluitend in historisch perspectief wordt geplaatst. In een volgende paragraaf geef ik enkele algemene kaders voor de kerkelijke rechtspraak aan, zoals die met de verschillende kerkordes gegeven zijn. Vervolgens bespreek ik achtereenvolgens de rechtspraak in de GKN, de NHK en de PKN. Daarbij ga ik meer specifiek in op tuchtprocedures, leerstellige bezwaren en ‘bezwaren en geschillen’. Deze laatste categorie, hier aangeduid met de in de kerkordes van NHK en Protestantse Kerk in Nederland gebruikte term, behelst conflicten tussen gelovigen en kerkelijke instanties — die werken op basis van een bevoegdheid die hen via attributie of delegatie toekomt — en tussen zulke kerkelijke instanties onderling.

|316|

16.2 Presbyteriaal-synodaal stelsel

NHK, GKN en ELK hebben op hoofdlijnen hetzelfde kerkrechtelijke systeem. Elk van de drie kerken heeft een eigen variant op het presbyteriaal-synodale stelsel, vastgelegd in kerkordes, hier verder respectievelijk aan te duiden als: HKO, GKO en LKO.1 Dit stelsel kan als volgt kort worden getypeerd: de kerk wordt op verschillende niveaus geregeerd door ‘kerkelijke’ of ‘ambtelijke’ vergaderingen. Op het niveau van de plaatselijke gemeente is dat de kerkenraad (presbyterium). Trapsgewijs worden ‘meerdere vergaderingen’ samengesteld doordat vertegenwoordigers van de ‘mindere vergaderingen’ samenkomen.2 Zo kent de NHK als meerdere vergaderingen (art. V HKO): de classicale vergadering, de provinciale kerkvergadering en de generale synode. De GKN kent, parallel daaraan, als meerdere vergaderingen (art. 44-66 GKO) achtereenvolgens de classis, de particuliere synode en de generale synode. In dit systeem vaardigen de (wijk)kerkenraden af naar de classicale vergadering (of classis), en benoemt de laatste zowel haar afvaardiging naar de provinciale kerkvergadering (particuliere synode) als een vertegenwoordiger in de generale synode. De ELK is veel kleiner dan NHK en GKN en kent daarom geen tussenniveaus: naast de kerkenraden is er alleen een synode, die via rechtstreekse landelijke verkiezingen door de stemgerechtigde leden van de gemeenten wordt samengesteld. De structuurverschillen tussen NHK en GKN enerzijds en elk anderzijds zijn voor de thematiek van deze studie niet werkelijk relevant. Ik concentreer me verder op de GKN en de NHK, en wel in het perspectief van de Protestantse Kerk in Nederland.

 

16.3 Historisch perspectief

Een vergelijking van het kerkrecht in de NHK en de GKN is vooral daarom interessant omdat zich daarin tegelijk de historische ontwikkeling weerspiegelt. De kerkorde van de GKN staat inhoudelijk het dichtst bij de oorspronkelijke


1 Zie voor een nadere beschrijving hoofdstuk 10 Typen van kerkelijke organisatie. Teksten zijn toegankelijk gemaakt via www. sowkerken. nl.
2 De terminologie — meerdere en mindere vergaderingen — is als zodanig kenmerkend voor de anti-hiërarchische inslag van het gereformeerde kerksysteem (dat in grote lijnen ook door de lutheranen in Nederland werd aanvaard): in een meerdere vergadering zijn meer plaatselijke gemeenten (HKO) of kerken (GKO) gerepresenteerd. De aangewezen afgevaardigden zijn bijeen ‘alsof de kerkenraden in hun geheel tegenwoordig waren’, maar de meerdere vergadering wordt niet gezien als een ‘hogere’ instantie.

|317|

kerkorde van de gereformeerde Reformatie in Nederland, de Dordtse Kerkorde (hierna: DKO) die als zodanig werd vastgesteld tijdens de laatste zittingen van de synode van Dordrecht (1618-1619). Daarbij heeft men zich met name georiënteerd op de kerkstructuur zoals die gestalte kreeg in de gereformeerde kerk in Frankrijk; daarachter liggen in belangrijke mate impulsen van Johannes Calvijn zelf.

 

De DKO behield globaal gesproken haar gelding gedurende twee eeuwen, namelijk tot het moment dat koning Willem I, de eerste vorst in het Koninkrijk der Nederlanden, in 1816 bij Koninklijk Besluit de DKO buiten werking stelde en het Algemeen Reglement invoerde.3 Willem I werd geconfronteerd met de gevolgen van de scheiding van kerk en staat gedurende de Franse overheersing. Daardoor was ook het bezit van de kerk in belangrijke mate in overheidshanden terecht gekomen. Het zal voorts mede te danken zijn aan zijn vorming in Duitsland, dat hij koos voor een systeem waarin de vorst grote verantwoordelijkheid nam voor het welzijn van de kerk. Zijn Algemeen Reglement introduceerde in de nog vrijwel ongedeelde kerk van de Reformatie een besturenstelsel, dat echter van meet af aan één van de oorzaken was van groeiende onrust in de kerk.

De ambtelijke vergaderingen, samengesteld door vertegenwoordiging van onderop, werden vervangen door besturen, benoemd van bovenaf. De overheid kreeg een grote invloed op de benoeming van de besturen op de verschillende niveaus: de koning benoemde de leden van de synode (in dit geval werd wel de term ‘synode’ gehandhaafd), op voordracht van de provinciale kerkbesturen. Hij benoemde voorts de leden van de provinciale kerkbesturen op voordracht van de classicale besturen, en die op voordracht van de classicale vergaderingen. Over kwesties van leer en belijdenis mochten de besturen geen uitspraak doen. Kerkelijke tucht was feitelijk onmogelijk. De grote versplintering van het Nederlands Calvinisme vindt hier een van zijn belangrijkste verklaringen. Meer dan eens zagen predikanten en gemeenteleden die kerk wilden zijn in de traditie van de gereformeerde Reformatie geen andere mogelijkheid meer dan de NHK te verlaten en terug te keren naar het regime van de DKO. Zo is ook de GKN ontstaan: bij de Afscheiding van 1834 en de Doleantie van 1886 maakten groepen zich los van de NHK, en deze beide bewegingen verenigden zich in 1892 tot de GKN. Door andere afscheidingen vanuit de NHK en later ook vanuit de GKN ontstond voorts een aantal kleinere kerkgemeenschappen die in het algemeen één ding met elkaar gemeen hebben: het terugvallen op de DKO.


3 In de ELK werd twee jaar later een vergelijkbaar Algemeen Reglement ingevoerd; in 1955 werd dit vervangen door de huidige kerkorde.

|318|

In de GKN vond in 1959 een vrij omvangrijke herziening van de DKO plaats. Ook nadien bleven echter de fundamentele trekken bijvoorbeeld op het punt van de verantwoordelijkheid van de ambtelijke vergaderingen goed herkenbaar. Eerst in 2000 werden door de generale synode vergaande wijzigingen in de kerkelijke rechtspraak aanvaard, die per 1 juli 2001 rechtskracht verkregen.

 

De GKN neemt haar GKO — maar daarmee dus in feite op bepaalde punten nog altijd de DKO — mee in het herenigingsproces met de NHK, waarin de DKO in 1816 buiten werking was gesteld door het Algemeen Reglement. Uiteraard is ook daar de ontwikkeling doorgegaan. Het duurde nog tot in de Tweede Wereldoorlog voor men elkaar vond in een nieuw concept van een ‘belijdende volkskerk’. De tot vandaag toe geldende Kerkorde der NHK van 1951 werd er de uitdrukking van. Daarin kregen tegelijk nieuwere juridische inzichten hun eigen doorwerking.

 

16.4 Rechtspraak en rechtsbescherming

In dit hoofdstuk wil ik de rechtspraak in GKN, NHK en Protestantse Kerk in Nederland nader beschrijven. Daarbij gaat het mij primair om de organisatie van de rechtspraak, waarbij ik ook aandacht wil geven aan de kwaliteit daarvan, dat wil zeggen: de rechtsbescherming.4 Welke zijn de in de kerkorde gegeven juridische mogelijkheden voor leden van de kerk en instanties in de kerk om in voorkomende gevallen het eigen recht optimaal tot gelding te doen komen?

 

Bij mijn analyse ga ik uit van de GKO, omdat daarin historisch fundamentele lijnen van kerkrechtelijk denken zichtbaar worden. Recente wijzigingen in de GKO zijn erop gericht in dit opzicht aanzienlijke verbeteringen in te voeren. De HKO biedt grondlijnen voor een benadering waarin het hedendaagse rechtsdenken reeds eerder heeft doorgewerkt.

Ten slotte kan aan de hand van wat tot dusver bekend is inzake de ontwerp-PKO — die dus als zodanig nog geen geldend recht omvat — enigermate zichtbaar worden, of en zo ja welke nieuwe inzichten in de loop van de laatste decennia tot verdere verfijningen hebben geleid.

 

Fundamenteel voor een goed begrip van de rechtspraak in de kerken in Nederland is uiteraard ook de vraag, welke rol de burgerlijke rechter voor zichzelf


4 Een meer uitvoerige analyse van de rechtsbescherming in de kerken van de Reformatie in Nederland hoop ik te geven in een bijdrage die in de loop van 2003 dient te verschijnen in een bundel Recht op recht in de kerk (werktitel), uit te geven bij Peeters te Leuven.

|319|

ziet in kerkelijke zaken. Van belang is hierbij vooral Art. 2:2 BW. Kerken zijn op grond daarvan rechtspersonen in de zin der wet, geregeerd door hun eigen statuut. Omdat op de draagwijdte daarvan elders in deze bundel dieper wordt ingegaan,5 beperk ik me hier tot de volgende in dit kader relevante vaststelling: bij een kerkelijk conflict zal de rechter zich allereerst de vraag stellen, of de betrokken kerk het eigen rechtsstatuut adequaat heeft gevolgd, en derhalve marginaal toetsen.6

 

16.5 Rechtspraak in de GKN

Met de GKO wordt zoals gezegd het klassieke kerkrecht van de DKO ingebracht. De GKO zet zo op hoofdlijnen het kerkjuridische denken van de Reformatie tot vandaag de dag voort. Eén van de bepalende factoren daarvoor is het samenvallen van uitvoerende, wetgevende en rechterlijke macht. In dat opzicht is de DKO in feite dicht bij het katholieke kerkrecht7 en bij de rechtscultuur van de zestiende eeuw gebleven! Het zijn de kerkelijke vergaderingen die actief zijn in regelgeving, in het bestuur van de kerk én in de rechtspraak. Er zijn geen onafhankelijke rechtscolleges.8

Voor een goed begrip dienen enkele trekken van het gereformeerde kerkrecht hier nader te worden aangeduid. De GKN ziet zichzelf als een confederatie van relatief zelfstandige plaatselijke kerken. Alleen de plaatselijke kerkenraden zijn dan ook permanente bestuurscolleges. De meerdere vergaderingen worden bijeengeroepen, komen bijeen in de loop van een kerkordelijk vastgelegde tijdsspanne (in het geval van de generale synode twee jaar), en worden dan weer gesloten. Heel de kerkstructuur van de GKN ademt vrees voor te grote invloed ‘van hogerhand’. Beleid wordt sterk decentraal gevoerd. Meerdere


5 Zie hiervoor uitvoeriger hoofdstuk 5 Kerk en staat vanuit het staatsrecht, hoofdstuk 6 De kerken en het privaatrecht, en hoofdstuk 9a Kerkelijke geschillen; de burgerlijke rechter en kerkelijke conflicten.
6 Zie hiervoor uitvoerig de recente dissertatie van A.H. Santing-Wubs, Kerken in geding. De burgerlijke rechter en kerkelijke geschillen, Meppel 2002, 164 v.v.
7 Blijkens de Codex Iuris Canonici is in de Rooms-Katholieke Kerk op het niveau van het bisdom de diocesane bisschop de ‘rechter van eerste instantie’ (c. 1419); beroep is mogelijk bij de rechtbank van de Metropoliet (c. 1438), terwijl in bepaalde gevallen beroep mogelijk is op de paus, als hoogste rechter (c. 1442), die deze bevoegdheid in het algemeen uitoefent door middel van een door hem ingestelde rechtbank, de Romeinse Rota.
8 Het is opvallend en veelzeggend, dat Nauta in zijn commentaar op de GKO zelfs de vraag naar de wenselijkheid van onafhankelijke rechtspraak niet behandelt; vergelijk D. Nauta, Verklaring van de Kerkorde van de Gereformeerde Kerken in Nederland, Kampen 1971, 135-146.

|320|

vergaderingen behandelen, naast wat de in haar bijeenkomende kerken gemeenschappelijk aangaat, uitsluitend zaken, die door de mindere vergaderingen niet afgehandeld konden worden.

In de GKO zijn daarom bijvoorbeeld ook slechts in beperkte mate vormen van bestuurlijk toezicht opgenomen, waarbij een meerdere vergadering zonder dat van een geschil sprake is goedkeuring dient te hechten aan besluiten van een mindere vergadering.

Het ontbreken van een onafhankelijke rechtspraak én het gedecentraliseerde beleid (inclusief rechtspraak) bemoeilijkten vanouds een verantwoorde ontwikkeling van de rechtspraak in de GKN. Omdat kerkelijke vergaderingen voor alles verantwoordelijk waren, werden kerkelijk beleid, pastorale zorg en rechtspraak dikwijls nauwelijks uiteen gehouden, wat op den duur kon leiden tot onontwarbare dossiers. Veel werd immers overgelaten aan de wijsheid en het improvisatietalent van kerkelijke instanties en ambtsdragers.

Jurisprudentie wordt in de GKN niet systematisch verzameld en geordend, en het is derhalve nauwelijks mogelijk daarvan bij de rechtsvinding gebruik te maken (zie 11.4 over de rechtsbronnen van de GKN).

 

Revisie en appèl

De hoofdlijn voor de rechtsgang in de GKN ligt vanouds vast in twee mogelijkheden. Ook waar, zoals bij tuchtprocedures en leerstellige bezwaren, in eerste instantie specifieke regelingen van toepassing zijn, komt in een vervolgfase — wanneer in een zaak niet tot tevredenheid van alle partijen een besluit is genomen — de rechtsgang van art. 31,32 en 32a GKO aan de orde, nader uitgewerkt in bijbehorende uitvoeringsbepalingen (UBP).

De twee mogelijkheden die hier zijn voorzien zijn: revisie en appèl op een meerdere vergadering; in geval van besluiten van de generale synode is appèl mogelijk op de eerstvolgende generale synode.9 In 1997 besloot de generale synode tot een ingrijpende wijziging van het procesrecht. Voorstellen daartoe hebben per 1 juli 2001 rechtskracht verkregen. Onder de ‘oude’ bepalingen,


9 Een vergelijking met de in het bestuursrecht gebruikte terminologie dringt zich hier op. In de Algemene wet bestuursrecht (zie art. 1:5 Awb) worden terminologisch drie mogelijkheden onderscheiden, namelijk (1) het maken van bezwaar, en voorts, binnen de mogelijkheid van het instellen van beroep, (2) het instellen van administratief beroep en (3) het instellen van beroep bij een administratieve rechter. Blijft men bij administratief beroep binnen de sfeer van de bestuurlijke organen, bij een beroep op de administratieve rechter treedt men daarbuiten, en wordt een beslissing van een onafhankelijke (bestuurs)rechter gevraagd. In de GKO laat zich revisie goed vergelijken met het bestuursrechtelijke begrip bezwaar, en appèl met administratief beroep.

|321|

konden beide mogelijkheden door belanghebbenden naar keuze worden benut, zij het dat niet beide rechtsgangen door dezelfde bezwaarde tegelijkertijd konden worden beproefd. Steeds kon in minimaal twee instanties appèl worden aangetekend.

In de nu geldende regelgeving moet steeds eerst de weg van revisie worden gegaan, waarna desgewenst de mogelijkheid van appèl nog openstaat. Ik neem hier deze nieuwe regelgeving als uitgangspunt.

Artikel 31 lid 2 GKO regelt de revisie, aan te vragen bij de vergadering die het bestreden besluit nam. Deze stap dient steeds als eerste gezet te worden. Revisie is alleen niet mogelijk, wanneer het gaat om een besluit dat reeds genomen werd op een eerder revisieverzoek (dan staat alleen de weg van appèl nog open), of wanneer het gaat om een in appèl genomen besluit van een meerdere vergadering (in casu een particuliere of generale synode). In dat laatste geval is sprake van een eindbeslissing, en zijn de rechtsmiddelen uitgeput.

De mogelijke gronden voor een revisieverzoek zijn ruim aangegeven: veronderstelde strijdigheid van het gewraakte besluit met duidelijke uitspraken van Gods Woord of met bepalingen van de kerkorde, veronderstelde schadelijkheid voor het welzijn van de kerk, of de mening dat persoonlijk onrecht is aangedaan. Een revisieverzoek leidt niet automatisch tot opschorting van de uitvoering van het bestreden besluit: de bevoegdheid tot opschorting ligt bij de vergadering die het bestreden besluit nam, tenzij naar art. 32a GKO een spoedvoorziening wordt getroffen (zie onder).

 

Artikel 32 lid 1 GKO regelt de op revisie volgende stap, het appèl:

Van een door een kerkenraad of classis genomen revisiebesluit kunnen diegenen die het revisiebesluit in strijd achten met duidelijke uitspraken van Gods Woord of met bepalingen van de kerkorde, of die op andere wijze door zulk een besluit het welzijn van de kerk geschaad achten, of die menen dat hun daardoor onrecht aangedaan is, in appèl gaan bij de particuliere synode. Indien door het revisiebesluit het oorspronkelijke besluit niet is gewijzigd of ingetrokken, staat de mogelijkheid van appèl uitsluitend open voor diegenen, die revisie hebben gevraagd. Van het door de particuliere synode in appèl genomen besluit is geen revisie mogelijk.

In lid 2 wordt een overeenkomstige mogelijkheid van appèl geregeld bij revisiebesluiten van een particuliere synode, en in lid 7 wordt de mogelijkheid gehandhaafd om tegen revisiebesluiten van de generale synode in appèl te gaan bij de eerstvolgende generale synode.

|322|

Een belangrijk aspect van de per 1 juli 2001 van kracht geworden bepalingen bestaat in de instelling van particuliere (dat wil zeggen door de particuliere synode ingestelde) deputaatschappen voor appèlzaken, naast het al bestaande generaal deputaatschap voor appèlzaken (welks werkwijze is aangepast). Voorlopig blijft het nog wel zo, dat deze deputaatschappen een advies uitbrengen aan de synode die hen instelde, welke daarop een formeel besluit neemt. Classicale vergaderingen hebben daarmee in het geheel geen rechtsprekende taak meer: ook besluiten van kerkenraden worden direct twee ‘niveaus’ hoger aangevochten, dus bij de particuliere synode. Feitelijk wordt zo beoogd in te spelen op het functioneren als onafhankelijke rechtscolleges, zoals die voor de Protestantse Kerk in Nederland (zie onder) worden beoogd.

 

Bevoegdheden

Appèlzaken dienen dus uitsluitend bij particuliere synodes en bij de generale synode. De mogelijkheid in appèl te gaan is tot één instantie beperkt. Een beslissing van de particuliere synode op een appèl is een eindbeslissing. Daarop bestaat één uitzondering: bij bezwaren tegen een leer van een dienaar des Woords blijft voor een ieder de mogelijkheid van hoger beroep op de generale synode open staan. Daarnaast hebben generale deputaten voor appèlzaken de mogelijkheid een in appèl genomen besluit van een particuliere synode aan de generale synode voor te leggen met het advies om een afwijkend besluit te nemen. Dat laatste is echter alleen mogelijk, voor zover het zaken betreft, die het gehele kerkverband aangaan, terwijl UBP 32.6 sub 4 bepaalt, dat een besluit van de generale synode in dat geval geen nadeel toebrengt aan door partijen verkregen rechten. Deze procedure dient derhalve uitsluitend de vorming van jurisprudentie met het oog op eventuele vergelijkbare rechtsvragen.

 

Inmiddels is het voorgekomen dat de burgerlijke rechter, omdat in het kerkelijk recht geen snelle, op het treffen van voorlopige voorzieningen toegesneden procedure bestond, zelf tot een beoordeling is overgegaan, zonder eerst de afronding van de kerkelijke rechtsgang af te wachten.10 Daarom is nu in een


10 Vergelijk Hof Arnhem 14 september 1993, rol nr. 92/142 KG, waarnaar verwezen wordt door: F.T. Oldenhuis, Op de grens van het kerkrecht en het burgerlijk recht: over de rol van de burgerlijke rechter bij kerkelijke conflicten, in: M.A. Rouw, M. te Velde (eds.), Recht doen aan ‘bezwaarden’. Een ontwerp-appèlprocedure voor de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt), GWG Publicatie 2, Zwolle 1997, p. 27-36, hier 33. Zie ook: P.T. Pel, De kerk in geding — samen op weg in Biddinghuizen, in: M.A. Rouw, M. te Velde, a.w., 37-42, die verwijst naar een soortgelijk oordeel in kort geding van de President van de Rechtbank te Zwolle, zitting houdend te Lelystad (a.w. 41).

|323|

nieuw artikel (32a) in de GKO de mogelijkheid opgenomen van het treffen van een spoedvoorziening. Wie revisie verzoekt of in appèl gaat, kan de voorzitter van het betrokken deputaatschap voor appèlzaken verzoeken een spoedvoorziening te treffen, die bijvoorbeeld kan inhouden dat de uitvoering van het bestreden besluit geheel of ten dele wordt opgeschort in afwachting van de afhandeling van revisie dan wel appèl. De voorzitter doet zo spoedig mogelijk uitspraak.

 

Rechtsbescherming

Er zijn dus in de GKO slechts twee mogelijkheden om een besluit van een kerkelijke vergadering aan te vechten: revisie en appèl, beide vormen van bestuurlijke heroverweging. De onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechtspraak is in de GKN door de nieuwe regelgeving niettemin sterk verbeterd. Deze regelgeving markeert een overgangsfase naar de invoering van de PKO, waarin op beide punten verdere winst te verwachten is, vooral omdat dan een volstrekt onafhankelijke rechtspraak zal worden ingevoerd. De bedoeling en verwachting is dat de nu ingevoerde regelgeving de GKN daarop adequaat zal voorbereiden.

 

De hiermee gegeven structuur bepaalt de rechtsgang in de GKN feitelijk in praktisch alle gevallen, ongeacht de aard van de zaak. Men kan hier aan allerlei zaken denken. Recent is meer dan eens door groepen gemeenteleden via de weg van revisie en appèl bezwaar gemaakt tegen de verkoop van een bepaald kerkgebouw, veelal met als belangrijkste argument, dat de gemeenteleden onvoldoende bij de voorbereiding van het bestreden kerkenraadsbesluit betrokken zouden zijn geweest. Ook als predikanten bij grote problemen in de communicatie met hun gemeente conform artikel 18 GKO wel (of juist niet!) door de bevoegde classicale vergaderingen worden ‘ontheven van hun ambtsbediening’, leidt dat relatief dikwijls tot procedures in deze sfeer.

Ook als de toepassing van hoofdstuk 4 van de GKO, inzake ‘het vermaan en de tucht van de kerk’ aan de orde is — waarbij het kan gaan om leerprocedures of om tucht over het leven, zowel ten aanzien van de leden van de gemeente als ten aanzien van de ambtsdragers — komt op een zeker moment dezelfde weg van art. 31 en 32 GKO in zicht.

 

Op een specifiek punt heeft recent verdergaande regelgeving plaatsgevonden. In de jaren tachtig ontstond groeiende publiciteit en onrust over seksueel misbruik in pastorale relaties. Een en ander leidde tot de aanvaarding in 1994 van een Regeling klachtenprocedure inzake seksueel misbruik in pastorale relaties (UBP 116.1), een regeling die in maart 1997 door de generale synode van Haren 1995

|324|

werd aangepast op grond van de eerste ervaringen met de toepassing.11 Krachtens deze regeling is een onafhankelijke klachtencommissie ingesteld waarin verschillende relevante deskundigheden op juridisch en therapeutisch gebied aanwezig dienen te zijn. Alle klachten inzake seksueel misbruik door ambtsdragers dienen aan deze commissie te worden voorgelegd voor onderzoek. De omschrijving van het begrip ‘seksueel misbruik in pastorale relaties’ in artikel 1 van genoemde regeling is niet voor misverstand vatbaar:

misbruik van macht en vertrouwen door een ambtsdrager of kerkelijk werker (...) in een pastorale relatie, of in een relatie die hij uit hoofde van zijn pastoraal ambt of junctie onderhoudt, in de vorm van seksuele handelingen of toespelingen op of uitnodigingen tot seksueel contact, alles al of niet onder druk van geheimhouding.

Na de invoering van de regeling werden spoedig verschillende, veelal van lang geleden daterende, zaken aangebracht. De laatste jaren lijkt het aantal klachten sterk terug te lopen.

De klachtencommissie beoordeelt de gegrondheid van de klacht en maakt in de regel haar oordeel dienaangaande kenbaar aan de kerkelijke vergadering waaraan de beklaagde als ambtsdrager verbonden is, vergezeld van een advies inzake te nemen sancties. Daarop neemt de bevoegde kerkelijke vergadering een besluit. Zowel voor de klachtencommissie als voor de beklaagde staat ten slotte weer de weg van revisie en appèl open. Op onderdelen heeft deze regeling ook model gestaan voor de genoemde recente bredere wijziging van de rechtsgang in de GKN.

 

Feitelijk is met het bovenstaande het plaatje voor de GKN al wel compleet. De GKO kent immers — anders dan de HKO en de PKO — geen afzonderlijke regelingen voor conflicten tussen kerkelijke organen onderling of tussen gelovigen en kerkelijke organen.

Onafhankelijke rechtspraak bestaat strikt genomen niet, zolang de deputaten voor appèlzaken nog slechts een adviserende rol hebben, en niet bevoegd zijn zaken zelf onafhankelijk af te handelen.


11 Zie Acta Generale Synode Gereformeerde Kerken in Nederland, Aalten 1993, art. 101; Acta Generale Synode Gereformeerde Kerken in Nederland, Haren 1995, art. 171.

|325|

16.6 Rechtspraak in de NHK

Het ligt voor de hand, dat in de HKO van 1951 de invloed van twintigste-eeuws rechtsdenken is terug te vinden. De invloed van het moderne staats- en bestuursrecht laat zich al direct aflezen uit de structuur van de kerkorde zoals de NHK die in 1951 vaststelde. Gekozen werd namelijk voor een ordening die sterk lijkt op het uit de Nederlandse democratie bekende systeem van grondwet, organieke wetten en aanvullende meer specifieke wetgeving. De basis wordt gevormd door de eigenlijke kerkorde, veelal aangeduid als de ‘romeinse artikelen’, naar de in romeinse nummering vastgelegde dertig artikelen die zij omvat. Een tweede laag van wetgeving is vastgelegd in een twintigtal ordinanties. Technische uitwerkingen zijn voorts te vinden in een aantal generale regelingen.

 

Essentieel is, dat in de HKO in 1951 op een aantal terreinen ook voorzien werd in onafhankelijke rechtspraak. Onder het Algemeen Reglement waren wetgevende en rechtsprekende macht nog bij de kerkelijke bestuurscolleges ondergebracht.12 Nu zijn ze, althans voorzover het ‘bezwaren en geschillen’ betreft, uit elkaar gehaald. Ordinantie 19 regelt een en ander. Provinciale commissies en een generale commissie voor bezwaren en geschillen, ‘die zo ondubbelzinnig mogelijk hun zelfstandigheid tegenover de ambtelijke vergaderingen hebben te bewaren,’13 behartigen elk op hun terrein een deel van de kerkelijke rechtspraak. De generale commissie heeft bovendien het recht beslissingen van de provinciale colleges zo nodig te vernietigen in het belang van de rechtseenheid. Op het gebied van het opzicht over leer en leven ligt het enigszins anders; die procedures komen hieronder nog afzonderlijk aan de orde. Omdat ordinantie 19 feitelijk functioneert als het sluitstuk van het totale rechtssysteem in de NHK, wordt deze ordinantie ook later uitvoeriger besproken. Via de hier vastgelegde rechtsgang kunnen ook besluiten van kerkelijke organen met een grote mate van discretionaire bevoegdheid in de meeste gevallen worden aangevochten.

Het bestuurlijk toezicht op de mindere vergaderingen is in de HKO veel stringenter geregeld dan in de GKO. Dat geldt in het bijzonder de kerkelijke financiën; Ordinantie 18 voert dan ook als titel: Ordinantie voor het toezicht. Maar ook waar het gaat om rechtsposities van ambtsdragers en anderen zijn allerlei vormen van toezicht te vinden.


12 Vergelijk P. van den Heuvel, De kerkelijke rechtspraak, in: W. Balke e.a. (red.), De kerk op orde? Vijftig jaar hervormd leven met de kerkorde van 1951, Boekencentrum, Zoetermeer 2001, p. 241-264, m.n. 242.
13 Th.L Haitjema, Nederlands hervormd kerkrecht, Nijkerk 1951, p. 317.

|326|

De structuur van de regelingen in de hko wordt duidelijker wanneer wij hier enkele rechtsgangen nadrukkelijk onderscheiden.

 

Opzicht

De HKO onderscheidt binnen het opzicht, waarover Ordinantie 11 handelt, twee hoofdvarianten (Ord. 11-4 t.e.m. 13 HKO). De eerste betreft het opzicht over belijdenis en wandel der leden. De verantwoordelijkheid daarvoor ligt bij het consistorium (de vergadering van predikanten en ouderlingen van de plaatselijke kerkenraad). Daarnaast is er het opzicht over de vervulling van ambten, bedieningen en functies. Hierbinnen valt bijvoorbeeld ook de eerder genoemde problematiek van seksueel misbruik in pastorale relaties, waarbij dezelfde definitie wordt gehanteerd als in de GKO.

Dit opzicht ‘wordt gehouden’ door de provinciale kerkvergaderingen, maar wel dóór regionale commissies voor het opzicht, die geen verantwoording schuldig zijn aan de kerkelijke vergaderingen. Er is dus sprake van onafhankelijke rechtspraak.

De generale commissie voor het opzicht fungeert als beroepsinstantie. Zij kan om het beroep te honoreren óf zelf een andere beslissing nemen, óf de zaak terugverwijzen naar een door haar aan te wijzen regionale commissie. Ook kan de generale commissie zelfstandig tot de conclusie komen dat een regionale commissie in gebreke blijft, en zelf vervolgens een tuchtmaatregel nemen. Ten slotte is zij bevoegd zelfstandig besluiten te herzien.

Beroep tegen beslissingen van de generale commissie is niet mogelijk. Wel bestaat er een vorm van cassatie: het breed moderamen van de generale synode kan de generale commissie voor bezwaren en geschillen verzoeken over te gaan tot een marginale toetsing (op vormfouten) van een besluit van de generale commissie voor het opzicht (Ord. 11-13-8 HKO).

 

Leertucht

De HKO kent een afzonderlijke regeling voor ‘het opzicht over de dienst des Woords en de catechese’ (Ord. 11-14 t.e.m. 18 HKO), de leertucht inzake ambtsdragers. Vanuit de geschiedenis van de NHK is het begrijpelijk, dat de regelingen vooral gericht lijken te zijn op het vermijden van leertuchtprocedures als kerkpolitiek instrument. Ordinantie 11-16 HKO regelt de procedure. De verantwoordelijkheid ligt uiteindelijk bij de generale synode, daarin geadviseerd door de Raad voor de zaken van Kerk en Theologie. Acht de generale synode de gewraakte opvattingen uiteindelijk ontoelaatbaar, dan kan uiteindelijk — al dan niet op eigen verzoek — ontheffing van het ambt plaatsvinden.

In 1985 werd in de tekst van Ordinantie 11-16-5 de mogelijkheid voor een beklaagde opgenomen om zich bij de behandeling van de aanklacht te laten bijstaan.

|327|

Bezwaren en geschillen

Zoals gezegd kent de HKO in Ordinantie 19 een specifieke regeling voor de behandeling van ‘bezwaren en geschillen’, waardoor in de HKO in 1951 op een aantal terreinen voorzien werd in onafhankelijke rechtspraak. Deze regeling vormt feitelijk een juridisch kader waarbinnen alle eerdere genoemde regelingen zijn te verstaan.

Provinciale commissies en een generale commissie voor bezwaren en geschillen (GCBG) behartigen elk op hun terrein een deel van de kerkelijke rechtspraak, inclusief het recht van de generale commissie om beslissingen van de provinciale commissies zo nodig te vernietigen in het belang van de rechtseenheid. Betreft een bezwaar of geschil een situatie die zich geheel binnen het ressort van één PKV afspeelt, dan oordeelt de provinciale commissie voor bezwaren en geschillen. In alle andere gevallen oordeelt de generale commissie.

‘Bezwaren’ richten zich tegen een besluit van een ‘kerkelijk lichaam’ (de verzamelterm in de HKO voor ambtelijke vergaderingen, kerkelijke commissies, organen van bijstand, colleges enzovoort). Zij kunnen alleen worden ingediend door een ander kerkelijk lichaam, door een ambtsdrager of een gemeentelid. Te denken valt aan bezwaren inzake de procedure die lokaal wordt gevolgd bij de verkiezing van ambtsdragers. Maar ook besluiten op landelijk niveau kunnen worden aangevochten. Veel aandacht trokken bijvoorbeeld de bezwaren tegen een besluit van de generale synode van de NHK in 1991, waarbij een uniforme beheersregeling verplicht werd gesteld. Het gerechtshof ’s-Gravenhage oordeelde in 1997, dat ook bezwaren daartegen via de route van bezwaren en geschillen aan de orde gesteld dienden te worden.14

Het gaat hier dus om een vorm van interne klachtenregeling. Men moet het bezwaar kunnen motiveren vanuit een getroffen zijn in een werkelijk belang of een kerkelijke verantwoordelijkheid. De commissies beoordelen ontvankelijke bezwaren op de volgende criteria: schending van het recht, misbruik van bevoegdheden en redelijkheid van een besluit onder de geldende omstandigheden. De toetsing mag dus marginaal van aard genoemd worden.

‘Geschillen’ betreffen vooral competentiekwesties: zaken tussen twee (of meer) kerkelijke lichamen en/of ambtsdragers die betrekking hebben op taakvervulling, begrenzing van arbeidsvelden en omvang van bevoegdheden.

De bevoegdheid van de genoemde commissies is in zoverre beperkt, dat bezwaren en geschillen waarvoor in kerkorde en/of ordinanties een andere rechtsgang is voorzien per definitie niet onder de werking van Ordinantie 19 vallen. In de jurisprudentie van de GCBG is inmiddels ook duidelijk geworden, dat zuiver privaatrechtelijke zaken — ook als het bezwaren van het ene kerkelijk


14 Gerechtshof ’s-Gravenhage, rolnummer C 96/149, uitspraak 18 september 1997.

|328|

lichaam tegen het beleid van een ander kerkelijk lichaam betreft — worden overgelaten aan de burgerlijke rechter.

Een commissie kan naar aanleiding van een bezwaarschrift een besluit van een kerkelijk lichaam bevestigen, vernietigen, als juridisch incorrect beoordelen zonder ook de rechtsgevolgen ongedaan te maken, of aanvullen, terwijl er ook overigens een zekere ruimte is om via bijvoorbeeld bemiddeling tot een oplossing te komen. De commissie zoekt daarbij de materiële waarheid, en kan daarom ook andere argumenten hanteren dan in het bezwaarschrift waren vermeld.

 

Uitspraken van provinciale commissies worden ter kennis gebracht van de generale commissie. Deze kan zulke besluiten omwille van de rechtsgelijkheid herzien of vernietigen. Eventueel kan vanuit hetzelfde motief verklaard worden dat een eindbeslissing van een provinciale commissie onjuist was, zonder dat de rechtsgevolgen daardoor worden aangetast.

Tegen uitspraken van een provinciale commissie kan bij de generale commissie beroep worden aangetekend, tenzij in de regelgeving voor specifieke zaken van een ‘eindbeslissing’ van een provinciale commissie sprake is. De generale commissie kan vervolgens óf de beslissing van de provinciale commissie bevestigen, óf deze geheel of gedeeltelijk ongedaan maken om vervolgens hetzij zelf een andere voorziening te geven hetzij de zaak terug te verwijzen naar dezelfde of een andere provinciale commissie, óf ‘de onbevoegdheid voor gedekt verklaren en de beslissing alsnog als bevoegdelijk genomen aanmerken’ (Ord. 19-15-1d HKO). Er is al met al sprake van onafhankelijke en onpartijdige rechtspraak. De gelijkberechtigdheid van partijen is bij bezwaren en geschillen — analoog aan civielrechtelijke procedures in het wereldlijk recht — eigenlijk vanzelfsprekend. De mogelijkheid van rechtsbijstand is volledig gegarandeerd voor alle betrokken partijen.

Een belangrijke bevoegdheid van de generale commissie ligt tenslotte besloten in Ordinantie 19-3-2: bij eventuele onzekerheid over de vraag welk kerkelijk lichaam in een bepaalde zaak tot oordelen bevoegd is, neemt de generale commissie daarover een beslissing.

 

Afsluitend moet ik hier nog wijzen op enkele bijzondere rechtsgangen in de HKO. Allereerst is er een afzonderlijke rechtsgang voor rechtspositionele problemen tussen een predikant en de kerk. In dat geval regelt Ordinantie 13-50-1 HKO de mogelijkheid van beroep op de ‘commissie van beroep voor de bezoldiging van predikanten en vicarissen’. Nadere regelingen inzake de werkwijze van deze commissie zijn in de ordinanties niet gegeven. Wel voorzien deze ten slotte in de mogelijkheid in cassatie te gaan bij de generale commissie voor de behandeling van bezwaren en geschillen, waarbij met name als mogelijke gronden

|329|

worden genoemd: eventuele strijdigheid met het recht, détournement de pouvoir of onredelijke hantering van het recht (vgl. Ord. 13-50-4/5 HKO).

Binnen dertig dagen nadat de beslissing hem is meegedeeld kan de predikant zich beroepen op het breed moderamen van de generale synode, dat een eindbeslissing neemt.

 

Andere specifieke rechtsgangen betreffen onder meer:
1 de mogelijkheid bezwaar te maken tegen vastgestelde begrotingen bij de provinciale kerkvoogdijcommissie of de provinciale diakonale commissie (Ord. 16-12-8);
2 de mogelijkheid bij bezwaren tegen besluiten van deze commissies zich te beroepen op het generaal college van toezicht (Ord. 18-5-1);
3 de mogelijkheid van beroep op de generale synode voor theologische studenten die predikant willen worden, maar die door de ‘colloquiumcommissie’ worden afgewezen (Ord. 7-16-3) en;
4 de mogelijkheid van beroep op de raad voor de kerkelijke medewerkers bij arbeidsconflicten (Ord. 17-13-2).

 

16.7 Rechtspraak in de PKN

Voor het kerkrechtelijk bestel in de Protestantse Kerk in Nederland is ervoor gekozen de structuur van de HKO te volgen: een ‘eigenlijke kerkorde’, en voorts ordinanties en generale regelingen.

De structuur van de rechtspraak in de toekomstige verenigde kerk tekent zich overigens ook al af in de interim-regelingen, die zijn samengebracht in de Tussenorde,15 en die bedoeld zijn om kerkrechtelijke kaders aan te reiken voor situaties waar reeds op dit moment sprake is van een ‘brede interkerkelijke samenwerking’ of federatie: op die manier kan men plaatselijk of regionaal het kerkelijk leven al zoveel mogelijk regelen, alsof reeds sprake zou zijn van vereniging. Juridisch blijft het echter wel mogelijk de daartoe gezette stappen weer ongedaan te maken. In de Tussenorde is voorzien in provinciale colleges voor de handhaving van de kerkelijke tucht over ambtsdragers en provinciale colleges


15 Tussenorde ten dienste van de samenwerking van de Nederlandse Hervormde Kerk, de Gereformeerde Kerken in Nederland en de ELK, Dienstencentrum SoW-kerken, Utrecht 2000; de afzonderlijke kerkordes van de drie kerken bepalen de rechtskracht van de regelingen in de Tussenorde, maar tekenen daarbij wel uitdrukkelijk aan: zij zijn ‘niet bepalend voor vorm en inhoud van de later vast te stellen orde van de verenigde kerk’ (zie o.a. art. 128 lid 4 GKO).

|330|

voor de behandeling van bezwaren en geschillen. Deze zijn alleen bevoegd ten aanzien van zaken die spelen in gefedereerde gemeenten en classes.

 

De PKO kent evenals de HKO een gedifferentieerd rechtssysteem, en sluit zich ook in de uitwerking nauw aan bij de HKO. Dat geldt bijvoorbeeld bij het opzicht over belijdenis en wandel, en over verkondiging en de catechese, alsmede over de opleiding en vorming van predikanten (Ord. 10). Ook de daar voorziene rechtsgang is in grote mate vergelijkbaar met die in de HKO.

Terminologisch is er een verschil: waar de HKO spreekt van ‘commissies’ voor opzicht, voor bezwaren en geschillen enzovoort, spreekt de PKO van ‘colleges’. Op enkele punten zal, naar het zich laat aanzien, bij de behandeling van bezwaren en geschillen (Ord. 12) de rechtsbescherming in vergelijking met die in de HKO enigszins verbeterd worden. Van groot belang is, dat nu een afzonderlijke Generale regeling voor de rechtspraak zal worden vastgesteld, waarin voor de rechtsbescherming fundamentele zaken (termijnen, procedures, openbaarheid enzovoort) zullen worden geregeld, die in beginsel van toepassing zullen zijn bij alle daarvoor in aanmerking komende procedures.

Nu reeds voorziene belangrijke verschillen met de HKO-regeling zijn verder in elk geval de volgende.

In de PKO is voorgeschreven, dat aan elk rechtsprekend college een adviserend lid dient te worden toegevoegd, ‘dat de hoedanigheid van meester in de rechten bezit’ (Ord. 12-2-5 PKO).

Een termijn voor afhandeling wordt in Ordinantie 12 weliswaar (nog) niet voorgeschreven, maar wel dient een college steeds aan de betrokkenen mede te delen binnen welke termijn een uitspraak tegemoet gezien kan worden (Ord. 12-7-1 PKO; dit geldt opnieuw bij hoger beroep, Ord. 12-9-1 PKO). De mogelijkheid van horen buiten aanwezigheid van de andere partij is niet meer opgenomen.

Naar het zich laat aanzien, zal bij bezwaren tegen besluiten inzake het toezicht (genomen door een regionaal college voor de behandeling van beheerszaken) beroep openstaan op het generaal college voor bezwaren en geschillen, en niet op een generaal college voor de behandeling van beheerszaken (Ord. 11-22-5).16


16 Ik houd — in verband met de datum waarop deze tekst werd afgesloten — bij de verwijzing naar Ord. 11 PKO de nummering aan, zoals gegeven in de concepttekst van deze ordinantie, die aan de synode van 21-23 november 2002 ter behandeling werd voorgelegd, in de verwachting dat dit de definitieve nummering zal blijken te zijn.

|331|

Alle beslissingen van een college worden — zij het ontdaan van persoonlijke gegevens en in samenvatting — opgenomen in een periodiek verslag aan respectievelijk de algemene classicale vergadering en de generale synode. In zoverre kan van een zekere openbaarheid van rechtspraak worden gesproken.

 

Uit de GKO is ten slotte de mogelijkheid overgenomen revisie van een bestreden besluit te vragen bij de vergadering die het besluit nam (Ord. 12-12; vgl. art. 31 GKO). Daarbij gaat het echter, conform de voorheen in de GKO neergelegde regeling (en feitelijk ook daarnaar gemodelleerd) om een alternatief, naast de mogelijkheden van beroep, en niet om een verplichte stap vóórdat van een beroep sprake kan zijn. Een revisieverzoek dient binnen dertig dagen te zijn ingediend. Na een eventuele afwijzing van een verzoek tot revisie staat dan alsnog de mogelijkheid open een zaak voor te leggen aan een college voor bezwaren en geschillen.

 

16.8 Conclusie

Na het bovenstaande liggen een aantal conclusies voor de hand. Duidelijk is allereerst, dat de GKO, gemeten naar maatstaven ontleend aan het hedendaagse rechtsbewustzijn, tot voor kort volstrekt onvoldoende rechtsbescherming bood. Recente kerkordewijzigingen vormen een stap in de goede richting, hoewel onafhankelijke rechtspraak vooralsnog ontbreekt. Afhankelijk van de voortgang van het proces van kerkvereniging in de Protestantse Kerk in Nederland is invoering van vormen van onafhankelijke rechtspraak op afzienbare termijn te verwachten.

De HKO vertoont een veel positiever beeld. Onafhankelijke en onpartijdige rechtspraak is in een groot aantal gevallen gewaarborgd, al is ten aanzien van de rechtsbescherming veel niet expliciet geregeld.

 

Bepalend voor de rechtsbescherming in de hier besproken Nederlandse kerken in de nabije toekomst is uiteraard voor alles de verdere ontwikkeling van de regelgeving voor de Protestantse Kerk in Nederland.

Kerken kunnen zich in dit opzicht niet onttrekken aan de waarden die tot ontwikkeling komen in de cultuur waarbinnen die kerken leven, waarden die niet zelden mede onder invloed van de christelijke traditie zijn herkend. Het behoort tot het noodzakelijke proces van doorgaande inculturatie van de kerken dat zij ook in de wijze waarop zij hun rechtspleging regelen, zich niet te snel met een beroep op het eigene van de kerkelijke rechtssfeer onttrekken aan de humane verplichting de hoogste geldende standaarden inzake

|332|

rechtsbescherming na te streven. Hier speelt de vraag, welke betekenis in de kerken aan het rechtsbewustzijn in de samenleving wordt toegekend. In de praktijk blijkt overigens de intuïtieve — door de maatschappelijke context bepaalde — erkenning van het belang van de mensenrechten eenvoudig te kunnen doorwerken in de aanpassing van bestaand of de creatie van nieuw kerkrecht.

 

Duidelijk is, dat er vragen te stellen zijn rond de positie van de kerken als zodanig in het Nederlandse rechtssysteem, niet in de laatste plaats in relatie tot het zich ontwikkelende Europese recht. Dat gaat echter het bestek van dit artikel te buiten. Wel werd hierboven al aangegeven dat de burgerlijke rechter zich tot nu toe voorzichtig opstelt als het gaat om rechtspraak binnen de kerk. Het is echter de vraag, hoelang de burgerlijke rechter zich nog zal beperken tot marginale toetsing van kerkelijke procedures. Pel komt in een artikel tot de volgende stelling:

...de rechter moet met de kerkelijke regels wel uit de voeten kunnen, hij moet de weg kunnen vinden en nalopen en de kerkelijke procedures moeten voldoen aan elementaire beginselen van rechtspraak. Ontbreken er kerkelijke regels, zijn ze onduidelijk, worden ze niet nageleefd, zitten er kuilen in de weg, dan ontstaat de beweging dat de rechter zich terugtrekt op de voorzieningen die hij uit het wereldlijk recht kent.17

De recente invoering van een mogelijkheid tot het vragen van een spoedvoorziening in de GKO (art. 32a) is mede hierdoor gemotiveerd.

 

Literatuur

Gereformeerde Kerken in Nederland
Bos, F.L. (1950) De orde der Kerk — toegelicht met kerkelijke besluiten uit vier eeuwen, ’s-Gravenhage (betreft de DKO).
Kerkorde van de Gereformeerde Kerken in Nederland, uitgave 2001, Kampen: Kok 2001.
Nauta, D. (1971) Verklaring van de Kerkorde van de Gereformeerde Kerken in Nederland, Kampen: Kok (betreft de GKO — inmiddels overigens sterk verouderd).


17 Pel, a.w., noot 6, p. 42.

|333|

Nederlandse Hervormde Kerken in Nederland
Haitjema, Th. L. (1951) Nederlands hervormd kerkrecht, Nijkerk: Callenbach.
Heuvel, P. van den (20012) De hervormde kerkorde — een praktische toelichting, Boekencentrum, Zoetermeer.
Heuvel, P. van den (2001) ‘De kerkelijke rechtspraak’, in: W Balke e.a. (red.), De kerk op orde? Vijftig jaar hervormd leven met de kerkorde van 1951, Boekencentrum, Zoetermeer, 241-264.
Kerkorde van de Nederlandse Hervormde Kerk, losbladige uitgave, Boekencentrum, ’s-Gravenhage/Zoetermeer, vanaf 1969.

Evangelisch-Lutherse Kerk
Ordeningen voor de Evangelisch-Lutherse Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden, losbladige uitgave, Utrecht: Synodebureau, Landelijk Dienstencentrum SoW-kerken.

Samen op Weg-kerken
Tussenorde ten dienste van de samenwerking van de NHK, de GKN en de ELK, Dienstencentrum SoW-kerken, Utrecht 2000.

Protestantse Kerk in Nederland
Kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland, Boekencentrum, Zoetermeer 2003.
Ordinanties behorende bij de kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland, Boekencentrum, Zoetermeer 2003.

Algemeen
Torfs, R. (1993) Mensen en rechten in de kerk, Leuven: Davidsfonds.